Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM9999

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-06-2010
Datum publicatie
02-07-2010
Zaaknummer
20-003045-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontnemingszaak. Geen aftrek kosten elektriciteit bij berekening wederrechtelijk voordeel; waarde van gestolen elektriciteit is aan te merken als besparing van kosten, dus als wederrechtelijk voordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-003045-08

Uitspraak : 15 juni 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 20 augustus 2007 in de strafzaak met parketnummer

01-847038-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats]) op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De veroordeelde heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 1 juni 2010.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat de politierechter kon volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.

Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

A.

De veroordeelde is bij arrest van dit hof van (parketnummer 20-003046-08)) ter zake van (onder meer) handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, veroordeeld tot straf.

B1.

Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormeld feit welk feit is gepleegd in de periode van 8 juni 2006 tot en met 8 augustus 2006, een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten ten bedrage van € 1.000,00.

B2.

Het hof komt tot dit bedrag op grond van:

- de verklaring van verdachte dat hij € 1.000,00 van [betrokkene] heeft ontvangen voor de kweek (pagina 61).

- de verklaring van [betrokkene] dat de opbrengst van de kweek € 2.790,00 bedroeg, waarvan hij € 1.000,00 aan [verdachte] heeft gegeven (pagina 69).

C1.

Bij de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient acht te worden geslagen op de door de verdachte naar voren gebrachte en aannemelijk geworden kosten. Uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt van enige kosten die door verdachte zijn gedragen. [betrokkene] verklaart dat hij € 6.500,00 heeft betaald voor de materialen om de kwekerij te installeren hetgeen door verdachte wordt bevestigd. Deze kosten kunnen dan ook niet op het door verdachte verkregen voordeel in mindering worden gebracht.

C2.

In tegenstelling tot hetgeen de verdediging hieromtrent heeft gesteld, zal het hof geen elektriciteitskosten in mindering brengen, nu de waarde van de elektriciteit als wederrechtelijk (door middel van diefstal) verkregen voordeel, namelijk besparing van kosten, moet worden aangemerkt. Dit voordeel wordt met het alsnog betalen van de elektriciteitskosten teniet gedaan. Het hof zal daarom de besparing als voordeel noch de nadien aan verdachte gefactureerde elektriciteitskosten bij de berekening betrekken.

D.

Resumé: netto-opbrengst € 1.000,00.

Op te leggen betalingsverplichting

Het hof heeft bij de schatting van het geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening gehouden met de draagkracht van veroordeelde om aan de Staat enig geldbedrag te betalen, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Het hof is, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van oordeel dat voorshands niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde thans, of op enig moment alsnog, niet in staat zou zijn aan zijn betalingsverplichting te voldoen, mede gelet op de geldende verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van deze betalingsverplichting ingevolge artikel 76 juncto artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl het Openbaar Ministerie gedurende die termijn onbeperkt uitstel van betaling kan verlenen en betaling in termijnen kan toestaan.

De toegepaste wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van EUR 1.000,00 (duizend euro).

Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van EUR 1.000,00 (duizend euro).

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. J.H.M. Westenbroek,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Blokx- van Roosmalen, griffier,

en op 15 juni 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.