Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM4216

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-05-2010
Datum publicatie
12-05-2010
Zaaknummer
20-000370-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belediging van een opsporingsambtenaar. In de omstandigheden van dit geval wordt het toevoegen aan een politieman van het woord "zieligerd" beledigend geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000370-09

Uitspraak : 10 mei 2010

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank

's-Hertogenbosch van 6 februari 2009 in de strafzaak met parketnummer 01-004689-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij verdachte werd vrijgesproken van de tenlastelegging: eenvoudige belediging van een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, mr. C.J.P.M. Revis, en van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouwe, mr. M.J. van de Laar, advocate te Eindhoven, naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen, opnieuw rechtdoende het tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke geldboete van EUR 400,--, bij gebreke van betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 september 2008 te Eindhoven, opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], hoofdagent van regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten belast met ondersteunings- en noodhulpwerkzaamheden, in het openbaar en/of in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd het woord “zieligerd”, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Bewijsmotivering

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken nu het woord “zieligerd” in het algemeen niet beledigend is en voorts nu de verdachte enkel de bedoeling had de woordenwisseling tussen de drie vrouwen te sussen. De context waarin het woord is geuit, vormt om die reden evenmin een grond om aan te nemen dat de uitlating de strekking had verbalisant [verbalisant 1] aan te randen in zijn eer en goede naam. Nu de verdachte met zijn rug naar verbalisant [verbalisant 1] gekeerd stond op het moment dat hij het woord “zieligerd” uitsprak, is de belediging in de visie van de verdediging bovendien niet rechtstreeks tegen die [verbalisant 1] gericht.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het op 11 september 2008 opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], beiden hoofdagent van regiopolitie Brabant Zuid-Oost, [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden brigadier van regiopolitie Brabant Zuid-Oost blijkt het volgende:

“Op bovengenoemde dag, datum en tijdstip bevonden wij, verbalisanten, ons in uniform gekleed en in als zodanig herkenbare politievoertuigen in de stad Eindhoven. Wij waren belast met ondersteunings- en noodhulpwerkzaamheden.

Op bovengenoemde dag, datum en tijdstip werden wij door de politiemeldkamer gezonden naar de [adres] te Eindhoven, aldaar zou een conflict tussen meerdere personen op straat bezig zijn. Kort daarop kwam de aanvulling dat er op straat zou worden gevochten. Hierop begaven wij ons onmiddellijk ter plaatse.

Ter plaatse aangekomen werden door ons een drietal vrouwen op straat aangetroffen, ter hoogte van perceel 34. Deze vrouwen waren naar elkaar aan het roepen en schreeuwen. (…) Terwijl wij, verbalisanten, met deze vrouwen in gesprek waren, zagen wij dat een man uit de woning perceel 34 de straat op kwam gelopen. Deze man liep vanuit de woning naar de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3]. De betreffende man sprak mij, [verbalisant 1], aan. Ik zag dat de man vlak voor mij kwam staan, op enkele centimeters van mijn lichaam. De man sprak mij aan dat er niets aan de hand was op straat. Ik, verbalisant [verbalisant 1], vroeg deze man vervolgens meerdere malen wie hij was. De man bleef herhalen dat er niets aan de hand was en raakte mij, [verbalisant 1], tot tweemaal toe aan bij mijn koppel. Ik sprak de man hierop aan dat hij van mij af moest blijven. Wij zagen dat de man vervolgens zichtbaar geïrriteerd reageerde en op enkele centimeters van het gezicht van [verbalisant 1] ging staan. Ik, verbalisant [verbalisant 1], vroeg de man naar een geldig legitimatiebewijs. De man draaide zich vervolgens om en deelde mede dat hij dit legitimatiebewijs ging halen, waarop hij vervolgens duidelijk hoorbaar en met niet mis te verstane stem naar mij riep “zieligerd”. Ik, verbalisant [verbalisant 1], voelde mij door de uitlating van deze man ernstig beledigd en aangetast in mijn goede eer en naam. Hierop werd deze man, de in het afzonderlijk opgemaakte proces-verbaal van aanhouding genoemde verdachte [verdachte], aangehouden als verdacht van belediging.”

Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat op 11 september 2008 te 03.25 uur is aangehouden: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres]. Grond voor aanhouding: artikel 267, aanhef en onder 2, Wetboek van Strafrecht.

Het hof leidt uit het proces-verbaal van aanhouding af dat de “bovengenoemde” datum waaraan in het hiervoor opgenomen proces-verbaal van bevindingen van genoemde verbalisanten wordt gerefereerd, 11 september 2008 moet zijn.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 26 april 2010 verklaard dat hij op 11 september 2008 in de woning aan de [adres] te Eindhoven onenigheid had met zijn vriendin. Zij is hierop met twee vriendinnen vertrokken. Toen de verdachte buiten lawaai hoorde, is hij gaan kijken. Op dat moment was de politie reeds gearriveerd. De verdachte is naar de agenten toe gelopen. Hij had de bedoeling de ruzie te sussen. De verdachte heeft een agent aangesproken. De verdachte heeft de agent daarbij aangeraakt bij zijn koppel. Omdat de agent niet naar hem luisterde, is hij omgedraaid en maakte hij aanstalten om weg te lopen. De agent heeft hem om een legitimatiebewijs gevraagd. De verdachte heeft vervolgens het woord “zieligerd” of “zielig” geroepen. Hij deed dit uit ongenoegen over het algehele politieoptreden van dat moment, aldus verdachte.

Het hof overweegt dat een uitlating als beledigend moet worden beschouwd wanneer zij de strekking heeft een ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Het hof is van oordeel dat de uitlating van verdachte, te weten “zieligerd”, mede gelet op de omstandigheden waaronder deze uitlating is gedaan, de strekking had degene tot wie zij is gericht, in zijn eer en goede naam aan te tasten. Immers, uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de verdachte zich agressief opstelde jegens verbalisant [verbalisant 1] door zeer dicht bij hem te gaan staan en hem enkele malen aan te raken. Verdachte was daarbij zichtbaar geïrriteerd. Toen verbalisant [verbalisant 1] de verdachte vroeg een geldig legitimatiebewijs te tonen, heeft de verdachte zijn ongenoegen over het hele politieoptreden willen uiten door die [verbalisant 1] het woord “zieligerd” toe te voegen. Deze uitlating kon in de context ook niet anders worden begrepen dan als een diskwalificatie van het politieoptreden en van de opsporingsambtenaar [verbalisant 1] die hem, verdachte om een identiteitsbewijs had gevraagd. Het is naar het oordeel van het hof dan ook begrijpelijk dat verbalisant [verbalisant 1] deze uitlating heeft opgevat als een belediging. De uitlating is blijkens het proces-verbaal van bevindingen in het openbaar gedaan. De uitlating was bovendien, gelet op hetgeen de verbalisanten hierover hebben gerelateerd, duidelijk rechtstreeks tegen verbalisant [verbalisant 1] gericht. De omstandigheid dat de verdachte daarbij volgens zijn verklaring met zijn rug gekeerd stond naar die [verbalisant 1] doet daaraan naar het oordeel van het hof niet af.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 11 september 2008 te Eindhoven opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten [verbalisant 1], hoofdagent van regiopolitie Brabant Zuid-Oost, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten belast met ondersteunings- en noodhulpwerkzaamheden, in het openbaar en in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd het woord “zieligerd”.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 266, eerste lid, juncto artikel 267, aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof overweegt dat de verdachte zich op agressieve en storende wijze heeft bemoeid met het politieoptreden en zich daarover laatdunkend heeft uitgelaten. Het hof neemt dit verdachte kwalijk. Het hof overweegt anderzijds dat de uitlating die de verdachte heeft gedaan van relatief geringe ernst was of, in de woorden van de politierechter, “een niet heel krachtige diskwalificatie betreft”. Om die reden zal het hof volstaan met het opleggen van een geheel voorwaardelijke geldboete.

Met oplegging van een voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert:

Eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar, gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 50,00 (vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis.

Bepaalt, dat de geldboete van EUR 50,00 (vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 1 (één) dag hechtenis niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. N.J.L.M. Tuijn en mr. C.M. Hilverda,

in tegenwoordigheid van mr. S.J.F. Heirman, griffier,

en op 10 mei 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. N.J.L.M. Tuijn is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.