Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM4296

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-05-2010
Datum publicatie
14-05-2010
Zaaknummer
HV 200.045.909
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 1:400 lid 1 BW

WSNP; schuldsanering; kinderalimentatie; familierecht; draagkracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 12 mei 2010

Zaaknummers: HV 200.045.909/01

Zaaknummer eerste aanleg: 198126 FA RK 08-5796

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M. Vleesch du Bois,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. Z. Gademan.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 21 juli 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 19 oktober 2009, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

a) de beschikking van de rechtbank Breda van 25 mei 2004 te wijzigen, in die zin dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarige kinderen van partijen vanaf 11 januari 2008 wordt bepaald op nihil, althans op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht;

b) voor zover het hof de beschikking van de rechtbank Breda van 25 mei 2004 wijzigt met ingang van een latere datum dan 11 januari 2008: de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige kinderen van partijen tot aan de datum van de door het hof te geven beschikking te bepalen op hetgeen feitelijk is betaald of verhaald.

2.2. Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 26 november 2009, heeft de vrouw primair verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep en subsidiair het door de man ingestelde hoger beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 april 2010. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. Vleesch du Bois;

- de vrouw, bijgestaan door mr. Gademan.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 21 april 2009;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 26 oktober 2009;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 22 maart 2010.

3. De beoordeling

3.1. Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest.

Uit dit huwelijk zijn geboren:

- [dochter A.] (hierna: [dochter A.]), op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] en

- [dochter B.] (hierna: [dochter B.]), op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats].

Partijen hebben het gezamenlijk gezag over [dochter B.].

[dochter A.] en [dochter B.] hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2. Bij beschikking van 25 mei 2004, waarvan wijziging is gevraagd, heeft de rechtbank Breda onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 29 september 2004 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, bepaald dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter A.] en [dochter B.] moet voldoen een bedrag van € 175,-- per kind per maand met ingang van de dag dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, derhalve 29 september 2004.

De bijdrage voor [dochter A.] en [dochter B.] beloopt ingevolge de wettelijke indexering € 197,41 per kind per maand in 2010.

3.3. Bij vonnis van 11 januari 2008 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch ten aanzien van de man de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

Op grond van de financiële omstandigheden die hebben geleid tot de schuldsaneringsregeling heeft de man gesteld dat hij geen draagkracht heeft om kinderalimentatie te betalen.

De man heeft de rechtbank Breda uit dien hoofde verzocht de geldende onderhoudsbijdragen voor [dochter A.] en [dochter B.] met ingang van 11 januari 2008 nader vast te stellen op nihil.

3.4. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank Breda het verzoek van de man tot nihilstelling van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [dochter A.] en [dochter B.], afgewezen.

3.5. De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.1. De grieven van de man richten zich tegen de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de draagkracht van de man en de datum met ingang waarvan de rechtbank de hernieuwde beoordeling van de financiële omstandigheden van de man heeft doen plaatsvinden.

De draagkracht van de man

3.6. De man stelt zich op het standpunt dat de onderhoudsbijdragen voor [dochter A.] en [dochter B.], conform de aanbeveling van de werkgroep Alimentatienormen, zoals verwoord in paragraaf 4.7 van het Tremarapport, voor de duur van de schuldsanering van de man op nihil dient te worden gesteld, nu voor het vrij te laten inkomen van de man met die bijdrage geen rekening is gehouden. Nadat het verzoek van de man tot nihilstelling van de onderhoudsbijdrage ten behoeve van [dochter A.] en [dochter B.] door de rechtbank was afgewezen, heeft de man de rechter-commissaris naar eigen zeggen verzocht het vrij te laten inkomen van de man te verhogen met de geldende onderhoudsbijdrage voor [dochter A.] en [dochter B.]. De rechter-commissaris zou de man dit schriftelijk geweigerd hebben. De man heeft aangeboden de bewuste brief in het geding te brengen.

De man is voor zijn werk bij de Koninklijke Landmacht in Afghanistan geweest. De man heeft voor zijn werk in Afghanistan extra salaris ontvangen, dat volledig in de boedel is gevloeid.

De man heeft verklaard dat zijn schuldsaneringstraject in juli 2010 zal zijn afgerond, gelet op de stand van de boedelrekening van € 37.193,36 in januari 2010 en uitgaande van een gelijkblijvende afdracht aan die rekening.

Tot de schulden van de man behoren schulden aan drie advocatenkantoren, te weten een schuld aan [C.] Advocaten, een schuld aan [D.] Advocaten en een schuld aan [E.] Advocaten. Deze schulden bedroegen volgens de crediteurenlijst bij het meest recente voorhanden zijnde voortgangsverslag in de schuldsanering van de man van 10 maart 2009, respectievelijk

€ 15.131,01, € 1.671,26 en € 7.590,12. De totale schuldenlast bedroeg ingevolge de crediteurenlijst € 47.667,49 op 10 maart 2009. Volgens de man zijn de schulden aan de advocatenkantoren ontstaan in het kader van de echtscheidingsprocedure van partijen.

3.7. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man, niettegenstaande zijn toelating tot de schuldsaneringsregeling per 11 januari 2008, de geldende onderhoudsbijdrage voor [dochter A.] en [dochter B.] moet en kan blijven betalen. De werkgroep Alimentatienormen doet in paragraaf 4.7 van het Tremarapport slechts een aanbeveling, waarvan afgeweken kan worden. De rechtbank Alkmaar, het hof Amsterdam en de Hoge Raad zijn in aan hen voorgelegde alimentatiezaken reeds van deze aanbeveling afgeweken. De rechtvaardiging voor het verlenen van voorrang aan de beslissing van de schuldsanerings- rechter boven die van de alimentatierechter, luidende dat de alimentatiegerechtigde ervan zal profiteren dat de alimentatie- plichtige na afronding van zijn schuldsaneringstraject geen financiële problemen meer heeft, gaat in het geval van [dochter A.] en [dochter B.] niet op. [dochter A.] en [dochter B.] hebben immers nimmer last gehad van de financiële problemen van de man. Tot het moment dat de man werd toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, heeft hij de alimentatie voor [dochter A.] en [dochter B.] steeds tijdig betaald. Voorts zal [dochter B.] bij het einde van het schuldsaneringstraject van de man in januari 2011, reeds 16 jaar zijn, zodat zij nauwelijks nog profijt zal hebben van het schuldenvrij zijn van de man.

De man is naar de mening van de vrouw ook financieel in staat gedurende de schuldsanering kinderalimentatie te blijven betalen, nu de man maandelijks een grotere afdracht aan de boedel doet dan waartoe hij door de rechter-commissaris is gehouden.

De vrouw stelt verder dat het effect van een nihilstelling zal zijn dat de crediteuren van de man ten onrechte bevoordeeld worden boven [dochter A.] en [dochter B.]. De vorderingen van de crediteuren zullen volledig betaald worden, terwijl de man voor [dochter A.] en [dochter B.] gedurende het van toepassing zijn van de schuldsaneringsregeling geen alimentatie betaalt. De vrouw wijst in dit kader op de hoge prioriteit die kinderalimentatie behoort te hebben.

3.8. Het hof overweegt het volgende.

3.8.1. In artikel 1:400 lid 1 BW, welk artikel met ingang van 1 maart 2009 is gewijzigd, is onder meer bepaald dat, indien een persoon verplicht is levensonderhoud te verstrekken aan twee of meer personen en zijn draagkracht onvoldoende is om dit volledig aan allen te verschaffen, zijn kinderen en stiefkinderen die de leeftijd van één en twintig jaren nog niet hebben bereikt voorrang hebben boven alle andere onderhoudsgerechtigden. Het betreft een aanscherping in de wet waarin kinderalimentatie prioriteit heeft verkregen boven andere onderhoudsbijdragen. Op grond van deze wetswijziging zijn ook de Tremanormen aangescherpt teneinde te bereiken dat een onderhoudsplichtige een groter deel van zijn draagkracht ter beschikking stelt aan de kinderen voor wie hij onderhoudsplichtig is. Gezien deze aanscherping moet aan een bijdrage ten behoeve van de verzorging en opvoeding van een minderjarig kind een hoge prioriteit worden toegekend.

Het hof is dan ook van oordeel dat een dergelijke bijdrage in beginsel dient te prevaleren boven de afdracht die in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) aan de boedel dient te worden verricht. Het hof constateert dat het rapport van de Werkgroep Rekenmethode van Recofa voor dit oordeel ook voldoende ruimte biedt nu in dat rapport is bepaald dat het vrij te laten bedrag vooralsnog wordt gecorrigeerd in verband met te betalen alimentatie indien geen nihilstelling kan worden verkregen. Van bijzondere omstandigheden die er toe zouden moeten leiden dat in deze geen voorrang aan de bijdrage ten behoeve van de kinderen zou moeten worden gegeven is het hof niet gebleken.

3.8.2. Voorts wijst het hof op de uitspraak van de Hoge Raad van 14 november 2008, waarin de Hoge Raad heeft bepaald dat aangenomen moet worden dat een alimentatieplichtige op wie de schuldsaneringsregeling van toepassing is, niet over draagkracht beschikt om een onderhoudsbijdrage te betalen, behoudens bijzondere omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat het vrij te laten bedrag door de rechter-commissaris is verhoogd met de door de alimentatieplichtige te betalen alimentatie. Het hof is van oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die afwijking van het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt rechtvaardigen.

3.8.2.1. De rechter-commissaris heeft bij de vaststelling van het vrij te laten bedrag van de man geen rekening gehouden met de geldende kinderalimentatie, hetgeen niet betekent dat de rechter-commissaris niet bereid zou zijn hiermee rekening te houden. Niet duidelijk is immers geworden of de man de rechter-commissaris heeft gevraagd het vrij te laten bedrag op een hoger bedrag te bepalen, rekening houdend met de door de man verschuldigde kinderalimentatie. De man heeft de brief waaruit dit zou blijken niet overgelegd. Het hof passeert dan ook de stelling van de man dat de onderhoudsbijdrage voor [dochter A.] en [dochter B.] voor de duur van de schuldsanering van de man op nihil dient te worden gesteld, nu voor het vrij te laten inkomen van de man met die bijdrage geen rekening is gehouden.

In de onderhavige situatie acht het hof het standpunt van de rechter-commissaris evenwel niet beslissend. Vaststaat dat de afdrachten aan de boedel zodanig hoog zijn dat de op de man van toepassing zijnde schuldsaneringsregeling reeds binnen de wettelijke termijn van drie jaar zal zijn afgerond met volledige betaling van de crediteuren en de boedelkosten.

Het hof acht het zeer onbillijk jegens de kinderen van de man dat hij gedurende de schuldsanering in het geheel niet bijdraagt aan de verzorging en opvoeding danwel studie en levensonderhoud van zijn kinderen, terwijl de crediteuren volledig worden voldaan.

Ook van belang acht het hof dat circa de helft van de schuldenlast van de man gevormd wordt door schulden terzake advocaatkosten, ontstaan in het kader van de echtscheidingsprocedure van de man en de vrouw. Onder verwijzing naar het Tremarapport Alimentatienormen neemt het hof de aanbeveling over dat deze kosten in het kader van de vaststelling van kinderalimentatie tot 1 augustus 2009 slechts in zeer geringe mate en sedert 1 augustus 2009 in het geheel geen rol mogen spelen bij de vaststelling van de draagkracht.

3.8.3. Een en ander dient er naar het oordeel van het hof toe te leiden dat de man aan zijn alimentatieplicht dient te worden gehouden, ook gedurende de periode dat de schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is. Het hof zal de beschikking waarvan beroep dan ook bekrachtigen.

De grieven 1 en 5 van de man

3.8.4. Aangezien het hof de bestreden beschikking van de rechtbank in stand laat, heeft de man geen belang bij de grieven 1 en 5, zodat deze buiten behandeling blijven.

Proceskosten

3.9. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Breda van 21 juli 2009;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Renckens, Raab en Pellis en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2010.