Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BN0221

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-07-2010
Datum publicatie
05-07-2010
Zaaknummer
20-000385-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2009:BH0730, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft twee personen met een mes in de hartstreek neergestoken, ten gevolge waarvan beide slachtoffers zijn overleden. Ten aanzien van het eerste slachtoffer heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. In hoger beroep is onder meer aan de orde of verdachte ook ten aanzien van het tweede slachtoffer een beroep op noodweer of noodweerexces toekomt.

Het hof is van oordeel dat verdachte zich nog steeds in een noodweersituatie bevond en dat op grond van de feiten en (persoonlijke) omstandigheden aannemelijk is geworden dat bij verdachte door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding een dusdanige hevige gemoedsbeweging is ontstaan dat verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Het hof heeft hierbij mede in zijn beschouwingen betrokken dat de bij verdachte aanwezige posttraumatische stressstoornis van invloed is geweest op zijn handelwijze. Het hof vernietigt het vonnis, aanvaardt het beroep op noodweerexces en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000385-09

Uitspraak : 5 juli 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 23 januari 2009 in de strafzaak met parketnummer 03-700472-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1972],

wonende te [woonplaats], [adres].

waarbij de rechtbank de onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde doodslag bewezen heeft verklaard, en de verdachte ten aanzien van feit 1 heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 jaren en de verdachte ten aanzien van feit 2 heeft ontslagen van alle rechtsvervolging (noodweer), met beslissingen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is in de appelakte uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder feit 1 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] geheel toegewezen. De vordering duurt van rechtswege voort in hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal mr. A.W.A. Willemsen en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman, mr. L.J.H. Kortz, advocaat te Utrecht, naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en, te dien aanzien opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 ten laste is gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van het voorarrest. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij, heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het hof deze zal toewijzen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De verdediging heeft:

- primair vrijspraak bepleit;

- subsidiair een beroep gedaan op noodweer;

- meer subsidiair een beroep gedaan op noodweerexces;

- uiterst subsidiair een beroep gedaan op psychische overmacht;

- bepleit dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – zal

worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 9 juli 2008 in de gemeente Brunssum opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet meermalen, althans eenmaal met een mes gestoken in het lichaam van die [slachtoffer 2], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden.

Vaststaande feiten

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting stelt het hof de volgende feiten en omstandigheden vast:

Verdachte heeft op 9 juli 2008 te Brunssum eerst [slachtoffer 1] en vervolgens een tweede persoon, van wie hij nu weet dat deze [slachtoffer 2] heet, met een mes in de borst gestoken. De GGD arts, J.M. van der Loo, heeft om 20.10 uur die dag de dood geconstateerd van [slachtoffer 2], geboren te [geboorteplaats] op [1984]. Nu [slachtoffer 2] geen identiteitsbewijs bij zich droeg, heeft er een herkenning plaats gevonden. Op 10 juli 2008 werd een foto van het identiteitsbewijs van [slachtoffer 2] opgevraagd bij de afdeling bevolking bij de gemeente Onderbanken, welke foto vervolgens werd getoond aan brigadier Franssen. Zij herkende de man op de foto als één van de twee stoffelijke overschotten die op de plaats delict op de grond lag. Op 11 juli 2008 werd door patholoog dr. A Maes, verbonden aan het NFI te Den Haag, sectie verricht op het stoffelijk overschot van [slachtoffer 2] (sectienummer S 2008-254). De patholoog heeft bij die sectie een scherprandig letsel met perforatie van de borst linksboven geconstateerd. Het betreft bij leven opgelopen letsel als gevolg van steken met een scherp snijdend voorwerp zoals een mes. In de borst was een steekkanaal in relatie met huidletsel met perforatie van de borstkas, een doorsteek dwars door de beide hartkamers van het hart, het hartzakje en de linkerlong onderkwab. Als gevolg hiervan was een massaal bloedverlies opgetreden in de linkerborstkas. De patholoog stelt dat het massale bloedverlies en het functieverlies van het hart het overlijden zondermeer verklaren.

Bijzondere overweging omtrent het bewijs

De verdediging heeft gesteld dat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is aangevoerd dat er geen sprake was van opzet, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet, om [slachtoffer 2] van het leven te beroven.

Het hof overweegt hieromtrent het navolgende.

De stelling van de verdediging dat er geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet vindt zijn weerlegging in de tot het bewijs gebezigde door verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg en op de terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen.

Hierbij merkt het hof nog op dat het een feit van algemene bekendheid is dat zich in het bovenlichaam van een mens meerdere vitale organen bevinden, zoals hart en longen, en voorts vitale (slag)aders. Een verwonding aan dergelijke vitale delen van het lichaam kan levensbedreigend zijn en kan gemakkelijk tot de dood van de betreffende persoon leiden. Verdachte moet daarvan op de hoogte zijn geweest.

Door met een mes in de hartstreek van het slachtoffer [slachtoffer 2] te steken heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij één of meer vitale delen, organen of (slag)aders zou raken en aldus het slachtoffer van het leven zou beroven, zodat zijn opzet ten minste in voorwaardelijke zin op dat gevolg gericht was.

Bijgevolg verwerpt het hof het verweer.

Bewezenverklaring

Op grond van de redengevende feiten en omstandigheden, zoals deze volgen uit de hiervoor vermelde vaststaande feiten en de bijzondere overweging omtrent het bewijs en de aan deze onderdelen ten grondslag liggende bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte onder 1 ten laste gelegde

wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 9 juli 2008 in de gemeente Brunssum opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes gestoken in het lichaam van [slachtoffer 2], tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 2] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Van de zijde van verdachte zijn ter terechtzitting in hoger beroep meerdere verweren gevoerd ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte.

Allereerst heeft de verdediging gesteld dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, daar hij heeft gehandeld uit noodweer. Daartoe is aangevoerd dat de opeenvolgende gebeurtenissen niet in twee afzonderlijke situaties opgedeeld kunnen worden, zoals de rechtbank heeft gemeend te moeten doen, maar gelet op het zeer korte tijdsbestek waarin een en ander heeft plaatsgevonden, gezien moeten worden als deel uitmakend van één geheel. Daarbij heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet heeft gehandeld uit wraak, maar dat hij het feit heeft begaan als gevolg van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding tegen zijn lijf waartegen hij zich moest verdedigen.

Voorts heeft de verdediging gesteld dat verdachte een beroep op noodweerexces toekomt, zodat op die grond eveneens ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen. Daartoe is aangevoerd dat er sprake is van een voortdurende noodweersituatie. Het neersteken van [slachtoffer 2] is gebeurd in een hevige gemoedsbeweging die door de eerste noodweersituatie – de levensbedreigende aanranding door [slachtoffer 1] tezamen met de andere drie aanwezige personen – is veroorzaakt.

Tenslotte heeft de verdediging een beroep gedaan op psychische overmacht, nu het neersteken van [slachtoffer 2] door een posttraumatische en acute stressreactie is bepaald.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep op noodweer, noodweerexces dan wel psychische overmacht toekomt en zich wat betreft de plaatsgevonden handelingen – het insteken op [slachtoffer 1] respectievelijk [slachtoffer 2] – evenals de rechtbank op het standpunt gesteld dat hier sprake was van twee afzonderlijke situaties.

Het hof gaat voor de behandeling van de door de verdediging gevoerde verweren uit van de volgende feiten en omstandigheden.

[slachtoffer 1], [betrokkene 1] (nader te noemen [betrokkene 1]), [betrokkene 2] en [slachtoffer 2] stappen op 9 juli 2008 omstreeks 18.45 uur in de zwarte Jeep van [betrokkene 2]. In die auto bevinden zich tevens twee breekijzers en de hond van [slachtoffer 2], zijnde een zwarte Stafford. [slachtoffer 1] en [betrokkene 1] hebben een busje pepperspray op zak. De vier mannen rijden met de Jeep naar de [pand], gelegen aan de [adres] te Brunssum, om bij verdachte verhaal te halen omtrent het handgemeen dat volgens [betrokkene 3] (de ex-vriendin van verdachte en de zus van [slachtoffer 1] en [betrokkene 1]) eerder die dag tussen haar en verdachte zou hebben plaatsgevonden.

Verdachte ziet zich in de deuropening van zijn atelier in de [pand] plots geconfronteerd met de vier voornoemde personen en de onaangelijnde hond, met de uiterlijke kenmerken van een ‘vechthond’. Verdachte is terug naar binnen gerend en werd direct gevolgd door [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [betrokkene 1]. [betrokkene 2] bleef buiten achter. Binnen is [slachtoffer 1] op verdachte afgestapt met in zijn opgeheven hand een breekijzer, waarmee hij een slaande beweging heeft gemaakt naar verdachte. Tevens is er met pepperspray op verdachte gespoten. Verdachte heeft toen ter verdediging met het mes – een expositiestuk dat hij van de werktafel heeft gepakt – een stekende beweging gemaakt naar [slachtoffer 1] en deze daarbij in de hartstreek geraakt. Verdachte zag tegenover zich een zeker 1.90 meter lange man met in zijn opgeheven hand een breekijzer, waarmee hij een slaande beweging maakte, en die werd vergezeld door twee andere personen en een hond met de uiterlijke kenmerken van een vechthond. Verdachte kon en mocht toen zeer wel denken dat hij zich op dat moment in zeer ernstig gevaar, wellicht zelfs levensgevaar, bevond. Te meer nu verdachte in een ruimte stond waarin hij feitelijk geen kant meer op kon en er geen vluchtwegen waren. De enige bruikbare uitgang bevond zich achter de latere slachtoffers. Voor verdachte bleef toen geen andere optie meer open dan zich te verdedigen.

Ten aanzien van de onder feit 2 ten laste gelegde doodslag van [slachtoffer 1] – welk feit niet aan het oordeel van het hof is onderworpen – heeft de rechtbank beslist dat het beroep op noodweer slaagt.

De vraag waarvoor het hof zich thans ziet gesteld is of verdachte ten aanzien van feit 1 (de doodslag van [slachtoffer 2]) eveneens een beroep op de door de verdediging genoemde strafuitsluitingsgronden toekomt.

Het hof stelt hierbij voorop dat verdachte het verweer slechts aannemelijk dient te maken en dat op hem geen bewijslast rust.

Het hof overweegt daaromtrent allereerst het volgende.

De rechtbank is van oordeel dat bij de beoordeling van de vraag of er ten aanzien van feit 2 (doodslag van [slachtoffer 1]) en feit 1 (doodslag van [slachtoffer 2]) aannemelijk is dat sprake is van een noodweer(exces) situatie, de gebeurtenissen nopen tot het uitgaan van twee van elkaar te onderscheiden situaties. In de eerste situatie, de uitschakeling van [slachtoffer 1], is het beroep op noodweer door de rechtbank gehonoreerd. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat op het moment waarop verdachte [slachtoffer 1] heeft uitgeschakeld de noodweertoestand afgelopen was en er derhalve geen noodzaak meer was om de tweede opponent, te weten [slachtoffer 2], uit te schakelen zodat verdachte ten aanzien van feit 1 geen beroep op noodweer dan wel noodweerexces toe komt. Verdachte zou – aldus de rechtbank – de doodslag van [slachtoffer 2] hebben gepleegd uit vergeldingsmotieven.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof, met de verdediging, van oordeel dat er sprake is van één gebeurtenis en niet van twee afzonderlijke situaties. Het hof overweegt in dat kader dat verdachte zich in zijn atelier zag geconfronteerd met vier personen en een hond. Deze groep personen was bewapend met een breekijzer en pepperspray en bedreigde verdachte levensgevaarlijk met gebruikmaking van deze voorwerpen. Vluchten was voor verdachte niet mogelijk, nu alle enkele buitendeuren afgesloten waren en de enige doorgang zich achter zijn opponenten bevond. In deze bedreigende situatie heeft verdachte eerst [slachtoffer 1] en onmiddellijk aansluitend [slachtoffer 2] met het mes gestoken. Deze handelingen vonden in een zeer kort tijdsbestek plaats. Het hof heeft in de zich in het dossier bevindende stukken geen enkele indicatie gevonden dat dit tijdsvak langer dan een minuut zou hebben geduurd, gelijk door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep gesteld. [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hebben omtrent dit tijdsvak verklaard dat het geheel niet langer dan 15 à 30 seconden heeft geduurd. Verdachte spreekt ter terechtzitting in hoger beroep over een tijdsverloop van rond de acht seconden. Op grond van al deze verklaringen gaat het hof er van uit dat dit tijdsvak in ieder geval van korte duur is geweest.

In zijn oordeel dat het maken van een knip in de gebeurtenissen achterwege dient te blijven heeft het hof, naast voormeld tijdsverloop, het rapport van prof. dr. G.F. Koerselman betrokken. De psychiater relateert in dit rapport onder meer het volgende:

Ten aanzien van het neersteken van [slachtoffer 2] meent de rechtbank dat er sprake is geweest van een vergeldingsmotief. Vanuit de kennis over reacties in situaties van acute bedreiging komt dat laatste mij als uiterst onwaarschijnlijk voor. Vergelding vergt op zichzelf een andere “state of mind” dan past bij de acute reactie op levensgevaar. Voor vergelding is het nodig dat men zich bewust realiseert dat er onrecht wordt aangedaan. Dit betekent dat men als het ware afstand moet kunnen nemen van de situatie en die moet kunnen beschouwen tegen een norm van wat wel of niet juist of rechtvaardig zou zijn. Dat vergt echter omschakeling. Tijdens de acute reactie op levensgevaar is een dergelijke “meta-visie” niet mogelijk. Reflectoir gaat het alleen om overleven. Om uit die situatie te treden en te kunnen komen tot een vergeldingsmotief is tijd nodig. Die tijd hoeft misschien niet heel lang te zijn, maar zeker wel langer dan enkele seconden. Dat betrokkene een dergelijke omslag kon maken ten aanzien van [slachtoffer 2] lijkt mij niet aannemelijk. Op dat moment was betrokkene in een reflectoire gemengde freeze- en fightreactie, waarin een dergelijke afweging mijn inziens niet mogelijk kan zijn geweest. Daarbij moet ook in aanmerking worden genomen dat betrokkene door pepperspray maar beperkt in staat moet zijn geweest om de situatie goed te overzien. Ook als [slachtoffer 2] hem niet werkelijk zou hebben bedreigd, dan nog is mijn inziens niet anders te verwachten dan dat betrokkene op dat moment [slachtoffer 2] ervoer als onderdeel van een levensbedreigende omstandigheid, waarin hij reflectoir reageerde. De tijd tussen beide steekreacties is mijn inziens te kort geweest om te kunnen spreken van een “nieuwe situatie” bij de tweede steek in vergelijking met de eerste.

Het hof neemt de beschouwingen en conclusies van vorengenoemde deskundige over en maakt deze tot de zijne.

Noodweer

Ogenblikkelijk nadat verdachte het eerste slachtoffer met het mes heeft neergestoken, werd hij opnieuw bespoten met pepperspray. Anders dan de rechtbank, is het hof van oordeel dat de pepperspray voor aanzienlijke hinder aan het waarnemingsvermogen van verdachte heeft gezorgd. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van pepperspray leidt tot een hevig prikkelend effect op met name de ogen, hetgeen erg veel pijn veroorzaakt en waardoor men nog maar weinig kan zien. Dat verdachte weldegelijk hinder heeft ondervonden van de effecten van de pepperspray vindt steun in de verklaring van getuige [getuige], welke heeft verklaard dat hij verdachte heeft aangetroffen met rode ogen en veel snot in het gezicht.

Het hof overweegt voorts dat verdachte mocht menen dat hij zich, ook na het uitschakelen van zijn eerste opponent, nog immer in een levensbedreigende situatie bevond, nu [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] deel uitmaakten van de groep mannen die bij hem verhaal kwam halen, verdachte zojuist één van hen had neergestoken en verdachte zelf voor de tweede keer met pepperspray werd bespoten.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat, ook ten tijde van het neersteken van [slachtoffer 2], de noodweersituatie nog steeds bestond en er sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding die een verdediging noodzakelijk maakte. De vraag die volgt is of de wijze van afweer van de wederrechtelijke aanranding noodzakelijk en proportioneel is geweest. Het hof overweegt hiertoe dat verdachte met een mes heeft ingestoken op [slachtoffer 2]. Het hof is van oordeel dat verdachte door het toebrengen van één steek in de hartstreek bij een persoon de grenzen van noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Het hof acht deze wijze van verdediging disproportioneel. Gelet op deze omstandigheid moet het beroep op noodweer worden verworpen.

Noodweerexces

Het hof heeft hierboven vastgesteld dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 2], onderdeel van de groep die verhaal kwam halen, die een verdediging noodzakelijk maakte. Het hof heeft echter geoordeeld dat verdachte, ten opzichte van het tweede slachtoffer, verder is gegaan in de verdediging dan gerechtvaardigd is om een beroep op noodweer te laten slagen.

Onder deze omstandigheden kan verdachte op grond van artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, nog wel een beroep toekomen op noodweerexces. De voorwaarde die aan noodweerexces is verbonden is dat de overschrijding van de grenzen van verdediging, welke verdediging op zichzelf wel noodzakelijk moet zijn geweest, het onmiddellijk gevolg dient te zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging die moet zijn veroorzaakt door de aanranding. Binnen noodweerexces is niet alles toelaatbaar, het gaat erom wat van de verdachte in kwestie redelijkerwijs nog mocht worden gevergd. Het wettelijk vereiste van ‘het onmiddellijk gevolg’ stelt een duidelijke grens: er mag maar weinig tijd verstrijken tussen aanranding en exces.

Als belangrijk basisvereiste voor noodweerexces geldt dat er een noodzaak tot verdediging is of is geweest. Daarnaast moet de gemoedsbeweging hevig zijn geweest. De wettelijke omschrijving vereist bovendien voor de gemoedsbeweging een dubbele causaliteit. Ten eerste moet het exces zijn veroorzaakt door een hevige gemoedsweging en ten tweede moet die emotie door de aanranding zijn opgewekt. Er moet vooral een indringende causale relatie bestaan tussen de gemoedsbeweging en het overschrijden van de proportionaliteit bij de verdediging.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Zoals hiervoor reeds is besproken zag verdachte zich in zijn atelier geconfronteerd met een groep van vier personen die, bewapend met een breekijzer, pepperspray en een vechthond, bij hem verhaal kwamen halen naar aanleiding van een voorval eerder die dag. Nadat verdachte zijn eerste opponent, [slachtoffer 1], had uitgeschakeld door deze met een mes te steken, werd verdachte nogmaals bespoten met pepperspray. De effecten van de pepperspray hebben ertoe geleid dat verdachte hiervan veel pijn ondervond en amper nog wat kon zien. In korte flitsen nam hij waar dat er een tweede opponent tegenover hem stond, te weten [slachtoffer 2]. Hij hoorde [slachtoffer 2] zeggen: “Ik maak je kapot.” Verdachte stond een ogenblik stokstijf van angst, maar heeft zichzelf vervolgens verdedigd door [slachtoffer 2] te steken met het mes dat hij nog in zijn handen vast had.

Prof. dr. G.F. Koerselman heeft in het hierboven reeds aangehaalde rapport de mogelijke invloed van PTSS (deze posttraumatische stressstoornis is bij verdachte in het verleden vastgesteld) op het handelen van verdachte besproken. De deskundige relateert hieromtrent het volgende:

De klassieke klachten van PTSS zoals herbeleving, overmatig gespannen zijn en vermijdingsgedrag kunnen al of niet door behandeling tot rust komen. Dat sluit echter geenszins uit dat deze verschijnselen weer terug kunnen keren. Blootstelling aan vergelijkbare gebeurtenissen als die welke aan PTSS hebben bijgedragen, kan daarbij een belangrijke rol spelen. Mijn inziens kan er geen twijfel over bestaan dat de omstandigheden waarin betrokkene zich op 9 juli 2008 bevond, als zo’n gebeurtenis zijn aan te merken. Wanneer iemand met PTSS wordt geconfronteerd met een stimulus die verband houdt met een eerdere traumatische ervaring, komt hij als het ware weer in de situatie terecht van dat vroegere moment. Dat kan gepaard gaan met herbelevingen, maar evengoed met meer automatische reacties die toen aan de orde waren in de sfeer van “flight”, “freeze” of “fight”. Het is zeer aannemelijk dat betrokkene tijdens de bedreiging op 9 juli 2008 eenzelfde automatische lichamelijke reactie heeft gehad als toen hij onder vuur lag of toen hij zich moest bevrijden van Bosnische strijders waarmee hij onverwacht werd geconfronteerd. Een dergelijke automatische reactie zal de reflex die door de situatie toch al te verwachten was hebben versterkt. Dat maakt het mijn inziens des te meer onwaarschijnlijk dat betrokkene in de enkele seconden na het neersteken van [slachtoffer 1] in een totaal andere lichamelijke en geestelijke conditionering was bij het neersteken van [slachtoffer 2].

Samenvattend is het mijn inziens het meest aannemelijk, dat betrokkene tijdens de overval op hem op 9 juli 2008 in een acute stresssituatie is beland, waarin hij op een automatisch niveau heeft gereageerd vanuit een “freeze- en fightreflex”, nadat vluchten onmogelijk was geworden. De reactie is versterkt doordat de acute levensbedreiging niet zozeer een herbeleving heeft opgeroepen, maar juist een automatische lichamelijke en psychische reactie die kan worden samengevat als “freeze” (het gevoel van verstijving of verstening) en “fight” (het afweren met een mes). De duur van deze gebeurtenissen is te kort geweest om een wezenlijke verandering van “state of mind” mogelijk te maken, die noodzakelijk zou zijn geweest om tot vergelding over te gaan. Ook als het slachtoffer [slachtoffer 2] ongewapend was en achteruit bewoog, dan nog moeten mijn inziens de beide steekreacties worden gezien als automatische reacties in een levensbedreigende omstandigheid, waarvan het bedreigende karakter onder invloed van vroegere traumatische ervaringen werd versterkt.

Het hof neemt de beschouwingen en conclusies van vorengenoemde deskundige over en maakt deze tot de zijne.

Het hof overweegt dat er sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 2], die een verdediging noodzakelijk maakte. Verdachte heeft door [slachtoffer 2] met het mes in de hartstreek te steken, de grenzen van verdediging overschreden. De omstandigheid dat verdachte excessief geweld heeft toegepast is echter het onmiddellijk gevolg van de hevige gemoedsbeweging die door de aanranding – niet alleen door [slachtoffer 2], maar door de gehele groep – werd veroorzaakt. Bij verdachte was immers sprake van een langdurige en herhaalde traumatisering door levensbedreigende situaties in het verleden. Blijkens de hierboven geciteerde passage van het rapport van dr. Koerselman is het immers zo dat wanneer een persoon met PTSS wordt geconfronteerd met een stimulus die verband houdt met een eerdere traumatische ervaring, hij als het ware weer in de situatie terecht komt van dat vroegere moment, hetgeen gepaard kan gaan met automatische reacties die toen aan de orde waren in de sfeer van flight, freeze of fight.

Het hof acht het aannemelijk dat de bedreigingen van 9 juli 2008 bij verdachte hebben geleid tot een acute reactivering van een posttraumatische stressreactie. Aannemelijk wordt voorts geacht dat deze hevige gemoedsbeweging, opgewekt door de bedreigingen, er toe heeft geleid dat verdachte met een mes heeft gestoken in het lichaam van [slachtoffer 2], tengevolge waarvan die laatste is overleden.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat verdachte ten aanzien van feit 1 een beroep op noodweerexces toekomt. Verdachte is daarom niet strafbaar voor de hiervoor bewezen verklaarde doodslag en dient van alle rechtsvervolging te worden ontslagen.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 6.447,82. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

Gelet op de omstandigheid dat verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen en aan hem ter zake geen maatregel zal worden opgelegd, kan de benadeelde partij [benadeelde] niet in haar vordering worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 bewezen verklaarde oplevert:

Doodslag.

Verklaart verdachte niet strafbaar.

Ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde], in haar vordering niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de benadeelde partij, [benadeelde], in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. S.C. van Duijn en mr. O.E.M. Leinarts,

in tegenwoordigheid van mr. N.S. Oort, griffier,

en op 5 juli 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. O.E.M. Leinarts is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.