Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM5206

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
20-05-2010
Zaaknummer
HD 200.032.470
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Exceptio plurium litis consortium.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.032.470

arrest van de zevende kamer van 4 mei 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CAR CENTER [vestigingsplaats] BV,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[X.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.G.C.P. Smits,

op het bij exploot van dagvaarding van 21 april 2009 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank Roermond gewezen vonnis van 18 februari 2009 tussen appellante - CCS - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en geïntimeerde - [X.] - als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer 84448/HA ZA 08-102)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 25 juni 2008.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. CCS is tijdig van het eindvonnis van 18 februari 2009 in hoger beroep gekomen. Bij memorie van grieven tevens akte wijziging eis heeft CCS onder overlegging van achttien producties twee grieven aangevoerd, haar eis gewijzigd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep in conventie en, kort gezegd, tot toewijzing van haar vorderingen zoals nader omschreven in de conclusie van deze memorie.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [X.] de grieven bestreden en (in reconventie) opheffing van het gelegde beslag gevorderd.

2.3. Partijen hebben op 5 maart 2010 hun standpunten door hun raadslieden aan de hand van pleitnota’s doen bepleiten, CCS door mr. E. Baghery en [X.] door mr. P.G.C.P. Smits. Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd en de gedingstukken overgelegd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

CCS exploiteert een autobedrijf aan de [vestigingsadres] te [vestigingsplaats]. Tot 26 juli 2004 werd het bedrijf geëxploiteerd door de echtgenoot van [X.], [Y.], hun zoon [Z.] en hun schoonzoon [A.]. Zij hielden ieder een derde deel van de aandelen in CCS.

Na het overlijden van [Y.] op 26 juli 2004 hebben beide anderen zijn aandelen overgenomen. [X.] beheert de nalatenschap van [Y.].

[X.] woont aan de [woonadres] te [woonplaats]. Dit perceel is haar eigendom. Voor de ene helft omdat [X.] en [Y.] in algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd. Voor de andere helft omdat deze tot de nalatenschap van [Y.] behoorde en aan haar is toebedeeld in diens testament van 17 december 2002. Dit testament houdt namelijk een ouderlijke boedelverdeling in. [X.] heeft geen gebruik gemaakt van het in het testament opgenomen keuzerecht om enige toebedeling niet te aanvaarden. Het perceel grenst aan het perceel waarop CCS is gevestigd en aan het daarnaast gelegen perceel waarop [A.] en [B.] wonen.

Van het perceel [woonadres] maakt deel uit een strook grond van ongeveer 3.000 m² die vanaf de hoek [A-straat]/[B-weg] achter beide andere percelen is gelegen. Langs deze strook is een hekwerk geplaatst waardoor deze voor het oog bij het perceel van CCS hoort. Op de strook bevindt zich een tuinhuisje.

CCS verlangt overdracht van de strook grond door [X.], hetgeen door haar is geweigerd. Binnen de familie [Y.] zijn enige tijd na het overlijden van [Y.] de verhoudingen verstoord geraakt. [X.] wil het perceel Veestraat 3 met inbegrip van de strook grond aan derden verkopen. CCS heeft op 16 januari 2008 conservatoir beslag doen leggen op de strook grond.

4.2 In deze procedure stelt CCS dat zij met [Y.] is overeengekomen dat deze de strook aan CCS zou overdragen. Juist vanwege de uitbreidingsmogelijkheden voor CCS op die strook heeft [Y.] destijds het perceel [woonadres] gekocht, aldus CCS. In verband hiermee is het hekwerk geplaatst en zijn er putten gegraven met het oog op nutsvoorzieningen voor kantoorunits die daar geplaatst zouden worden. CCS heeft aan [Y.] zijn managementfee doorbetaald in de periode dat hij voor CCS feitelijk geen werkzaamheden meer verrichtte en CCS zou zorg dragen voor de benodigde vergunning ten behoeve van de uitbreiding van CCS op de strook grond, waarvoor tijdens het leven van [Y.] ook een bestemmingsplanprocedure is gestart. Een en ander is volgens CCS te beschouwen als tegenprestatie voor de strook grond en als voorbereiding voor de afgesproken overdracht ervan. Op grond hiervan vorderde CCS in eerste aanleg in conventie, kort gezegd, primair veroordeling van [X.] tot overdracht van de grond, met (meer) subsidiaire vorderingen en nevenvorderingen. [X.] heeft een en ander bestreden en in reconventie, kort gezegd, opheffing van het gelegde beslag gevorderd.

4.3 In het tussenvonnis van 25 juni 2008 heeft de rechtbank de mogelijke toepasselijkheid van de exceptio plurium litis consortium aan de orde gesteld (r.o. 2.6). In het eindvonnis van 18 februari 2009 is de rechtbank ervan uitgegaan dat [X.] een beroep heeft gedaan op deze exceptie. De rechtbank heeft in verband hiermee geoordeeld dat met betrekking tot de strook sprake is van een onverdeelde gemeenschap zodat de vordering ook tegen de andere deelgenoten had moeten worden ingesteld. Voor de ontvankelijkheid van een processueel ondeelbare rechtsverhouding als waarvan in dit geval sprake is, is naar het oordeel van de rechtbank vereist dat alle partijen als procespartij in het geding worden geroepen. Omdat dat niet is gebeurd heeft de rechtbank in conventie CCS niet-ontvankelijk verklaard. In reconventie heeft de rechtbank de vordering van [X.] tot opheffing van het beslag afgewezen op de grond dat niet summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het oor de beslaglegger ingeroepen recht.

4.3 Met grief 1 komt CCS op tegen de omstandigheid dat de rechtbank ambtshalve de exceptio plurium litis consortium aan de orde heeft gesteld en het verweer van [X.] daardoor heeft aangevuld met een beroep op deze exceptie dat [X.] zelf niet had gedaan. Grief 2 richt zich tegen de toepassing van de exceptie.

4.4 Grief 2 slaagt zodat grief 1 geen behandeling behoeft. Tussen partijen staat vast dat [Y.] in zijn testament een ouderlijke boedelverdeling heeft gemaakt die inhoudt dat alle tot de nalatenschap behorende zaken aan [X.] zijn toebedeeld onder de verplichting de schulden der nalatenschap voor haar rekening te nemen en aan de kinderen hun erfdeel in geld uit te keren. Dit heeft tot gevolg dat beide andere erfgenamen, [Z.] en [B.], geen aanspraak kunnen maken op de bestanddelen van de nalatenschap, maar alleen een vordering op [X.] hebben en dat bij het overlijden van [Y.] terstond de verdeling van de nalatenschap volledig heeft plaatsgevonden. Dit brengt mee dat geen sprake is van een onverdeelde gemeenschap zodat de exceptio plurium litis consortium in dit geval niet van toepassing is en van niet-ontvankelijkheid van CCS op die grond geen sprake is.

4.5 Vervolgens dienen de vorderingen van CCS in conventie inhoudelijk aan de orde te komen. Na wijziging van eis in hoger beroep vordert CCS, samengevat:

primair [X.] te veroordelen de strook grond aan CCS zonder verdere tegenprestatie aan CCS over te dragen en mee te werken aan het transport daarvan;

subsidiair deskundige(n) te benoemen om de prijs van de grond te bepalen en [X.] te veroordelen de strook grond tegen de door deze deskundige(n) te bepalen prijs aan CCS over te dragen en mee te werken aan het transport daarvan;

meer subsidiair te verklaren voor recht dat CCS een eerste recht van koop heeft met betrekking tot de strook grond en [X.] te veroordelen om de strook grond tegen een prijs, te bepalen door te benoemen deskundige(n), aan CCS aan te bieden en bij aanvaarding mee te werken aan transport;

meer meer subsidiair te verklaren voor recht dat [X.] een recht van erfpacht en opstal met betrekking tot de strook grond aan CCS dient te verlenen en haar medewerking aan het vestigen daarvan dient te verlenen;

voor het geval de vorderingen 1 tot en met 4 worden afgewezen te verklaren voor recht dat het hekwerk en het tuinhuis aan CCS toebehoren en [X.] te veroordelen deze aan CCS terug te geven dan wel aan CCS te vergoeden voor een bedrag van in totaal € 18.380,97;

ten aanzien van de vorderingen 1 tot en met 4 te bepalen dat dit arrest in de plaats treedt van de notariële akte tot levering dan wel vestiging;

[X.] te veroordelen in de kosten van beide instanties met inbegrip van de beslagkosten, met rente;

[X.] te veroordelen in de nakosten.

4.6 CCS legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij met [Y.] is overeengekomen dat de strook grond aan haar zou worden overgedragen. De omstandigheden die CCS in dit verband noemt (het hekwerk, de putten, de doorbetaling van de management fee, de bestemmingsplanprocedure) kunnen een aanwijzing vormen bij een bij CCS en/of [Y.] bestaande bedoeling om op enig moment tot een dergelijk resultaat te geraken, maar deze omstandigheden bieden op zichzelf genomen en in onderlinge samenhang onvoldoende grondslag voor de stelling dat tussen [Y.] en CCS op enig moment daadwerkelijk is overeengekomen dat de grond door [Y.] aan CCS zou worden overgedragen. Bij het pleidooi is desgevraagd door CCS verklaard dat tussen [Z.] en [Y.] nooit is gesproken over een prijs voor de strook grond, dat bij de beslissing om de management fee te blijven doorbetalen geen verband is gelegd met de prijs van de strook grond en dat over het moment van overdracht geen concrete afspraak is gemaakt, anders dan ‘zodra alles was afgewikkeld met het bestemmingsplan en de vergunningen’. Naar het oordeel van het hof wijzen deze stellingen mogelijk op een voornemen om te zijner tijd een overeenkomst aan te gaan maar niet op het bereiken van overeenstemming over de essentialia van een koopovereenkomst of enige andere overeenkomst. Door CCS zijn juist ten aanzien van die essentialia geen voldoende concrete feiten gesteld die haar stelling dat een overeenkomst tot stand is gekomen die nog slechts uitvoering behoeft door levering van de strook grond door [X.]. Ook indien het doorbetalen van de management fee verband hield met de strook grond in die zin dat dit als tegenprestatie beschouwd zou kunnen worden, hetgeen [X.] overigens gemotiveerd betwist, moet worden vastgesteld dat deze tegenprestatie op het moment dat deze een aanvang nam onbepaald en onbepaalbaar was. Omtrent enige concrete berekening of prijsbepaling is niets gesteld, van enige concrete aanduiding omtrent besprekingen, toezeggingen of onderhandelingen evenmin. Wat een eventueel aanbod inhield en van welke partij dit afkomstig was en hoe en wanneer de wederpartij dit vervolgens heeft aanvaard is eveneens niets gesteld.

4.7 Alles overziende is het hof van oordeel dat CCS haar stelling dat tussen haar en [Y.] enige overeenkomst tot stand is gekomen onvoldoende met concrete feiten en omstandigheden heeft onderbouwd zodat de vorderingen die op het tot stand gekomen zijn van een dergelijke overeenkomst zijn gebaseerd, niet voor toewijzing in aanmerking kunnen komen. Bij deze stand van zaken is bewijslevering zoals door CCS aangeboden niet aan de orde, zodat haar bewijsaanbod als niet relevant wordt gepasseerd. De onderdelen 1 tot en met 4 en het daarmee samenhangende onderdeel 6 van de vorderingen van CCS in conventie worden afgewezen.

4.8 Met betrekking tot onderdeel 5 (het hekwerk en het tuinhuisje) overweegt het hof het volgende. CCS stelt dat het tuinhuis haar eigendom is omdat het haar door [Y.] en [X.] is geschonken en dat CCS dit op de strook grond heeft geplaatst omdat zij er, gelet op de afspraken met [Y.], van uit mocht gaan dat zij eigenaresse van de grond zou worden. Vanuit dit laatste uitgangspunt is ook het hekwerk op de strook grond geplaatst. [X.] betwist dat het tuinhuisje aan CCS is geschonken. Het hek is volgens haar in haar afwezigheid en zonder haar toestemming geplaatst.

4.9 Zoals hiervoor uiteengezet had CCS onvoldoende gegronde reden om ervan uit te gaan dat zij eigenaresse van de strook grond zou worden, zodat zij daarop geen aanspraken kan baseren met betrekking tot het tuinhuisje en het hekwerk. Ook overigens biedt hetgeen CCS in dit verband naar voren heeft gebracht onvoldoende grondslag voor haar vordering tot teruggave dan wel vergoeding. De schenking van het tuinhuisje is door CCS tegenover de gemotiveerde betwisting door [X.] onvoldoende met concrete feiten of omstandigheden onderbouwd, terwijl van enige afspraak omtrent het hekwerk niets is gesteld of gebleken. Onderdeel 5 van de vordering van CCS in conventie komt niet voor toewijzing in aanmerking.

4.10 [X.] heeft niet met zoveel woorden incidenteel appel ingesteld, maar in haar memorie van antwoord vermeldt zij dat zij in reconventie opheffing van het gelegde beslag vordert. Bij het pleidooi is bevestigd dat zij hiermee in dit hoger beroep beoogt op te komen tegen de afwijzing van haar reconventionele vordering door de rechtbank. CCS heeft er geen blijk van gegeven dat zij dit niet zo heeft opgevat.

4.11 Het hof overweegt hierover het volgende. Nu de vorderingen van CCS met betrekking tot de strook grond worden afgewezen, is aan het door CCS daarop gelegde beslag de grond komen te ontvallen, zodat de vordering tot opheffing van het beslag voor toewijzing in aanmerking komt.

4.12 Met de rechtbank is het hof ten aanzien van de proceskosten van oordeel dat in deze zaak het element van familierelatie overheersend is. Om die reden acht het hof zowel in eerste aanleg als in hoger beroep compensatie van kosten aangewezen. Dit brengt mee dat de onderdelen 7 en 8 van de vordering van CCS in conventie eveneens afgewezen worden.

4.13 Voor het overige zijn door CCS geen feiten of omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden zodat ook voor het overige haar bewijsaanbod als niet relevant wordt gepasseerd.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de beslissing op de proceskosten;

vernietigt het vonnis waarvan beroep voor het overige en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

in conventie

wijst af de vorderingen van CCS;

in reconventie

heft op het op 16 januari 2008 gelegde conservatoir beslag;

in hoger beroep

compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Meulenbroek, Milar en Mellema-Kranenburg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 mei 2010.