Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM5922

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-03-2010
Datum publicatie
27-05-2010
Zaaknummer
08/00650
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uitspraak na verwijzing HR 10 oktober 2008, nr. 41.983, NTFR 2008/1982.

Belanghebbende claimt aftrek van uitgaven voor het levensonderhoud van de kinderen van haar echtgenoot, die in Turkije woonachtig zijn. De inspecteur en Hof Amsterdam (19 september 2002, nr. 01/1149) stonden aftrek niet toe. Het hof had geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van naar Nederlands recht erkende kinderen en evenmin dat een erkenning naar Turks recht daarmee op een lijn kan worden gesteld. De Hoge Raad heeft in HR 9 juli 2004, nr. 38.819, NTFR 2004/1049, de hofuitspraak vernietigd en de zaak verwezen, omdat nog moet worden nagegaan of de gestelde door de echtgenoot in Turkije verrichte rechtshandelingen naar Turks recht rechtsgeldig zijn, en familierechtelijke betrekkingen tot stand gebracht hebben tussen hem en de kinderen. Zo ja, dan zijn die kinderen aan te merken als 'zijn kinderen'. Hof Den Haag (9 maart 2005, nr. 04/1742) heeft vervolgens geoordeeld dat belanghebbende met hetgeen in geding is gebracht, niet aannemelijk heeft gemaakt dat daarvan sprake is. De enkele omstandigheid dat de echtgenoot in de overgelegde Turkse geboorteakten als de vader van de kinderen is vermeld, is daartoe onvoldoende. De Hoge Raad casseert deze hofuitspraak. De vraag die beantwoord moet worden, is immers geen feitelijke vraag, zoals het hof heeft verondersteld, maar een vraag waarvan de beantwoording afhankelijk is van hetgeen Turks recht bepaalt omtrent de bewijskracht van de overgelegde geboorteakten. Het hof was gehouden zich ambtshalve te vergewissen van hetgeen Turks recht hierover bepaalt. De Hoge Raad heeft het geding vervolgens verwezen naar hof Den Bosch.

Het hof heeft onderzoek gedaan naar de inhoud van het Turks recht aangaande de erkenning van kinderen. Blijkens de Duitse vertaling van het Turks Burgerlijk Wetboek dient sprake te zijn van een "öffentliche Urkunde". Het hof leidt vervolgens uit een uitspraak van de SVB betreffende een aanvraag om kinderbijslag, af dat twee van de drie kinderen in Turkije bij notariële akte zijn erkend. Ten aanzien van het derde kind is van een "öffentliche Urkunde" niet gebleken. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat belanghebbende recht heeft op aftrek in verband met uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van twee van de drie kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/40.15 met annotatie van Redactie
FutD 2010-1333
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 08/00650

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, eerste meervoudige belastingkamer, op het beroep van mevrouw X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid particulieren te Q van de rijksbelastingdienst (hierna: evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Z van de rijksbelastingdienst, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan de duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende de aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 1999.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 34.734,- (hierna: de aanslag). De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van de Hoge Raad van 9 juli 2004, nr. 38.819, onder andere gepubliceerd in BNB 2005/60, heeft de Hoge Raad het cassatieberoep gegrond verklaard en de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

1.3. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft tegen die uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2008, nr. 41.983, onder andere gepubliceerd in BNB 2009/27, heeft de Hoge Raad het cassatieberoep gegrond verklaard en de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch (hierna: het Hof) ter beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

1.4. De Inspecteur heeft, na daartoe door het Hof in de gelegenheid te zijn gesteld, een schriftelijke conclusie ingezonden als reactie op het in 1.3 vermelde arrest van de Hoge Raad. Ook belanghebbende heeft, na daartoe door het Hof in de gelegenheid te zijn gesteld, een schriftelijke conclusie ingezonden. Daarin heeft zij gereageerd op laatstgemeld arrest van de Hoge Raad en op de conclusie van de Inspecteur.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 28 januari 2010 te 's-Hertogenbosch. Daar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur .

1.6. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast.

2.1. Belanghebbende was gedurende het jaar 1999 gehuwd met de heer A (hierna: de heer A). Het huwelijk is op 19 december 2000 door echtscheiding ontbonden. Belanghebbende en de heer A zijn sindsdien als ongehuwde partners blijven samenleven.

2.2. In het jaar 1999 genoot belanghebbende een persoonlijk en tevens onzuiver inkomen van fl. 43.368,-. De heer A genoot in 1999 een persoonlijk en tevens onzuiver inkomen van fl. 42.968,-.

2.3. De heer A heeft in 1999, onder aftrek van de kosten van overmaking, fl. 19.000,- overgemaakt naar Turkije.

2.4. Belanghebbende heeft voor het jaar 1999 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van fl. 31.668,-. In dat bedrag is met toepassing van artikel 46, lid 1, a onder 2º van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 een aftrek begrepen van (fl. 12.500,- minus drempel van fl. 800,- =) fl. 11.700,-, in verband met uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van de in Turkije (Büyukcamili, district Bala, provincie Ankara) wonende ouders van de heer A.

2.5. De Inspecteur heeft terzake bij de aanslagregeling van belanghebbende fl. 8.634,-- in aftrek toegelaten, zijnde het bedrag dat gelijk is aan 10% van het gezamenlijke onzuivere inkomen van belanghebbende en de heer A in 1999. De Inspecteur heeft het belastbare inkomen van belanghebbende vastgesteld op fl. 34.734,-. Na bezwaar is de aanslag bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

2.6. De heer A heeft voor het jaar 1999 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van fl. 24.768,-. In dat bedrag is met verdiscontering van een drempel van fl. 800,- een aftrek begrepen van fl. 18.200,-, in verband met uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van zijn in Turkije wonende ouders en van drie, bij die ouders inwonende kinderen, te weten B, geboren op 22 oktober 1981, C, geboren op 15 augustus 1985 en D, geboren op 15 maart 1988.

In het tot de gedingstukken behorende uittreksel d.d. 15 januari 2001 uit de burgerlijke stand van Büyukcamili, dat in het Nederlands is vertaald, is vermeld dat de heer A op 15 januari 2001 is gehuwd met mevrouw F (hierna: mevrouw F) en dat de drie genoemde kinderen zonen zijn van de heer A en mevrouw F.

2.7. De Inspecteur heeft het door de heer A geclaimde bedrag van fl. 18.200,- niet in aftrek toegelaten en dat bedrag geheel gecorrigeerd. Bij de aanslagregeling is het belastbare inkomen vastgesteld op fl. 42.968,-. Na bezwaar is de aanslag bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

2.8. Belanghebbende en de heer A zijn van de uitspraken van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. Ter zitting van 4 december 2001 zijn belanghebbende en de heer A enerzijds en de Inspecteur anderzijds overeengekomen dat, gelet op het hogere persoonlijke inkomen van belanghebbende, de door de heer A voorgestane aftrekpost alsnog in aanmerking wordt genomen in de procedure van belanghebbende. In verband daarmee heeft de heer A ter zitting het door hem gelijktijdig ingediende beroepschrift ingetrokken.

2.9. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft de door belanghebbende en de heer A geclaimde aftrek, voorzover die ziet op de aan de ouders van de heer A verstrekte ondersteuning, niet verder in aanmerking genomen dan tot het in verband met die ondersteuning reeds in aftrek toegelaten bedrag van fl. 8.634,-. De door de heer A voorgestane aftrek als buitengewone lasten in verband met uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van de in 2.6 vermelde kinderen, heeft het Gerechtshof in het geheel niet in aanmerking genomen. Daarbij heeft het Gerechtshof te Amsterdam ondermeer het volgende overwogen:

"Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van naar Nederlands recht erkende kinderen en evenmin dat de erkenning naar Turks recht daarmee op een lijn gesteld kan worden, is aan A terecht de geclaimde aftrek ontzegd. Daartoe is onvoldoende de stelling dat de kinderen dezelfde achternaam dragen als A.".

Het Gerechtshof te Amsterdam heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

2.10. Belanghebbende heeft op het punt van de niet in aanmerking genomen aftrek als buitengewone lasten in verband met uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van de in 2.6 vermelde kinderen, beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 9 juli 2004 daaromtrent het volgende overwogen:

"3.4. Artikel 46 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 geeft aanspraak op vermindering wegens buitengewone lasten voor uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen en pleegkinderen. Blijkens artikel 2, lid 3, aanhef en letter i, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) verstaat de belastingwet onder kinderen: eerstegraads bloedverwanten en aanverwanten in de neergaande lijn. Daartoe kunnen worden gerekend kinderen die erkend zijn. Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van naar Nederlands recht erkende kinderen en evenmin dat de erkenning naar Turks recht daarmee op een lijn gesteld kan worden.

3.5. Laatstvermeld oordeel, waarbij het Hof kennelijk veronderstellenderwijs ervan is uitgegaan dat, zoals belanghebbende heeft gesteld, naar Turks recht erkenning van de kinderen heeft plaatsgevonden, berust klaarblijkelijk op de opvatting dat de kinderen alleen dan kunnen worden beschouwd als eigen kinderen van A indien sprake is van erkenning naar Nederlands recht, dan wel indien de erkenning naar Turks recht daarmee op een lijn kan worden gesteld. Dit laatste is evenwel onjuist.

Naar Nederlands internationaal privaatrecht wordt immers een in het buitenland tot stand gekomen familierechtelijke betrekking tussen een vader en een kind ook in Nederland als zodanige familierechtelijke betrekking erkend (HR 13 juli 2001, rek. nr. R00/127HR, NJ 2002, 215; zie ook, voor na 1 mei 2003 buitenslands verrichte erkenningen, artikel 10 van de Wet conflictenrecht afstamming, Stb. 2002,153). Noch de tekst van artikel 46 van de Wet noch die van artikel 2, lid 3, aanhef en letter i, van de AWR, noch de geschiedenis van de totstandkoming van die bepalingen geeft aanleiding voor de toepassing van die bepalingen af te wijken van de toepasselijke regel van internationaal privaatrecht. Ook de omstandigheid dat het begrip kind voor de toepassing van de AKW anders wordt uitgelegd (zie hiervoor in 3.3.), geeft daartoe geen aanleiding. Naar blijkt uit de ontstaansgeschiedenis van artikel 2, lid 3, letter i, van de AWR heeft de wetgever toen onder ogen gezien

dat er op dit punt verschillen bestaan tussen de belastingwetgeving en de sociale zekerheidswetgeving en besloten deze in stand te laten, althans voorlopig (Kamerstukken II 1997/98, 25 407, nr. 6, blz. 4-5).

Indien de gestelde, door A in Turkije verrichte rechtshandelingen naar Turks recht (telkens) rechtsgeldig zijn, en telkens familierechtelijke betrekkingen tot stand gebracht hebben tussen hem en de respectieve kinderen, zijn die kinderen derhalve aan te merken als "zijn kinderen" als bedoeld in artikel 46 van de Wet. Aangezien het Hof deze maatstaf niet heeft aangelegd, kan zijn uitspraak niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.".

De Hoge Raad heeft het geding verwezen naar het Gerechtshof te

's-Gravenhage ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.

2.11. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft met betrekking tot de te beantwoorden vraag het volgende overwogen:

"5.1. Artikel 46, eerste lid, aanhef, en onderdeel a, ten eerste, van de Wet (tekst 1999) luidt als volgt:'Buitengewone lasten zijn de op de belastingplichtige drukkende uitgaven voor voorziening in het levensonderhoud van kinderen en pleegkinderen, die jonger dan 27 jaar zijn, voor wie de belastingplichtige geen recht op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet heeft en die zelf geen recht hebben op studiefinanciering ingevolge hoofdstuk II van de Wet op de studiefinanciering of op tegemoetkoming ingevolge hoofdstuk 3 van de Wet tegemoetkoming studiekosten, mits die kinderen in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden.'

5.2. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende, met hetgeen in het geding is aangedragen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat A in Turkije rechtshandelingen heeft verricht die naar Turks recht (telkens) rechtsgeldig zijn en (telkens) familierechtelijke betrekkingen hebben tot stand hebben gebracht tussen hem en de kinderen op grond waarvan de kinderen aan te merken zijn als 'zijn kinderen' als bedoeld in artikel 46 van de Wet. De enkele omstandigheid dat A in de overgelegde Turkse geboorteakten als de vader van de kinderen is vermeld is daartoe onvoldoende.".

Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

2.12. Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 10 oktober 2008 het volgende overwogen:

"4.1. Aan het slot van het verwijzingsarrest heeft de Hoge Raad overwogen dat de drie kinderen voor wier levensonderhoud A kosten heeft gemaakt zijn aan te merken als "zijn kinderen" in de zin van artikel 46 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, indien de door hem gestelde, door hem in Turkije verrichte rechtshandelingen naar Turks recht (telkens) rechtsgeldig zijn, en (telkens) familierechtelijke betrekkingen tot stand gebracht hebben tussen hem en de respectieve kinderen.

4.2. Na verwijzing heeft belanghebbende aan het Hof kopieën overgelegd van een drietal bescheiden, die naar de daarin mede in de Franse taal gestelde bewoordingen zouden zijn afgegeven door de Service de l'état civil de Bala/Ankara, een Extrait de l'acte de naissance zouden behelzen, en waarin A wordt vermeld als père van de drie kinderen. Belanghebbende heeft gesteld dat daaruit blijkt van de erkenning van de drie kinderen door A.

4.3. In de thans in cassatie bestreden uitspraak heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende, met hetgeen in het geding is aangedragen, niet aannemelijk heeft gemaakt dat A in Turkije rechtshandelingen heeft verricht die naar Turks recht (telkens) rechtsgeldig zijn en (telkens) familierechtelijke betrekkingen hebben tot stand hebben gebracht tussen hem en de kinderen op grond waarvan de kinderen aan te merken zijn als 'zijn kinderen' als bedoelde in artikel 46 van de Wet. De enkele omstandigheid dat A in de overgelegde Turkse geboorteakten als de vader van de kinderen is vermeld, is daartoe onvoldoende, aldus het Hof.

4.4. Bij de beoordeling van de tegen dit oordeel aangevoerde klachten dient vooropgesteld te worden (1) dat de vraag of de door belanghebbende overgelegde bescheiden bewijzen dat (zoals blijkens de hiervoor in 4.1 geciteerde overweging beslissend is) A in Turkije rechtshandelingen heeft verricht die naar Turks recht (telkens) rechtsgeldig zijn, en naar Turks recht (telkens) familierechtelijke betrekkingen tot stand gebracht hebben tussen hem en de respectieve kinderen, niet een feitelijke vraag is, maar een vraag waarvan de beantwoording afhankelijk is van hetgeen Turks recht bepaalt omtrent de bewijskracht van de overgelegde bescheiden met betrekking tot het verricht-zijn van rechtshandelingen als hiervoor in 4.1 bedoeld; en (ii) dat het Hof gehouden was zich ambtshalve te vergewissen van hetgeen Turks recht hieromtrent bepaalt.

4.5. In het licht van deze vooropstelling is 's Hofs hiervoor in 4.3 weergegeven oordeel niet toereikend gemotiveerd. Indien dat oordeel berust op de opvatting dat het enkel op basis van het over en weer aangevoerde de aannemelijkheid had te beoordelen van belanghebbendes stellingen omtrent de inhoud van Turks recht met betrekking tot de bewijskracht van de overgelegde bescheiden, is het onjuist blijkens het hiervoor in 4.4 onder (ii) overwogene. Indien dat oordeel berust op eigen onderzoek van het Hof naar de inhoud van Turks recht met betrekking tot die bewijskracht, is het onvoldoende gemotiveerd, omdat het Hof van zulk onderzoek geen rekenschap afgelegd heeft.".

De Hoge Raad heeft het geding verwezen naar het Hof en daarbij opgemerkt dat het verwijzingshof, ter voldoening aan zijn verplichting zich zelfstandig te vergewissen van de inhoud van Turks recht, daaromtrent desgeraden deskundigenbericht zal kunnen inwinnen.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende in verband met door de heer A verrichte uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van de in 2.6 vermelde kinderen, recht heeft op aftrek als buitengewone lasten. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Partijen hebben ter zitting van 28 januari 2010, kort weergegeven, het volgende toegevoegd c.q. benadrukt.

Belanghebbende

De heer A is steeds naar Turkije geweest, maar Turkije heeft niet meer dan het uittreksel uit de burgerlijke stand. Het gaat niet alleen om de aftrek, maar het gaat er ook om dat het de kinderen van de heer A zijn. De heer A is in Bala en Ankara van het kastje naar de muur gestuurd.

De geboorte van de eerste zoon, van de tweede zoon en van de derde is later doorgegeven. Daarvoor is hij bij de burgemeester geweest. Er zijn papieren ingevuld.

De burgemeester van het dorp heeft de heer A getrouwd. Toen hij trouwde, heeft de burgemeester een brief geschreven. De heer A is "niet bij een notaris geweest".

De naam is niet gewijzigd door het huwelijk. De kinderen heten vanaf de geboorte A, niet eerst vanaf 2001. De heer A heeft nu twee kinderen hier en een in Denemarken. De gemachtigde is pas in beeld gekomen nadat de Sociale Verzekeringbank mijn aanvraag om kinderbijslag had afgewezen.

Ik denk niet dat een onderzoek in Turkije nog zin heeft. De kinderen heten A, de oudste zoon van de heer A heeft in Turkije onder de naam A zijn militaire dienstplicht vervuld.

De Inspecteur

Er is niet voldaan aan de bewijslast. Ik weet ook niet wat er in artikel 2 van de Wet nr. 3716, als vermeld op het uittreksel uit de burgerlijke stand, staat. Hoe kan er een akte zijn, als de heer A nooit bij een notaris is geweest?

3.3. Belanghebbende heeft in haar aangifte inkomstenbelasting voor 1999 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van fl. 31.668,--.

Belanghebbende heeft daarna, nadat het beroep voor wat betreft de aftrek als buitengewone lasten in verband met de uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van de ouders van de heer A was komen te vervallen, geen nadere cijfermatige conclusie gegeven. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Gronden voor de beslissing

4.1. Ingevolge de bewijsopdracht van de Hoge Raad heeft het Hof onderzoek gedaan naar de inhoud van Turks recht met betrekking tot de bewijskracht van de door belanghebbende overgelegde bescheiden.

4.2. Op 1 januari 2002 trad in werking het (nieuwe) Turks Burgerlijk Wetboek (Wet Nr. 4721 van 22 november 2001).

In artikel 295 is omtrent de voorwaarde en vorm van erkenning onder meer, in de Nederlandse vertaling, het volgende bepaald:

"Erkenning geschiedt door een schriftelijke verklaring van de vader bij de ambtenaar van de burgerlijke stand of bij de rechtbank, of door een mededeling in een authentieke akte of in zijn testament.

(...)".

Artikel 296 luidt:

"De ambtenaar van de burgerlijke stand, de vrederechter, de notaris bij wie de mededeling is gedaan of de rechter die het testament geopend heeft, deelt de erkenning mee aan de ambtenaren van de burgerlijke stand, waarin [in het register] de vader en het kind ingeschreven staan.

De burgerlijke stand waar het kind is ingeschreven, deelt de erkenning mee aan het kind, zijn moeder en indien het kind onder voogdij staat aan zijn voogd.".

4.3. In 1999 werd die materie beheerst door het tot 1 januari 2002 geldende, in 1926 in opdracht van Kemal Atatürk ingevoerde Turks Burgerlijk Wetboek. Dat was grotendeels gebaseerd op het Zwitserse Zivilgesetbuch van 1912.

In artikel 290, in de beschikbare Duitse vertaling, is het volgende bepaald:

"Die mutter eines unehelichen Kindes is die Mutter, die es in die Welt gesetzt hat. Hinsichtlich des Vaters musz die Abstammung durch Anerkennung oder Urteil festgestellt werden.".

Artikel 291 luidt:

"Das uneheliche Kind kan durch seinen Vater (...) anerkannt werden. Die Anerkennung findet durch eine öffentliche Urkunde (...) statt; sie wird dem standesbeamten des Ortes, an dem das uneheliche Kind eingetragen ist, mitgeteilt.".

4.4. Tot de gedingstukken behoort een uitspraak d.d. 11 januari 2001 van de Sociale Verzekeringsbank (hierna: de SVB), waarin het bezwaar van de heer A tegen een beschikking van de SVB kennelijk ongegrond wordt verklaard. In die beschikking, welke is gericht aan belanghebbende, wordt een verzoek om toekenning van kinderbijslag voor de twee oudste van de in 2.6 vermelde kinderen (B en C), over de periode van 1 april 1999 tot en met 31 maart 2000, afgewezen.

4.5. In die uitspraak is onder "motivering" onder meer het volgende vermeld:

"Uit de aan de SVB ter beschikking staande gegevens blijkt dat de SVB op 13 april 1999 uw aanvraag om kinderbijslag voor de kinderen B en C ontvangt. Aangezien de beide kinderen volgens de opgave op het aanvraagformulier in Turkije woonachtig zijn, is door de SVB een nader onderzoek ingesteld. Uit dit onderzoek is gebleken dat u en de genoemde kinderen bij de Burgerlijke Stand in het district Bala geregistreerd staan.

Volgens opgave van deze Burgerlijke Stand zijn de kinderen in 1992 geregistreerd krachtens artikel 2 van de Wet nr: 3716, middels een

notariële Akte van Erkenning.".

4.6. Het Hof leidt uit het in 4.5 uit de uitspraak van de SVB weergegevene en in het bijzonder uit de onderstreping door de SVB van de woorden "Notariële Akte van Erkenning" af dat in verband met de kinderen B en C sprake is van een erkenning van die kinderen door de heer A, bij notariële akte. Die erkenning heeft in 1992 zijn beslag gekregen. Dat de heer A ter zitting heeft verklaard dat hij "niet bij een notaris" is geweest, doet bij het Hof geen twijfel rijzen omtrent de juistheid van de vaststellingen door de SVB.

4.7. In verband met de notariële akte van erkenning, voor wat betreft de kinderen B en C, is sprake van een "öffentliche Urkunde", in de Duitse vertaling van artikel 291 van het tot

1 januari 2002 geldende Turkse Burgerlijk Wetboek. Naar de inhoud van Turks recht omtrent het verlangde bewijs dat de heer A in Turkije rechtshandelingen heeft verricht die naar Turks recht (telkens) rechtsgeldig zijn, en naar Turks recht (telkens) familierechtelijke betrekkingen tot stand gebracht hebben tussen hem en de kinderen, is voor betreft de kinderen B en C het bewijs geleverd.

4.8. Ten aanzien van het jongste in 2.6 genoemde kind, D, geboren op 15 maart 1988, is dat bewijs niet geleverd. Belanghebbende heeft voor wat betreft D geen bewijs bijgebracht van het bestaan van een "öffentliche Urkunde". Daarvan is bij de door belanghebbende overgelegde uittreksels uit registers van de burgerlijke stand geen sprake. Dat geldt ook voor het in 2.6 vermelde uittreksel d.d. 15 januari 2001 uit de burgerlijke stand van Büyükcamili, waarvan een Nederlandse vertaling als (onderdeel van) bijlage 5 bij het verweerschrift van de Inspecteur in de procedure bij het Gerechtshof te Amsterdam is gevoegd. De vermelding in het uittreksel van "Geboorte: is ons beider kind", achter D, geeft, gelet op voormeld artikel 291, in deze onvoldoende uitsluitsel. Het Hof wijst in dit verband op artikel 247 van het tot 1 januari 2002 vigerende Turks Burgerlijk Wetboek waarin is bepaald:

"Ein unehelich geborenes Kind erhält durch die Heirat seiner Eltern die rechtliche Stellung eines ehelichen Kindes.". Door het huwelijk van de heer A met mevrouw F op 15 januari 2001 heeft D de rechtsstatus gekregen van echtelijk kind. Het per gelijke datum evenvermelde uittreksel bevestigt slechts deze status. Het uittreksel geeft in het geheel geen uitsluitsel over de vraag of in 1999 door de heer A rechtshandelingen waren verricht die naar Turks recht (telkens) rechtsgeldig zijn, en naar Turks recht (telkens) familierechtelijke betrekkingen tot stand gebracht hebben tussen hem en D.

4.9. Gelet op al het vorenstaande heeft belanghebbende alleen voor de twee oudste in 2.6. genoemde kinderen, B en C, recht op aftrek als buitengewone lasten, in verband met uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud.

4.10. Die aftrek is ingevolge artikel 9 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 (tekst 1999) forfaitair bepaald en bedraagt, voor zover hier van belang, fl. 880,- per kalenderkwartaal indien het kind 12 jaar of ouder doch jonger dan 18 jaar is. Voor de toepassing van artikel 9 is beslissend de toestand bij het begin van het kalenderkwartaal.

4.11. Zowel B (geboren op 22 oktober 1981) als C (geboren op 15 augustus 1985) was, bij het begin van de vier kalenderkwartalen in 1999, 12 jaar of ouder doch jonger dan 18 jaar. Belanghebbende heeft voor hen recht op een aftrek van (2 x 4 x fl. 880,- =)

fl. 7.040,- als buitengewone lasten in verband met uitgaven tot voorziening in hun levensonderhoud. Het bij de aanslagregeling op fl. 34.734,- vastgesteld belastbare inkomen moet met fl. 7.040,- worden verminderd tot fl. 27.694,-.

Het beroep van belanghebbende is gegrond.

5. Griffierecht

Het beroep is gegrond. Het door belanghebbende bij het Gerechtshof te Amsterdam betaalde griffierecht ad fl. 60,- dient aan deze te worden vergoed.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, een en ander met inachtneming van het puntenstelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt die kosten vast op 4 punten x € 322 (waarde per punt) x 2 (gewicht van de zaak) is € 2.576. De in aanmerking genomen 4 punten betreffen achtereenvolgens:

- procedure bij het Gerechtshof te Amsterdam [bijstand bij indiening beroep en verschijnen ter zitting, totaal (1 + 1 = 2 punten)],

- procedure bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage [indiening conclusie naar aanleiding van de eerste uitspraak van de Hoge Raad (0,5 punt)],

- procedure bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch [indiening conclusie naar aanleiding van de tweede uitspraak van de Hoge Raad en verschijnen ter zitting, totaal (0,5 + 1 =) 1,5 punt)].

7. Beslissing

Het Hof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen van fl. 27.694,-,

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij het Gerechtshof te Amsterdam betaalde griffierecht ten bedrage van fl. 60,- vergoedt,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende bij achtereenvolgens het Gerechtshof te Amsterdam, het Gerechtshof te 's-Gravenhage en het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, vastgesteld op in totaal € 2.576 en

- wijst de Staat aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 18 maart 2010 door P.A.G.M. Cools, voorzitter, J.W.J. Huige en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van P.H.A. Calis, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 18 maart 2010

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1- bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak

overgelegd.

2- het beroepschrift moet ondertekend zijn en tenminste het volgende

vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.