Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM8450

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-05-2010
Datum publicatie
21-06-2010
Zaaknummer
09/00117
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtbank heeft op goede gronden een juiste beslissing genomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1569
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00117

Uitspraak van de tweede meervoudige Belastingkamer

op het hoger beroep van

de heer X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 20 januari 2009, nummer AWB 07/4655, in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1. Aan belanghebbende is een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2006 opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3 Tegen deze uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende geen griffierecht geheven.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 12 februari 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.5. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.6. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting gesloten en bepaald dat op 26 februari 2010 mondeling uitspraak wordt gedaan. Afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 4 maart 2010 aan partijen verzonden.

1.7. Belanghebbende heeft tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie ingesteld.

De griffier van de Hoge Raad heeft bij schrijven van 21 april 2010 verzocht de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1. In en bij de woning van belanghebbende heeft op 23 juni 2006 door de Regiopolitie A, district B een zoeking plaatsgevonden. Van de bevindingen is een proces-verbaal opgesteld de dato 30 juni 2006, dat behoort tot de stukken van het geding.

2.2. Uit het proces-verbaal blijkt, dat bij de zoeking onder andere de volgende zaken zijn aangetroffen:

- een geldbedrag van € 106.450

- snowseals en gripzakjes;

- een in werking zijnde hennepkwekerij met 20 hennepplanten;

- een hoeveelheid geperste hennep van 4 kilo;

- 898 gram hennepresten;

- 130 gram hasj;

- een lege, maar gebruiksklare hennepkwekerij;

- een magneet op de elektriciteitsmeter;

- diverse goederen in originele verpakking.

2.3. De inspecteur heeft naar aanleiding van deze bevindingen met dagtekening 28 november 2006 een voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2006 opgelegd.

2.4. Bij vonnis van de politierechter in het arrondissement C van 9 februari 2007, dat behoort tot de stukken van het geding, is belanghebbende onder andere veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod. Voorts heeft de politierechter beslist tot teruggave van inbeslaggenomen goederen, waaronder het geldbedrag van € 106.450.

2.5. De gemachtigde van belanghebbende heeft tegen de opgelegde aanslag een bezwaarschrift ingediend. Met betrekking tot het aangetroffen geldbedrag heeft gemachtigde namens belanghebbende in het aanvullende bezwaarschrift de dato 27 juni 2007 de volgende verklaring gegeven:

"(...)

- Cliënt heeft van zijn vader, de heer D, in maart 2006 een bedrag van € 50.000,= in bewaring genomen. De heer D is volgens opgave van cliënt woonachtig aan de E-straat 97, 0000 XX F.

- Daarnaast heeft cliënt een bedrag van € 50.000,= in bewaring genomen voor zijn zus, mevrouw G. Cliënt bewaarde dit tot de 21e verjaardag van de dochter van mevrouw G. Mevrouw G is op 18 juni 2004 komen te overlijden. De vader van cliënt, de heer D was hiervan op de hoogte.

- Tot slot had cliënt een bedrag van € 6.500,= geleend van de heer H, wonende aan de J-straat 134, 1111 XX Y.(...)"

2.6. Voorts heeft gemachtigde namens belanghebbende in de aanvulling op het bezwaarschrift de volgende verklaringen gegeven voor de overige aangetroffen goederen:

"(...) Cliënt is bij vonnis van de politierechter d.d. 9 februari 2007 veroordeeld voor het bezit van een twintigtal hennepplanten en/of bezit van een hoeveelheid hennep van in totaal 1030 gram. Het enkel aantreffen van deze zaken kan dit, gezien de hoeveelheid, niet automatisch betekenen dat cliënt in deze producten handelde of heeft gehandeld.

(...)

Bij voornoemd vonnis is cliënt vrijgesproken van diefstal van elektriciteit toebehorend aan K B.V. Deze diefstal werd door justitie in eerste instantie aangenomen wegens het aantreffen van een metermagneet. Deze niet in bedrijf zijnde hennepkwekerij was op het moment van aantreffen op 23 juni 2006 al ruim één jaar ontruimd. Voor het in gebruik hebben van deze hennepkwekerij is destijds een derde veroordeeld. Met deze hennepkwekerij heeft cliënt nimmer iets van doen gehad.

(...)

Ten aanzien van de aangetroffen overige verdovende middelen, plakken hasj en plakken hennep, is cliënt niet veroordeeld.

(...)

De aangetroffen handelsvoorraad behoorde niet aan cliënt toe, deze spullen waren door een derde, de heer L, gestald bij cliënt.(...)"

2.7. Tussen partijen heeft een hoorgesprek plaatsgevonden, waarvan een hoorverslag is opgemaakt. De inspecteur heeft de aanslag bij uitspraak op bezwaar met dagtekening

24 september 2007 gehandhaafd.

2.8. Belanghebbende heeft op 8 oktober 2007 aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2006 gedaan. De aangifte vermeldt een uitkering volgens de Algemene bijstandswet door de Gemeente F van € 8.012 en een te verrekenen bedrag aan ingehouden loonheffing van € 924.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is of de voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2006 terecht aan belanghebbende is opgelegd.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het daarvan opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur en van de voorlopige aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

De Rechtbank heeft op goede gronden de juiste beslissing genomen. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

Zoals ter zitting is besproken en uitgelegd, dienen de grieven van belanghebbende te worden behandeld bij de beoordeling in bezwaar (en eventueel beroep) tegen de definitieve aanslag.

Ten aanzien van het griffierecht

Het Hof is van oordeel, dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. Beslissing

Het Hof verklaart het hoger beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 14 mei 2010 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en V.M. van Daalen-Mannaerts, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. Afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Deze schriftelijke uitspraak is slechts een vervanging van de zogenoemde mondelinge uitspraak, waartegen al beroep in cassatie is ingesteld. Voor de Hoge Raad geldt deze schriftelijke uitspraak als de uitspraak waartegen dat beroep is ingesteld. Tegen deze schriftelijke uitspraak kan niet opnieuw beroep in cassatie worden ingesteld.

De partij die tegen de mondelinge uitspraak beroep in cassatie heeft ingesteld, kan binnen zes weken na de verzending van deze schriftelijke uitspraak de gronden van het eerder ingestelde beroep aanvoeren of aanvullen. De brief met de gronden van het beroep moet binnen de termijn van zes weken door de Hoge Raad zijn ontvangen. Eventuele vertraging bij de verzending is voor risico van de partij die de gronden aanvoert of aanvult. De brief moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage.