Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM4217

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
20-002642-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verweren:

1. OM N-O omdat verdachte beroep op artikel 31 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) toekomt.

2. verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat verdachte beroep op artikel 31 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) toekomt.

3. verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake was van een (psychische) overmachtsituatie en feitelijke dwaling van de zijde van verdachte.

Hof: alle verweren zijn verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002642-09

Uitspraak : 3 mei 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank

's-Hertogenbosch van 17 juli 2009 in de strafzaak met parketnummer 01-820024-09 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op 1 januari 1982,

thans verblijvende in het [AZC].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende verdachte zal veroordelen tot 2 maanden gevangenisstraf.

De verdediging heeft primair bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard, subsidiair dat verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 januari 2009 te [pleegplaats], in elk geval in Nederland, in het bezit was van een reisdocument, te weten een paspoort van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het reisdocument vals of vervalst was, bestaande die valsheid en/of vervalsing er uit dat

- de binddraad welke in dat reisdocument was aangebracht qua kleur en detaillering afweek van originele binddraad in documenten van dat model;

- de bladzijden 11/12 en 21/22 ontbraken in dat reisdocument;

- de in dat reisdocument aangebrachte personaliabladzijde qua kleur, detaillering en gebruikte productie-, druk- en beveiligingstechnieken niet overeenkwam met originele personaliabladzijden in documenten van dat model;

- de op dat reisdocument aangebrachte gegevens - waaronder de personalia met foto - in een afwijkende printtechniek waren aangebracht ten opzichte van originele documenten van dat model;

- de ontbrekende bladzijde 22 was gebruikt als basis voor de aangebrachte personaliabladzijde in dat reisdocument.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Van de zijde van de verdachte is betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

De raadsvrouw heeft daartoe - kort en zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verdachte een beroep toekomt op artikel 31 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (hierna: het Vluchtelingenverdrag) en deze bepaling een vervolgingsbelemmering oplevert en dat gedurende de lopende asielaanvrage ten onrechte door de officier van justitie geen contact is opgenomen met de IND-locatie in de regio en dat evenmin de strafrechtelijke vervolging is aangehouden totdat de uitkomst van de asielprocedure bekend is.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het hof stelt voorop dat behoudens hetgeen hierna wordt overwogen de beslissing om verdachte ter zake van het tenlastegelegde te vervolgen een discretionaire bevoegdheid van het Openbaar Ministerie is. Anders dan kennelijk door de raadsvrouw betoogd is, bestaat er naar het oordeel van het hof geen beleid op grond waarvan het openbaar ministerie gehouden zou zijn om de uitkomst van een asielprocedure af te wachten alvorens in de onderhavige zaak te vervolgen. In dit geval is ook geen sprake van een aanwijzing of een richtlijn op grond waarvan het aan het openbaar ministerie niet vrij stond om tot dagvaarding over te gaan. Evenmin doet zich hier de situatie voor, dat enig beginsel van een goede procesorde aan een vervolgingsbeslissing in de weg staat.

Wel kan artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag onder omstandigheden aan een vervolging in de weg staan. Het eerste lid van deze bepaling luidt in de Nederlandse vertaling als volgt:

De Verdragsluitende Staten zullen geen strafsancties, op grond van onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatig verblijf, toepassen op vluchtelingen die, rechtstreeks komend van een grondgebied waar hun leven of vrijheid in de zin van artikel 1 werd bedreigd, zonder toestemming hun grondgebied binnenkomen of zich aldaar bevinden, mits zij zich onverwijld bij de autoriteiten melden en deze overtuigen, dat zij geldige redenen hebben voor hun onrechtmatige binnenkomst of onrechtmatige aanwezigheid.

Deze verdragsbepaling staat naar het oordeel van het hof evenwel slechts dan aan een vervolging in de weg, indien op voorhand evident is dat op de verdachte de in dat artikel genoemde voorwaarden van toepassing zijn waaronder geen strafsancties zullen worden opgelegd. In dat geval dient de vervolging geen redelijk te respecteren doel meer en dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard in de vervolging.

In de onderhavige zaak is van een dergelijke evidentie geen sprake, gelet op de omstandigheid dat verdachte op 10 januari 2009 is aangehouden, het openbaar ministerie op 12 januari 2009 de vervolgingsbeslissing heeft genomen en verdachte desgevraagd ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat hij op 14 of 15 januari 2009 in Nederland asiel heeft aangevraagd. Ten tijde van de vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie was derhalve nog geen sprake van een asielprocedure waarmee rekening gehouden had kunnen en moeten worden.

Bovendien dient voor een geslaagd beroep op artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag te zijn voldaan aan de in dat artikel genoemde voorwaarde dat de vluchteling rechtstreeks komt van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid in de zin van artikel 1 van dat verdrag werd bedreigd. Van een rechtstreekse binnenkomst is in ieder geval geen sprake als de vluchteling in een veilig derde land heeft verbleven, alwaar hij in de gelegenheid is geweest asiel aan te vragen. Voor de uitleg van de term rechtstreeks in het kader van het Vluchtelingenverdrag sluit het hof voorts aan bij hetgeen daaromtrent is bepaald in het vreemdelingenrecht.

De Vreemdelingenwet 2000 somt in artikel 31, tweede lid, omstandigheden op die worden betrokken in het onderzoek naar een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. In dat artikellid wordt onder h als omstandigheid genoemd dat de vreemdeling heeft verbleven in een derde land dat partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de in artikel 30, onder d, van die wet, bedoelde verdragen en dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het die verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt.

Artikel 4.3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (C) geeft een uitwerking van deze afwijzingsgrond en stelt dat het hierbij gaat om de situatie waarin de asielzoeker na het vertrek uit het land van herkomst niet rechtstreeks naar Nederland is gereisd, maar heeft verbleven in een derde land, dat op grond van de Vreemdelingenwet 2000 is aangemerkt als veilig derde land.

Er is volgens het vreemdelingenrecht dus geen sprake van een rechtstreekse binnenkomst indien de vluchteling in een ander land heeft verbleven én dat land kan worden aangemerkt als veilig.

Verblijf

Artikel 4.3.8.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (C) stelt dat voornoemde afwijzingsgrond alleen wordt toegepast indien er sprake is van verblijf in een veilig derde land en niet als de vreemdeling alleen is doorgereisd door dat land. Er is volgens het artikel sprake van verblijf als uit objectieve feiten of omstandigheden is gebleken dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had om naar Nederland te reizen. Als richtlijn wordt de stelregel gehanteerd dat een verblijf van twee weken of meer in een derde land erop wijst dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had naar Nederland te reizen, tenzij uit objectieve feiten en/of omstandigheden blijkt dat hij die intentie in het land van herkomst wél had.

Veilig land

Artikel 31, tweede lid, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 spreekt van een land dat partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de in artikel 30, onder d, van die wet, bedoelde verdragen. Uit artikel 4.3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (C) volgt dat dergelijke landen worden beschouwd als veilige derde landen. Er is dus sprake van een presumptie van veiligheid die volgt uit de ondertekening van de genoemde verdragen.

Het hof neemt deze criteria als uitgangspunt bij zijn beoordeling van de onderhavige zaak.

Zoals hiervoor is vastgesteld, is verdachte tijdens zijn reis van Eritrea naar Nederland onder meer gedurende ongeveer een maand in Griekenland geweest. Aldaar heeft hij een vervalst paspoort aangeschaft om te kunnen (door)reizen.

Gelet op voornoemd uitgangspunt, wijst reeds de duur van dit verblijf erop dat de verdachte in zijn land van herkomst niet de intentie had naar Nederland te reizen. Het hof is (ook) niet uit objectieve feiten en/of omstandigheden gebleken dat verdachte die intentie in het land van herkomst wél had.

Bovendien kan naar het oordeel van het hof in onderhavig geval reeds geen sprake zijn van een rechtstreekse vlucht vanuit een land waar zijn leven of vrijheid werd bedreigd, nu verdachte blijkens zijn verklaring eerst in Griekenland – zoals hierna zal worden overwogen, een veilig land – een vervalst paspoort heeft aangeschaft.

Met betrekking tot de stelling van de verdediging dat Griekenland niet als veilig land kan worden aangemerkt, overweegt het hof het volgende.

Griekenland is partij bij het Vluchtelingenverdrag en heeft in dit verband geen uitzondering gemaakt als bedoeld in artikel 1B van dat verdrag, voor vluchtelingen die afkomstig zijn van buiten Europa. Griekenland is tevens partij bij de andere in artikel 30, onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 genoemde verdragen, te weten het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. In beginsel dient er derhalve vanuit te worden gegaan dat Griekenland een veilig land is.

Gelet op het tussen staten geldende vertrouwensbeginsel kan dit alleen anders zijn wanneer uit feiten en omstandigheden is gebleken dat een land in zijn algemeenheid de verdragsverplichtingen niet naleeft, of wanneer in het concrete geval aannemelijk is geworden dat een verdragsschending zal plaatsvinden dan wel moet worden gevreesd voor een verdragsschending. Niet aannemelijk is geworden dat zich één van deze gevallen voordoet. De enkele stelling van verdachte dat hij zou zijn mishandeld door de Griekse politie is onvoldoende om dit te kunnen aannemen.

Het hof komt aldus tot de conclusie dat verdachte niet rechtstreeks is gekomen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid in de zin van artikel 1 van het Vluchtelingenverdrag werd bedreigd.

Zijn beroep op artikel 31 van dat verdrag kan derhalve niet slagen, zodat het verweer wordt verworpen.

Nu het verweer reeds om deze reden wordt verworpen, behoeft het door de advocaat-generaal ingenomen standpunt dat de verdachte zich ook niet onverwijld bij de Nederlandse autoriteiten heeft gemeld en hem derhalve ook op die grond geen beroep op artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag toekomt, geen bespreking meer.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden of zijn gebleken die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Bewijs

Uit de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 19 april 2010 blijkt het hof het navolgende.

Verdachte is vanuit Eritrea gevlucht naar Khartoem (Soedan) en van daaruit naar Turkije gereisd, alwaar hij enkele dagen heeft verbleven. Daarna is hij naar Griekenland gegaan, waar hij ongeveer een maand heeft verbleven. In dat land heeft hij een vervalst paspoort aangeschaft. Vervolgens is verdachte naar Italië gereisd.

Daar is hij vijf à zes dagen gebleven alvorens door te zijn gereisd naar Frankrijk. Twee dagen later is hij in een bus gestapt die hem naar zijn bestemming, Noorwegen, moest brengen.

Op 10 januari 2009 is de bus met daarin de verdachte de Nederlandse grens gepasseerd en vervolgens is die bus in [pleegplaats] door een verbalisant van de Koninklijke Marechaussee gestopt en zijn de inzittenden gecontroleerd. Bij die controle werd ontdekt dat het door verdachte getoonde Britse paspoort vermoedelijk vals dan wel vervalst was, waarop verdachte om 1:20 uur is aangehouden. Tijdens zijn voorgeleiding op 10 januari 2009 te 2:25 uur heeft verdachte verklaard dat zijn personalia zijn:

Achternaam: [verdachte]

Voornaam: [verdachte]

Geboortedatum:1982

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Nationaliteit: Eritrea

Tijdens zijn verhoor bij de Koninklijke Marechaussee op 10 januari 2009 omstreeks 09:27 uur heeft verdachte erkend dat hij wist dat zijn paspoort vervalst was.

Door de Koninklijke Marechaussee is een onderzoek ingesteld naar de juistheid van de gegevens voorkomende in verdachtes paspoort. Bij onderzoek van dit paspoort van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, voorzien van het nummer [nummer], zag de onderzoekende verbalisant dat:

- deze was voorzien van afgiftedatum 12 september 2004 en geldigheidsdatum 12 september 2014;

- was voorzien van een pasfoto van een man en op naam was gesteld van [I. O.], geboren te [geboorteplaats] op 27 maart 1980;

- de binddraad welke in dit document is aangebracht afwijkt qua kleur en samenstelling ten opzichte van originele binddraden in documenten van dit model;

- de bladzijden 11/12 en 21/22 ontbraken in dit document. Dit in tegenstelling tot originele documenten;

- de thans aangebrachte personaliabladzijde qua kleur, detaillering en gebruikte productie-/druk- en beveiligingstechnieken niet overeenkwam met originele aangebrachte personaliabladzijden in documenten van dit model;

- de thans op de personaliabladzijde aangebrachte gegevens waaronder de personalisering met foto in een afwijkende printtechniek zijn aangebracht ten opzichte van originele documenten van dit model;

- de voornoemde ontbrekende bladzijde 22 is gebruikt als basis voor de thans aangebrachte personaliabladzijde.

Naar aanleiding van vorenstaande stelt de verbalisant vast dat het voornoemde paspoort van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, voorzien van het nummer [nummer], een vervalst exemplaar betrof.

Bewezenverklaring

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen (waarvan de vindplaatsen in de voetnoten zijn vermeld) in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 januari 2009 te [pleegplaats] in het bezit was van een reisdocument, te weten een paspoort van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, waarvan hij wist dat het reisdocument vervalst was, bestaande die vervalsing er uit dat

- de binddraad welke in dat reisdocument was aangebracht qua kleur en detaillering afweek van originele binddraad in documenten van dat model;

- de bladzijden 11/12 en 21/22 ontbraken in dat reisdocument;

- de in dat reisdocument aangebrachte personaliabladzijde qua kleur, detaillering en gebruikte productie-, druk- en beveiligingstechnieken niet overeenkwam met originele personaliabladzijden in documenten van dat model;

- de op dat reisdocument aangebrachte gegevens - waaronder de personalia met foto - in een afwijkende printtechniek waren aangebracht ten opzichte van originele documenten van dat model;

- de ontbrekende bladzijde 22 was gebruikt als basis voor de aangebrachte personaliabladzijde in dat reisdocument.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 231, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Van de zijde van de verdachte is het verweer gevoerd dat, indien het openbaar ministerie in haar vervolging wordt ontvangen, de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hem een beroep op artikel 31 van het Vluchtelingenverdrag toekomt. Daartoe is door de raadsvrouwe aangevoerd hetgeen is vervat in de pleitnota.

Het hof verwerpt het verweer op dezelfde gronden als het ontvankelijkheidsverweer en verwijst hier kortheidshalve naar de betreffende overwegingen.

Van de zijde van de verdachte is voorts, op gronden als vervat in de pleitnota, subsidiair het verweer gevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging nu er sprake was van een (psychische) overmachtsituatie en feitelijke dwaling van de zijde van verdachte.

Het hof is van oordeel dat een beroep op psychische overmacht slechts kan slagen indien sprake is van een zodanige van buiten komende druk, dwang of drang, dat de verdachte daartegen geen weerstand kon bieden, dan wel dat het bieden van weerstand daartegen redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Met andere woorden, iemand kán wel anders handelen, maar dat mag door bijzondere omstandigheden redelijkerwijs niet van die persoon worden gevergd. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet aannemelijk geworden dat er bij verdachte sprake is geweest van een zodanige van buiten komende psychische drang tot handelen zoals hij gedaan heeft, dat redelijkerwijs van verdachte niet kon worden gevergd dat hij daartegen weerstand bood.

Het verweer wordt in zoverre verworpen.

Ten aanzien van het tweede onderdeel van het verweer overweegt het hof als volgt.

Door de raadsvrouwe is gesteld dat verdachte meende alleen in Noorwegen veilig te zijn en dat hij niet heeft geweten dat hij onderweg daarheen door voor hem veilige landen zou komen waar hij asiel zou kunnen aanvragen. Het hof stelt vast, dat niet is gesteld of aannemelijk geworden, dat verdachte zich op dit punt op enigerlei wijze heeft geïnformeerd. De verdachte heeft zelfs in het geheel niet naar voren gebracht op grond waarvan hij deze overtuiging had.

Op grond hiervan is, voor zover er al sprake is geweest van dwaling bij de verdachte op dit punt, deze dwaling niet verontschuldigbaar geweest.

Nu er ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd dan wel aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, is de verdachte strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Namens de verdachte is meer subsidiair aangevoerd dat, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel zou moeten worden uitgesproken, gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij in het bijzonder rekening zou moeten worden gehouden met zijn asielaanvrage.

Het hof acht toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht gelet op de ernst van het bewezen verklaarde geen passende afdoening en overweegt dat bij de strafbepaling rekening is gehouden met de bijzondere omstandigheden waarin verdachte zich bevindt.

Voor het in bezit hebben van een vervalst reisdocument worden door de Nederlandse strafrechter doorgaans onvoorwaardelijke vrijheidsstraffen voor de duur van twee maanden opgelegd. Gelet op de door zijn raadsvrouwe in haar pleitnota genoemde omstandigheden zal het hof die straf geheel voorwaardelijk opleggen.

Met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c en 231 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

In bezit zijn van reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. A. de Lange, voorzitter,

mr. N.J.L.M. Tuijn en mr. N.J.M. Ruyters,

in tegenwoordigheid van mw. H. van Zandbeek, griffier,

en op 3 mei 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.