Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM7472

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-05-2010
Datum publicatie
14-06-2010
Zaaknummer
09/00019
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is te laat in bezwaar gekomen. Hij voert als reden voor deze termijnoverschrijding de ziekte van zijn echtgenote en zijn schoonzuster aan. De rechtbank heeft dit beroep op toepassing van artikel 6:11 verworpen, nu de ziekte van de betreffende personen reeds lang duurde en belanghebbende tijdig maatregelen had kunnen treffen. Op 8 maart, 17.30 uur, de dag voor de zitting voor het Hof verzoekt belanghebbende middels een fax-bericht om uitstel van de mondelinge behandeling omdat hij "wegens gezondheidsredenen niet is staat is zich voor te bereiden dan wel een passend verweer te kunnen voeren". Dit uitstel wordt niet verleend omdat het Hof van oordeel is dat belanghebbende niet tijdig en onder aanvoering van gewichtige redenen uitstel heeft gevraagd. Op 12 mei 2010 verzoekt belanghebbende nadere stukken te mogen indienen. Het Hof vat dit verzoek op als een verzoek om heropening van de zaak en wijst het verzoek af, omdat het nader gemotiveerd is en evenmin duidelijk is gemaakt waarom belanghebbende zich niet kon houden aan de termijn van artikel 8:58 Awb. Ten aanzien van de in geschil zijnde vraag naar de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift sluit het Hof zich aan bij de overwegingen van de rechtbank. Er is ook naar het oordeel van het Hof geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Hoger beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1508
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Achtste enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00019

Uitspraak op het hoger beroep van

X BV, gevestigd te Y,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 3 december 2008, nummer AWB 07/3337 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen naheffingsaanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd (aanslagnummer 0000.00.000.F.01.1501).

Op het daartegen ingediende bezwaar heeft de Inspecteur op 20 juli 2007 uitspraak gedaan.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 285.

Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 433.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 9 maart 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de Inspecteur.

Belanghebbende is niet verschenen.

1.5. De griffier heeft verklaard, dat zij belanghebbende bij op 21 januari 2010, met nummer 3SRGHR4955772, aangetekend met Handtekening Retourkaart, verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip, zijnde 13.30 uur, van de zitting.

Tot de stukken van het geding behoort de op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende op 2 februari 2010 ondertekende Handtekening Retourkaart.

1.6. Belanghebbende heeft het Hof bij faxbericht van 8 maart 2010, tijdstip 17.30 uur, verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling van de zaak.

Als reden voor dat verzoek werd vermeld:

"Wegens gezondheidsredenen ben ik niet in staat mij voor te bereiden dan wel passend verweer te kunnen voeren.".

1.7. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1.8. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

1.9. Op 12 mei 2010 heeft belanghebbende per telefoon contact gehad met de griffier en medegedeeld dat hij nog stukken zou willen indienen.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. De naheffingsaanslag is gedagtekend 25 januari 2006. Het hiertegen ingediende bezwaarschrift is op 10 juli 2006 bij de Inspecteur ingekomen.

2.2. In de uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft, naar het Hof verstaat, het antwoord op de vraag of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk in bezwaar is verklaard.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting heeft de Inspecteur hieraan geen nieuwe argumenten toegevoegd.

3.3. Belanghebbende is, naar het Hof verstaat, van mening, dat de in 3.1 vermelde vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1. Het Hof heeft het door belanghebbende in 1.6. bedoelde verzoek om uitstel van de mondelinge behandeling afgewezen.

Belanghebbende is, naar aanleiding van het door hem gezonden faxbericht, op 9 maart 2010 's-morgens gebeld door een medewerker van het Hof, die hem heeft medegedeeld, dat geen uitstel van de zitting wordt verleend en dat, slechts indien het verhandelde ter zitting dit noodzakelijk zou maken, een tweede zitting zal worden gehouden.

4.2. Het Hof is van oordeel, dat belanghebbende niet tijdig en onder aanvoering van gewichtige redenen waarom hij niet op de voor de zaak vastgestelde zittingsdag aanwezig kan zijn of zich op de behandeling kan voorbereiden, heeft verzocht om die behandeling op een nader te bepalen latere dag te doen plaatsvinden.

De uitnodiging voor de zitting is verzonden op 21 januari 2010 en de door belanghebbende genoemde omstandigheden deden zich, mede gelet op de bij het faxbericht gevoegde bijlagen, reeds gedurende lange tijd voor.

Gelet op genoemde omstandigheden heeft het Hof het verzoek van belanghebbende om uitstel van de mondelinge behandeling van de zaak op 9 maart 2010 niet ingewilligd, nu belanghebbende bij een zo structurele situatie tijdig maatregelen had kunnen treffen.

4.3. Met betrekking tot het door belanghebbende op 12 mei 2010 ingediende verzoek overweegt het Hof als volgt.

Belanghebbendes verzoek strekt klaarblijkelijk tot heropening van het onderzoek, als voorzien in artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). Het Hof ziet daartoe geen aanleiding, omdat belanghebbende zijn telefonische verzoek niet nader heeft gemotiveerd; hij heeft niet aangegeven om welke stukken het gaat, noch waarom hij deze stukken niet tijdig, dat wil zeggen uiterlijk tien dagen voor de zitting, als voorzien in artikel 8:58 van de Awb, heeft kunnen indienen.

Ten aanzien van het geschil

4.4. De Rechtbank heeft het volgende overwogen:

2.1. In geschil is of belanghebbendes bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens termijnoverschrijding.

2.2. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking, dan wel op de dag na die van de voldoening of de inhouding onderscheidenlijk de afdracht. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. De dagtekening van het aanslagbiljet is 25 januari 2006. Gesteld noch gebleken is dat het aanslagbiljet pas na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is geëindigd op 8 maart 2006. Het bezwaarschrift is op 10 juli 2006 door de inspecteur ontvangen. Het bezwaarschrift is dus gelet op artikel 6:9, eerste lid, van de Awb niet tijdig ingediend.

2.3. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.4. Belanghebbende heeft verklaard dat zijn echtgenote en zijn schoonzus een periode ziek zijn geweest en dat dat zijn uitwerking heeft gehad op hem, ook nu nog. Onder bedoelde omstandigheden is van een verontschuldigbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb geen sprake. De genoemde oorzaken van de termijnoverschrijding doen zich volgens belanghebbende gedurende lange tijd voor. Belanghebbende had dan ook tijdig maatregelen kunnen treffen om die overschrijding te voorkomen. Zo had hij niet-ontvankelijkheid kunnen voorkomen door het (laten) indienen van een pro-forma bezwaarschrift, dat later voorzien had kunnen worden van een motivering.

4.5. In hoger beroep herhaalt belanghebbende zijn argumenten met betrekking tot de ziekte van zijn echtgenote en schoonzuster. Hij stelt voorts, dat het door de Rechtbank voorgestelde uitbesteden van het bezwaar geen optie was, vanwege de persoonlijke ernstig ingrijpende situatie en opgetreden stagnatie in werkzaamheden. Het Hof volgt hem niet in dit standpunt.

4.6. Het Hof sluit zich aan bij het oordeel van de Rechtbank en de daartoe gebezigde gronden. Naar vaste jurisprudentie heeft in geval van ziekte te gelden dat de indiener van het bezwaarschrift wegens die ziekte buiten staat moet zijn geweest om tijdig bezwaar in te dienen. Ziekte en psychische problemen leveren geen verschoonbare termijnoverschrijding op indien de betrokkene tijdig maatregelen had kunnen nemen om die termijnoverschrijding te voorkomen, bijvoorbeeld door het laten indienen van een pro forma bezwaarschrift (vgl. Hoge Raad 28 juni 2002, BNB 2002/311).

4.7. Belanghebbendes stelling dat het inschakelen van een derde geen optie was, vanwege de persoonlijk ernstig ingrijpende situatie en opgetreden stagnatie in werkzaamheden, snijdt geen hout. Niet valt in te zien waarom dergelijke omstandigheden het inschakelen van een derde zouden verhinderen.

4.8. Het voorgaande brengt het Hof tot de conclusie dat geen sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 van de Awb.

4.9. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat het hoger beroep ongegrond is. De uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10. Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Staat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 28 mei 2010 door W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van A.W.J. Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.