Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM7415

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
11-06-2010
Zaaknummer
HD 200.017.165
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Relatie beëindigd vóór aanvang samenwoning; verdeling kosten aan woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.017.165

arrest van de zevende kamer van 11 mei 2010

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. A.A.T. van Ginderen,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. M.M.M. Heesmans,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 oktober 2008 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 30 juli 2008 tussen appellant - [X.] – als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en geïntimeerde - [Y.] - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer 186662/HA ZA 08-452)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 7 mei 2008.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [X.] is tijdig van het eindvonnis van 30 juli 2008 in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven heeft [X.] onder overlegging van negen producties acht grieven aangevoerd en geconcludeerd overeenkomstig de appeldagvaarding tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot alsnog afwijzing van de vorderingen van [Y.] in conventie en tot alsnog toewijzing van een deel van zijn vorderingen in reconventie.

2.2 Bij memorie van antwoord heeft [Y.] onder overlegging van één productie de grieven bestreden.

2.3 Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 De vaststelling van de feiten in het vonnis waarvan beroep onder 3.1 is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat.

4.2 Het gaat in dit hoger beroep, samengevat, om het volgende.

Partijen hebben van oktober 1999 ([X.] was toen 19, [Y.] 15) tot begin december 2007 een affectieve relatie gehad.

In verband met hun voornemen om te gaan samenwonen hebben zij vanaf augustus 2007 in [woonplaats] een woning gehuurd en onder verband van hoofdelijkheid een lening afgesloten bij de Ohra Bank. Zij hebben geen samenlevings- contract gemaakt.

De limiet van dit doorlopend krediet bedroeg € 20.000,=, de looptijd 60 maanden en de vaste maandtermijn € 400,=. Met behulp van dit krediet hebben partijen tot een bedrag van € 14.254,24 inboedelgoederen en stoffering voor de woning gekocht.

In de periode van augustus tot december 2007 is de woning opgeknapt en ingericht.

Kort voordat partijen in de woning zouden gaan samenwonen is de relatie tussen hen geëindigd. [X.] is in de woning gaan wonen. De door partijen aangeschafte inboedelgoederen en stoffering zijn in de woning gebleven.

Partijen zijn er niet in geslaagd tot een verdeling van de tussen hen ontstane beperkte gemeenschap te komen. Met deze procedure beogen partijen de door hen gewenste verdeling tot stand te brengen.

4.3 In conventie vordert [Y.], kort gezegd, primair veroordeling van [X.] tot algehele aflossing van het krediet met ontslag van haarzelf uit de hoofdelijke aansprakelijkheid daarvoor en toedeling van alle activa - de inboedel - aan [X.], op verbeurte van een dwangsom. Subsidiair en meer subsidiair vordert [Y.] verdeling van het krediet en de (waarde van de) inboedel. In reconventie vordert [X.], kort gezegd, veroordeling van [Y.] om aan hem een bedrag van € 2.861,56 te betalen en om zich als medehuurder van de woning uit te schrijven bij de woningstichting en de gemeente, een en ander op verbeurte van een dwangsom.

4.4 De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 7 mei 2008 een comparitie van partijen bepaald, die op 2 juli 2008 heeft plaatsgevonden. Bij eindvonnis van 30 juli 2008 heeft de rechtbank de waarde van de aangeschafte zaken gewaardeerd op de aanschafwaarde en deze aan [X.] toebedeeld. Het gehele krediet is eveneens aan [X.] toebedeeld met de verplichting zich tot het uiterste in te spannen om [Y.] zo spoedig mogelijk uit de hoofdelijke aansprakelijkheid jegens Ohra Bank voor de lening te doen ontslaan. In reconventie is [Y.], voor zover nog nodig, veroordeeld om zich bij de woningstichting en de gemeente uit te schrijven. De vordering tot betaling van € 2.861,56 is afgewezen. Dwangsommen heeft de rechtbank niet opgelegd; de proceskosten zijn zowel in conventie als in reconventie tussen partijen gecompenseerd.

4.5 In hoger beroep vordert [X.] vernietiging van het eindvonnis van 30 juli 2008 en alsnog afwijzing van de vorderingen van [Y.], met bepaling dat beide partijen voor de helft het doorlopend krediet voor hun rekening dienen te nemen en dat de reeds door [X.] betaalde maandelijkse aflossingen door [Y.] voor de helft gerestitueerd zullen worden aan [X.] in dier voege dat de te geven beschikking een daarvoor executoriale titel oplevert, alsmede veroordeling van [Y.] tot betaling van € 2.861,56, met rente.

4.6 Bij de beoordeling van de vorderingen die partijen over en weer hebben ingesteld, voor zover in hoger beroep nog aan de orde, neemt het hof de feitelijke situatie van partijen bij de beëindiging van hun relatie tot uitgangspunt. Die situatie is dat partijen hun voornemen om te gaan samenwonen niet tot uitvoering hebben gebracht en dat partijen voor de gevolgen daarvan geen regeling hebben getroffen, vooraf noch achteraf. De enige afspraak waarvan blijkt is de afspraak dat in de periode voorafgaand aan de samenwoning [X.] de huur zou betalen en [Y.] de gebruikslasten. Door [Y.] is in ieder geval gesteld dat deze afspraak is gemaakt (cva reconv. punt 8) en door [X.] is dit niet betwist. [Y.] heeft geen gebruik gemaakt van de zaken die met behulp van het doorlopend krediet zijn aangeschaft en/of van de inspanningen die zijn verricht om de woning op te knappen en in te richten. Zij heeft immers nooit in de woning gewoond terwijl alle aangeschafte zaken kennelijk naar de woning zijn gegaan. Ook is niet gesteld of gebleken dat na de beëindiging van de relatie [Y.] iets van de aangeschafte zaken onder zich heeft gekregen of genomen.

4.7 [X.] heeft aangevoerd dat die situatie niet berust op een keuze van zijn kant. Het was immers zijn bedoeling om te gaan samenwonen en toen bleek dat dit niet doorging restte hem, zo stelt [X.], geen andere keuze dan in de woning te blijven. Het hof overweegt hierover het volgende. Ook indien [X.] geen voorstander was van de situatie zoals deze zich heeft ontwikkeld, is deze wel een gegeven dat voor de verdere beoordeling tot uitgangspunt dient. Andere mogelijkheden die zich hadden kunnen voordoen, bijvoorbeeld het voortzetten van de huur door [Y.], het beëindigen van de huur door beiden, de verkoop van de aangeschafte zaken aan derden en dergelijke, hebben zich in dit geval niet voorgedaan. Het kan zijn dat [X.] voor zichzelf geen andere weg zag, maar hij heeft deze wel gevolgd en het feit dat hij dat heeft gedaan kan hij nu niet aan [Y.] tegenwerpen. Hij is, hoe dan ook, in de woning gaan wonen en heeft daardoor als enige van beide partijen van meet af aan de vruchten gekregen van de aanschaffingen en inspanningen. Of dat al dan niet zijns ondanks is gebeurd, doet aan het gegeven niet af. Uit niets blijkt dat hij daadwerkelijk initiatieven heeft genomen om tot een andere oplossing te geraken. Enig concreet feit daarover is door [X.] in ieder geval niet naar voren gebracht.

4.8 De verdeling van de activa en passiva van de beperkte gemeenschap tussen partijen dient te geschieden in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid die partijen tegenover elkaar in acht dienen te nemen en met de feitelijke situatie zoals partijen deze bij de beëindiging van hun relatie – al dan niet met tegenzin - hebben doen ontstaan. In het licht van dit uitgangspunt overweegt het hof allereerst dat in dit geval met betrekking tot de waarde van de aangeschafte zaken op dat moment de aanschafprijs ervan aangehouden dient te worden en niet de marktwaarde na aanschaf. Er is immers geen relevante tijd verlopen tussen de aanschaf van de zaken en het moment waarop zij in gebruik zijn genomen en zij zijn ook in gebruik genomen voor het doel waarvoor zij waren aangeschaft, namelijk voor gebruik in de huurwoning. Het hof kan zich om deze reden vinden in het desbetreffende oordeel van de rechtbank.

4.9 Toedeling aan [X.] van de aangeschafte zaken tegen de aanschafwaarde sluit op grond van het bovenstaande aan bij de hiervoor genoemde uitgangspunten en de situatie zoals partijen die hebben laten ontstaan. Voor enige andere verdeling ziet het hof in hetgeen [X.] heeft aangevoerd onvoldoende grondslag. Wat aldus geldt voor de actiefzijde dient eveneens te gelden voor de passiefzijde, zodat het ook naar het oordeel van het hof voor de hand ligt dat [X.] de aflossing van het doorlopend krediet bij de Ohra Bank voor zijn rekening neemt.

4.10 [X.] heeft aangevoerd dat zijn financiële situatie toedeling van het doorlopend krediet niet toelaat. In hoger beroep heeft hij deze stelling gedeeltelijk nader onderbouwd, maar deze onderbouwing brengt niet mee dat de aflossing van het doorlopend krediet niet voor zijn rekening kan worden gebracht. Het hof tekent hierbij aan dat in hoger beroep tussen partijen vast staat dat [X.] het doorlopend krediet inmiddels geheel heeft afgelost met behulp van een lening van een familielid en dat hij die laatstgenoemde lening via lagere maandtermijnen aflost. Het hof merkt in dit verband nog op dat [X.] met betrekking tot zijn huidige financiële situatie wel te kennen geeft dat hij specificaties zal overleggen (mvg punt 27) maar dat hij dit niet doet.

4.11 Op grond van bovenstaande overwegingen komt het hof met betrekking tot de toedeling van de aangeschafte zaken en de aflossing van het doorlopend krediet tot hetzelfde resultaat als de rechtbank zodat de daartegen gerichte grieven van [X.] worden verworpen. De desbetreffende vordering van [X.] zoals in hoger beroep geformuleerd, komt niet voor toewijzing in aanmerking.

Resteert de vordering van [X.] tot veroordeling van [Y.] tot betaling van € 2.861,56. Dit bedrag betreft enerzijds de helft van gestelde (en betwiste) kosten van het opknappen van de woning, € 2.132,41, en anderzijds de helft van drie huurbetalingen,

€ 729,15. Met betrekking tot de kosten van het opknappen van de woning heeft te gelden dat ook indien zou komen vast te staan dat deze daarvoor en in die mate zijn gemaakt, deze alleen ten goede zijn gekomen aan [X.] en niet mede aan [Y.]. Met betrekking tot de gestelde huurbetalingen verwijst het hof naar de afspraak daarover die door [Y.] is gesteld en die door [X.] niet is betwist en die aan toewijzing van dit deel van de vordering van [X.] in de weg staat. Dit brengt mee dat ook deze vordering van [X.] afgewezen dient te worden en dat de grieven die hierop betrekking hebben worden verworpen.

4.13 Ook voor het overige leidt hetgeen [X.] naar voren heeft gebracht niet tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank zodat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd met afwijzing van hetgeen [X.] meer of anders heeft gevorderd. Voor bewijslevering als door [X.] aangeboden ziet het hof bij deze stand van zaken geen grond, zodat dit bewijsaanbod als niet relevant wordt gepasseerd.

4.14 Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan zal het hof de proceskosten in hoger beroep tussen hen compenseren.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Meulenbroek en Keizer en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 mei 2010.