Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM8451

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
21-06-2010
Zaaknummer
09/00150
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze zaak betreft de waardering van een tenniscomplex, bestaande uit zes tennisbanen, oefenkooi, clubhuis, kleedruimte en berging. In geschil is de door de heffingsambtenaar gehanteerde factor voor functionele veroudering voor de tennisbanen. Belanghebbende is van mening dat deze hoger gesteld moet worden omdat drie van de zes banen niet voldoen aan de KNLTB-normen en omdat er sprake is van een afnemend ledenaantal. Het hof ziet daartoe geen reden. Niet aannemelijk is gemaakt dat het eerstgenoemde feit een belemmering of beperking ten aanzien van het gebruik van de tennisbanen met zich meebrengt. Ook heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een duurzame en zich voortzettende daling van het ledenaantal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2010/1055
FutD 2010-1586
NTFR 2010/1524 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00150

Uitspraak op het hoger beroep van

X te Y,

hierna: belanghebbende,

en op het incidentele hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de gemeente Z,

hierna: de heffingsambtenaar

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 24 februari 2009, nummer AWB 07/5466, in het geding tussen

belanghebbende

en

de heffingsambtenaar

betreffende de bij beschikking voor de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) vastgestelde waarde van de onroerende zaak, gelegen aan A-straat 19 te Y, per de waardepeildatum 1 januari 2005 voor het tijdvak van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 (hierna: de beschikking) en de tegelijkertijd aan belanghebbende ter zake van deze onroerende zaak opgelegde aanslagen in de onroerende zaakbelasting voor het jaar 2007.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 28 februari 2007 in het kader van de Wet WOZ bij beschikking (hierna: de beschikking) de waarde van de onroerende zaak, gelegen aan de A-straat 19 te Y (hierna: de onroerende zaak), per de waardepeildatum 1 januari 2005 voor het tijdvak van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 vastgesteld op € 557.000. Tegelijkertijd zijn aan belanghebbende aanslagen in de onroerende zaakbelasting over het jaar 2007 opgelegd, welke aanslagen in één geschrift zijn verenigd met de beschikking (hierna: de aanslagen). Belanghebbende heeft tegen de beschikking en de aanslagen bij de heffingsambtenaar in één geschrift bezwaar gemaakt. Bij in één geschrift verenigde uitspraken van de heffingsambtenaar heeft deze de waarde van onroerende zaak nader vastgesteld op € 464.000 en de aanslagen met € 110 respectievelijk € 88 verminderd.

1.2. Belanghebbende is van de uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de bij beschikking vastgestelde waarde verminderd tot € 425.000, de aanslagen dienovereenkomstig verminderd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 483 met aanwijzing van de gemeente Z als de rechtspersoon die dit bedrag aan belanghebbende moet vergoeden en de gemeente Z gelast aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 285 te vergoeden.

1.3. Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 447. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De heffingsambtenaar heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Belanghebbende heeft het incidenteel hoger beroep beantwoord. De heffingsambtenaar heeft hierop schriftelijk gerepliceerd en belanghebbende heeft schriftelijk gedupliceerd.

1.5. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de heffingsambtenaar vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 19 februari 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de heffingsambtenaar.

1.7. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Het Hof rekent de pleitnota tot de stukken van het geding.

1.8. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.9. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan partijen is gezonden.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. Belanghebbende is krachtens een recht van opstal genothebbende van de onroerende zaak. De onroerende zaak is gelegen aan de A-straat 19 te Y. De onroerende zaak is kadastraal bekend onder gemeente Z, sectie W, percelen nummer 0000 en 1111. Het perceel is 58 are en 59 centiare (inclusief (een deel van) de openbare weg) groot.

2.2. De onroerende zaak betreft een tenniscomplex, bestaande uit zes tennisbanen, oefenkooi, clubhuis, kleedruimte en berging. Het bouwjaar van de opstallen is 1984, die van drie tennisbanen 1976 en van de drie andere tennisbanen 1991, van de verlichting 1976 en 1991 en van de verharding 1984. De toplaag van de tennisbanen is in het jaar 2005 gerenoveerd. De oppervlakte van de opstallen is 291 m2. De bruto oppervlakte van de tennisbanen is 3.632 m2. Het clubhuis is éénlaags en bestaat uit een kantineruimte met keukentje, opslag, installatieruimte, (voornoemde) kleedruimte, sanitaire ruimten en (voornoemde) berging. Drie van de zes tennisbanen voldoen aan de KNLTB-normen en de drie van de andere banen niet.

2.3. De heffingsambtenaar heeft door B een taxatierapport van de onroerende zaak d.d. 30 mei 2008 laten maken, waarin de waarde van de onroerende zaak naar de waardepeildatum 1 januari 2005 en naar de feitelijke toestand op 1 januari 2007 is bepaald op € 442.000. Hierbij is uitgegaan van de gecorrigeerde vervangingswaarde.

2.4. Belanghebbende heeft door C, adviesbureau op het gebied van de bouw en waarderingen te D, een taxatierapport van de onroerende zaak d.d. 10 maart 2008 laten maken, waarin de waarde van de onroerende zaak naar de waardepeildatum 1 januari 2005 en naar de feitelijke toestand op 1 januari 2007 is bepaald op € 399.000. Hierbij is uitgegaan van de gecorrigeerde vervangingswaarde.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag wat de waarde van de onroerende zaak is naar de waardepeildatum 1 januari 2005 en naar de feitelijke toestand op 1 januari 2007.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Voor hetgeen zij ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het proces-verbaal van het onderzoek ter zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de beschikking tot een waarde van € 399.000 en een dienovereenkomstige vermindering van de aanslagen. De heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, vermindering van de beschikking tot een waarde van € 442.000 en een dienovereenkomstige vermindering van de aanslagen.

4. Gronden voor de beslissing

4.1. Bij de onderhavige beschikking heeft de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak naar de waardepeildatum 1 januari 2005 vastgesteld op € 557.000, welke waarde hij bij de uitspraak op bezwaar heeft verminderd tot een waarde van € 464.000.

4.2. Ingevolge artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ moet de waarde van de onroerende zaak worden bepaald op de waarde die aan de zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij geldt in dit geval als waardepeildatum 1 januari 2005.

4.3. In afwijking in zoverre van het tweede lid van artikel 17 van de Wet WOZ wordt de waarde van een onroerende zaak, voor zover die niet tot woning dient, en met uitzondering van onroerende zaken die zijn ingeschreven in een van de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers van beschermde monumenten, bepaald op de vervangingswaarde indien dit leidt tot een hogere waarde dan die ingevolge het tweede lid. Bij de berekening van de vervangingswaarde wordt rekening gehouden met:

a. de aard en de bestemming van de zaak;

b. de sedert de stichting van de zaak opgetreden technische en functionele veroudering, waarbij de invloed van latere wijzigingen in aanmerking wordt genomen.

4.4. Partijen zijn eenstemmig van oordeel, dat uitgegaan moet worden van de (gecorrigeerde) vervangingswaarde. Nu niet is gebleken dat partijen daarbij zijn uitgegaan van een onjuist juridisch uitgangspunt zal het Hof partijen hierin volgen.

4.5. Tijdens het onderzoek ter zitting heeft belanghebbende uitdrukkelijk verklaard, dat zij uitsluitend nog de door de heffingsambtenaar gehanteerde factor voor de functionele veroudering voor de tennisbanen betwist. Voorts heeft zij uitdrukkelijk verklaard, dat zij deze betwisting uitsluitend baseert op - kort weergegeven - het afnemende ledenaantal en het feit dat drie van de zes tennisbanen niet voldoen aan de KNLTB-normen.

4.6. Naar het oordeel van het Hof is er geen reden om op grond van het feit, dat drie van de zes tennisbanen niet voldoen aan de KNLTB-normen een hogere factor voor functionele veroudering voor de tennisbanen in aanmerking te nemen dan de heffingsambtenaar reeds heeft gedaan. Belanghebbende heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat vorenbedoeld feit een beperking of belemmering met zich brengt ten aanzien van het gebruik van de tennisbanen door de leden in de uitoefening door hen van de tennissport in verenigingsverband. Hierbij acht het Hof mede van belang, dat officiële wedstrijden in KNLTB-verband op de tennisbanen van belanghebbende, weliswaar met dispensatie van de KNLTB, mogelijk zijn en ook daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.

4.7. Naar het oordeel van het Hof is er geen reden om op grond van het door belanghebbende aangevoerde afnemende ledenaantal een hogere factor voor functionele veroudering voor de tennisbanen in aanmerking te nemen dan de heffingsambtenaar reeds heeft gedaan. Enerzijds omdat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een duurzame en zich voortzettende daling van het ledenaantal. Anderzijds omdat belanghebbende tegenover de gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt dat gegeven het aantal leden een hogere factor voor functionele veroudering voor de tennisbanen in aanmerking moet worden genomen dan de heffingsambtenaar reeds heeft gedaan, daarbij mede gelet op de renovatie in 2005.

4.8. Mede gelet op hetgeen onder 4.5 is overwogen met betrekking tot hetgeen partijen verdeeld houdt volgt uit hetgeen onder 4.6 en 4.7 is overwogen dat het incidentele hoger beroep van de heffingsambtenaar gegrond is en dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum 1 januari 2005 naar de toestand op 1 januari 2007 moet nader worden vastgesteld op € 442.000.

5. Griffierecht

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Staat aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 447 te vergoeden.

6. Proceskosten

6.1. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, acht het Hof termen aanwezig de heffingsambtenaar te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 3,5 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 1.690,50.

6.2. De door belanghebbende gevraagde vergoeding van de kosten van het onder 2.4 bedoelde taxatierapport kan niet worden gegeven, omdat deze kosten niet op belanghebbende drukken. Vaststaat immers, dat de op het rapport betrekking hebbende factuur is gericht aan de KNLTB en dat deze kosten overeenkomstig de daartoe gemaakte afspraken door de KNLTB worden gedragen.

6.3. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

7. Beslissing

Het Hof:

* vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten,

* verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond,

* vernietigt de in één geschrift verenigde uitspraken met betrekking tot de beschikking en de aanslagen onroerendezaakbelasting,

* wijzigt de beschikking in dier voege, dat de vastgestelde waarde van de onroerende zaak per de waardepeildatum 1 januari 2005 naar de toestand op 1 januari 2007 wordt vastgesteld op € 442.000,

* bepaalt dat de aanslagen onroerendezaakbelasting worden verminderd overeenkomstig de nader vastgestelde waarde van de onroerende zaak,

* gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende vergoedt het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof verschuldigd geworden griffierecht ten bedrage van in totaal € 447, en

* veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.690,50 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus gedaan op: 7 mei 2010 door N. van Beelen, voorzitter, P. Fortuin en J.C.K.W. Bartel, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.