Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM8175

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-06-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
HV 200.055.499
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging dossier 4 jaar na AMK-melding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2010/102
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 16 juni 2010

Zaaknummer: HV 200.055.499/01

Zaaknummer eerste aanleg: 197934 / EX RK 09-151

in de zaak in hoger beroep van:

[X.] en [Y.],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna ook te noemen: de ouders,

advocaat: mr. E. Gadzo,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

gevestigd te Eindhoven, tevens kantoorhoudende te Tilburg,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 2 november 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 januari 2010, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de stichting te bevelen om bescheiden die het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (AMK) in het kader van een onderzoek naar een anonieme melding van kindermishandeling aangaande hun gezin heeft geregistreerd, te vernietigen.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 maart 2010, heeft de stichting verzocht het verzoek van de ouders in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 mei 2010. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. E.Gadzo;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw mr. A Prins en mevrouw E. Vonhögen.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 13 oktober 2009.

3. De beoordeling

3.1. Uit het huwelijk van de ouders is geboren [dochter] (hierna: [Z.]) op [geboortedatum] 1997.

3.2.1 Naar aanleiding van een anonieme telefonische melding op 20 oktober 2005 stelde het AMK te [vestigingsplaats] een onderzoek in of sprake was van kindermishandeling binnen het gezin van de ouders. Bij brief van 18 april 2006 deelde het AMK de ouders mee het onderzoek af te sluiten.

3.2.2. Op 12 juni 2006 beklaagden de ouders zich bij de stichting over de wijze waarop het AMK was omgegaan met de melding van kindermishandeling binnen hun gezin. Bij brief van 11 januari 2007 verklaarde de algemeen directeur van de stichting, na uitspraak van de klachtencommissie van de stichting, de klachten grotendeels gegrond en bood zijn excuses aan. Ten aanzien van de klacht over het niet vernietigen van het dossier van het AMK liet de algemeen directeur onder meer weten dat de afwijzing van het verzoek om vernietiging van het AMK-dossier in lijn was met het beleid zoals dat door de stichting op grond van wettelijke bepalingen werd gevoerd.

3.2.3. Begin mei 2007 verzochten de ouders de algemeen directeur opnieuw om vernietiging van hun AMK-dossier. In reactie hierop liet de vestigingsmanager van de vestiging [vestigingsplaats] van de stichting bij brief van 21 augustus 2007 weten, dat zij niet aan het verzoek om vernietiging tegemoet kwam. Bij brief van 13 november 2007 deelde genoemde vestigings- manager de ouders mee – in reactie op hun brief van 10 september 2007 – dat was besloten om de beslissing over hun dossier te handhaven. Volgens de brief was na een zorgvuldige beoordeling besloten om het dossier niet te vernietigen, omdat de inschatting was gemaakt dat er een reëel risico was dat er opnieuw een melding van kindermishandeling kon worden gedaan. De vestigingsmanager deelde dan ook mee dat zij, gezien de risico-inschatting van de teammanager van het AMK, niet aan het verzoek tegemoet kwam.

3.2.4. Bij brief van 16 november 2007 dienden verzoekers tegen de afwijzing van hun verzoek om vernietiging een klacht in bij de klachtencommissie van de stichting. De klachtencommissie deelde de ouders bij brief van 26 november 2007 mee dat hun klacht niet-ontvankelijk was verklaard, aangezien de klacht betrekking had op een onderwerp waarover de klachten- commissie zich reeds eerder had uitgesproken. De algemeen directeur deelde de ouders bij brief van 24 januari 2008 mee, het eens te zijn met het oordeel van de klachtencommissie. Het AMK had op goede gronden het besluit genomen om het dossier niet te vernietigen. De algemeen directeur achtte de klacht van de ouders dan ook ongegrond. Aangezien de ouders zich hiermee niet konden verenigen, dienden zij hierover op 28 januari 2008 een klacht in bij de Nationale ombudsman. De Nationale ombudsman verklaarde zich op 23 juni 2009 onbevoegd om het onderzoek voort te zetten, aangezien het verzoek betrekking heeft op een gedraging waarop de rechterlijke macht toeziet in de zin van artikel 9:22 onder f van de Algemene wet bestuursrecht en gaf derhalve geen oordeel.

3.2.5. Bij brief van 7 augustus 2009 heeft de Nationale ombudsman de klacht, conform de wens van de ouders, op grond van artikel 9:19 Algemene wet bestuursrecht doorgestuurd aan de rechtbank ter verdere behandeling.

3.3. Bij de bestreden beschikking, heeft de rechtbank het verzoek van de ouders, om op grond van artikel 46 Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP) de stichting te bevelen om bescheiden die het AMK in het kader van een onderzoek naar een anonieme melding van kindermishandeling aangaande het gezin van [X.] te vernietigen, afgewezen.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4. De ouders voeren aan dat de rechtbank artikel 56 lid 1 en lid 2 van de Wet op de Jeugdzorg (WJZ) verkeerd heeft toegepast. De hoofdregel van voornoemd artikel is dat de bescheiden worden vernietigd binnen drie maanden na het verzoek. Dit is slechts anders, indien een redelijk belang van een ander dan wel de wet zich hiertegen verzet. De rechtbank oordeelt echter dat het belang van de stichting is gegeven door de zorgen omtrent [Z.]. De rechtbank geeft voorts aan dat van bijzondere omstandigheden die in deze situatie tot een ander oordeel moeten leiden, niet is gebleken. Daarmee is het oordeel van de rechtbank in strijd met artikel 56 WJZ.

Daarnaast voeren de ouders aan dat de rechtbank ten onrecht heeft overwogen dat de stichting voldoende belang heeft bij het in stand houden van de registratie. De ouders zijn stellig van mening dat er in het geheel geen verband gevonden kan worden tussen de bevindingen van de stichting en de zorgen omtrent mogelijke kindermishandeling. De teruggetrokkenheid van [Z.] heeft te maken met het feit dat de kinderen op haar basisschool niet met haar willen spelen vanwege haar spraak en taal beperking. Het weigeren van de ouders om [Z.] naar een speciale school te laten gaan heeft niets te maken met een gebrek aan inzicht omtrent hetgeen [Z.] nodig heeft. De ouders willen juist dat [Z.] in een zo gewoon mogelijke omgeving opgroeit, om zodoende niet het gevoel te krijgen dat ze een buitenbeentje van de maatschappij wordt. Niet valt in te zien waarom een nieuwe melding zonder deze gegevens niet beoordeeld zou kunnen worden. De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt wat de toegevoegde waarde van de registratie in dat geval is.

3.5. De stichting voert aan dat de beoordeling van de rechtbank zich heeft toegespitst op het wettelijk kader dat in hoofdstuk IX van de WJZ is neergelegd. Voor zover van belang dienen de artikelen in de WJZ naar de mening van de stichting als lex specialis ten opzichte van de WBP te worden beschouwd. Hoewel uit de beschikking van de rechtbank niet zonder meer blijkt dat de rechtbank de systematiek van de artikelen 55 en 56 WJZ juist heeft toegepast, stelt de stichting dat de uitkomst van de afweging, die op basis van artikel 56 lid 2 WJZ moet worden gemaakt, wel degelijk dient te zijn dat het verzoek van de ouders tot vernietiging van het dossier moet worden afgewezen.

De stichting is van mening dat zij een juiste afweging heeft gemaakt bij de beslissing om het dossier niet te vernietigen. Behalve het feit dat [Z.] in vergelijking met andere kinderen langere tijd niet zindelijk was, waren er tevens signalen dat zij een eenzaam en teruggetrokken meisje is en dat de ouders [Z.] ondanks het advies van de school niet naar het speciaal onderwijs wilden sturen. Daarnaast werd door zowel de school als de ouders gesignaleerd dat [Z.] weinig sociale contacten had, dat er niemand met haar wilde spelen.

De wetgever en het beleid van de overheid maken uitdrukkelijk de keuze dat het belang van het kind beschermd dient te worden, ook als hierdoor inbreuk wordt gemaakt op het recht van anderen, zoals in onderhavig geval het recht van de ouders op vernietiging van het dossier. De stichting is van mening dat de omstandigheden rondom [Z.] de beslissing tot het bewaren van het dossier rechtvaardigen. Om in de toekomst een eventuele bedreiging van de ontwikkeling van [Z.] op waarde te kunnen schatten, is het noodzakelijk dat het AMK-dossier van [Z.] niet wordt vernietigd.

3.6. Het hof overweegt het volgende.

3.6.1. In artikel 36 lid 1 WBP is geregeld dat de betrokkene aan wie kennis is gegeven van hem betreffende persoons- gegevens, de verantwoordelijke kan verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen, of af te schermen indien deze feitelijk onjuist zijn, voor het doel of de doeleinden van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt.

3.6.2. Ingevolge artikel 45 jo. 46 WBP kan de belanghebbende, indien de beslissing op het hiervoor onder 3.6.1. bedoelde verzoek is genomen door een ander dan een bestuursorgaan, zich tot de rechtbank wenden met het schriftelijke verzoek de verantwoordelijke te bevelen alsnog het verzoek toe te wijzen. Ingevolge artikel 105 WJZ geldt een beslissing van een stichting op een verzoek als bedoeld in artikel 36 lid 1 WBP voor de toepassing van hoofdstuk 8 van de WBP als een beslissing genomen door een ander dan een bestuursorgaan.

Derhalve acht het hof zich bevoegd om van het onderhavige verzoek van de ouders kennis te nemen.

3.6.3. Het verzoekschrift moet worden ingediend binnen zes weken na ontvangst van het antwoord van de verantwoordelijke, zo volgt uit lid 2 van artikel 46 lid 2 WBP. De ouders hebben zich na het besluit van de algemeen directeur van de stichting d.d. 24 januari 2008 tot de Nationale ombudsman gewend die het verzoekschrift van de ouders d.d. 28 januari 2008 heeft ontvangen. De Nationale ombudsman heeft het verzoekschrift gelet op artikel 9:19 van de Algemene wet bestuursrecht aan de rechtbank overgedragen d.d. 7 augustus 2009. De datum van indiening van het verzoekschrift bij de Nationale ombudsman dient als datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank te worden beschouwd zodat het verzoekschrift tijdig is ingediend.

3.6.4. Artikel 55 lid 1 WJZ bepaalt dat, onverminderd het tweede lid en artikel 56 WJZ, de stichting en de zorgaanbieder bescheiden die deze met betrekking tot een cliënt onder zich hebben gedurende vijftien jaren bewaren, te rekenen van het tijdstip waarop zij zijn vervaardigd, of zoveel langer als redelijkerwijs in verband met een zorgvuldige hulpverlening noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 55 lid 2 WJZ bewaart de stichting, voor zover deze de taken, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, b en e, uitoefent, de bescheiden tot het jongste kind van het gezin waartoe de jeugdige behoort en met welk gezin het bureau bemoeienis heeft gehad, meerderjarig is geworden, een en ander voor zover aannemelijk gemaakt kan worden dat het bewaren een bijdrage kan leveren aan het beëindigen van een mogelijke situatie van kindermishandeling, of van belang kan zijn voor een situatie waarin een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te worden.

Ingevolge artikel 10, eerste lid onder e WJZ heeft de stichting tot taak te fungeren als advies- en meldpunt kindermishandeling.

3.6.5. Ingevolge artikel 56 lid 1 jo. lid 2 WJZ vernietigen de stichtingen en de zorgaanbieders de door hen bewaarde bescheiden binnen drie maanden na een daartoe strekkend verzoek van degene op wie de bescheiden betrekking hebben, behoudens voor zover het verzoek bescheiden betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de verzoeker, alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet.

3.6.6. Het hof is van oordeel dat de hiervoor aangehaalde artikelen 55 en 56 WJZ het wettelijk kader vormen voor de vraag of het dossier van de ouders dient te worden vernietigd. Derhalve dient het hof te toetsen of de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de verzoeker, alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet. Aannemelijk gemaakt moet kunnen worden dat het bewaren een bijdrage kan leveren aan het beëindigen van een mogelijke situatie van kindermishandeling, of van belang te zijn voor een situatie waarin een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te worden. In zoverre slaagt derhalve grief 1.

3.6.7. Ter zitting is gebleken dat de stichting drie categorieën hanteert voor de beoordeling of een dossier bewaard dan wel vernietigd dient te worden: de gegronde melding, de ongegronde melding en de niet bevestigde melding. De melding die ten aanzien van de ouders is gedaan behoort volgens de stichting tot de laatste categorie. De stichting hanteert bij deze categorie van de niet bevestigde melding het beleid dat het dossier standaard niet wordt vernietigd, maar dat per individueel geval wordt gekeken of tot vernietiging wordt overgegaan.

Ter zitting heeft de stichting verklaard dat zij van mening is dat het belang van het bewaren van het dossier nog altijd aanwezig is gezien de kwetsbaarheid van [Z.]. Dit oordeel is bij gebreke van een nieuwe melding ook thans gebaseerd op de oude gegevens uit 2005/2006. Bij elke latere toetsing wordt steeds uitgegaan van deze oude gegevens. De stichting mist eenvoudig de bevoegdheid om nader te onderzoeken of inmiddels wijziging is gekomen in deze oude gegevens.

Een zekere feedback ontvangt de stichting wél, doordat in deze categorie van niet-bevestigde meldingen een nieuwe melding in ongeveer de helft van de gevallen binnen één à twee jaar na de oude melding wordt gedaan. Daarna komen nieuwe meldingen veel minder vaak voor.

3.6.8. In het onderhavige geval heeft de melding onder meer bestaan uit het feit dat de ouders de behoefte van [Z.] aan bijzonder onderwijs niet zouden erkennen. Ten aanzien van de schoolkeuze – de ouders wilden dat [Z.] naar het normaal onderwijs zou gaan zodat zij zich niet buiten de samenleving geplaatst zou voelen – kan naar het oordeel van het hof thans worden geconcludeerd dat deze keuze niet ongerechtvaardigd is geweest. De ouders hebben aangegeven dat [Z.] nog altijd naar dezelfde school gaat en dat zij daar door haar leeftijdgenootjes wordt geaccepteerd en goede resultaten behaalt.

[Z.] heeft een “rugzakje” en ontvangt nog altijd ambulante hulpverlening en remedial teaching. Hoewel [Z.] kampt met gehoorproblemen, worden deze volgens de ouders door de huidige hulpverlening ondervangen.

Hoewel de stichting ter zitting heeft aangeven dat zij datgene wat de ouders ten aanzien van [Z.] hebben verklaard niet kan bevestigen dan wel betwisten, heeft de stichting daarnaast verklaard dat met de voor [Z.] ingeschakelde hulpverlening is afgesproken dat zij een melding bij het AMK zouden doen als zij dat nodig achten. Het hof is van oordeel dat in deze situatie van de juistheid van de verklaringen van de ouders ten aanzien van de huidige situatie van [Z.] zoals gedaan ter zitting dient te worden uitgegaan. Van een kwetsbare situatie van [Z.] kan thans naar het oordeel van het hof dan ook niet worden gesproken.

3.6.9. Het hof is van oordeel dat voor de vraag of een dossier dient te worden vernietigd het tijdsverloop eveneens een rol speelt. Het onderzoek door het AMK naar de anonieme melding van kindermishandeling in het gezin van de ouders is op 18 april 2006 afgerond. Sindsdien is inmiddels een periode van vier jaar verstreken in welke periode niet opnieuw een melding van kindermishandeling is gedaan. Op basis van het hiervoor in 3.6.7. vermelde is de kans dat een nieuwe melding zal worden gedaan door het tijdsverloop aanzienlijk kleiner geworden.

3.6.10. Het voorgaande overwegend komt het hof tot het oordeel dat in het gegeven geval niet wordt voldaan aan de onder 3.6.6. weergegeven toetsingsnorm en dat de bewaring niet van aanmerkelijk belang is voor de stichting. Het hof is derhalve van oordeel dat het belang van de ouders zwaarder dient te wegen dan het belang van de stichting bij het behoud van het dossier. Ook de tweede grief slaagt derhalve.

3.6.11. Ten overvloede merkt het hof nog op dat indien een nieuwe melding zou worden gedaan de stichting bij de school van [Z.] informatie zou kunnen opvragen, nu deze op verzoek van de ouders op de hoogte is gesteld van de uitkomsten van het onderzoek naar de anonieme melding van kindermishandeling.

3.6.12. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het verzoek van de ouders om het dossier te vernietigen alsnog toewijzen.

4. De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch d.d. 2 november 2009;

en opnieuw rechtdoende:

beveelt de stichting om bescheiden die het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling in het kader van een onderzoek naar een anonieme melding van kindermishandeling aangaande het gezin van de ouders heeft geregistreerd te vernietigen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Teeffelen, Koens en Everaars-Katerberg en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2010.