Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM6781

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-06-2010
Datum publicatie
04-06-2010
Zaaknummer
20-001149-09
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BY4271
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Handelen in strijd met ambtsplicht door lid van Openbaar Ministerie (art. 363 Sr); oplichting (326 Sr) ; valsheid in geschrifte (225, lid 1 Sr); geheimhoudersstukken (art. 98 Sv); geheimhoudersgesprekken (art. 126aa Sv en 218 Sv); Salduz-verweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001149-09

Uitspraak : 4 juni 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

’s-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 24 maart 2009 in de strafzaak met parketnummer 01-993213-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1950],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

Verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende verdachte ter zake van het ten laste gelegde onder 1. primair, 2., 3. en 4. zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts vordert de advocaat-generaal dat de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van EUR 7.335,00 wordt toegewezen en dat de schadevergoedingsmaatregel tot dat bedrag wordt opgelegd.

De verdediging heeft:

- bepleit dat het openbaar ministerie om meerdere redenen niet-ontvankelijk zal

worden verklaard in zijn strafvervolging;

- bepleit dat - mocht het hof het openbaar ministerie ontvankelijk verklaren in zijn strafvervolging- verdachte van alle aan hem ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken;

- bepleit dat een ontslag van rechtsvervolging dient te volgen vanwege het ontbreken van de materiele wederrechtelijkheid alsmede op grond van psychische overmacht;

- bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vordering dan wel dat de vordering zal worden afgewezen.

meer subsidiair is verzocht het onderzoek te heropenen teneinde nader onderzoek te doen verrichten waaronder het alsnog stellen van belette vragen aan getuigen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

A. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A.1.

Namens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd, dat het beroepen vonnis dient te worden vernietigd en het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging. Daartoe is het volgende aangevoerd.

A.1.1.

Het openbaar ministerie heeft geweigerd op vragen van de verdediging, de rechter commissaris en het hof duidelijkheid te verschaffen over de vraag of de informatie opgenomen in het CIE proces-verbaal d.d. 29 januari 2007 direct of indirect afkomstig is van [getuige 3].

Subsidiair is door de verdediging verzocht het onderzoek ter terechtzitting te heropenen teneinde de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] alsnog de vraag te laten beantwoorden of de informatie die de informant heeft aangedragen direct of indirect van [getuige 3] afkomstig is en de getuige van [getuige 2] de vraag te laten beantwoorden of de informant op 12 december 2006 was overgedragen aan de CIE van de Rijksrecherche.

A.1.2.

Onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie heeft oud CIE-chef van Gelderland Midden, te weten [verbalisant], bewust met de bedoeling de rechter-commissaris te misleiden twee verkeerde CIE-runners als getuigen gepresenteerd, aangeduid als runner nummer 3 en runner nummer 4, welke getuigen tijdens het begin van de verhoren bij de rechter-commissaris hebben volhard in deze misleiding. Redengevend voor de wetenschap van [verbalisant] dat deze runners niet de juiste twee runners waren, is dat [verbalisant] voorafgaand aan de verhoren van deze runners overleg heeft gevoerd met leden van het openbaar ministerie over deze zaak en de reden van deze verhoren. Aangezien de advocaat-generaal, ondanks zijn toezegging na te zullen gaan wat de oorzaak was van deze gang van zaken, geen duidelijkheid hierover heeft verschaft moet het op grond van deze argumenten ervoor worden gehouden dat [verbalisant] en de twee runners doelbewust hebben geprobeerd het onderzoek te frustreren. Dit levert op een grove schending van artikel 6 van het EVRM op grond waarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging.

A.1.3.

De inhoud van het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 27 februari 2009, opgemaakt door [verbalisant 2], hoofdinspecteur van politie en werkzaam bij de Rijksrecherche, betreffende het onderzoek verricht naar 25 bestanden aangetroffen op de bij verdachte in beslag genomen computers is op meerdere punten onjuist. In de eerste plaats omdat uit later afgelegde getuigenverklaringen van de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] is gebleken dat het niet gaat om een 25-tal geheimhouderstukken, doch om een veel groter aantal, te weten 250 tot 290 documenten. In tweede plaats omdat uit evengenoemde verklaringen is gebleken dat door deze verbalisanten niet “diagonaal” op trefwoorden is gescand, zoals in dit proces-verbaal is vermeld, doch dat deze stukken uitgebreid zijn bestudeerd om te beoordelen of deze bruikbaar waren voor het onderzoek.

Voorts blijkt uit deze getuigenverklaringen eveneens dat de verklaring van de officier van justitie, gedaan in eerste aanleg ter terechtzitting van 4 februari 2009, inhoudende dat verbalisant [verbalisant 2] heeft benadrukt dat er geen geheimhouderstukken zijn uitgeprint, niet conform de waarheid is geweest, aangezien deze getuigen hebben verklaard dat er wél afschriften zouden kunnen zijn van deze geheimhouderstukken.

A.1.4.

Het onderzoeksteam heeft images gemaakt van de harde schijven van twee onder verdachte inbeslaggenomen computers, hetgeen reeds als een schending van artikel 8 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) oplevert. Blijkens deze images bevonden zich op de computers van verdachte documenten die kunnen worden aangemerkt als geheimhoudersstukken, te weten correspondentie tussen verdachte en de notarissen [notaris 1], [notaris 2] en [notaris 3], alsmede correspondentie tussen verdachte en de advocaten [advocaat 1], [advocaat 2] en [advocaat 3]. Het onderzoeksteam, heeft, ondanks dat tijdens de doorzoeking door verdachte van deze geheimhouderstukken melding is gemaakt, van de inhoud daarvan kennis genomen. Door zonder enige waarborg ter voorkoming van inbreuk op de geheimhouding dit onderzoek uit te voeren, heeft het onderzoeksteam doelbewust of met grove veronachtzaming de rechten van verdachte en de geheimhouders geschonden. Mitsdien is sprake van schending van artikel 8, tweede lid EVRM, waarbij in aanmerking dient te worden genomen dat met deze schending de kern van het strafproces is geraakt.

A.1.5.

In strijd met artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering zijn een zevental telefoongesprekken opgenomen, gevoerd via een bij verdachte in gebruik zijnde telefoonaansluiting met bij verschoningsgerechtigden in gebruik zijnde telefoonnummers, welke vervolgens zijn bewaard en niet dan wel niet tijdig zijn vernietigd. In het licht van de vertrouwensrelatie die bestaat met - onder meer - een raadsman, welke relatie erkenning vindt in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering, levert deze handelwijze een zodanige schending op van de beginselen van een goede procesorde dat het openbaar ministerie daarmee zijn vervolgingsrecht heeft verspeeld.

A.1.6.

De door de rechter-commissaris verstrekte machtiging voor de doorzoeking van de woning van verdachte is gebaseerd op een door verbalisant [verbalisant 2] in het proces-verbaal aanvraag doorzoeking woning volstrekt onjuist weergegeven voorstelling van feiten en derhalve onrechtmatig.

Deze onjuiste voorstelling van zaken bestond uit het feit dat de rechter-commissaris onvolledig was geïnformeerd over het voortraject, hij droeg geen kennis van de dubbelrol van [getuige 3] en diens leugenachtige verklaringen en aan hem is op grond van onjuiste berekeningen een fiscale verdenking ten aanzien van verdachte gerechtvaardigd. Door op deze wijze te handelen heeft het onderzoeksteam de rechter-commissaris bewust onjuist en onvolledig ingelicht en zijn de rechten van verdachte op grove wijze veronachtzaamd.

A.1.7.

Verdachte is op 10, 11 en 12 december 2007 15 keer door de politie verhoord. Gedurende die periode is hij, ofschoon hij uitdrukkelijk daartoe had verzocht, niet in de gelegenheid gesteld overleg te voeren met een raadsman. Deze handelwijze alsmede de omstandigheden waaronder verdachte tijdens zijn inverzekeringstelling is gedetineerd geweest, een en ander in onderlinge samenhang bezien, brengt met zich mee dat sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en/of met grove veronachtzaming van de belangen van de op dat moment kwetsbare verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling is tekort gedaan. Mochten de belangen van verdachte niet concreet zijn geschaad, dan blijft sprake van een grove en doelbewuste schending omdat is gehandeld in strijd met de grondslagen van het strafproces als gevolg waarvan het wettelijk systeem in de kern is geraakt.

A.1.8.

Voor zover niet reeds op grond van één van de hiervoor genoemde schendingen van wet- en regelgeving en belangen van verdachte het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging, dan dient deze sanctie alsnog te worden uitgesproken op grond van al deze schendingen tezamen, in onderlinge samenhang en verband gezien.

B. Beoordeling

B.1.

Het hof overweegt ten aanzien van hetgeen de verdediging hiervoor onder A. heeft aangevoerd het volgende.

B.1.1. Openheid omtrent CIE informatie

Ten aanzien van het standpunt van de verdediging weergegeven onder A.1.1. overweegt het hof het volgende.

Het hof is van oordeel, evenals ter terechtzitting van 2 maart 2010 is beslist, dat de beantwoording van de door de verdediging aan de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] te stellen vragen of [getuige 3] de (indirecte) bron was van de informatie die de informant heeft verstrekt, alsmede de aan [getuige 2] te stellen vraag of de informant op 12 december 2006 was overgedragen aan de CIE van de Rijksrecherche, op juiste gronden -na afweging van alle belangen- zijn belet. Tegen de achtergrond van de door deze getuigen ter terechtzitting van het hof afgelegde verklaringen, alsmede de door hen opgestelde processen-verbaal weegt het afschermingsbelang ook thans zwaarder dan het verdedigingsbelang. De verdediging is door de beantwoording van andere aan de getuigen gestelde vragen in voldoende mate gecompenseerd voor het beletten van even vermelde vragen.

Na het hiertoe door de verdediging ter terechtzitting van 20 november 2009 gedane verzoek is genoegzaam duidelijkheid verschaft over de informatie opgenomen in het CIE-proces-verbaal. Nadat aanvankelijk runner nummer 1 en runner nummer 2, alsmede [verbalisant 5], plv chef CIE rijksrecherche, ten overstaan van de rechter-commissaris geen antwoord hebben willen geven op de vraag of de informatie in het CIE proces-verbaal afkomstig was van [getuige 3], is vervolgens door de beide verantwoordelijke officieren van justitie klaarheid verschaft. Ter zitting van 20 november 2009 en van 2 maart 2010 zijn naast [getuige 3] en [getuige 4], zowel officier van justitie [getuige 1] als officier van justitie [getuige 2] als getuige ten overstaan van het hof gehoord. Voorts zijn door beide officieren van justitie processen-verbaal van bevindingen opgemaakt . De beide verantwoordelijke officieren van justitie hebben, na raadpleging van de respectievelijke informantenregisters van de CIE van de rijksrecherche en van de CIE van Gelderland Midden, verklaard dat de informant een ander persoon is dan [getuige 3] of [getuige 4]. Blijkens de verklaring van [getuige 1] afgelegd ter zitting van 2 maart 2010 is geen sprake van een dubbelrol van [getuige 3] als zijnde enerzijds de rechtstreekse bron van CIE-informatie op grond waarvan het onderzoek naar verdachte is aangevangen en anderzijds tevens getuige in deze zaak. De informant heeft zich op 20 september 2006 gemeld bij de CIE Gelderland-Midden. Deze informant, niet zijnde [getuige 3] of [getuige 4], stond al jaren ingeschreven in het register van de betreffende CIE en stond als betrouwbaar te boek. Deze informant heeft de namen van [getuige 3] en [getuige 4] genoemd, waarna met [getuige 3] en [getuige 4] CIE-matige gesprekken zijn gevoerd teneinde de door de informant aangedragen informatie te verifiëren, aldus de verklaring van [getuige 1] ter zitting van 2 maart 2010. De officier van justitie [getuige 2] heeft voorts verklaard dat de informant geen opsporingsambtenaar is.

Het hof is van oordeel dat door en vanwege het openbaar ministerie thans voldoende duidelijkheid is verschaft omtrent de vraag naar de herkomst van de informatie. Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep kan de door de verdediging beweerde dubbelrol worden uitgesloten.

Mitsdien wordt het verweer verworpen.

Voorts bestaat er gelet op het bovenstaande geen noodzaak het onderzoek ter terechtzitting te heropenen om de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] alsnog de belette vragen te doen beantwoorden

B. 1.2. Misleiding rechter-commissaris

Ten aanzien van het standpunt van de verdediging weergegeven onder A.1.2. overweegt het hof dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat door het openbaar ministerie of onder diens verantwoordelijkheid doelbewust ter misleiding van de rechter-commissaris de verkeerde getuigen, te weten runner nummer 3 en runner nummer 4, aan de rechter-commissaris zijn gepresenteerd.

De omstandigheid dat de advocaat-generaal heeft toegezegd deze gang van zaken uit te zullen zoeken, maar dat tijdens het onderzoek ter terechtzitting door de verdediging nog geen antwoord is ontvangen, doet hier niet aan af.

Mitsdien wordt het verweer verworpen.

B.1.3. Proces-verbaal geheimhoudersstukken

Ten aanzien van het standpunt van de verdediging weergegeven onder A.1.3. overweegt het hof als volgt.

Volgens het proces-verbaal van 27 februari 2009 opgemaakt door [verbalisant 2] is de gang van zaken bij het onderzoek van de images van de harde schijven van de computers van verdachte als volgt geweest. De opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben de documenten voorkomend in deze images bekeken teneinde de inhoud daarvan te toetsen op relevantie voor het onderzoek. De vermoedelijk relevante documenten werden gemarkeerd middels het programma Forensic Toolkit. Deze documenten zijn daarna geprint om beoordeeld te worden. Daarvan bleken uiteindelijk 10 documenten relevant voor het onderzoek.

De beide opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] zijn op 30 oktober 2009 door de rechter-commissaris gehoord en hebben verklaard dat zij alle documenten in de images kort hebben gelezen om het onderwerp daarvan te onderzoeken. Volgens beide verklaringen hebben zij op deze wijze tussen de 250 en 290 geheimhoudersstukken gezien.

Het hof vermag niet in te zien waarom het proces-verbaal van [verbalisant 2] op dit onderdeel onjuist zou zijn. [verbalisant 2] kon niet uit eigen wetenschap verbaliseren over het aantal geheimhoudersstukken dat enkel door de beide opsporingsambtenaren is ingezien.

Voorts is het hof van oordeel dat hoewel, in tegenstelling tot hetgeen verbalisant [verbalisant 2] hierover aan de officier van justitie heeft verklaard, mogelijk is dat er wél nog afschriften zouden kunnen bestaan van de geheimhouderstukken, deze gang van zaken geen ernstige schending van beginselen van een goede procesorde oplevert, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte is tekort gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling.

Mitsdien wordt het verweer verworpen.

B.1.4. Beslag geheimhoudersstukken

Het hof stelt op basis van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de op het standpunt van de verdediging, weergegeven onder A.1.4., betrekking hebbende feiten het volgende vast.

B.1.4.1. Feiten

Tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte zijn ondermeer een tweetal computers in beslag genomen. Verdachte heeft tijdens de doorzoeking van de woning gemeld dat op de twee in beslag genomen computers zich bestanden bevonden die geheimhouderstukken bevatten.

Van de harde schijven van deze twee computers zijn images gemaakt. Volgens het proces-verbaal van 27 februari 2009 opgemaakt door [verbalisant 2] hebben de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] vervolgens de documenten voorkomend op deze images bekeken teneinde de inhoud daarvan te toetsen op relevantie voor het onderzoek. De vermoedelijk relevante documenten, een 25 tal, werden gemarkeerd middels het programma Forensic Toolkit. Daarvan zijn uiteindelijk 22 documenten geprint voor nader onderzoek. Van de 22 documenten bleken 12 geheimhouderstukken te betreffen, doch deze werden als niet relevant voor het onderzoek aangemerkt. Deze 12 document zijn niet nader onderzocht.

De resterende 10 documenten, die eveneens als geheimhoudersstukken konden worden aangemerkt, bleken wel relevant voor het onderzoek. Deze zijn nader omschreven in het hierboven genoemd proces-verbaal.

Blijkens de door de opsporingsambtenaren [verbalisant 3] en [verbalisant 4] tegenover de rechter-commissaris op 30 oktober 2009 afgelegde getuigenverklaringen is voorafgaande aan het door hen ingestelde onderzoek niet medegedeeld dat de mogelijkheid bestond dat zich onder deze bestanden geheimhouderstukken bevonden. [verbalisant 4] heeft in dit verband verklaard dat hij er wel aan heeft gedacht dat de mogelijkheid bestond dat deze bestanden geheimhouderstukken bevatten. Zowel uit evengenoemd proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 februari 2009 als uit de verklaringen van beide opsporingsambtenaren bij de rechter-commissaris blijkt dat zij tijdens het verrichten van evengenoemde werkzaamheden hebben kennis genomen van een groot aantal bestanden, welke als geheimhouderstukken diende te worden aangemerkt. Beide opsporingsambtenaren verklaarden dat het kon gaan om een aantal van 250 tot 290 documenten. Het zou daarbij kunnen gaan om geheimhoudersstukken afkomstig van of gericht aan advocaten of notarissen.

B.1.4.2. Wettelijk kader

Ingevolge artikel 98, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, worden bij personen met een bevoegdheid tot verschoning, als bedoeld in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering, tenzij met hun toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt.

B.1.4.3.

Artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:

a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;

b. de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde feit;

c. het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.

2. Bij de toepassing van het eerste lid, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

(…)

B.1.4.4. Beoordeling

Het enkel maken van een image van de harde schijf van de computer van verdachte levert geen strijd op met enig verschoningsrecht. Naar zijn aard lenen computerbestanden zich niet voor afzonderlijk beslag, zodat het maken van image voor de hand ligt en voor de beslagene het minst bezwarend is omdat de mogelijkheid blijft bestaan dat hij de beschikking blijft houden over zijn computer.

De aard van de bevoegdheid tot verschoning van een advocaat, brengt mee dat het oordeel omtrent de vraag of brieven of geschriften object van de bevoegdheid tot verschoning uitmaken in beginsel toekomt aan die advocaat. Datzelfde geldt in beginsel ook voor andere professioneel verschoningsgerechtigden als een notaris of arts. Indien deze zich op het standpunt stelt dat het gaat om brieven en geschriften die voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan gediend hebben en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim, dient dit standpunt door de organen van politie en justitie te worden geëerbiedigd, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kan bestaan dat dit standpunt onjuist is. Daarbij doet niet ter zake of de in het geding zijnde geschriften zich bij de verschoningsgerechtigde zelf of bij diens cliënt bevonden.

B.1.4.5.

Aangezien verdachte ten tijde van het in beslag nemen van de computers melding heeft gemaakt van de aanwezigheid van geheimhouderstukken op de harde schijven van deze computers, had het onderzoeksteam ook naar deze wetenschap moeten handelen. Dit klemt temeer, nu [verbalisant 4] - hoewel hij hiervan niet op de hoogte was gesteld - ook zelf aan de mogelijkheid heeft gedacht dat in de door hem te controleren bestanden zich mogelijk geheimhouderstukken zouden bevinden.

De verschoninggerechtigde(n) hadden door het onderzoeksteam moeten worden benaderd en in de gelegenheid moeten worden gesteld kenbaar te maken welke bestanden in de computers voorwerp van het strafbare feit uitmaken noch tot het begaan daarvan gediend hebben en waarvan kennisneming zou leiden tot schending van het beroepsgeheim. Het onderzoeksteam had dit standpunt moeten eerbiedigen, tenzij redelijkerwijze geen twijfel erover kon bestaan dat het standpunt van de verschoningsgerechtigde onjuist zou zijn. Deze waarborgen zijn evenwel niet toegepast ten gevolge waarvan het beroepsgeheim en het recht van verdachte om in alle vrijheid met zijn raadsman c.q. notaris te corresponderen reeds is geschonden door enkel het kennisnemen door het onderzoeksteam van deze geheimhouderstukken die zich in de images bevonden.

Daarmee is het aan het verschoningsrecht ten grondslag liggend algemene rechtsbeginsel dat de waarheidsvinding moet wijken voor het belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking om bijstand en advies of hulp tot een geheimhouder moet kunnen wenden, geschonden.

B.1.4.6.

Gelet op het belang dat aan een strikte handhaving van het verschoningsrecht moet worden toegekend, is naar het oordeel van het hof sprake van een ernstig verzuim.

Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat deze schending doelbewust heeft plaatsgevonden. Er is evenwel sprake van een grove veronachtzaming van het verschoningsrecht en daarmee van de belangen van verdachte.

B.1.4.7.

Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat verdachte, voor zover het de door de beide opsporingsambtenaren onderzochte geheimhoudersstukken in de (images van de) harde schijven betreft, daarmee is tekort gedaan in zijn recht op een eerlijke behandeling van deze strafzaak. Overigens betroffen zulks brieven van advocaten aangaande een arbeidsrechtelijk geschil en documenten van notarissen, die overigens niet voor het onderzoek zijn gehanteerd.

Een 25 tal documenten werden door de beide opsporingsambtenaren als relevant voor het onderzoek aangemerkt en daarvan zijn 22 documenten uitgeprint. Daaronder bevonden zich 12 documenten , die weliswaar als geheimhoudersstukken zijn gekwalificeerd, doch die eveneens niet relevant werden geacht voor het onderzoek. Deze stukken hadden betrekking op een arbeidsrechtelijk geschil. Het hof is van oordeel dat ook ten aanzien van deze documenten niet gezegd kan worden dat verdachte daarmee te kort is gedaan in zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak. De overige 10 documenten zijn, zo blijkt uit het proces-verbaal van 27 februari 2009, gebruikt voor het fiscale onderzoek, voor het onderdeel dossier Portugal en voor het onderdeel dossier ABN-AMRO.

B.1.4.8.

De verdachte is tijdens de verhoren geconfronteerd met deze stukken en hij is daarover ondervraagd. Dat levert echter niet een zodanige schending van de belangen van verdachte op dat daarmee zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn strafzaak is tekortgedaan.

Daarbij betrekt het hof dat niet is gesteld noch aannemelijk is geworden dat de verdediging daarmee in betekenende mate is belemmerd in de voorbereiding van deze strafzaak en het voeren van de verdediging ter terechtzitting. Voorts heeft het hof evenmin aanwijzingen gevonden dat naar aanleiding hiervan onderzoekshandelingen zijn verricht in het kader van onderhavige strafzaak. Bovendien heeft de kennisname van deze stukken niet geleid tot “vruchten” die thans als bewijsmiddel in onderhavige strafzaak worden aangedragen.

Tenslotte betrekt het hof bij zijn overwegingen dat het hof geen kennis heeft genomen van de inhoud van de geheimhouderstukken voorzover deze zich in de images bevinden en deze stukken derhalve op geen enkele wijze een rol spelen bij de thans te nemen beslissingen.

B.1.4.9.

Anders dan door de verdediging is betoogd acht het hof het onder B.1.4.6. vastgestelde verzuim niet in strijd met de grondslagen van het Nederlandse strafproces en de verhouding tussen het openbaar ministerie en de rechter. Hierdoor is niet de kern van het strafproces geraakt, een en ander zoals bedoeld in het door de verdediging aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 1 juni 1999 (NJ 1999, 567).

B.1.4.10. Conclusie

Gelet op het voorafgaande wordt het verweer verworpen.

B.1.5. Geheimhoudersgesprekken

Het hof stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van de op standpunt van de verdediging weergegeven onder A.1.5. betrekking hebbende feiten het volgende vast.

B.1.5.1. Feiten

Voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 20 november 2009 zijn door de advocaat-generaal aan het dossier toegevoegd een tweetal processen-verbaal opnamen telecommunicatie met geheimhouder d.d. 22 september 2009 en 28 september 2009, opgemaakt door [verbalisant 2], hoofdinspecteur van politie en werkzaam bij de Rijksrecherche. In het proces-verbaal van 22 september 2009 is gerelateerd dat onder verwijzing naar de Instructie vernietiging geïntercepteerde gesprekken met geheimhouders (2009) en de brief van de landelijke begeleidingscommissie schoning geheimhouders van

13 juli 2009 verbalisant [verbalisant 2] alle in de onderhavige strafzaak opgenomen communicatie heeft gescand en gecontroleerd op gesprekken met geheimhouders. Voorts is hierin gerelateerd dat na het scannen en de controle bleek dat zeven gesprekken, die hebben plaatsgevonden in de periode gelegen tussen 19 september 2007 en 25 oktober 2007, vielen onder de nieuwe Instructie vernietiging geïntercepteerde gesprekken met geheimhouders.

Tot slot is hierin gerelateerd dat deze zeven geheimhoudergesprekken in het procesdossier zijn opgenomen met het verzoek aan de officier van justitie om een beslissing te nemen met betrekking tot het vernietigen ervan.

In aanvulling op dit proces-verbaal is in het proces-verbaal van 28 september 2009 gerelateerd dat evengenoemde telefoongesprekken als onderdeel van het totaal aan telecommunicatiegesprekken in het procesdossier zijn opgenomen onder nader genoemde documentnummers.

B.1.5.2. Wettelijk kader

Artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:

Van het geven van getuigenis of van het beantwoorden van bepaalde vragen kunnen zich ook verschoonen zij die uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt tot geheimhouding verplicht zijn, doch alleen omtrent hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd.

B.1.5.3.

Artikel 126aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt als volgt:

2. Voor zover de processen-verbaal of andere voorwerpen mededelingen behelzen gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 218 zou kunnen verschonen indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, worden deze processen-verbaal en andere voorwerpen vernietigd. Bij algemene maatregel van bestuur worden hieromtrent voorschriften gegeven. Voor zover de processen-verbaal of andere voorwerpen andere mededelingen dan bedoeld in de eerste volzin behelzen gedaan door of aan een in die volzin bedoelde persoon, worden zij niet bij de processtukken gevoegd dan na voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris.

B.1.5.4.

Bij het vernietigen van de hier bedoelde processen-verbaal dienen de voorschriften en aanwijzingen te worden nageleefd die zijn neergelegd in het Besluit bewaren en vernietigen niet gevoegde stukken (Besluit van 15-12-1999, Stb. 548, inwerkingtreding 01-02-2000) en de Instructie vernietiging geïntercepteerde gesprekken met geheimhouders van het College van procureurs-generaal (vastgesteld op 12-03-2002, inwerkingtreding 01-04-2002).

Het eerste en tweede lid van artikel 4 van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken luiden sinds als volgt:

1. De opsporingsambtenaar die door de uitoefening van een van de bevoegdheden, genoemd in de titels IVa tot en met Va van het Wetboek van Strafvordering, kennisneemt van mededelingen waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze zijn gedaan door of aan een geheimhouder, stelt hiervan de officier van justitie onverwijld in kennis.

2. Indien de officier van justitie vaststelt dat de mededelingen, bedoeld in het eerste lid, mededelingen zijn als bedoeld in artikel 126aa, tweede lid, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, beveelt hij terstond de vernietiging van de processen-verbaal en andere voorwerpen, voorzover zij deze mededelingen behelzen. Het bevel tot vernietiging is schriftelijk. Van de vernietiging wordt proces-verbaal opgemaakt, dat wordt gezonden aan de officier van justitie.

Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 126aa (Kamerstukken II 1996-1997, 25403 nr.3, pagina 82-83) volgt dat mededelingen van of aan een geheimhouder, zoals hier bedoeld, in beginsel niet aan het procesdossier mogen worden toegevoegd. Zij moeten zo spoedig mogelijk worden vernietigd. In dit verband is tijdens de behandeling van deze wetsbepaling in de Tweede Kamer uitdrukkelijk aan de orde geweest dat het verschoningsrecht illusoir zou worden als geen spoedige vernietiging zou plaatsvinden en deze stukken gedurende een onbepaalde periode bewaard zouden worden.

B.1.5.5.

Artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

1. De rechtbank kan, indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepalen dat:

a. de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim, zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd;

b. de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het telastegelegde feit;

c. het openbaar ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.

2. Bij de toepassing van het eerste lid, houdt de rechtbank rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

(…)

B.1.5.6. Beoordeling

Aan het in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering neergelegde verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijke belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, in beginsel moet wijken voor een ander maatschappelijk belang, te weten dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de zogenaamde “geheimhouders” kan wenden. Een hulpzoekende moet er op kunnen rekenen dat hetgeen hij toevertrouwt aan een verschoningsgerechtigde, zoals zijn advocaat en zijn arts, niet alleen voor de politie en het openbaar ministerie, maar ook voor de strafrechter geheim blijft. Alle informatie die aan de verschoningsgerechtigde in die hoedanigheid is toevertrouwd, valt daaronder. Er is geen grond om één en ander te beperken tot “vertrouwelijke” en/of “inhoudelijke” informatie. De wetgever acht dit verschoningsrecht in het algemeen van hogere orde dan het belang dat gemoeid is met de waarheidsvinding in een strafzaak. Met dit, in onze rechtsorde verankerde beginsel, houdt direct verband de in artikel 126aa van het Wetboek van Strafvordering neergelegde verplichting tot vernietiging van processen-verbaal die mededelingen behelzen gedaan door of aan een persoon die zich op grond van artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering zou kunnen verschonen (“geheimhouder”), indien hem als getuige naar de inhoud van die mededelingen zou worden gevraagd, alsmede de verplichting om processen-verbaal die andere mededelingen behelzen gedaan door of aan een geheimhouder niet dan na voorafgaande machtiging door de rechter-commissaris bij de processtukken te voegen.

B.1.5.7.

Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat de politie en het openbaar ministerie door de handelwijze, zoals hiervoor beschreven onder B.1.5.1., hoe dan ook de onder B.1.5.3. en B.1.5.4. genoemde wettelijke voorschriften hebben geschonden. Het hof acht de schending van deze regels, die strekken ter bescherming van het verschoningsrecht, even ernstig als een directe schending van het verschoningsrecht zelf. Gelet op het belang dat aan een strikte handhaving van het verschoningsrecht moet worden toegekend, is naar het oordeel van het hof sprake van een ernstig verzuim. Duidelijk is dat dit verzuim onherstelbaar is.

B.1.5.8.

Het bepaalde in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering in aanmerking genomen, is het vervolgens de vraag of dit verzuim een zodanige schending oplevert van de beginselen van een goede procesorde, één en ander zoals betoogd door de verdediging, dat het openbaar ministerie daarmee zijn vervolgingsrecht heeft verspeeld.

B.1.5.9.

Het hof overweegt in dit verband het volgende.

Er is geen reden om aan te nemen dat doelbewust een situatie is geschapen waarin opsporingsambtenaren langer dan is toegelaten kennis konden nemen van de inhoud van communicatie met geheimhouders.

Het hof neemt echter ook in aanmerking dat de wettelijke regeling en de ter uitvoering daarvan gegeven regels - doordat zij er van uitgaan dat communicatie met geheimhouders steeds, zij het voor korte tijd, wordt vastgelegd - in de praktijk moeilijk uitvoerbaar zijn, ook wanneer met de beste bedoelingen wordt gehandeld.

Het hof heeft evenmin aanwijzingen gevonden dat naar aanleiding van de opgenomen communicatie met geheimhouders onderzoekshandelingen zijn verricht, laat staan dat zij in de bewijssfeer tot “vruchten” heeft geleid.

B.1.5.10.

Anders dan door de verdediging is betoogd kan het onder B.1.5.7. vastgestelde verzuim, te weten de schending van artikel 126aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en de ter uitvoering daarvan opgestelde besluiten, bestaande uit het niet tijdig overgaan tot vernietiging van een zevental geheimhoudergesprekken, naar het oordeel van het hof niet worden aangemerkt als een zodanige schending van de beginselen van een goede procesorde dat het openbaar ministerie daarmee zijn vervolgingsrecht heeft verspeeld.

B.1.5.11. Conclusie

Gelet op het voorafgaande wordt het verweer verworpen.

B.1.6.1 CIE-informatie

Ten aanzien van het standpunt van de verdediging weergegeven onder A.1.6. overweegt het hof het volgende.

B.1.6.2.

Aan de verdediging is genoegzaam duidelijkheid verschaft over de in het voortraject van het opsporingsonderzoek verworven CIE-informatie middels het ter terechtzitting in hoger beroep horen van de getuigen [getuige 4], [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3].

Blijkens de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] is [getuige 3] geen CIE-informant geweest. Mitsdien kan de door de verdediging gesuggereerde dubbelrol van [getuige 3] als zijnde de directe bron van informatie op grond waarvan het onderzoek naar verdachte is aangevangen worden uitgesloten.

Voorts is het hof uit het onderzoek ter zitting niet gebleken dat de door [getuige 3] afgelegde verklaringen als leugenachtig moeten worden aangemerkt.

Tot slot is op geen enkele wijze aannemelijk geworden dat de rechter-commissaris is misleid door de in het proces-verbaal "Aanvraag doorzoeking woningen en bedrijfspand"

d.d. 11 september 2009 aangehaalde berekeningen, (afkomstig uit het proces-verbaal bevindingen, d.d. 8 augustus 2007, opgemaakt door [verbalisant 6], inspecteur van politie), op basis waarvan ten aanzien van verdachte de verdenking van het begaan van een fiscaal strafbaar feit is gerezen.

De door de verdediging ter zitting van 2 maart 2010 met betrekking tot dit laatstgenoemde proces-verbaal bevindingen overgelegde brief d.d. 27 februari 2010, opgemaakt door

[deskundige 1] en [deskundige 2], waarin onder meer wordt geconcludeerd dat de in dit proces-verbaal gekozen methode van berekenen ongeschikt is om als bewijs te dienen voor het aantonen van verzwegen inkomsten of zwart vermogen, maakt dat niet anders. Zulks temeer daar onderhavig proces-verbaal enkel diende ter ondersteuning van een vordering tot doorzoeking van een woning en niet tot bewijs heeft te dienen. De rechter-commissaris kon op basis van het proces-verbaal van 11 september 2009 in redelijkheid tot het oordeel komen dat er voldoende verdenking was tegen verdachte voor een doorzoeking van zijn woning.

Mitsdien wordt het verweer verworpen.

B.1.7.1. Salduz

Ten aanzien van het standpunt van de verdediging weergegeven onder A.1.7. overweegt het hof het volgende.

Verdachte is op 10 december 2007 om 7:04 uur aangehouden waarna hij om 11.53 uur in verzekering is gesteld. Uit het logboek van de Arrestantenwacht van het bureau van de regiopolitie IJsselland te Zwolle blijkt dat op maandag 10 december 2007 van 16.59 uur tot 17.45 uur de raadsman mr. [advocaat 1] een bezoek aan de verdachte heeft gebracht. De verdachte had toen reeds twee verklaringen afgelegd.

De informatie uit dit logboek wordt voorts ondersteund door het volgende:

- Blijkens het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 mei 2010, opgemaakt door [verbalisant 2], hoofdinspecteur van politie, heeft de verbalisant op 10 december 2007 omstreeks 10.30 uur een telefonisch onderhoud met de raadsman mr. [advocaat 1] gehad.

[verbalisant 2] heeft mr. [advocaat 1] daarbij medegedeeld dat verdachte die dag was aangehouden en dat mr. [advocaat 1] voor het bezoeken van zijn cliënt een afspraak moest maken met de arrestantenwacht van het politiebureau in Zwolle. In dat gesprek is mr. [advocaat 1] tevens geïnformeerd over de reden van de aanhouding.

- Gelet op het proces-verbaal d.d 18 mei 2010, opgemaakt door [verbalisant 7], hoofdinspecteur van politie, is aan de hand van de bij KPN opgevraagde telefoongegevens van de diensttelefoon van verbalisant [verbalisant 2] vastgesteld dat op die datum omstreeks 10.30 uur daadwerkelijk sprake is geweest van een telefonisch onderhoud van 337 seconden tussen [verbalisant 2] en een aan mr [advocaat 1] toebehorend telefoonnummer.

- Blijkens de waarneming van de audiovisuele beelden van de verhoren van verdachte, tijdens de terechtzitting in hoger beroep op 21 mei 2010 is aan verdachte aan het einde van het 2e verhoor (rond 16.15 uur) door een verhorende verbalisant medegedeeld dat mr. [advocaat 1] er over een kwartier zou zijn.

Op basis van het voorgaande stelt het hof vast dat verbalisant [verbalisant 2] tijdens het eerste verhoor van verdachte telefonisch contact heeft gehad met de raadsman van verdachte. Voorts stelt het hof vast dat verdachte na beëindiging van het tweede verhoor is bezocht door zijn raadsman. Verdachte is derhalve na het tweede verhoor in de gelegenheid geweest om zijn raadsman inhoudelijk te consulteren.

B.1.7.2.

Aan het vorenstaande doet niet af de stelling van de verdediging dat de registratie van het logboek van de Arrestantenwacht van het bureau van de regiopolitie IJsselland te Zwolle op 10 december 2007 onjuist moet hebben plaatsgevonden, aangezien aannemelijk is dat de registratie op 12 december 2007 op een onderdeel niet deugde.

In de eerste plaats overweegt het hof dat een uit het logboek van de arrestantenwacht blijkende onjuiste registratie betrekking hebbende op de duur van het bezoek van mr. [advocaat 1] op 12 december 2007, niet betekent dat ook op 10 december 2007 sprake is geweest van een onjuiste registratie van het advocatenbezoek zelf. Voorts acht het hof onaannemelijk dat medewerkers van de Arrestantenwacht van het bureau de regiopolitie IJsselland te Zwolle, zomaar, zonder dat een bezoek zou hebben plaatsgevonden, de naam van een advocaat in evengenoemde registratie zouden opnemen.

B.1.7.3.

Verdachte is voorafgaande aan de eerste twee verhoren d.d. 10 december 2007, niet in de gelegenheid geweest een raadsman te raadplegen. Het hof heeft vastgesteld dat er telefonisch contact is geweest tussen één van de verbalisanten en de raadsman van verdachte. Daarmee heeft verdachte toen feitelijk niet zijn raadsman kunnen raadplegen, terwijl het hof niet is gebleken van bijzondere of klemmende redenen die de eerste twee verhoren noodzakelijk maakten zonder dat de verdachte in de gelegenheid was geweest zijn raadman te raadplegen. Dit leidt naar het oordeel van het hof tot een schending van artikel 6 EVRM en daarmee tevens tot een verzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Dit leidt naar het oordeel van het hof echter niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, aangezien dit geen ernstige schending van beginselen van een goede procesorde oplevert, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen is tekort gedaan aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak. Voorts is er géén sprake van enig verzuim in strijd met de grondslagen van het strafproces.

Mitsdien wordt ook dit verweer verworpen.

B.1.8

Ten aanzien van het standpunt van de verdediging weergegeven onder A.1.8. overweegt het hof dat de hiervoor aanwezig geoordeelde onherstelbare verzuimen, in onderling verband en samenhang bezien, evenmin een zodanige grove schending opleveren dat hieraan het gevolg dient te worden verbonden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn strafvervolging.

Mitsdien wordt ook dit verweer verworpen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 april 2006 te [woonplaats] en/of [plaats 2] en/of [plaats 4], althans in Nederland, als advocaat-generaal en/of plaatsvervangend officier van justitie, in elk geval als ambtenaar, opzettelijk een gift en/of belofte heeft aangenomen en/of gevraagd van [getuige 5], bestaande die gift en/of belofte uit een toezegging van betaling van 25 (vijfentwintig) procent van het/een (door hem, verdachte) getraceerde en/of gelokaliseerde geldbedrag, terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs vermoedde dat die gift en/of belofte hem werd gedaan en/of aangeboden teneinde hem, verdachte te bewegen om in strijd met zijn plicht in zijn (toenmalige) bediening iets te doen of na te laten, immers heeft hij, verdachte

- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van het arrondissementsparket [plaats 3] en/of (een) medewerker(s) van het Internationaal Rechtshulp Centrum Noord Oost Nederland en/of (een) medewerker(s) van het ressortsparket [woonplaats], anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en/of onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen (een) kentekenbevraging(en) bij/via het Euregionaal Politie Informatie en Coördinatie Centrum en/of bij de Belgische liaison en/of de Rijksdienst voor het wegverkeer te (laten) doen en/of (vervolgens) deze gegevens aan hem, verdachte te verstrekken en/of

- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van het ressortsparket [woonplaats], anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en/of onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen het justitieel documentatie register te bevragen en/of (vervolgens) de verkregen gegevens aan hem, verdachte te verstrekken en/of

- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van het ressortsparket [woonplaats], anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en/of onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen gegevens uit (een) gemeentelijke basisadministratie(s) op te (laten) vragen en/of meermalen, althans eenmaal, gegevens uit (een) gemeentelijke basisadministratie(s) opgevraagd onder vermelding van onjuiste informatie en/of (vervolgens) deze gegevens aan hem, verdachte, te verstrekken en/of (vervolgens) de gegevens verkregen uit deze/die gemeentelijke basisadministratie(s) getoond aan, althans ter beschikking gesteld aan, [getuige 5] en/of (een) andere perso(o)n(en) welke niet gerechtigd was/waren kennis te nemen van deze informatie en/of

- een medewerker van het Ministerie van Justitie, anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en/of onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen (afschriften van) gratiestukken aan hem, verdachte, te verstrekken en/of

- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van de regiopolitie Gelderland Midden, gevraagd/bewogen, anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en/of onder valse voorwendselen, zogenaamde N.A.W. gegevens van meerdere, althans een, telefoonnummer(s) en/of (persoons)gegevens van/met betrekking tot [betrokkene 1] op te vragen en/of (vervolgens) deze gegevens aan hem, verdachte te verstrekken en/of

- (een) medewerker(s) van het arrondissementsparket [plaats 2] en/of de rechtbank [plaats 2], anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en/of onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen strafrechtelijke gegevens met betrekking tot meerdere personen te achterhalen;

subsidiair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 april 2006 te [woonplaats] en/of [plaats 2] en/of [plaats 4], althans in Nederland, als advocaat-generaal en/of plaatsvervangend officier van justitie, in elk geval als ambtenaar, opzettelijk een gift en/of belofte heeft aangenomen en/of gevraagd van [getuige 5], bestaande die gift en/of belofte uit een toezegging van betaling van 25 (vijfentwintig) procent van het/een (door hem, verdachte) getraceerde en/of gelokaliseerde geldbedrag, terwijl hij, verdachte, wist of redelijkerwijs vermoedde dat die gift en/of belofte hem werd gedaan en/of aangeboden teneinde hem, verdachte te bewegen zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zijn (toenmalige) bediening iets te doen of na te laten, immers heeft hij, verdachte

- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van het arrondissementsparket [plaats 3] en/of (een) medewerker(s) van het Internationaal Rechtshulp Centrum Noord Oost Nederland en/of (een) medewerker(s) van het ressortsparket [woonplaats] gevraagd/bewogen (een) kentekenbevraging(en) bij/via het Euregionaal Politie Informatie en Coördinatie Centrum en/of bij de Belgische liaison en/of de Rijksdienst voor het wegverkeer te (laten) doen en/of (vervolgens) deze gegevens aan hem, verdachte te verstrekken en/of

- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van het ressortsparket [woonplaats], gevraagd/bewogen het justitieel documentatie register te bevragen en/of (vervolgens) de verkregen gegevens aan hem, verdachte te verstrekken en/of

- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van het ressortsparket [woonplaats], gevraagd/bewogen gegevens uit (een) gemeentelijke basisadministratie(s) op te (laten) vragen en/of meermalen, althans eenmaal, gegevens uit (een) gemeentelijke basisadministratie(s) opgevraagd onder vermelding van onjuiste informatie en/of (vervolgens) deze gegevens aan hem, verdachte, te verstrekken en/of (vervolgens) de gegevens verkregen uit deze/die gemeentelijke basisadministratie(s) getoond aan, althans ter beschikking gesteld aan, [getuige 5] en/of (een) andere perso(o)n(en) welke niet gerechtigd was/waren kennis te nemen van deze informatie en/of

- een medewerker van het ministerie van justitie, gevraagd/bewogen (afschriften van) gratiestukken aan hem, verdachte, te verstrekken en/of

- meermalen, althans eenmaal, (een) medewerker(s) van de regiopolitie Gelderland Midden, gevraagd/bewogen, zogenaamde N.A.W. gegevens van meerdere, althans een, telefoonnummer(s) en/of (persoons)gegevens van/met betrekking tot [betrokkene 1] op te vragen en/of (vervolgens) deze gegevens aan hem, verdachte te verstrekken en/of

- (een) medewerker(s) van het arrondissementsparket [plaats 2] en/of de rechtbank [plaats 2], gevraagd/bewogen strafrechtelijke gegevens met betrekking tot meerdere personen te achterhalen;

meer subsidiair

A.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 1 januari 2005 tot en met 1 april 2006 te [woonplaats] en/of [plaats 2], althans in Nederland, een geheim waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep, van advocaat-generaal en/of plaatsvervangend officier van justitie, verplicht was te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, immers heeft hij, verdachte (een) document(en) en/of pasfoto(‘s), verkregen uit (een) gemeentelijke basisadministratie(s), getoond en/of ter beschikking gesteld aan (een) perso(o)n(en) welke niet gerechtigd was/waren kennis te nemen van dit/deze document(en)en/of pasfoto(‘s);

en/of

B.

hij op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 april 2006 te [woonplaats], althans in Nederland, een verzoek tot verstrekking persoonsgegevens - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - (telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft hij, verdachte, (telkens) valselijk op dit verzoek verstrekking persoonsgegevens een (onjuist) parketnummer vermeld en/of (telkens) valselijk vermeld dat hij, verdachte, de gegevens opvroeg ten behoeve van de betekening van gerechtelijke stukken, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

2.

hij op of omstreeks 20 maart 2004, althans in de periode van 20 maart 2004 tot en met de maand februari 2005, te [plaats] en/of [woonplaats], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een geldleningovereenkomst en/of een akte van inpandgeving - zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk deze geldleningsovereenkomst en/of deze akte van inpandgeving opgesteld en/of ondertekend als ware de inhoud van deze geldleningovereenkomst en/of deze akte van inpandgeving waar, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3.

hij op of omstreeks 24 november 2005, althans in de periode van 24 november 2005 tot en met de maand oktober 2006 te [woonplaats] en/of [plaats 2], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, een schuldbekentenis en akte van geldlening en/of een akte van inpandgeving - zijnde (een) geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk deze schuldbekentenis en akte van geldlening en/of deze akte van inpandgeving opgesteld en/of ondertekend als ware de inhoud van deze

schuldbekentenis en akte van geldlening en/of deze akte van inpandgeving waar, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

4.

hij in of omstreeks de periode van 28 augustus 2004 tot en met 27 september 2004 te [woonplaats] en/of [plaats] althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 2] heeft bewogen tot de afgifte van 7.335,00 euro, althans een geldbedrag, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid op een schade-aangifte aansprakelijkheidsverzekering formulier ingevuld dat [getuige 6] (zakelijk weergegeven) een plasma televisie heeft kapot gemaakt, waardoor (een werknemer/medewerker van) [betrokkene 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1. primair en 2., 3. en 4. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

primair

hij in de periode van 1 januari 2005 tot en met 1 april 2006 te [woonplaats] en/of [plaats 2] als advocaat-generaal en/of plaatsvervangend officier van justitie, opzettelijk een belofte heeft aangenomen van [getuige 5], bestaande die belofte uit een toezegging van betaling van 25 (vijfentwintig) procent van een door verdachte getraceerd geldbedrag, terwijl hij wist dat die gift hem werd gedaan teneinde hem te bewegen om in strijd met zijn plicht in zijn bediening iets te doen, immers heeft hij,

- een medewerker van het arrondissementsparket [plaats 3] en een medewerker van het Internationaal Rechtshulp Centrum Noord Oost Nederland en een medewerker van het ressortsparket [woonplaats], anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen kentekenbevraging(en) bij/via het Euregionaal Politie Informatie en Coördinatie Centrum en bij de Belgische liaison en de Rijksdienst voor het wegverkeer te laten doen en/of vervolgens deze gegevens aan hem, verdachte te verstrekken, en

- een medewerker van het ressortsparket [woonplaats], anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen het justitieel documentatie register te bevragen en vervolgens de verkregen gegevens aan hem te verstrekken en

- een medewerker van het ressortsparket [woonplaats], anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen gegevens uit een gemeentelijke basisadministraties op te laten vragen en gegevens uit gemeentelijke basisadministraties opgevraagd onder vermelding van onjuiste informatie en vervolgens de gegevens verkregen uit deze gemeentelijke basisadministraties ter beschikking gesteld aan, [getuige 5], welke niet gerechtigd was kennis te nemen van deze informatie en

- een medewerker van het Ministerie van Justitie, anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek, gevraagd afschriften van gratiestukken aan hem te verstrekken en

- meermalen medewerkers van de regiopolitie Gelderland Midden, gevraagd/bewogen, anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek, zogenaamde N.A.W. gegevens van meerdere, althans een, telefoonnummer(s) en/of (persoons)gegevens van/met betrekking tot [betrokkene 1] op te vragen en/of (vervolgens) deze gegevens aan hem, verdachte te verstrekken en/of

- een medewerker van het arrondissementsparket [plaats 2] en de rechtbank [plaats 2], anders dan in het kader van een strafrechtelijk onderzoek en onder valse voorwendselen, gevraagd/bewogen strafrechtelijke gegevens met betrekking tot meerdere personen te achterhalen;

2.

hij in de periode van 20 maart 2004 tot en met de maand februari 2005, te [woonplaats], althans , een geldleningovereenkomst en een akte van inpandgeving - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk deze geldleningsovereenkomst en deze akte van inpandgeving opgesteld en ondertekend als ware de inhoud van deze geldleningovereenkomst en deze akte van inpandgeving waar, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken;

3.

hij in de periode van 24 november 2005 tot en met de maand oktober 2006 te [woonplaats] een schuldbekentenis en akte van geldlening en een akte van inpandgeving - zijnde geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk deze schuldbekentenis en akte van geldlening en deze akte van inpandgeving opgesteld en ondertekend als ware de inhoud van deze

schuldbekentenis en akte van geldlening en deze akte van inpandgeving waar, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken;

4.

hij in de periode van 28 augustus 2004 tot en met 27 september 2004 te [woonplaats] en/of [plaats] met het oogmerk om zich en een) ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid, [betrokkene 2] heeft bewogen tot de afgifte van 7.335,00 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid op een schade-aangifte aansprakelijkheidsverzekering formulier ingevuld dat [getuige 6] (zakelijk weergegeven) een plasma televisie heeft kapot gemaakt, waardoor (een werknemer/medewerker van) [betrokkene 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

C.1.

Namens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Daartoe is onder meer het volgende aangevoerd.

C.1.1.

De verklaringen van verdachte afgelegd tijdens de verhoren door de politie op 10, 11 en 12 december 2007 zijn mogelijk onbetrouwbaar gelet op de inhoud van door de verdediging overgelegde brief d.d. 29 maart 2010 van [deskundige 3], klinisch psycholoog en psychotherapeut, en de door hem opgemaakte rapportage aangaande verdachtes geestestoestand.

C.1.2.

In evengenoemde brief d.d. 29 maart 2010 schrijft [deskundige 3] onder meer het volgende.

Verdachte maakte op 14 december 2007 bij thuiskomst op [deskundige 3] een zeer verwarde en getraumatiseerde indruk. Hij wist op dat moment nauwelijks wat er die week was gebeurd. Uit zijn woorden en gedrag begreep [deskundige 3] dat zijn gevoel voor werkelijkheid ernstig was aangetast. De toestand waarin hij verkeerde moet ook van invloed zijn geweest op alles wat hij die week gedaan had of gezegd heeft. Hij was niet in staat om zelfstandig een evenwichtig oordeel te kunnen vellen over alles wat met hem besproken werd of aan hem werd voorgelegd. Hij was ook niet in staat de draagwijdte te overzien van wat op dat moment met hem besproken werd. Dit is een gedrag dat volledig past bij mensen die getraumatiseerd zijn en PTSS hebben.

C.1.3.

Gelet op de inhoud van evengenoemde brief en door [deskundige 3] opgemaakte rapportages heeft de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep op 21 mei 2010 voorts het verzoek gedaan de bewijswaarde van de door verdachte tijdens de verhoren bij de politie afgelegde verklaring door evengenoemde deskundige te laten beoordelen.

C.1.4.

Verdachte is, hoewel hij uitdrukkelijk daartoe had verzocht, op 10, 11 en 12 december 2007 15 keer door de politie verhoord zonder dat hij in die periode in de gelegenheid is gesteld overleg te voeren met een raadsman, hetgeen een schending betekent van artikel 6 van het EVRM. Mitsdien is sprake van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering op grond waarvan de inhoud van die verklaringen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b, van laatstgenoemd artikel van het bewijs dient te worden uitgesloten. Er is dan voor het overige onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde te komen.

C.1.5.

De door de rechter-commissaris verstrekte machtiging voor de doorzoeking van de woning van verdachte is gebaseerd op een door verbalisant [verbalisant 2] in het proces-verbaal aanvraag doorzoeking woning volstrekt verkeerd weergegeven voorstelling van feiten en derhalve onrechtmatig.

Deze onjuiste voorstelling van zaken bestond uit de omstandigheden dat de rechter-commissaris onvolledig was geïnformeerd over het voortraject, hij droeg geen kennis van de dubbelrol van [getuige 3] en diens leugenachtige verklaringen en op grond van onjuiste berekeningen is jegens verdachte de verdenking geconstrueerd dat hij een fiscaal delict zou hebben gepleegd. Door op deze wijze te handelen heeft het onderzoeksteam de rechter-commissaris bewust onjuist en onvolledig ingelicht en zijn de rechten van verdachte op grove wijze veronachtzaamd.

Het vorenstaande brengt met zich dat al het bewijsmateriaal dat als gevolg van evengenoemde doorzoeking is verkregen dan wel als gevolg daarvan is verkregen van het bewijs moet worden uitgesloten met als gevolg dat verdachte van alle aan hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken.

C.1.6.

Er bestaat geen enkel verband tussen het onderzoek dat verdachte heeft gedaan naar de ambtelijke corruptie, die een rol zou hebben gespeeld bij de gratieverlening aan

[getuige 5] en het zoeken naar een bankrekening op Macau waarbij bij een positief resultaat, inhoudende het traceren van gelden of een bankrekening op naam van

[getuige 5] een mogelijke provisie gerealiseerd zou kunnen worden. Een zaak die eigenlijk een civielrechtelijke kwestie is, te weten het traceren van een rekening in Macau wordt op een hoop gegooid met het opvragen van gegevens door verdachte in een ander onderzoek waar [getuige 5] niets van wist.

Mitsdien dient verdachte van het onder 1. ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

C.1.7.

Verdachte heeft zich niet schuldig gemaakt aan de aan hem onder 1. ten laste gelegde feiten, aangezien het tonen van foto’s of documenten met het doel om vast te stellen of deze worden herkend een dagelijkse gang van zaken is in politieonderzoeken. In zijn functie als plaatsvervangend officier van justitie is verdachte ook een opsporingsambtenaar en beschikt hij uit dien hoofde ook over de aan een opsporingsambtenaar volgens de wet toekomende opsporingsbevoegdheden.

C.1.8.

Verdachte dient van de onder 2. en 3. ten laste gelegde feiten te worden vrijgesproken, aangezien niet kan worden bewezen verklaard dat hij het oogmerk had om de in deze aan hem ten laste gelegde feiten genoemde documenten als echt en onvervalst te gebruiken.

De verklaringen die verdachte met betrekking tot deze feiten heeft afgelegd zijn deels afgenomen in de periode waarin hij nog niet de gelegenheid had gekregen overleg te voeren met zijn raadsman. Mitsdien mogen deze verklaringen niet voor het bewijs worden gebezigd.

C.1.9.

Verdachte moet van het onder 4. ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien het bewijs hiervoor ontbreekt.

D.1. Beoordeling

Het hof overweegt ten aanzien van hetgeen de verdediging hiervoor onder C heeft aangevoerd het volgende.

D.1.1.1. Bewijswaarde verklaringen verdachte

Ten aanzien van het door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep op 21 mei 2010 gedane verzoek om de bewijswaarde van de door verdachte tijdens de verhoren bij de politie afgelegde verklaring door drs. [deskundige 3] te laten beoordelen, overweegt het hof het volgende.

D.1.1.2.

Het hof stelt voorop dat het oordeel omtrent de betrouwbaarheid van verklaringen in het procesdossier is voorbehouden aan het hof.

Het hof heeft kennis genomen van het rapport van [deskundige 4] psychiater, d.d. 30 december 2008, waarin onder meer is vermeld dat de diagnose chronische posttraumatische stressstoornis niet wordt gesteld en de conclusie wordt getrokken dat verdachte lijdende is aan een gegeneraliseerde angststoornis.

Op basis van dit rapport en de audiovisuele beeldopnames van de verhoren, waarvan zowel ter voorbereiding van de terechtzitting in hoger beroep van 21 mei 2010 als tijdens deze zitting zelve - in aanwezigheid van de raadsman en de advocaat-generaal - door het hof een aantal fragmenten zijn bekeken, acht het hof zich in staat een oordeel te kunnen vormen over de betrouwbaarheid van de door verdachte tijdens de politieverhoren afgelegde verklaringen.

Mitsdien acht het hof het niet noodzakelijk een deskundige nader onderzoek te laten verrichten naar de bewijswaarde van de door verdachte tijdens de verhoren bij de politie afgelegde verklaringen.

Het verzoek wordt afgewezen.

D.1.2. Salduz

Het hof is van oordeel dat het hiervoor onder C.1.4. weergegeven verweer geen bespreking behoeft omdat het de inhoud van de eerste twee op 10 december 2007 afgenomen verhoren van verdachte niet voor het bewijs zal gebruiken.

D.1.3. Misleiding rechter-commissaris

Ten aanzien van het hiervoor onder C.1.5. weergegeven verweer, ziet het hof, gelet op het overwogene onder B.1.6.2., geen aanleiding over te gaan tot het uitsluiten van enig bewijsmateriaal.

Het verweer wordt verworpen.

D.1.4.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, in het bijzonder uit de verklaringen van verdachte zelf (zie het proces-verbaal van het 11e verhoor van verdachte, d.d. 11 december, dossierpagina’s 198 en 199) en de verklaringen van de getuigen [getuige 5] (zie het proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 14 december 2007, dossierpagina’s 2926 tot en met 2735), en [getuige 9] (zie het proces-verbaal van verhoor getuige, d.d. 13 december 2007, dossierpagina’s 2781 tot en met 2786), dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de hiervoor onder C.1.6. bedoelde provisie, te weten het aannemen door verdachte van een belofte van [getuige 5], bestaande die belofte uit een toezegging van betaling van 25 procent van een door verdachte te traceren geldbedrag, en de feitelijk handelingen zoals opgenomen in de tenlastelegging onder 1., te weten het doen opvragen van informatie bij de in de tenlastelegging onder 1. genoemde personen.

Het hiervoor onder C.1.6. opgenomen verweer wordt verworpen.

D.1.5.

Ten aanzien van het hiervoor onder C.1.7. weergegeven verweer overweegt het hof dat verdachte ingeval sprake is van een politieonderzoek als advocaat-generaal geen bevoegdheid heeft om onderzoekshandelingen te verrichten. In bijzondere gevallen, indien de advocaat-generaal als plaatsvervanger van een officier van justitie optreedt, is hij bevoegd om de bevoegdheden die behoren bij het ambt van officier van justitie uit te oefenen.

Het hof stelt echter vast dat de door verdachte verrichte onderzoekshandelingen - zoals omschreven in de tenlastelegging onder 1 - niet in het kader van een politieonderzoek waarin verdachte een officier van justitie in zijn functie verving, doch in het kader van een privé-onderzoek ten behoeve van [getuige 5] hebben plaatsgevonden. In het bijzonder de afspraak tussen [getuige 5] en verdachte om gelden te traceren onder toezegging van [getuige 5] van betaling van 25 procent van dit door verdachte te traceren geldbedrag. De bevoegdheid om deze onderzoekshandelingen uit te (laten) voeren voor zo een privé-onderzoek heeft verdachte niet.

Het verweer wordt verworpen.

D.1.6.

Ten aanzien van het hiervoor onder C.1.8. weergegeven verweer overweegt het hof dat, blijkens het proces-verbaal van het 17e verhoor van verdachte, d.d. 11 december 2007, het doel van het opstellen van de in de tenlastelegging onder 2. en 3. genoemde documenten, te weten de geldleningsovereenkomst, de akte van geldlening, de schuldbekentenis en de aktes van inpandgeving, was te doen voorkomen alsof de inboedel van verdachte in [woonplaats] toebehoorde aan de in deze documenten genoemde schuldeisers, te weten [getuige 9] en [getuige 6], waardoor mogelijke beslaglegging op deze inboedel kon worden voorkomen. Mitsdien acht het hof bewezen dat verdachte het oogmerk had om de in deze aan hem ten laste gelegde feiten genoemde documenten als echt en onvervalst te gebruiken. Dat bedoelde documenten niet zijn gebruikt doet aan het evengenoemde oogmerk niets af.

Voor wat betreft het verweer van de verdediging dat evenbedoelde verklaring van verdachte niet voor het bewijs mag worden gebruikt, omdat verdachte op het moment van het afleggen van deze verklaring nog niet in de gelegenheid was gesteld overleg te plegen met een raadsman, overweegt het hof dat verdachte op dat moment, gelet op het overwogene onder B.1.7.1. en B.1.7.2., wél reeds in de gelegenheid was geweest om zijn raadsman te raadplegen.

Het hof verwerpt het verweer in beide onderdelen.

D.1.7.

Ten aanzien van het hiervoor onder C.1.9. weergegeven verweer overweegt het hof dat verdachte het onder 4. ten laste gelegde feit, te weten de verzekeringsfraude, tijdens het 21e verhoor d.d. 13 december 2007 heeft bekend.

Deze verklaring wordt voorts bevestigd door [getuige 6], die ten overstaan van de rechter-commissaris op 29 oktober 2008 heeft verklaard dat hij de televisie niet kapot had gemaakt. Het hof ziet geen enkele aanleiding om aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen te twijfelen.

Aan hetgeen [getuige 7] en [getuige 8], deze laatste ten overstaan van de rechter-commissaris, dienaangaande hebben verklaard, hecht het hof geen geloof.

Het hof verwerpt het verweer.

E.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en verdachte

F.1.

Het bewezen verklaarde onder 1. primair is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 363, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 2. is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 3. is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 4. is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 326, van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

De feiten worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

F.2.1. Ontbreken materiële wederrechtelijkheid.

Namens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1. geen sprake is van aansprakelijkheid van verdachte wegens het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Aldus de verdediging heeft verdachte een hoger doel nagestreefd. Hij wilde onderzoeken wie de ambtenaar van justitie was die én jonge jongens seksueel misbruikte én tegen betaling gratieverlening aan [getuige 5] had geregeld. Mitsdien dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

F.2.2.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat verdachte evengenoemd doel had met de door hem verrichte onderzoekshandelingen. Integendeel, het hof heeft reeds eerder onder D.1.4. overwogen dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het aannemen door verdachte van een belofte van [getuige 5], bestaande die belofte uit een toezegging van betaling van 25 procent van een door verdachte te traceren geldbedrag, en de feitelijk handelingen zoals opgenomen in de tenlastelegging onder 1, te weten het doen opvragen van informatie bij de in de tenlastelegging onder 1. genoemde personen.

Zo heeft verdachte op 11 december 2007 (dossierpagina’s 198 en 199) verklaard dat hij deze zaak heeft willen uitzoeken en dat de verleiding om zo’n groot bedrag te kunnen ontvangen zeer groot was. Er is volgens verdachte zeker in die zin gesproken dat hij 25% van de opbrengst zou krijgen, die [getuige 5] zou ontvangen. Ook verklaarde hij dat dat niet af doet aan het feit dat "het natuurlijk niet deugt (…)" en dat hij er "wat aan wilde verdienen".

Verdachte verklaarde voorts op 12 december 2007 (dossierpagina 204) dat hij de verleiding niet heeft weerstaan, om te denken aan en mee te gaan in het zoeken naar een eventueel geldelijk voordeel.

Het nastreven van een ander doel, zoals door de verdediging is gesteld, is in het geheel niet aannemelijk geworden.

F.3.1. Psychische overmacht.

Voorts is namens verdachte ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat verdachte niet strafbaar is, aangezien sprake is van psychische overmacht.

Daartoe is aangevoerd dat op grond van het drietal rapporten van respectievelijk [deskundige 3], [deskundige 4] en [deskundige 5] en [deskundige 6] aannemelijk is geworden dat verdacht lijdt aan een posttraumatische stressstoornis, hetgeen zijn handelen ten tijde van de hem ten laste gelegde feiten zodanig heeft beïnvloed dat hem een geslaagd beroep op psychische overmacht toekomt. Mitsdien dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

F.3.2.

Naar aanleiding van het schriftelijk verzoek van de verdediging van 9 april 2008 heeft

[deskundige 4] een onderzoek verricht naar de geestvermogens van verdachte. Dit heeft geresulteerd in het rapport van [deskundige 4] van 30 december 2008. In dit rapport komt [deskundige 4] onder meer tot de conclusie dat hij de diagnose chronische posttraumatische stressstoornis niet kan reproduceren en dat verdachte lijdende is aan een gegeneraliseerde angststoornis. Voorts komt hij tot de conclusie dat verdachtes handelen ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten niet is voortgekomen uit zijn instabiele psychische toestand, doch dat zijn toestand wel een zodanige rol heeft gespeeld dat bepaalde grenzen zijn overschreden. Tevens komt hij tot de conclusie dat vergeleken met de gemiddelde normale mens er bij verdachte ten tijde van de ten laste gelegde feiten sprake was van een aanpassingsstoornis waardoor hij minder evenwichtig is geweest in de afweging van zijn situatie en van belangen. Op grond van deze psychodynamiek beoordeelt [deskundige 4] de verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

Het hof volgt de conclusie van de deskundige [deskundige 4] en legt deze ten grondslag aan zijn beslissing.

Het vorenstaande in aanmerking genomen, acht het hof hetgeen in de door de verdediging overgelegde rapporten is vermeld over onder meer verdachtes geestestoestand ten tijde van het plegen van de aan hem ten laste gelegde feiten, onvoldoende om tot de conclusie te komen dat ten tijde van het plegen van evenbedoelde feiten sprake is geweest van een uit de op dat moment ziekelijke geestestoestand van verdachte voortvloeiende drang waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon bieden dan wel behoorde te bieden.

F.4.

Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

Verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

G.1.

Bij de bepaling van de op te leggen straffen is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

G.2.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

G.3.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat door het bewezen verklaarde onder 2. en 3. het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer mag worden gesteld in de echtheid van de onderhavige documenten is verstoord.

Voorts heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte als

advocaat-generaal van een ressortsparket zich door een financiële toezegging heeft laten verleiden om uit hoofde van zijn ambtelijke functie en geheel in strijd met zijn plicht bevoegdheden aan te wenden of te doen aanwenden voor privédoeleinden.

Daarmee heeft hij niet alleen politie- en justitiemedewerkers in strijd met hun plicht werkzaamheden laten verrichten, maar bovendien heeft hij de op deze wijze verkregen informatie ook aan onbevoegde derden ter beschikking gesteld.

Voorts heeft hij drie frauduleuze delicten gepleegd.

Verdachte heeft verklaard dat hij bij het plegen van al de feiten heeft gehandeld uit eigen financieel gewin.

In geval van ambtelijke corruptie wordt het vertrouwen dat de samenleving in de integriteit van overheidsdienaren mag hebben in ernstige mate geschaad. In deze gaat het om corruptie gepleegd door een hooggeplaatste rechterlijk ambtenaar; reden waarom het maatschappelijk vertrouwen in zeer ernstige mate en mogelijk normondermijnend is beschadigd.

Van een rechterlijk ambtenaar moet onder alle omstandigheden een grote mate van integriteit worden verwacht. Verdachte heeft het vertrouwen dat de samenleving in justitie en het openbaar ministerie mag en dient te hebben beschaamd.

G.4.

In verband met de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 27 april 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder terzake van strafbare feiten is veroordeeld;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte (waaronder in het bijzonder zijn gezondheidstoestand) zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken;

- de omstandigheid dat verdachte ten gevolge van deze strafzaak zijn betrekking als advocaat-generaal is verloren met alle (financiële) gevolgen van dien.

G.5.

Gelet op het bovenstaande en gelet op de hiervoor onder F.3.2. vastgestelde omstandigheid dat de bewezen verklaarde feiten in enigszins verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegerekend, is het hof van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, alsmede een taakstraf voor de duur van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis, passend zou zijn voor het bewezenverklaarde.

G.6.

Het hof heeft voorts het volgende in aanmerking genomen.

Gelet op het overwogene onder B.1.4. en B.1.5. is in onderhavige zaak sprake geweest van twee onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Onder verwijzing naar hetgeen het hof hiervoor onder B.1.4 en B.1.5. in dit kader heeft overwogen, zal het hof ter compensatie van de hiervoor onder B.1.4.6. en B.1.5.7. vastgestelde vormverzuimen bovengenoemde werkstraf verminderen tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.

G.7.

Met oplegging van de hiervoor genoemde voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [betrokkene 2] (gemachtigde: [gemachtigde], [adres], [woonplaats]) als gevolg van het bewezen verklaarde onder 1. schade heeft geleden, die het hof heeft begroot op een bedrag van EUR 7.335,00.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van EUR 7.335,00 te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Vordering van de benadeelde partij

[betrokkene 2] (gemachtigde: [gemachtigde], [adres], [woonplaats]) heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van EUR 7.335,00. De vordering is door de eerste rechter volledig toegewezen.

De voeging duurt, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 4. bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De vordering dient te worden toegewezen.

Het hof zal verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

En ten aanzien van evengenoemde schadevergoedingsmaatregel en civiele vordering:

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 225, 326 en 363 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1. primair , 2., 3. en 4. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1. Als ambtenaar een belofte aannemen, wetende of redelijkerwijs vermoedende dat deze hem gedaan wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen.

2. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

3. Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

4. Oplichting.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 100 (honderd) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 7.335,00 (zevenduizend driehonderdvijfendertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 71 (eenenzeventig) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 7.335,00 (zevenduizend driehonderdvijfendertig euro).

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. M.A.M. Wagemakers,

in tegenwoordigheid van mr. A.R. Veldt, griffier,

en op 4 juni 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M.A.M. Wagemakers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.