Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM7478

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
14-06-2010
Zaaknummer
09/00477
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2009:BJ4743, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is ziekenverzorgster en woont in België. De cliënten van belanghebbende wonen in Nederland en worden ook daar verzorgd door belanghebbende; belanghebbende huurt een kamer in het huis van haar moeder in Maastricht waar zij haar administratie voert en van waaruit zij haar werk begint. Zij verzoekt om een VAR-beschikking2009 en dat verzoek wijst de inspecteur af omdat volgens de inspecteur de gehuurde kamer niet als vaste inrichting kan worden gezien, zodat belanghebbende geen in Nederland te belasten winst uit onderneming geniet.

Het Hof stelt allereerst vast dat, hoewel het jaar 2009 reeds is verstreken belanghebbende toch een procesbelang heeft, gelet op de overige vragen die wellicht bij de aanslagregeling kunnen rijzen. Het hoger beroep van de Inspecteur verklaart het Hof ontvankelijk, ondanks de bezwaren van belanghebbende. Het Hof oordeelt vervolgens dat belanghebbende als vrije beroepsbeoefenaar, onder artikel 14 van het verdrag met België valt en dat artikel spreekt van een "vaste basis"; de bij de moeder van belanghebbende gehuurde kamer wordt door het Hof als vaste basis gezien.

Het Hof heropent vervolgens het onderzoek om belanghebbende in staat te stellen haar schade te onderbouwen. De eis van belanghebbende om voortaan door een andere ambtenaar bij de belastingdienst te worden behandeld wijst het Hof, als zijnde buiten haar bevoegdheid, af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/37.16
FutD 2010-1509
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00477

Uitspraak op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

en op het incidentele hoger beroep van

mevrouw X, wonende te Y, België,

hierna: belanghebbende

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 22 juli 2009, nummer AWB 09/673 in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur

betreffende de verklaring arbeidsrelatie (hierna: de VAR) voor het jaar 2009.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Belanghebbende heeft voor het jaar 2009 een verzoek ingediend als bedoeld in artikel 3.156, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Wet IB 2001) (hierna: de VAR-beschikking). De Inspecteur heeft geweigerd de VAR-beschikking voor het jaar 2009 af te geven. Het tegen die weigering gerichte bezwaar van belanghebbende is door de Inspecteur bij uitspraak afgewezen.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de Inspecteur opgedragen met inachtneming van de uitspraak van de Rechtbank alsnog de VAR-beschikking 2009 aan belanghebbende te verstrekken.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur heeft het incidenteel hoger beroep beantwoord.

1.5. Op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft belanghebbende vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.6. De zitting heeft plaatsgehad op 25 maart 2010 te 's-Hertogenbosch. Belanghebbende, noch haar gemachtigde, noch de Inspecteur zijn met kennisgeving aan het Hof verschenen.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

De Rechtbank heeft de volgende, in hoger beroep niet bestreden, feiten vastgesteld, welke feiten het Hof als vaststaand overneemt:

2.1. Belanghebbende woont in België en is ziekenverzorgster. Sinds 1 april 2008 verricht zij haar werkzaamheden als zelfstandige. Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende naar Nederlandse fiscale maatstaven winst uit onderneming geniet.

2.2. Belanghebbende werkt wekelijks gemiddeld drie avonden en vijf ochtenden, waarin ze gemiddeld circa negen cliënten verzorgt. De werkzaamheden worden uitgeoefend in Nederland, op de woon- en verpleegadressen van de cliënten. Het betreft enerzijds cliënten die zorg in natura genieten (AWBZ-cliënten) en anderzijds cliënten met een persoonsgebonden budget (PGB-cliënten).

2.3. Belanghebbende huurt in het woonhuis van haar schoonmoeder in A een kamer, waarin zij een deel van haar administratieve werkzaamheden verricht en die ze tevens gebruikt als uitvalsbasis voor het bezoek aan haar cliënten.

2.4. In het verzoek om de afgifte van de VAR-beschikking 2009 verklaart belanghebbende dat er geen wijzigingen zijn ten opzichte van het jaar 2008, voor welk jaar een VAR-beschikking door de Inspecteur was afgegeven en waarin werd vastgesteld, dat belanghebbende winst uit onderneming genoot.

2.5. De Inspecteur heeft het verzoek om de VAR-beschikking 2009 afgewezen, omdat naar zijn stelling de bij de schoonmoeder gehuurde kamer niet als een vaste inrichting in de zin van het Belastingverdrag gesloten op 5 juni 2001 tussen Nederland en België (hierna: het Verdrag 2001) kan gelden, zodat belanghebbende geen in Nederland te belasten winst uit onderneming geniet.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Is het hoger beroep van de Inspecteur ontvankelijk?

2. Heeft de Inspecteur terecht de VAR-beschikking geweigerd?

3. Heeft belanghebbende recht op een schadevergoeding omdat zij door de weigering van de Inspecteur om de VAR-beschikking af te geven omzet heeft gemist en heeft zij recht op integrale proceskostenvergoeding omdat de Inspecteur een volstrekt niet pleitbaar standpunt heeft ingenomen?

Belanghebbende beantwoordt de eerste twee vragen ontkennend en de derde vraag bevestigend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Belanghebbende concludeert, naar het Hof verstaat, tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van de Inspecteur en gegrondverklaring van belanghebbendes incidenteel hoger beroep, vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en van de Inspecteur en afgifte van een VAR-beschikking 2009, waarin wordt verklaard, dat belanghebbendes werkzaamheden in 2009 worden aangemerkt als winst uit onderneming die wordt gedreven met behulp van een vaste inrichting in Nederland. Tevens verzoekt belanghebbende het Hof te gelasten, dat haar fiscale zaken voortaan zowel formeel als materieel niet meer door de medewerker mr. B van de Belastingdienst worden behandeld.

De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van zijn hoger beroep, ongegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep van belanghebbende en vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Vooraf en ambtshalve

Het Hof zal de Inspecteur en belanghebbende in hun ingestelde (incidentele) hoger beroep ontvangen, ook al kan de vraag worden gesteld, of partijen belang hebben bij de behandeling daarvan, nu immers het jaar 2009 inmiddels afgelopen is. Belanghebbende vraagt in incidenteel beroep echter nadrukkelijk om een antwoord op de door haar gestelde principiële vragen. Die vragen zijn aan de orde bij de regeling van de aanslagen van belanghebbende. Een antwoord daarop kan procedures voorkomen.

Het Hof is derhalve van oordeel dat beide partijen voldoende belang hebben bij de voortzetting van deze procedure en bij onmiddellijke beantwoording van de door hen opgeworpen vragen.

4.1. Belanghebbende plaatst vraagtekens bij de bevoegdheid en het mandaat van de behandelend medewerker van de Inspecteur om in dezen namens de Inspecteur in beroep te komen. Zij stelt dat de Inspecteur nagenoeg en/of feitelijk uitsluitend door een en dezelfde persoon wordt vertegenwoordigd. Zij acht dit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en met de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003. Het Hof overweegt dienaangaande, dat gelet op het bepaalde artikel 3 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 12, lid 1, Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, in dezen de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst competent is, zodat belanghebbendes grief faalt. Voor zover belanghebbende bedoelt te stellen dat niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 7:5, lid 1, letter b, van de Awb, kan die stelling niet worden gevolgd, nu bij het hoorgesprek in de bezwaarfase naast de door belanghebbende bedoelde medewerker, mr. B, ook andere medewerkers van de Belastingdienst aanwezig waren. Thans is het geschil onder de onafhankelijke rechter, zodat de vraag naar de vertegenwoordiging van de Inspecteur niet relevant is.

4.2. De eerste in geschil zijnde vraag dient bevestigend te worden beantwoord.

4.3. De Rechtbank heeft overwogen:

"2.7. In geschil is het antwoord op de vraag of aan belanghebbende een VAR-beschikking dient te worden afgegeven, waarbij de inspecteur zich op het in punt 2.5 vermelde standpunt stelt. Belanghebbende is van mening dat zij, los van de vraag of zij in Nederland dan wel in België winst uit onderneming geniet, recht heeft op een VAR.

2.8. Een belastingplichtige die zekerheid wenst omtrent de vraag of de voordelen die hij geniet of zal gaan genieten uit een arbeidsrelatie of arbeidsrelaties kunnen worden aangemerkt als winst uit onderneming, kan een verzoek indienen bij de inspecteur. Deze beslist op dat verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking (artikel 3.156, eerste lid, Wet IB 2001). Deze beschikking wordt VAR genoemd.

De rechtbank overweegt dat een belastingplichtige die geen winst uit onderneming in Nederland geniet, naar de letter van de wet geen recht heeft op een VAR. Ter beoordeling van de vraag of er reden is om van de letterlijke uitleg af te wijken overweegt de rechtbank het volgende.

2.9. De VAR is met name bedoeld om aan opdrachtgevers duidelijkheid te geven of zij over de vergoeding aan de opdrachtnemer loonbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: loonheffing) en premies werknemersverzekeringen (hierna: premies) moeten inhouden en afdragen. De inhouding en afdracht van loonheffing en premies kan gedurende de geldigheidstermijn van de VAR onder meer achterwege blijven als de opdrachtnemer de inkomsten geniet als winst uit onderneming (artikel 6A van de Wet op de Loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964)). De VAR biedt zekerheid voor opdrachtgevers en is ingevoerd omdat aan die zekerheid in de praktijk grote behoefte bleek te bestaan. Belanghebbende heeft gesteld dat voor haar de VAR noodzakelijk is om bij PGB-cliënten te kunnen werken. De inspecteur heeft dat bestreden.

Los van het antwoord op de vraag of de VAR voor belanghebbende noodzakelijk is, merkt de rechtbank op dat ze in ieder geval van belang is voor belanghebbende, nu ze juist bedoeld is voor belastingplichtigen die werkzaamheden verrichten zoals belanghebbende.

2.10. In de Memorie van Toelichting, behorende bij de Wet uitbreiding Rechtsgevolgen verklaring arbeidsrelatie (Wet van 23 december 2004, Staatsblad 2004, 720) is opgemerkt:

"3.6. De VAR in grensoverschrijdende situaties

Elke belastingplichtige, een binnenlandse of een buitenlandse, kan zich melden bij de inspecteur met een verzoek om zijn arbeidsrelatie te beoordelen.

...................

Gezien de redactie is het niet zonder meer duidelijk dat de bepalingen van artikel 3.156 en 3.157 Wet IB 2001 niet van toepassing zijn op buitenlands belastingplichtigen.

Deze bepalingen gelden ook voor buitenlands belastingplichtigen daar in artikel 7.2, eerste lid, Wet IB 2001 bij de verwijzing naar hoofdstuk 3 Wet IB 2001 geen uitzondering is gecreëerd voor de toepassing van artikel 3.156 Wet IB 2001.

....................

Op de belastingplichtige die in het buitenland woont, is hoofdstuk 7 van de Wet IB 2001 van toepassing. Een niet-inwoner van Nederland kan alleen belast worden voor winst als er voldaan wordt aan de voorwaarden van artikel 7.2, tweede lid, onderdeel a, van de Wet IB 2001. Pas als de buitenlands belastingplichtige voldoet aan deze voorwaarden en er sprake is van een (gedeeltelijke) Nederlandse onderneming, kan de Belastingdienst aangeven op welke wijze de inkomsten in Nederland belast zullen worden. De toets of er sprake is van een (gedeeltelijk) Nederlandse onderneming, is afhankelijk van de individuele feiten en omstandigheden waaronder de niet-inwoner in Nederland werkzaam is. Omdat de Belastingdienst alleen een verklaring kan afgeven als er sprake is van in Nederland belastbare winst, zal dat bij een niet-inwoner eerst onderzocht moeten worden.

Om deze reden is het voor niet-inwoners niet mogelijk om via het huidige geautomatiseerde aanvraagsysteem van de VAR een verklaring aan te vragen. Het is evenwel niet de bedoeling de niet-inwoner uit te sluiten van de mogelijkheid om zekerheid te krijgen omtrent de aard van zijn arbeidsrelaties. Om die reden bestaat voor de niet-inwoner de mogelijkheid vooraf die zekerheid te verkrijgen door eventueel samen met zijn opdrachtgever, een verzoek in te dienen bij de competente inspecteur (dit kan de Belastingdienst Z kantoor C zijn of de loonbelastinginspecteur van de opdrachtgever). Een dergelijke verklaring van de inspecteur, die ook thans al mogelijk is, heeft een zelfde rechtskracht als een VAR.

De vraag is nu of de hierboven beschreven mogelijkheid voor niet-inwoners belemmerend werkt. De regering is van mening dat voor zowel binnenlands belastingplichtigen als voor niet-inwoners dezelfde mogelijkheden gecreëerd worden. Immers, beiden kunnen vooraf zekerheid krijgen over de kwalificatie van hun inkomen voor de Wet IB 2001. Er is derhalve geen belemmering voor niet-inwoners."

Kamerstukken II 2003/04, 29 677, nr. 3, p. 9-10.

2.11. Uit bovengenoemde tekst leidt de rechtbank af dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om ook in gevallen als dat van belanghebbende een verklaring af te geven omtrent "de aard van haar arbeidsrelaties". De wetgever heeft beoogd zekerheid vooraf te bieden aan in Nederland aan de loonheffing onderworpen opdrachtgevers omtrent hun inhoudingsverplichtingen, los van de vraag waar de opdrachtnemer is gevestigd. De verklaring is, gelet op hetgeen in punt 2.9 is vastgesteld, uiteindelijk bedoeld voor de opdrachtgever en niet voor de opdrachtnemer.

Op grond van de parlementaire geschiedenis dient de inspecteur dan ook, los van de vraag waar de met de werkzaamheden behaalde winsten zijn belast, een dergelijke verklaring af te geven.

2.12. De vraag is vervolgens of die verklaring dient te worden gegoten in de vorm van een VAR, zoals bedoeld in artikel 3.156 van de Wet IB 2001. De inspecteur bestrijdt dat.

Ter beantwoording van die vraag verwijst de rechtbank naar de onder punt 2.10 genoemde Kamerstukken. Hierin staat dat de verklaring dezelfde rechtskracht heeft als een VAR en dat voor niet-inwoners dezelfde mogelijkheden gecreëerd worden als voor binnenlands belastingplichtigen, zodat van een belemmering voor niet-inwoners geen sprake is.

De rechtbank is van oordeel dat een verklaring die materieel gelijkluidend is aan de VAR doch formeel geen VAR is, niet dezelfde rechtskracht heeft als een VAR. Immers, voor een dergelijke verklaring geldt niet artikel 6a van de Wet LB 1964, zodat de verklaring voor een opdrachtgever minder waarde heeft. Bovendien ziet de rechtbank als een ernstig tekort van een dergelijke verklaring dat daartegen, anders dan bij een echte VAR, niet de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep openstaan.

De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat voor niet-inwoners met een materiële verklaring niet dezelfde mogelijkheden openstaan als voor belastingplichtigen met een VAR. Hierdoor bestaat voor niet-inwoners de belemmering waarover in de Kamerstukken gesproken wordt wel degelijk.

Gelet hierop dient, om de bedoelde gelijkheid in behandeling te bewerkstelligen, naar het oordeel van de rechtbank aan belanghebbende alsnog een VAR verstrekt te worden.

2.13. De vraag of de inkomsten die belanghebbende uit haar onderneming geniet ter heffing aan België dan wel aan Nederland toegewezen dienen te worden behoeft daarmee geen beantwoording meer. De rechtbank tekent daarbij aan dat door middel van de VAR formeel geen uitspraak gedaan wordt over de gevolgen voor de inkomstenbelasting van de aanvrager van de VAR. Door in de VAR het voorbehoud te maken dat met het afgeven daarvan geen uitspraak gedaan wordt over de toerekening van de heffing aan België dan wel Nederland voorkomt de inspecteur eveneens dat mogelijk vertrouwen gewekt wordt over die toerekening.

2.14. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard."

4.4. De Rechtbank heeft het antwoord op de vraag of belanghebbendes inkomsten in 2009 voor de heffing van de inkomstenbelasting aan Nederland worden toegewezen in het midden gelaten op de door de Rechtbank in overwegingen 2.9 tot en met 2.13 vermelde gronden en belanghebbendes beroep gegrond verklaard. Het Hof onderschrijft dat oordeel van de Rechtbank.

In antwoord op belanghebbendes incidenteel hoger beroep (zie hiervoor onder 'Vooraf en ambtshalve'), overweegt het Hof daarenboven dat belanghebbende in de gegeven omstandigheden reeds op grond van het bepaalde in artikel 7.2 van de Wet IB 2001 in samenhang met het bepaalde in artikel 14 van het Verdrag 2001, als belastingplichtig dient te worden aangemerkt en derhalve rechtstreeks beroep kan doen op artikel 3.156 Wet IB 2001. Ter toelichting van dit laatste oordeel diene het volgende.

4.5. Belanghebbende geniet als vrije beroepsbeoefenaar naar Nederlandse fiscale maatstaven winst uit een onderneming. Hetgeen partijen verdeeld houdt is het antwoord op de vraag of belanghebbende haar onderneming in Nederland drijft met behulp van een vaste inrichting, zodat zij als belastingplichtig in de zin van artikel 3.156, lid 1, van de Wet IB 2001 kan worden aangemerkt en uit dien hoofde de afgifte van een VAR-beschikking kan verzoeken. De Inspecteur stelt zich op het standpunt, dat belanghebbende geen vaste inrichting in Nederland heeft en beroept zich daarbij op artikel 5 van het OESO-Modelverdrag. Het Hof kan de Inspecteur in die stelling niet volgen.

4.6. De Wet IB 2001 bevat geen algemene definitie van het begrip 'vaste inrichting' (afgezien van enkele, hier niet aan de orde zijnde ficties, zoals bijvoorbeeld vermeld in artikel 7.2, leden 3 en 6 en artikel 7.4 van de Wet IB 2001). Belanghebbendes werkzaamheden als vrije beroepsbeoefenaar vallen onder het bepaalde in artikel 14 van het Verdrag 2001, dat voor zover hier van belang luidt:

'§ 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikel 16, ..., zijn inkomsten verkregen door een inwoner van een verdragsluitende Staat in de uitoefening van een vrij beroep of ter zake van andere werkzaamheden van zelfstandige aard slechts in die Staat belastbaar, tenzij die inwoner in de andere verdragsluitende Staat voor het verrichten van zijn werkzaamheden geregeld over een vaste basis beschikt. Indien hij over zulk een vaste basis beschikt, mogen de inkomsten in de andere Staat worden belast, ...'.

4.7. Het begrip 'vaste basis' wordt in het Verdrag 2001 ook niet gedefinieerd, doch uit de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt, dat het begrip 'vaste basis' (of 'vast middelpunt' in andere verdragen) ruimer moet worden opgevat dan het begrip 'vaste inrichting' in artikel 5 van het OESO-Modelverdrag, op welk artikel de Inspecteur zich beroept. Nu belanghebbende in Nederland beschikt over een gehuurde kamer, waarin zij een deel van haar administratieve werkzaamheden verricht, die ze naar eigen zeggen gebruikt als uitvalsbasis voor bezoek aan haar cliënten en waarop ze ingeschreven staat in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (zie bijlage III van het beroepschrift in eerste aanleg), is er naar het oordeel van het Hof sprake van een 'vaste basis' in Nederland als bedoeld in artikel 14 van het Verdrag 2001 en belastbaarheid van belanghebbendes werkzaamheden in Nederland.

De Inspecteur gaat ten onrechte voorbij aan artikel 14 van het Verdrag met zijn stelling, dat de term 'vaste inrichting' als bedoeld in artikel 7.2 Wet IB 2001 aan de hand van artikel 5 van het OESO-Modelverdrag moet worden beoordeeld. Overigens kan ook die stelling hem niet baten. Artikel 5 van het OESO-Modelverdrag verstaat immers onder 'vaste inrichting' onder meer 'een kantoor'. Belanghebbende beschikt over een kamer in Nederland, die naar het oordeel van het Hof in ieder geval als 'kantoor' in de zin van artikel 5 van het OESO-Modelverdrag kan worden aangemerkt, zodat ook uitgaande van de definitie van artikel 5 van het OESO-Modelverdrag sprake is van een vaste inrichting in Nederland. Belanghebbende kan derhalve ook aldus beschouwd rechtstreeks beroep doen op het bepaalde in artikel 3.156, Wet IB 2001. Belanghebbendes incidenteel hoger beroep is daarom gegrond.

4.8. Nu belanghebbendes hoger beroep gegrond dient te worden verklaard, kunnen overige grieven van belanghebbende - zoals het beroep op het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel - onbeantwoord blijven.

4.9. Belanghebbende verzoekt het Hof te gelasten, dat haar fiscale zaken voortaan zowel formeel als materieel niet meer door de medewerker mr. B van de Belastingdienst worden behandeld. Het Hof merkt op dat het niet tot zijn bevoegdheid behoort om beslissingen te nemen omtrent de toekomstige inrichting van de interne werkprocessen van de Belastingdienst.

4.10. Belanghebbende vraagt om een vergoeding van de in verband met deze zaak geleden schade. Zij stelt, dat zij door het uitblijven van de VAR-beschikking schade heeft geleden.

Het Hof overweegt, dat een Inspecteur die een besluit neemt en handhaaft, dat naderhand door de rechter wordt vernietigd, een onrechtmatige daad begaat. Ook indien de Inspecteur geen verwijt treft, moet worden aangenomen dat de schade als gevolg van deze daad voor zijn rekening komt, behoudens ingeval zich bijzondere omstandigheden voordoen. Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur door de VAR-beschikking te weigeren een onrechtmatige daad jegens belanghebbende heeft begaan en dat de daarop gevolgde schade voor zijn rekening komt. Een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld, is gesteld noch gebleken.

4.11. Belanghebbende heeft de omvang van die schade niet gesteld. Het Hof zal daarom overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:73, lid 2, van de Awb het onderzoek heropenen teneinde belanghebbende in de gelegenheid te stellen de omvang van de schade te onderbouwen.

4.12. Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 448.

4.13. Nu het door belanghebbende ingestelde incidentele hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), op 1 (punt) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak), is € 483. Het Hof acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig op grond waarvan belanghebbende voor de vergoeding van werkelijke kosten in aanmerking zou komen. Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat het standpunt van de Inspecteur voldoende pleitbaar, althans niet volstrekt onpleitbaar was. Voor zover belanghebbende stelt dat de forfaitaire bedragen van het Besluit niet aansluiten bij het huidige kostenniveau, overweegt het Hof, dat het Besluit niet de pretentie heeft de reële kosten te vergoeden, doch slechts een tegemoetkoming in de gemaakte kosten geeft. Voor zover belanghebbende stelt dat de forfaitaire bedragen al jaren niet meer zijn aangepast, wijst het Hof haar op de aanpassing die per 1 oktober 2009 is doorgevoerd.

5. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het principaal hoger beroep van de Inspecteur ongegrond en het incidenteel hoger beroep van belanghebbende gegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank met de verbetering van de gronden zoals hierboven aangegeven;

- gelast dat de Inspecteur met inachtneming van de uitspraak van het Hof de VAR-beschikking 2009 aan belanghebbende verstrekt;

- verklaart dat ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de toe te kennen schadevergoeding het onderzoek wordt heropend teneinde de omvang van de schade vast te stellen;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende vastgesteld op € 483, en

- bepaalt dat door tussenkomst van de griffier van de Staat ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 448.

Aldus gedaan op 7 mei 2010 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, J. Swinkels en G.W.B. van Westen, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.