Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM4411

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-04-2010
Datum publicatie
17-05-2010
Zaaknummer
09/00194
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft een ernstig autoluk gehad met de door zijn werkgever ter beschikking gestelde auto en blijft voor de rest van zijn leven invalide. Mede hierdoor gaat de werkgever failliet. Belanghebbende dient niet een aan aangifte inkomstenbelasting in en de inspecteur legt ambtshalve een aanslag op, waarin ook een bedrag wegens privé-gebruik auto. Belanghebbende dient vervolgens alsnog een aangifte in die de inspecteur als een ( te laat ingediend) bezwaar aanmerkt. De inspecteur verklaart belanghebbende n.o. , voert geen hoorgesprek en vermindert ambtshalve de aanslag, waarin nog steeds een bedrag van € 8.000,- wegens privé-gebruik auto is begrepen. Belanghebbende komt in beroep. In de beroepsfase komt de inspecteur alsnog geheel aan belanghebbende tegemoet. Belanghebbende verzoekt om vergoeding van proceskosten en de rechtbank kent hem € 644,- toe. De inspecteur komt in hoger beroep. Het Hof oordeelt dat, in afwijking van de jurisprudentie van de Afdeling van de Raad van State een bestuursorgaan in beroep kan komen tegen uitsluitend een proceskostenveroordeling. Vervolgens oordeelt, na uitvoerige motivering, het Hof dat niet kan worden gezegd dat het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende. Hoger beroep ongegrond, bevestiging uitspraak rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2010/14_15.1
FutD 2010-1280
NTFR 2010/1386 met annotatie van mr. J.M. van der Vegt
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 09/00194

Uitspraak op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z, van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 18 maart 2009, nummer AWB 07/3686, in het geding tussen

de heer X, wonende te Y,

hierna: belanghebbende,

en

de Inspecteur

betreffende de veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 14 april 2007 voor het jaar 2004 een (ambtshalve) aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.000. Belanghebbende heeft op 16 juni 2007 (alsnog) een aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2004 ingediend. De Inspecteur heeft deze aangifte als te laat ingediend bezwaarschrift aangemerkt, het bezwaar niet ontvankelijk verklaard en het belastbaar inkomen uit werk en woning (ambtshalve) vastgesteld op € 60.923.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 39. Het beroep is behandeld ter zitting van de Rechtbank op 15 april 2008 te Breda. De Rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en belanghebbende verzocht nadere stukken in te zenden. De Rechtbank heeft op 31 juli 2008 een mondelinge uitspraak aangekondigd voor 4 augustus 2008.

Belanghebbende heeft op 30 juli 2008 nadere stukken gezonden aan de Rechtbank en, door tussenkomst van de griffier, aan de Inspecteur. De Rechtbank heeft in verband daarmee bij brief van 5 augustus 2008 aan partijen medegedeeld dat het onderzoek werd heropend.

1.3. De Inspecteur heeft vervolgens bij brief, bij de Rechtbank ingekomen op 11 augustus 2008, de Rechtbank bericht dat de aanslag ambtshalve was verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.812.

Vervolgens heeft belanghebbende het beroep ingetrokken en daarbij de Rechtbank verzocht de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten.

1.4. Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644.

1.5. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. De zitting heeft plaatsgehad op 4 maart 2010 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.7. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende, geboren op 31 oktober 1959, van beroep vertegenwoordiger, heeft op 10 februari 2004 een zwaar auto-ongeluk gehad met de aan hem door zijn werkgever ter beschikking gestelde auto, als gevolg waarvan hij volledig arbeidsongeschikt is verklaard. Naar aanleiding van het ongeluk is hij een tijd opgenomen geweest in een ziekenhuis, heeft hij geruime tijd moeten revalideren en is uiteindelijk zijn linkerbeen geamputeerd.

2.2. Belanghebbendes werkgever is in 2005 failliet verklaard. Het faillissement was (mede) het gevolg van het uitvallen van belanghebbende.

2.3. De Inspecteur heeft, nadat op de aanmaning voor het doen van de aangifte niet was gereageerd, aan belanghebbende op 14 april 2007 een ambtshalve aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.000. Daarbij heeft hij naast het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van € 52.923 en het privé-gebruik van de auto van de werkgever (hierna: privé-gebruik auto) van € 8.000 ook een bedrag van € 4.077 als winst uit onderneming in aanmerking genomen. Belanghebbende heeft over het jaar 2004 op 16 juni 2007 (alsnog) een aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen ingediend.

2.4. De Inspecteur heeft de ingediende aangifte behandeld als bezwaarschrift, het bezwaar niet ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding en het belastbaar inkomen uit werk en woning (ambtshalve) vastgesteld op € 60.923, samengesteld uit € 52.923 (loon uit tegenwoordige dienstbetrekking) en € 8.000 (privé-gebruik auto).

2.5. Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de Rechtbank, stellende dat hij de aanslag niet heeft ontvangen en dat daarom zijn bezwaar ontvankelijk moet worden verklaard, dat de uitspraak op bezwaar niet was gemotiveerd en voorts dat in de administratie van de werkgever ten onrechte het privé-gebruik auto voor het gehele jaar was verwerkt, terwijl de auto na een ongeluk op 10 februari 2004 "total loss" is verklaard. De Inspecteur is in de beroepsfase ambtshalve aan belanghebbende tegemoetgekomen en heeft de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.812. Naast het loon uit tegenwoordige dienstbetrekking van € 52.923 heeft de Inspecteur een bedrag van € 889 als privé-gebruik auto belast.

2.6. Belanghebbende heeft het beroep bij de Rechtbank ingetrokken en verzocht om tegemoetkoming in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb. Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

Heeft de Rechtbank de Inspecteur terecht veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 644?

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep van de Inspecteur. De Inspecteur concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep en tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.1. Het Hof stelt voorop, dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 15 april 2009, LJN BI1081, het volgende heeft overwogen:

"(...)

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 6 juni 2008 in zaak nr. 200801200/2 (aangehecht) is de omstandigheid dat de rechtbank een bestuursorgaan heeft veroordeeld in de proceskosten onvoldoende grond aan te nemen dat dit orgaan procesbelang heeft bij het instellen van hoger beroep.

Anders dan de Afdeling impliciet nog heeft aangenomen in onder meer de uitspraak van 18 februari 2009 in zaak nr. 200806839/1, is de Afdeling thans van oordeel dat geen grond bestaat om wat betreft een door de rechtbank ten laste van een bestuursorgaan uitgesproken veroordeling in de kosten verband houdende met bezwaar of administratief beroep, als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, onderscheidenlijk artikel 7:28, tweede lid, van de Awb, wel procesbelang aan te nemen bij het instellen van hoger beroep. Evenmin is in een door de rechtbank uitgesproken last tot griffierechtvergoeding grond gelegen voor het aannemen van procesbelang bij het instellen van hoger beroep. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

2.3. Naar vaste jurisprudentie is de bestuursrechter alleen tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen in een geschil met betrekking tot een besluit. Waar een zodanig geschil niet langer bestaat, is de bestuursrechter niet meer tot beantwoording van al dan niet principiële vragen gehouden. Dit uitgangspunt kan worden ondergraven, indien een bestuursorgaan reeds aan slechts het ongedaan maken, dan wel het in hoogte doen aanpassen, van een proceskostenveroordeling of aan het ongedaan maken van een last tot griffierechtvergoeding belang kan ontlenen.

Een bestuursorgaan heeft dan ook onvoldoende procesbelang bij het instellen van hoger beroep, indien het belang uitsluitend nog bestaat uit het ongedaan maken, dan wel het in hoogte doen aanpassen, van een door de rechtbank ten laste van dat orgaan uitgesproken proceskostenveroordeling ten aanzien van de kosten van beroep, bezwaar of administratief beroep of uit het ongedaan maken van een last tot betaling van griffierecht.

Voorts valt niet in te zien op grond waarvan een onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen een veroordeling in de kosten van beroep en een veroordeling in de kosten van bezwaar of administratief beroep of een last tot betaling van griffierecht. In alle hiervoor genoemde gevallen heeft het bestuursorgaan eenzelfde financieel belang bij de uitkomst van de procedure. In aanmerking genomen dat het slechts om relatief geringe bedragen gaat, kan gezegd worden dat die tot het procesrisico van het bestuursorgaan behoren.

2.4. Nu, gelet op het voorgaande, niet is gebleken dat de Raad nog een rechtens te beschermen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep, dient dit niet-ontvankelijk te worden verklaard.

(...)".

4.2. Anders dan de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 27 november 2009, nr. 08/00316, VN 2009/61.9, echter beslist (r.o. 3.4), dat het (Hof: ook voor een bestuursorgaan) mogelijk is om uitsluitend in (hoger) beroep te komen tegen een proceskostenveroordeling. Gelet op dit arrest van de Hoge Raad zal het Hof de Inspecteur ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

Ten aanzien van het geschil

4.3. De Rechtbank heeft overwogen:

"(...)

2.1. In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld (artikel 8:75a van de Awb). De inspecteur bestrijdt dat er sprake is van een geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb.

2.2. De rechtbank overweegt dat, gelet op de tekst van artikel 8:75a van de Awb, voor het toekennen van een kostenvergoeding aanleiding is, als het beroep is ingetrokken omdat de inspecteur geheel of gedeeltelijk aan belanghebbende is tegemoetgekomen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan, anders dan de inspecteur meent, ook sprake als de inspecteur materieel gezien aan belanghebbende is tegemoet gekomen door - in dit geval - de aanslag na het instellen van beroep ambtshalve te verminderen. Nu het beroep is ingetrokken kan een beoordeling van het beroep zelf niet meer plaatsvinden. Nu artikel 8:75a van de Awb geen andere eis stelt aan het beroep dan dat het is ingetrokken, gaat de rechtbank verder aan de inhoud van het beroep voorbij. Voor zover de inspecteur van een andere opvatting uitgaat wordt die als onjuist verworpen.

2.3. Vervolgens moet worden beoordeeld of er termen aanwezig zijn de inspecteur te veroordelen in de proceskosten van belanghebbende. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat het instellen van het beroep geheel aan belanghebbende te wijten is en dat er geen aanleiding is voor een proceskostenveroordeling. Volgens de inspecteur had een procedure bij de rechtbank voorkomen kunnen worden. De rechtbank overweegt in dat verband als volgt. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2006, nummer 42 449, BNB 2006/270, geldt als regel dat wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Van deze regel mag worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende. De enkele omstandigheid dat de noodzaak tot het instellen van beroep mede voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende, is dus niet voldoende.

2.4. Uit de stukken van het geding leidt de rechtbank het volgende af. Belanghebbende heeft geen aangifte gedaan. De inspecteur heeft vervolgens ambtshalve een aanslag opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.000, inclusief een bijtelling van € 8.000 in verband met privé-gebruik van een door de werkgever ter beschikking gestelde auto (hierna: de bijtelling). Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt door alsnog aangifte te doen naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.923, zonder bijtelling (bijlage 1 bij het beroepschrift). Belanghebbende heeft derhalve de bijtelling in bezwaar ter discussie gesteld door deze niet in de aangifte te vermelden. Uit de stukken van het geding is uit niets af te leiden dat in de bezwaarfase is gecorrespondeerd over de bijtelling. Bij uitspraak op bezwaar van 18 juli 2007 is de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.923, inclusief een bijtelling van € 8.000. De stelling van de inspecteur dat het bezwaar is afgehandeld overeenkomstig de aangifte, volgt de rechtbank dan ook niet, nu de stukken van het geding die conclusie van de inspecteur niet ondersteunen. Naar het oordeel van de rechtbank kan in het onderhavige geval dan ook niet worden gezegd dat het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende.

(...)"

4.4. In hoger beroep stelt de Inspecteur dat de rechter aan de toepassing van artikel 8:75a Awb alleen kan toekomen, als sprake is van een gehele of gedeeltelijke tegemoetkoming aan de indiener van het beroepschrift. Een vermindering op andere gronden dan de gronden van het beroep kan nimmer een tegemoetkoming zijn in de zin van artikel 8:75a van de Awb, aldus de Inspecteur. Hij stelt dat de grieven van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar louter van formeel-juridische aard zijn en gericht zijn tegen de niet-ontvankelijkheid van het bezwaar. De door de Inspecteur - naar zijn zeggen uit coulance en gebaseerd op nieuwe door hem verzamelde gegevens - verleende vermindering van de aanslag vormt in zijn visie geen tegemoetkoming als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb.

4.5. Het Hof kan de Inspecteur in zijn stelling niet volgen. Belanghebbende heeft in zijn beroepschrift immers niet alleen de niet-ontvankelijkheid van zijn bezwaar ter discussie gesteld, doch ook het materiële geschil van privé-gebruik auto, welk geschil uiteindelijk tussen partijen is beslecht zonder dat een rechterlijke uitspraak in de hoofdzaak nodig was. Van een louter formeel-juridisch geschil is derhalve geen sprake.

4.6. Voor zover de Inspecteur bedoelt te stellen dat meergenoemd artikel 8:75a in dit geval niet van toepassing is, omdat belanghebbende hoe dan ook niet ontvankelijk was in zijn bezwaar, zodat de Inspecteur slechts "uit coulance" aan zijn materiële bezwaren tegen de aanslag kon tegemoetkomen, volgt het Hof de Inspecteur in die stelling evenmin. De kwestie van de ontvankelijkheid kan thans niet meer worden behandeld, omdat de zaak ingetrokken is. De bepaling van artikel 8:75a van de Awb voorziet juist in toekenning van een tegemoetkoming in de proceskosten, nadat het beroep is ingetrokken, en is derhalve bij uitstek geschreven voor het geval waarin geen rechterlijke uitspraak in de hoofdzaak aanwezig is (vergelijk de uitspraak van het Hof van 17 oktober 2007 in de zaak nr. 06/00244, LJN BC0991).

Wellicht ten overvloede merkt het Hof op, dat voor zover de Inspecteur bedoelt te stellen dat een te laat ingediend bezwaarschrift nimmer ontvankelijk kan worden verklaard, indien belanghebbende stelt de aanslag niet te hebben ontvangen, deze stelling geen steun vindt in het recht.

4.7. Voorts stelt de Inspecteur in hoger beroep dat de Rechtbank ten onrechte een proceskostenvergoeding heeft toegekend, omdat de ambtshalve vermindering niet is gebaseerd op eerder bij de behandeling van het bezwaarschrift bekende feiten, maar op grond van door de Inspecteur op of omstreeks 8 augustus 2008 van de curator en de directeur van de voormalige werkgever van belanghebbende verkregen nieuwe feiten. De Inspecteur stelt dat belanghebbende in het beroepschrift in eerste aanleg slechts een niet bewezen stelling heeft geponeerd en de Inspecteur uit coulance de noodzakelijke informatie heeft ingewonnen.

Het standpunt van de Inspecteur komt erop neer dat de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende, omdat hij pas in de beroepsfase met de vereiste gegevens "op de proppen is gekomen".

4.8. Het Hof overweegt in dit verband als volgt. De Hoge Raad heeft in het arrest 12 mei 2006, nr. 42 449, BNB 2006/270 overwogen:

"(...)

3.2. Vooropgesteld moet worden dat wanneer een belanghebbende geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, als regel de door hem in beroep gemaakte kosten voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 Awb in aanmerking komen. Van deze regel mag worden afgeweken indien de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende. De enkele omstandigheid dat de noodzaak tot het instellen van beroep mede voortvloeide uit de handelwijze van de belanghebbende, is derhalve niet voldoende.

(...)".

Naar uit de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting van het Hof is gebleken, is de bezwaarfase materieel overgeslagen, nu de Inspecteur de alsnog door belanghebbende ingediende aangifte als bezwaarschrift heeft aangemerkt en zonder enig contact met belanghebbende de uitspraak op dit bezwaarschrift heeft gedaan. Belanghebbende is derhalve in de bezwaarfase niet in de gelegenheid geweest om nadere gegevens te verstrekken. Hieraan doet niet af de stelling van de Inspecteur, dat hij het bezwaar - in de vorm van de alsnog ingediende aangifte - heeft gevolgd en daarom geen contact had met belanghebbende in de bezwaarfase. Vaststaat dat er in de bezwaarfase geen contact is geweest met belanghebbende ter zake van het materiële geschil, wat de oorzaak daarvan ook mocht zijn.

Daarbij komt nog dat belanghebbende in de beroepsfase een kopie van de aangifte heeft overgelegd (bijlage 1 bij het beroepschrift in eerste aanleg), waarin het privé-gebruik auto niet is opgenomen. Ook in hoger beroep heeft belanghebbende desgevraagd bevestigd dat het privé-gebruik auto niet in de aangifte was opgenomen. De Inspecteur heeft gesteld dat in de aangifte het privé-gebruik auto wel was vermeld, en onderbouwt dit met de als bijlage 3 bij het beroepschrift in hoger beroep gevoegde computeruitdraai betreffende het "afhandelen bezwaarschrift", doch op basis van die uitdraai kan naar het oordeel van het Hof niet worden vastgesteld, welke elementen de ingediende aangifte vermeldde. De kolommen "Aangeleverd" en "Vvastgesteld" bevatten geen gegevens en de kolom "Vastgesteld EUR" bevat de elementen van de ambtshalve vastgestelde aanslag. Nu de Inspecteur geen kopie van de ingediende aangifte heeft overgelegd, is voor het Hof niet vast komen te staan of in de aangifte het privé-gebruik auto wel of niet door belanghebbende is vermeld.

4.9. Naar het oordeel van het Hof kan onder de hiervoor in 4.8 genoemde omstandigheden niet worden gezegd dat de noodzaak tot het instellen van beroep uitsluitend voortvloeide uit de handelwijze van belanghebbende.

4.10. Voor zover de Inspecteur bedoelt te stellen dat belanghebbende ook in de beroepsfase geen nadere informatie heeft verstrekt, wordt die stelling van de Inspecteur niet ondersteund door de feiten zoals die uit de stukken van het geding blijken. Tot de stukken van het geding behoort immers in kopie de correspondentie met de Stichting A en het rapport van arbeidsdeskundig onderzoek van B, waaruit blijkt, dat belanghebbende naar aanleiding van het auto-ongeluk op 10 februari 2004 volledig arbeidsongeschikt is geraakt, in een rolstoel is beland, en eind oktober 2004 met de verzekeraar nog in onderhandeling was om in privé een auto met automatische transmissie vergoed te krijgen van vergelijkbaar kaliber en leeftijd als de lease-auto, die belanghebbende voor het ongeval ter beschikking had, die makkelijker zou zijn in verband met het in- en uitladen van de rolstoel. Hieruit en uit de melding van de problemen van de werkgever, die B - tevergeefs - verzocht om financiële steun, zodat "het bedrijf niet ten onder gaat en (belanghebbende) zijn baan kan behouden" blijkt voldoende, dat belanghebbende na het ongeluk geen vervangende auto van zijn werkgever ter beschikking had.

4.11. Voor zover de Inspecteur stelt dat een uit coulance verleende vermindering van de aanslag geen tegemoetkoming als bedoeld in artikel 8:75a Awb vormt, overweegt het Hof dat ook een vermindering uit coulance niet aan een proceskostenveroordeling in de weg staat. Het Hof verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep waarin is beslist dat indien onverplicht en bij wege van coulance is tegemoetgekomen, dat in beginsel niet een bijzondere omstandigheid oplevert, op grond waarvan een proceskostenveroordeling achterwege moet blijven (CRvB 16 mei 2006, LJN AX6776; CRvB 28 augustus 2007, LJN BB3311; CRvB 5 maart 2008, LJN BC6128).

Gelet op de omstandigheden van het geval acht het Hof ook overigens geen bijzondere omstandigheden aanwezig, op grond waarvan de Rechtbank niet van haar bevoegdheid gebruik mocht maken om de proceskostenvergoeding toe te wijzen. Het gegeven dat belanghebbende aanvankelijk geen aangifte had ingediend vormt in dit geval geen voldoende zelfstandig argument om de proceskostenveroordeling niet toe te kennen. De discussie in de beroepsfase over het privé-gebruik auto kon immers ook in geval van een wel tijdige aangifte ontstaan.

4.12. Gelet op al het vorenoverwogene is het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond en dient de uitspraak van de Rechtbank te worden bevestigd.

4.13. Nu de uitspraak van de Rechtbank in stand blijft, wordt ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht geheven van € 447.

4.14. Nu het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep ongegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.15. Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) x is € 966.

4.16. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 966;

- bepaalt dat door tussenkomst van de griffier van de Inspecteur ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep een griffierecht wordt geheven van € 447.

Aldus gedaan op 16 april 2010 door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, J. Swinkels en A.C.J. Viersen, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.