Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM5207

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-05-2010
Datum publicatie
20-05-2010
Zaaknummer
HD 200.021.114
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 5 EEX-vordering + art. 3 EVO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.021.114

arrest van de tweede kamer van 18 mei 2010

in de zaak van

[APPELLANT],

wonende te [plaats] ([land]),

appellant,

advocaat: mr. Th.J.J. Dierichs,

tegen:

[GEINTIMEERDE],

wonende te [plaats] ([land]),

geïntimeerde,

advocaat: mr. L.J.M.G. Kunzeler,

op het bij exploot van dagvaarding van 26 november 2008 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Roermond, sector kanton [plaats] gewezen vonnis van 8 oktober 2008 tussen appellant - [appellant] - als gedaagde en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eiser.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 221151\CV EXPL 08-3044)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot onbevoegd verklaring van de Nederlandse rechter, niet-ontvankelijk verklaring van [geïntimeerde] in zijn vordering, terugverwijzing naar de kantonrechter te [plaats] dan wel afwijzing alsnog van de vorderingen van [geïntimeerde], met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

3.1. Voor de precieze inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

[appellant] woont in [land] en heeft de [buitenlandse] nationaliteit. Hij is eigenaar en verhuurder van een aantal panden in [plaats].

[geïntimeerde] is een Nederlandse jurist. [geïntimeerde] woont thans in [land]. Voordien woonde hij in Nederland ([plaats]), waar hij ook kantoor hield.

[geïntimeerde] heeft sinds maart 2003 de belangen van [appellant] behartigd betreffende de panden in [plaats]. [geïntimeerde] bracht de door hem gewerkte uren en gemaakte kosten aan [appellant] in rekening. Deze declaraties zijn tot en met declaratie 001.2008 d.d. 8 januari 2008 door [appellant] (grotendeels) voldaan op de bankrekening van [geïntimeerde] bij de ING Bank [plaats].

[geïntimeerde] heeft [appellant] bij dagvaarding van 4 juli 2008 gedagvaard voor de kantonrechter te [plaats]. [geïntimeerde] vorderde van [appellant] betaling van een bedrag van € 3.511,43 ter zake van (a) declaratie 003.2008 (€ 2.080,47), (b) restant declaratie 39.2004 (€ 107,78), (c) declaratie 008.2008 (€ 417,18), (d) winstderving 12-05-2008 € 500,=, (e) buitengerechtelijke kosten (€ 406,=), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding.

[appellant] is in rechte verschenen doch heeft, na een gevraagd en verkregen uitstel, niet op de eis geantwoord. De kantonrechter heeft daarop bij het vonnis van 8 oktober 2008 waarvan beroep de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

4.1.2. [appellant] heeft tegen voormelde beslissing vier grieven aangevoerd.

4.2.1. In grief 1 stelt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte de Nederlandse rechter, en in dit geval de kantonrechter te [plaats], bevoegd heeft geacht om van het geschil kennis te nemen. [appellant] wijst in dit verband op het feit dat beide partijen in [land] wonen.

4.2.2. Het hof verwerpt deze grief. [geïntimeerde] legt aan zijn vordering een in maart 2003 begonnen duurovereenkomst ten grondslag die inhield dat [geïntimeerde] voor [appellant] diverse werkzaamheden zou verrichten betreffende het beheer van de panden in [plaats] waarvan [appellant] eigenaar was. [geïntimeerde] was aanvankelijk werkzaam vanuit het kantooradres van [X] Adviseurs te [plaats]. De betalingen voor de werkzaamheden werden door [appellant] in de jaren 2003 tot 2008 voldaan op de bankrekening van [geïntimeerde] bij de ING Bank te [plaats]. Het hof is met [geïntimeerde] van oordeel dat [geïntimeerde] daarmee zijn vordering doet steunen op een verbintenis uit overeenkomst die in Nederland diende te worden uitgevoerd. Daarmee is, nu het geschil een handelszaak als bedoeld in artikel 1 van die hierna te noemen verordening betreft, de Nederlandse rechter op grond van het bepaalde in art. 5 aanhef en lid 1 onder a van de EG Verordening 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (EEX-Verordening) bevoegd van het geschil kennis te nemen. Het hof verwerpt het standpunt van [appellant] dat het feit, dat [geïntimeerde] in [land] woonachtig is, zou meebrengen dat in dit geval van een geschil als bedoeld in art. 1 van de EEX-Verordening geen sprake meer zou zijn. Dit laat immers onverlet dat [geïntimeerde] betaling vordert van door hem voor [appellant] in Nederland (ten behoeve van de in Nederland gelegen panden van [appellant]) verrichte werkzaamheden. De woonplaats van [geïntimeerde] laat onverlet dat het gaat om een geschil met internationale aspecten.

4.3.1. In grief 2 stelt [appellant] dat de kantonrechter [geïntimeerde] niet ontvankelijk had dienen te verklaren in zijn vordering omdat hem, [appellant], alleen een de dagvaarding in eerste aanleg in de Nederlandse taal is betekend. [appellant] stelt dat hij alle exemplaren van de dagvaarding aan de Nederlandse deurwaarder en de [taal]e instanties heeft geretourneerd met de mededeling dat hij deze weigerde omdat een vertaling in het [taal] ontbrak.

4.3.2. Met deze grief refereert [appellant] kennelijk aan art. 5 van de EG-Betekeningsverordening, waarin is bepaald dat degene voor wie een gerechtelijk stuk is bedoeld kan weigeren dat stuk in ontvangst te nemen omdat het niet in een van de in art. 8 (oud) van voormelde verordening bedoelde talen is gesteld. Het hof merkt allereerst op dat uit hetgeen door [appellant] is gesteld niet kan worden geconcludeerd of in dit geval al dan niet sprake is geweest van een weigering van de dagvaarding op de in art. 8 lid 1 van de EG-betekeningsverordening voorgeschreven wijze. De vraag of van een dergelijke weigering al dan niet sprake is geweest kan echter in het midden blijven nu [appellant] op de inleidende dagvaarding in eerste aanleg voor de kantonrechter te [plaats] is verschenen zonder een beroep te doen op eventuele gebreken in de dagvaarding, zodat er voor de kantonrechter geen grond was om de dagvaarding nietig te verklaren en/of [geïntimeerde] in zijn vordering niet ontvankelijk te verklaren.

4.3.3. [appellant] heeft in de toelichting op grief 2 verder nog gesteld dat hij door het verzuim van een niet in de [taal van het land] gestelde dagvaarding aanmerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Het hof acht die stelling onvoldoende onderbouwd in het licht van het gegeven dat zich al in eerste aanleg een Nederlandse gemachtigde, de advocaat van [appellant] in hoger beroep, voor [appellant] heeft gesteld. Dit geldt temeer nu tussen voormelde advocaat en [geïntimeerde] voorafgaande aan deze procedure al een uitgebreide - door [geïntimeerde] als producties aan de inleidende dagvaarding gehechte - correspondentiewisseling heeft plaatsgevonden over de in deze procedure uiteindelijk aanhangig gemaakte vordering van [geïntimeerde] en uit de in die correspondentie door de advocaat van [appellant] namens [appellant] ingenomen standpunten alles behalve blijkt van enige bij [appellant] bestaande onduidelijkheid over de inhoud, aard en grondslag van de vordering van [geïntimeerde]. Het hof stelt voorts vast dat [appellant] in hoger beroep niet meer om een vertaling van de dagvaarding in het [taal] heeft gevraagd.

4.3.4. Gezien het voorgaande faalt grief 2.

4.4.1. In grief 3 stelt [appellant] dat de kantonrechter het geschil tussen partijen ten onrechte naar Nederlands recht heeft beoordeeld. Volgens [appellant] is op de overeenkomst tussen partijen [buitenlands] recht van toepassing.

4.4.2. Het hof verwerpt deze grief. Zoals hiervoor al overwogen laat het enkele feit dat ook [geïntimeerde] thans in [land] woonachtig is onverlet dat het geschil internationale aspecten heeft. Ook indien de opdracht van [appellant] aan [geïntimeerde] om voor de panden in [plaats] (nieuwe) huurders te zoeken als een zelfstandige overeenkomst tussen partijen zou moeten worden beschouwd, neemt dat niet weg dat het gaat om de verhuur van panden in Nederland en dat de opdracht aan [geïntimeerde] zijn grondslag vindt in het feit dat [geïntimeerde] al geruime tijd de belangen van [appellant] in verband met de panden in [plaats] had behartigd en daartoe door [appellant] is aangezocht toen hij, [geïntimeerde], nog woonde en kantoor hield in [plaats]. Door [appellant] is voorts niet betwist dat [geïntimeerde] daarvoor juist werd benaderd omdat [geïntimeerde] als Nederlands jurist kennis had van Nederlandse zaken en het Nederlandse recht.

4.4.3. Nu de vordering van [geïntimeerde] haar grondslag vindt en een (of meer) tussen partijen gesloten overeenkomst(en), dient het op de vordering toepasselijke recht te worden bepaald aan de hand van het Verdrag van de EEG inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome, 19 juni 1980). Bij gebreke van een rechtskeuze als bedoeld in artikel 3 van dit Verdrag is ingevolge artikel 4 lid 1 van dit Verdrag (verder EVO te noemen) op een overeenkomst van toepassing het recht van het land waarmee zij het nauwst is verbonden. Lid 2 van laatstgenoemd artikel bepaalt dat een overeenkomst wordt vermoed het nauwste te zijn verbonden met het land waar de partij die de kenmerkende prestatie moet verrichten op het moment van het sluiten van de overeenkomst haar gewone verblijfplaats heeft. In art. 4 lid 5 EVO is voorts bepaald dat het vermoeden van lid 2 niet geldt wanneer uit het geheel der omstandigheden blijkt dat de overeenkomst nauwer is verbonden met een ander land. Indien de werkzaamheden van [geïntimeerde], zoals door [geïntimeerde] voorgestaan, worden gezien als een uitvloeisel van de tussen partijen al sinds 2003 bestaande relatie, behoeft de toepasselijkheid van Nederlands recht geen betoog. Die toepasselijkheid vloeit, nu de door [geïntimeerde] uitgevoerde werkzaamheden als de kenmerkende prestatie dienen te worden beschouwd, in dat geval rechtstreeks voort uit het bepaalde in art. 4 lid 2 EVO. Indien de door [geïntimeerde] in 2008 uitgevoerde werkzaamheden worden gezien, zoals door [appellant] voorgestaan, als specifiek en afzonderlijk aan [geïntimeerde] opgedragen werkzaamheden, leidt dit niet tot een ander oordeel. Het hof deelt voor dat geval het standpunt van [geïntimeerde] dat, gezien de in r.o. 4.5.2 genoemde omstandigheden, de overeenkomst het nauwst verbonden met Nederland moet worden geacht en de huidige woonplaats van [geïntimeerde] in [land] in die situatie geen enkele reële aanknopingswaarde heeft. Nederlands recht is dan op grond van het bepaalde in art. 4 lid 5 jo. art. 4 lid 1 EVO van toepassing.

4.5.1. In grief 4 betwist [appellant] de diverse onderdelen van de vordering van [geïntimeerde] inhoudelijk.

4.5.2. [appellant] erkent dat [geïntimeerde] vanaf 2003 diverse malen als zijn gevolmachtigde is opgetreden. Volgens [appellant] heeft hij echter alle door [geïntimeerde] daarvoor gezonden declaraties voldaan. [appellant] betwist dat een restant van € 107,78 van de declaratie 39.2004 - ten bedrage van € 607,78 waarop in mindering strekte een op 25-08-2004 ontvangen voorschot van € 500,= - onbetaald is gebleven. Ten aanzien van dit onderdeel van zijn vordering heeft [geïntimeerde] in de dagvaarding (van 4 juli 2008) gesteld dat het onvoldaan zijn gebleven van dit gedeelte van declaratie 39.2004 eerst bij een recente boekhoudkundige controle is gebleken. [geïntimeerde] heeft [appellant] tot betaling van dit "vergeten" bedrag gesommeerd bij schrijven d.d. 13 juni 2007.

4.5.3. [geïntimeerde] stelt terecht dat het aan [appellant] is om, indien hij betwist dat dit bedrag onbetaald is gebleven, de door hem gestelde betaling te bewijzen. Nu een dergelijk bewijs door [appellant] niet is overgelegd en hij evenmin een concreet en specifiek aanbod tot bewijs van die betaling heeft gedaan, faalt grief 4 ten aanzien van dit onderdeel van de vordering van [geïntimeerde].

4.5.4. [appellant] heeft declaratie 003.2008 betwist op grond van zijn stelling dat partijen in december 2007 een overeenkomst van geheel andere aard hebben gesloten dan daarvoor, te weten een "[verdrag]" naar [buitenlands] recht. Het hof verwerpt dit verweer. Hiervoor heeft het hof al overwogen dat de opdracht van [appellant] aan [geïntimeerde] eind 2007 om voor de leegstaande panden naar huurders te zoeken niet los kan worden gezien van de bemoeienissen die [geïntimeerde] sedert 2003 al had met de panden van [appellant] in [plaats]. Door [appellant] is niet, althans onvoldoende onderbouwd gesteld dat partijen bij de opdracht van eind 2007 enige andere honorering dan voorheen voor de door [geïntimeerde] te verrichten werkzaamheden zouden zijn overeengekomen. Het hof merkt op dat de advocaat van [appellant] in zijn brief van 10 april 2008 aan [geïntimeerde] namens [appellant] (prod. XX inl. dagv.) voormelde declaratie ook niet vanwege het in rekening gebrachte uurloon bestrijdt. In die brief voert de advocaat namens [appellant] alleen aan dat door [geïntimeerde] werkzaamheden zijn verricht 'waartoe volstrekt geen opdracht is gegeven of welke volstrekt overbodig zijn gemaakt'. Die - weinig concrete - aantijging is echter onvoldoende ter onderbouwing van enig verweer dat [geïntimeerde] werkzaamheden heeft verricht waartoe hij zich op grond van de hem verstrekte opdracht niet gerechtigd mocht achten. Nu [appellant] verder niet (gemotiveerd) heeft betwist dat de bij de declaratie 003.2008 in rekening gebrachte werkzaamheden door [geïntimeerde] zijn verricht, faalt grief 4 ten aanzien van deze declaratie.

4.5.5. Aan zijn vordering ter zake gederfde winst legt [geïntimeerde], naar het hof begrijpt, ten grondslag dat [appellant] de overeenkomst op onrechtmatige wijze heeft opgezegd. Dat verwijt heeft [geïntimeerde] echter onvoldoende feitelijk onderbouwd. Grief 4 slaagt ten aanzien van deze post.

4.5.6. Declaratie 008.2008 d.d. 7 juni 2008 (prod. XXVII inl. dagv.) heeft betrekking op de kosten (reistijd per auto 230 minuten x € 77,= per uur is € 295,17, kilometerkosten € 98,40 en € 23,61 bureaukosten, totaal € 417,18) voor het terugbrengen door [geïntimeerde] van de sleutels van de panden aan het kantoor van de advocaat van [appellant]. Het hof is met [appellant] van oordeel dat het in rekening brengen van een dergelijk hoog bedrag aan kosten voor het retourneren van sleutels niet redelijk kan worden geacht. Het hof zal de in redelijkheid aan [appellant] in rekening te brengen kosten voor het retourneren van de sleutels ex aequo et bono begroten op € 50,=.

4.5.7. [appellant] heeft de gevorderde buitengerechtelijke kosten primair bestreden in verband met zijn verweer dat de hoofdvordering van [geïntimeerde] moet worden afgewezen. Subsidiair heeft [appellant] betwist dat door [geïntimeerde] werkzaamheden zijn verricht die, nu een procedure is gevolgd, niet te rekenen zijn tot de werkzaamheden waarvoor de vergoeding in de proceskostenveroordeling begrepen moet worden geacht. Het hof verwerpt dit laatste verweer. De door [geïntimeerde] overgelegde correspondentie die er voorafgaande aan de procedure is geweest tussen hem en (de advocaat van) [appellant] over de in rechte aanhangig gemaakte vordering geeft blijk van meer werkzaamheden dan een enkele aanmaning en/of een enkele brief die, indien een procedure volgt, als inleidende handelingen voor de procedure kunnen worden aangemerkt. Nu de vordering van [geïntimeerde] slechts ten dele zal worden toegewezen, zullen de buitengerechtelijke kosten worden toegewezen tot het met het toewijsbaar geachte gedeelte van de hoofdsom corresponderende tarief (€ 272,=).

4.6.1. Het voorgaande betekent dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd ten aanzien van het in hoofdsom toegewezen bedrag. De vordering van [geïntimeerde] zal alsnog worden toegewezen tot een bedrag van € 2.510,25 (€ 2.080,47 + € 107,78 + € 50,= + € 272,=), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 juli 2008. Het vonnis waarvan beroep zal voor het overige worden bekrachtigd. Voor wat betreft de proceskosten overweegt het hof daarbij dat de andersluidende beslissing in eerste aanleg is te wijten aan het aan [appellant] zelf toe te rekenen feit dat [appellant] in eerste aanleg geen verweer heeft gevoerd.

4.6.2. Het hof zal de proceskosten van het hoger beroep tussen partijen compenseren, nu de partijen in hoger beroep over en weer op enig punt in het ongelijk zijn gesteld.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de onder 3.1 van dat vonnis gegeven beslissing, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellant] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [geïntimeerde] een bedrag van € 2.510,25 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 4 juli 2008 tot de dag der algehele voldoening;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor al het overige;

compenseert de proceskosten van het hoger beroep in die zin tussen partijen dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schaik-Veltman, Venhuizen en Vriezen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 mei 2010.