Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM8456

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
21-06-2010
Zaaknummer
08/00692
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft in de jaren 1964 tot 1986 werkzaamheden als lasser uitgevoerd voor verschillende bedrijven. Belanghebbende heeft in deze periode verzekeringen afgesloten met het oog op voorziening in zijn inkomen na zijn 65e jaar. In 2006, het jaar waarin hij 65 werd, heeft belanghebbende vier afkoopsommen van periodieke uitkeringen van deze verzekeringen ontvangen. De inspecteur is van mening dat deze afkoopsommen belast zijn als (afkoop van) pensioen hetzij als (afkoop van) periodieke uitkering. Het hof acht aannemelijk dat belanghebbende de betaalde premies in het verleden niet ten laste van zijn inkomen heeft gebracht en dat geen sprake is van een fiscaal gefaciliteerd pensioen. De inspecteur heeft volgens het hof voorts niet aannemelijk gemaakt dat de uitkeringen bij toepassing van de saldomethode geheel of gedeeltelijk belast zijn. Het gelijk is aan belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2010/187
Belastingadvies 2010/17.7
V-N 2010/50.12 met annotatie van Redactie
FutD 2010-1568
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 08/00692

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y, hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 24 oktober 2008, nummer 08/2362 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

Primitieve aanslag

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2006 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.237, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 107. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 15 januari 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende alsmede de Inspecteur.

1.5. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende heeft in de jaren 1964 tot 1986 werkzaamheden als lasser uitgevoerd voor verschillende bedrijven. Belanghebbende heeft in deze periode verzekeringen afgesloten met het oog op voorziening in zijn inkomen na zijn 65ste jaar.

2.2. Belanghebbende is op 31 december 2006 65 jaar geworden.

2.3. Belanghebbende heeft in 2006 vier afkoopsommen van periodieke uitkeringen ontvangen. Het betreft uitkeringen op de hiervoor in 2.1 bedoelde verzekeringen. De uitkerende instellingen waren blijkens de verstrekte jaaropgaven (1) A N.V., (2) B, (3) C en (4) D. De jaaropgaven vermelden alle ingehouden bedragen aan loonbelasting en premie volksverzekeringen. Het totaal fiscaal brutobedrag aan uitkeringen beliep € 10.733 en de daarop ingehouden loonheffingen € 1.564 en bijdrage zorgverzekering € 132,12.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de onder 2.3. vermelde (afkoopsommen van) uitkeringen ad in totaal € 10.733 belastbaar zijn. Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur, en tot vermindering van de aanslag tot één berekend naar een belastbaar inkomen van (€ 28.237 (vastgesteld) minus € 10.733 (bedrag van de uitkeringen) =) € 17.504. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1. De Inspecteur stelt dat de door belanghebbende ontvangen bedragen belast zijn als inkomen uit werk en woning, hetzij als (afkoop van) pensioen hetzij als (afkoop van) periodieke uitkering.

4.2. Belanghebbende bestrijdt de visie van de Inspecteur. Hij stelt dat hij destijds als zelfstandig lasser werkzaamheden verrichtte voor allerlei bedrijven. Bij het einde van zijn werkzaamheden voor een opdrachtgever kreeg hij telkens een bedrag aan pensioenbijdragen op zijn rekening gestort, onder de mededeling dat hij wegens de korte duur van zijn werkzaamheden niet voor aansluiting bij het betreffende pensioenfonds in aanmerking kwam. Hij heeft toen maar zelf overeenkomsten gesloten met verschillende instellingen om ervoor te zorgen dat hij later niet een te laag pensioen zou krijgen. Hij betaalde de verschuldigde premies rechtstreeks aan de betrokken instelling. Hij stelt de premies niet ten laste van zijn inkomen te hebben gebracht. Hij stelt over de betreffende jaren in het geheel geen aangifte inkomstenbelasting te hebben gedaan, hetgeen, zo stelt hij, de Inspecteur bekend moet zijn. Hij heeft in zijn aangifte over het jaar 2006 per abuis de bedragen opgegeven als box 1 inkomen; hij had (zijn recht op) de bedragen eigenlijk moeten aangeven in box 3.

4.3. De Inspecteur stelt daartegenover dat in ieder geval de bedragen uitgekeerd door het B, C en D als pensioen moeten worden aangemerkt, omdat het, zo stelt hij, aannemelijk is dat sprake is van fiscaal gefaciliteerde pensioenen. Belanghebbendes weergave van de feiten maakt dat, zo stelt de Inspecteur, niet anders. Het feit dat belanghebbende bij het einde van zijn werkzaamheden voor een werkgever een bedrag aan pensioenbijdragen ontving, betekent dat deze bijdragen aanvankelijk werden ingehouden. Bij die inhouding zullen de bijdragen ongetwijfeld in mindering zijn gebracht op het belastbaar loon, aldus de Inspecteur.

4.4. Het Hof acht belanghebbendes weergave van de feiten geloofwaardig. Het Hof verwerpt de stelling van de Inspecteur dat de gang van zaken wijst op de aanwezigheid van een fiscaal gefaciliteerd pensioen. Indien al de pensioenbijdragen door de werkgever aanvankelijk zouden zijn ingehouden, en daarbij niet tot het loon zouden zijn gerekend, is het aannemelijk dat bij latere restitutie van die bijdragen deze restitutie alsnog tot het loon is gerekend. Hetgeen van de restituties netto resteerde heeft aldus de loonsfeer verlaten. De onderhavige uitkeringen kunnen daarom niet als opbrengst van die (vroegere) dienstbetrekking worden aangemerkt, ook niet als zij uit die (belaste) restituties zijn gefinancierd.

4.5. De door belanghebbende ontvangen bedragen kunnen bijgevolg niet als pensioen (c.q. loon uit vroegere dienstbetrekking) worden aangemerkt. Het Hof dient vervolgens de stelling van de Inspecteur te onderzoeken dat de bedragen gekwalificeerd dienen te worden als in box 1 belastbare periodieke uitkeringen.

4.6. Artikel I, onderdeel O, van hoofdstuk 2 van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 bepaalt, voor zover hier van belang:

'O. Bestaande rechten en verplichtingen ter zake van periodieke uitkeringen en verstrekkingen

1. Voor het bepalen van het inkomen uit een recht op periodieke uitkeringen of verstrekkingen die de tegenwaarde vormen voor een prestatie blijven de regels die daarvoor golden op 31 december 2000 op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, voor zover die regels niet in strijd komen met het bepaalde in artikel 3:109 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van toepassing voor zover:

a. vóór 1 januari 2001 premies zijn betaald die op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 als persoonlijke verplichtingen of als premies voor aanspraken als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel f, van die wet, in aanmerking konden worden genomen ter zake van een overeenkomst die tot stand is gekomen vóór 1 januari 2001;

b. vóór 14 september 1999 premies zijn betaald die op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 niet als persoonlijke verplichtingen of als premies voor aanspraken als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel f, van die wet, in aanmerking konden worden genomen ter zake van een overeenkomst die tot stand is gekomen vóór 14 september 1999;

(...)

Voor zover de periodieke uitkeringen en verstrekkingen volgens de regels die op 31 december 2000 golden op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, zouden behoren tot de inkomsten uit vermogen, worden deze aangemerkt als belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen uit een inkomensvoorziening als bedoeld in artikel 3.100 en in 7.2, tweede lid, onderdeel d, van de Wet inkomstenbelasting 2001.'.

4.7. De door belanghebbende gesloten overeenkomsten vallen hetzij onder lid 1, onderdeel a, hetzij onder onderdeel b, van het hierboven geciteerde wetsartikel, afhankelijk van de vraag - kort gezegd - of de door belanghebbende betaalde premies voor aftrek in aanmerking kwamen. In beide gevallen geldt dat de belastbaarheid van de uitkering wordt bepaald op grond van artikel 25, lid 1, onderdeel g, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB '64), de zogenaamde saldo- of overschotmethode (hierna: saldomethode).

4.8. Artikel 25, lid 1, onderdeel g, Wet IB '64 formuleert de saldomethode aldus, dat "periodieke uitkeringen die de tegenwaarde voor een prestatie vormen (...) tot het inkomen behoren voor zover zij (cursivering van het Hof) (...) de waarde van de prestatie te boven gaan ...". Gelet op deze tekst en overwegende dat een redelijke verdeling van de bewijslast meebrengt dat de Inspecteur tegenover de betwisting door belanghebbende aannemelijk maakt dat in het verleden wel een aftrek van het inkomen heeft plaatsgevonden dan wel had kunnen plaatsvinden, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk moet maken dat en in hoeverre de onderhavige uitkeringen de betaalde (niet-aftrekbare) tegenprestaties te boven gaan.

4.9. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur, op wie op grond van het vorenstaande de bewijslast van belastbaarheid van de uitkeringen drukt, geen feiten of omstandigheden gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, die kunnen leiden tot het oordeel dat de onderhavige uitkeringen geheel of gedeeltelijk belast zijn. Het gelijk is derhalve aan belanghebbende, zodat de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd.

4.10. Uit het vorenoverwogene volgt dat het verzamelinkomen voor de persoonsgebonden aftrek nader dient te worden berekend op € 30.945 - € 10.733 = € 20.212. Als gevolg hiervan dient de voor de persoonsgebonden aftrek met betrekking tot de buitengewone uitgaven ter zake van ziekte geldende drempel te worden verminderd van € 3.558 tot € 2.324. Aldus dient de persoonsgebonden aftrek te worden verhoogd van € 2.708 met (€ 3.558 - € 2.324 =) € 1.234 = € 3.942. Het verzamelinkomen na de persoonsgebonden aftrek dient nader te worden vastgesteld op: (€ 28.237 (oorspronkelijk vastgestelde verzamelinkomen)- € 10.733 (minder inkomen uit werk en woning)- € 1.234 (hogere persoonsgebonden aftrek)=) € 16.270.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 39 respectievelijk € 107 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12. Hoewel het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om een proceskostenvergoeding, en het Hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat hij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

- vermindert de aanslag tot één naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.212 en een verzamelinkomen na persoonsgebonden aftrek van € 16.270,

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal, € 146 vergoedt.

Aldus gedaan op: 28 mei 2010 door P. Fortuin, voorzitter, N. van Beelen en W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, leden, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.