Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM7475

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
14-06-2010
Zaaknummer
04/01564
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende exploiteerde een bedrijf in de zin van de Meststoffenwet met ca. 2200 kippen. Na bedrijfsbeëindiging, waarbij belanghebbende gebruik maakte van de opkoopregeling Veehouderijtakken, is de in de stal liggende mest niet afgevoerd maar blijven liggen. Op grond hiervan was belanghebbende fl. 6.175 aan fosfaatheffing verschuldigd. Belanghebbende bestrijdt de aanslag met de stelling dat hij, wegens een slijmbeursontsteking in dat najaar zijn stal niet kon leegmaken en de mest het jaar daarna is verspreid over de grond van zijn bedrijf. Het Hof constateert dat artikel 4, vierde lid van het besluit van 28 oktober 1997 bepaalt dat als een bedrijf gestaakt wordt de eindvoorraad mest op nihil gesteld wordt.

Het staat de rechter niet vrij van de dwingende bepalingen van de wetgeving inzake de mineralenheffing af te wijken. De naheffingsaanslag wordt gehandhaafd, beroep gegrond voor zover het de boete betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1823
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 04/01564

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, eerste meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y {hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur van het Bureau Heffingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans de Inspecteur van de Dienst Regelingen van voormeld ministerie; hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden naheffingsaanslagen en de daarbij gegeven boetebeschikking.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 000000000MF0000 over het jaar 2000 een naheffingsaanslag fosfaatheffing opgelegd ten bedrage van ƒ 6.175 (€ 2.802,09), met een verzuimboete wegens het niet of niet tijdig betalen van de verschuldigde fosfaatheffing ten bedrage van ƒ 54,95 (€ 24,94) en een naheffingsaanslag stikstofheffing ten bedrage van ƒ 85,00 (€ 38,57). Deze aanslagen en de boetebeschikking zijn in één geschrift opgenomen.

1.2. Na bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak, gedagtekend 17 juni 2004 de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 4 maart 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn verschenen en gehoord belanghebbende en de Inspecteur.

1.5. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan partijen is verzonden.

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

2.1. Op grond van de stukken van het geding en de verklaringen van partijen ter zitting, stelt het Hof als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.2. Belanghebbende exploiteerde een bedrijf in de zin van de Meststoffenwet (hierna: de Wet). Het betreft een kippenhouderij waarop ongeveer 2200 kippen werden gehouden. Tot het bedrijf behoorde 0,7 ha grasland. Daarnaast had belanghebbende een fulltime baan bij A. Belanghebbende heeft zijn bedrijf beëindigd en gebruik gemaakt van de opkoopregeling Veehouderijtakken. In september 2000 zijn van zijn bedrijf de laatste kippen afgevoerd, waarna het bedrijf datzelfde jaar is gestaakt. De toen in de stal aanwezige mest is niet afgevoerd maar in de stal blijven liggen.

2.3. Belanghebbende heeft voor het jaar 2000 op 31 augustus 2001 een aangiftebiljet "verfijnde aangifte" ingediend. Belanghebbende was volgens deze aangifte ƒ 6.175 aan fosfaatheffing en ƒ 0,00 aan stikstofheffing verschuldigd. Belanghebbende heeft de verschuldigde heffing niet betaald. Daarom zijn aan belanghebbende met dagtekening 6 mei 2003 de hiervoor genoemde naheffingsaanslagen en de boetebeschikking opgelegd.

2.4. Bij de bestreden uitspraak op bezwaar zijn de naheffingsaanslagen en de boetebeschikking gehandhaafd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Nadat de Inspecteur ter zitting heeft verklaard dat hij zich, in verband met de lange duur van de procedure, kan verenigen met vernietiging van de boetebeschikking fosfaatheffing, betreft het geschil nog het antwoord op de vraag of de beide hiervoor genoemde naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de naheffingsaanslagen.

De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het beroep voor zover het betreft de boetebeschikking fosfaatheffing en tot ongegrondverklaring van het beroep voor wat betreft de naheffingsaanslagen.

4. Beoordeling van het geschil

Vooraf en ambtshalve

4.1. Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift niet duidelijk vermeld dat het bezwaar tevens was gericht tegen de naheffingsaanslag stikstofheffing. Ter zitting heeft belanghebbende verklaard dat het bezwaarschrift moet worden opgevat als mede te zijn gericht tegen de naheffingsaanslag stikstofheffing. De Inspecteur is hier bij de uitspraak op bezwaar eveneens van uit gegaan. Het Hof zal partijen in deze opvatting volgen en het bezwaarschrift verstaan als tevens te zijn gericht tegen de naheffingsaanslag stikstofheffing.

Gronden.

4.2. Tussen partijen is de cijfermatige uitkomst van de naheffingsaanslagen als zodanig niet in geschil. Belanghebbende acht de aanslagen niet reëel gelet op zijn persoonlijke omstandigheden. Belanghebbende geeft als reden voor het niet afvoeren van de mest aan dat hij in 2000 door een slijmbeursontsteking in een schouder was getroffen als gevolg waarvan hij niet in staat was de mest te ruimen. Ruiming door derden zou, naar hij stelt, hoge kosten met zich hebben gebracht. Tevens stelt hij dat de droge mest in 2001 en de daarop volgende jaren niet is afgevoerd maar door belanghebbende is verspreid over zijn grond.

4.3. Artikel 4, lid 4, van het Besluit van 28 oktober 1997, Stb. 659, houdende regels voor aanvulling van de grondslag van de regulerende mineralenheffingen met voorraden dierlijke mest (hierna: het Besluit) luidt:

"Indien een bedrijf waarop het tweede lid van toepassing is, op enig tijdstip ophoudt als zodanig te bestaan of vanaf enig tijdstip door een ander wordt gevoerd, is de eindvoorraad 0 kilogram fosfaat, onderscheidenlijk stikstof.".

4.4. Nu het bedrijf van belanghebbende eind 2000 was gestaakt en er geen dieren meer aanwezig waren, heeft de Inspecteur terecht artikel 4, lid 4 van het Besluit toegepast. Bij de berekening van de naheffingsaanslagen is derhalve terecht geen rekening gehouden met de eind 2000 in de stal aanwezige mest.

4.5. De door belanghebbende aangevoerde omstandigheden kunnen, gelet op het dwingende en instrumentele karakter van de wetgeving inzake de mineralenheffing, niet leiden tot een verlaging van de naheffingsaanslagen. Van overige omstandigheden die redelijkerwijs een uitzondering op de voormelde bepaling zouden kunnen rechtvaardigen, is het Hof overigens niet gebleken.

4.6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is voor wat betreft de naheffingsaanslagen het gelijk aan de zijde van de Inspecteur. Nu de boetebeschikking komt te vervallen, dient te worden beslist als hierna is vermeld.

5. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

Nu het beroep voor wat betreft de verzuimboete gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het Hof stelt deze kosten vast op de reiskosten (openbaar vervoer NS 2e klas) die belanghebbende zelf ten behoeve van het bijwonen van de zitting heeft moeten maken, welke kosten het Hof stelt op (afgerond) € 25. Overige kosten zijn gesteld noch gebleken.

7. Beslissing

Het Hof:

. verklaart het beroep gegrond,

. vernietigt de bestreden uitspraak,

. vernietigt de bij de naheffingsaanslag fosfaatheffing opgelegde verzuimboete

. handhaaft de naheffingsaanslag fosfaatheffing 2000,

. handhaaft de naheffingsaanslag stikstofheffing 2000,

. gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake

van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten

bedrage van € 37, en

. veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde

van belanghebbende, vastgesteld op € 25.

Aldus gedaan op 12 mei 2010 door G.J. van Muijen, voorzitter, J.W.J. Huige en J.G. Verseput, in tegenwoordigheid van R.O.J.M. de Windt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 12 mei 2010

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.