Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM8054

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-06-2010
Datum publicatie
17-06-2010
Zaaknummer
20-004183-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2008:BG3277, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vast staat dat het slachtoffer, na door verdachte te zijn geslagen, enkele uren later in het ziekenhuis is overleden. Gelet op de door medici vastgestelde doodsoorzaak, kan slechts worden gekomen tot een bewezenverklaring als sprake is geweest van het door verdachte slaan op het hoofd van het slachtoffer. Verdachte ontkent het slachtoffer op het hoofd te hebben geslagen en ook meerdere getuigen hebben wel de ruzie, maar geen slaan op het hoofd, gezien. Nu niet uit te sluiten valt dat er mogelijk een andere doodsoorzaak is geweest en het vereiste causaal verband tussen het handelen van verdachte en het overlijden van het slachtoffer niet zonder meer kan worden vastgesteld, wordt verdachte vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-004183-08

Uitspraak : 17 juni 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 4 november 2008 in de strafzaak met parketnummer 03-700400-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1963],

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij verdachte ter zake van mishandeling terwijl het feit de dood ten gevolge heeft, is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd met 2 jaar, met beslissing omtrent het in beslag genomen voorwerp en de vordering van de benadeelde partij.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van de benadeelde partij tot een gedeelte van EUR 10.710,28 toegewezen. De voeging duurt in hoger beroep van rechtswege voort voorzover de vordering is toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep -binnen de grenzen van haar eerste vordering - opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van EUR 11.407,78.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, mr. H.E.G. Peters, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. H.P. Ruysink, advocaat te Bunde, naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal bevestigen en met verbetering van de opgelegde straf en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en oplegging van de daarbij behorende schadevergoedingsmaatregel en met teruggave aan de rechthebbende van het inbeslaggenomen voorwerp.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 juli 2007 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht, een of meermalen (telkens) opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), met kracht heeft geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan deze is overleden.

Vrijspraak

Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en overweegt als volgt.

Verdachte en het slachtoffer hebben een woordenwisseling met elkaar gehad. Hierbij is geduwd en geslagen en verdachte en het slachtoffer zijn samen ten val gekomen. Het slachtoffer was vervolgens niet aanspreekbaar. Er werd een ambulance gebeld en een aantal uren later is het slachtoffer in het ziekenhuis overleden.

Vast staat dat verdachte het slachtoffer op het lichaam heeft geslagen. Gelet op de in het rapport d.d. 21 januari 2008 van de deskundige dr. Maes genoemde doodsoorzaak van het slachtoffer, te weten inklemming van de hersenen door ruimte innemende werking onder het schedeldak, kan slechts tot bewezenverklaring worden gekomen indien er sprake is van wettig en overtuigend bewijs voor het slaan op het hoofd van het slachtoffer door verdachte. Verdachte zegt hierover zelf dat hij heeft geslagen in de richting van het slachtoffer, maar zegt niet dat hij het slachtoffer op zijn hoofd heeft geraakt. Verschillende getuigen verklaren dat ze gezien hebben dat verdachte en het slachtoffer ruzie hadden, maar niemand verklaart gezien te hebben dat verdachte het slachtoffer op het hoofd heeft geslagen. Getuige [getuige] heeft het wel over slaan in het gezicht. Hij heeft verklaard: “Ik heb gezien dat ze elkaar op het lijf sloegen en in het gezicht. Ik heb echter niet precies gezien wie waar geslagen heeft.” Op grond van deze verklaring kan dus niet met zekerheid worden gesteld dat de verdachte het slachtoffer op het hoofd heeft geslagen. Hetzelfde geldt voor de verklaring afgelegd door getuige [getuige], nu deze enkel verklaart dat hij heeft gezien dat verdachte in de richting van het gezicht van het slachtoffer sloeg. Ook op grond van de rapporten van de deskundigen dr. Maes en dr. Kubat is het vereiste causale verband tussen het handelen van verdachte en het overlijden van het slachtoffer niet zonder meer vast te stellen. Immers, dr. Maes stelt in haar rapport dat het op grond van de sectiebevindingen aannemelijk maar niet zonder meer vast te stellen is dat er causaliteit is tussen het geweld bij het handgemeen en het overlijden, terwijl dr. Kubat voorts in haar rapport overweegt dat de beschadiging is opgetreden ten gevolge van acceleratie/deceleratietrauma en/of impacttrauma bijvoorbeeld ten gevolge van slagen op het hoofd. Voor het slaan tegen het hoofd en het vereiste causale verband tussen het handelen van verdachte en het overlijden van het slachtoffer is derhalve geen wettig bewijs. Nu niet vast staat dat verdachte tegen het hoofd van het slachtoffer heeft geslagen, valt een andere oorzaak van de dood buiten het gevecht zelf om -zoals bijvoorbeeld de eerder genoemde val van het slachtoffer- niet uit te sluiten en zal verdachte worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

Schadevergoeding

De benadeelde partij heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 11.407,78. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 10.710,28.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

Nu verdachte ter zake van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn wordt vrijgesproken kan de benadeelde partij in haar vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast de teruggave aan [betrokkene] van het inbeslaggenomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

1 blouse, kleding, kleur: geel.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. S.C. van Duijn, voorzitter,

mr. J.W. de Ruijter en mr. G. de Jonge,

in tegenwoordigheid van mr. J.C.A.M. van der Sanden, griffier,

en op 17 juni 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mrs. J.W. de Ruijter en mr. G. de Jonge zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.