Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM3298

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
20-002183-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2009:BI7484, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van moord tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, oordeelt het hof dat de handelwijze van verdachte niet van impulsiviteit getuigt, maar juist het gevolg is geweest van een weloverwogen plan dat hij tevoren met zijn medeverdachte had beraamd. De verdachte heeft zijn 34-jarige vriendin in haar eigen woning - een plaats waar zij zich bij uitstek veilig had moeten kunnen voelen - tezamen en in vereniging met een ander op uiterst brute wijze vermoord. Nadat de verdachte haar eerst heeft geprobeerd te verwurgen met een opgerolde theedoek, heeft zijn medeverdachte haar tot zeven maal toe met een mes in de borststreek gestoken. Het slachtoffer lag op het moment van de moord weerloos op bed en was onder de invloed van een aanzienlijke mate van alcohol en medicijnen. In die staat heeft zij zich nog geprobeerd te verzetten. De verdachte heeft zichzelf kennelijk willen ontlasten door in te stemmen met het voorstel om een valse toedracht op te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002183-09

Uitspraak : 4 mei 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 11 juni 2009 in de strafzaak met parketnummer 01/825543-08 tegen de verdachte,

[DE VERDACHTE A],

geboren te [geboorteplaats] [in 1959],

thans verblijvende in de gevangenis van de Penitentiaire Inrichting Vught,

waarbij hij ter zake van het impliciet primair ten laste gelegde medeplegen van moord werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren met aftrek van voorarrest, met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [vader van S] tot een bedrag van EUR 1.362,71, te vermeerderen met de wettelijke rente, en oplegging van de bijbehorende schadevergoedingsmaatregel.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 27 november 2009, 24 februari 2010 en 21 april 2010, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 15 december 2008, 3 maart 2009 en 28 mei 2009.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman van verdachte heeft bezwaren geuit tegen de bewezenverklaring van de rechtbank en voor het overige een strafmaatverweer gevoerd. Voor wat betreft de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 september 2008 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [S] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een (thee)doek de hals/keel van voornoemde [S] dichtgeduwd/geknepen en/of (vervolgens) met een mes een of meerdere ke(e)r(en) in de nek/hals en/of het bovenlichaam van voornoemde [S] gesneden/gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [S] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

• Vastgestelde feiten en omstandigheden

Het hof stelt op grond van het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

I.

Op 4 september 2008 meldde medeverdachte [B] via het alarmnummer 112 dat er in [de woning aan het adres] in Eindhoven een dode vrouw lag die hij door een messteek om het leven had gebracht. Het proces-verbaal dat van die melding is opgemaakt, luidt voor zover van belang als volgt.

“112 melding d.d. 4 september 2008, 11:05 uur: […]

Ja, goedemorgen, u spreekt hier met [B]. […] Er ligt een dode vrouw in [de woning aan het adres]. […] In Eindhoven […]

Er ligt gewoon een dode vrouw en ze is met een messteek om het leven gebracht […] en ik heb dat gedaan, [B].”

II.

Naar aanleiding van deze melding werd ter plaatse een onderzoek ingesteld. In de slaapkamer aan de voorzijde van de woning aan [het adres] te Eindhoven werd inderdaad het lichaam van een overleden vrouw aangetroffen. Het hierover opgemaakte proces-verbaal van bevindingen houdt onder meer het volgende in.

“Op […] 4 september 2008 […] kregen wij een melding […] dat er op [het adres] te Eindhoven een persoon zou liggen, die door messteken om het leven zou zijn gekomen. […]

Terwijl wij die straat inliepen […] [kwam] de mij, verbalisant [verbalisant], bekende [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) met zijn scootmobiel onze kant opgereden, vergezeld van een […] vrouw met een hond, de later te noemen [C]. […] Hij vertelde dat zijn vriendin [S] dood boven in de woning in bed lag.

[…]

Eerste onderzoek in de woning.

[…] In de slaapkamer aan de voorzijde van de woning [zag ik, verbalisant] een persoon [op bed] liggen. Ik zag dat het een vrouwspersoon betrof. […] Ik zag dat het gelaat van de vrouw hevig was gezwollen en verkleurd. Tevens zag ik in de halsstreek van de vrouw een hoeveelheid bloed. De huid van de vrouw was verder erg bleek. De vrouw leek mij overleden. […] De verpleegkundige [L] van de GGZ te Eindhoven […] [bevestigde] mijn vermoeden.”

III.

De overleden vrouw werd door haar vader en oom geïdentificeerd als zijnde [S], zo blijkt uit het hierna weergegeven proces-verbaal.

“Op 6 september 2008 werden […] de vader van [S], [vader van S], […] en de oom van [S], [oom van S], […] geconfronteerd met het lichaam van [S], geboren [in 1973] te [geboorteplaats]. […]

[De vader van S] verklaarde: Dit is 100% mijn dochter [S]. […]

[De oom van S] verklaarde: Dit is 100% [S], de dochter van mijn broer [vader van S].”

IV.

Op 5 september 2008 heeft dr. B. Kubat, arts en patholoog, een uit- en inwendige schouwing verricht op het lijk van [S]. Haar obductieverslag houdt voor zover van belang het volgende in.

“Bij de sectie op het lichaam van [S], geboren op [1973], is het navolgende gebleken.

1. In totaal 9 scherprandige, streepvormige huidperforaties (steekletsels): 7 op de voorzijde van de borst en 2 links in de hals. Steekkanalen:

- beginnend bij letsel A, door de 1e tussenribruimte links, insteek in de bovenkwab van de linkerlong, steekkanaal verlopend naar rechts, rugwaarts en iets voetwaarts, lengte steekkanaal minimaal circa 8,5 cm;

- beginnend bij letsel B, door het borstbeen tot in de weke delen achter het borstbeen, steekkanaal verlopend iets naar rechts en rugwaarts;

- beginnend bij letsel C, door het borstbeen (circa 2 cm onder het steekkanaal van letsel B), door het hartzakje en tot in de rechterhartkamer, minimale lengte circa 12,5 cm;

- beginnend bij letsel D, door het kraakbeen van de 4e rib, door het hartzakje en in de linkerhartkamer, lengte steekkanaal minimaal circa 12,5 cm;

- beginnend bij letsel E, door de kraakbeendelen van de onderzijde van de ribbenboog links, tot in de linker leverkwab; (oppervlakkig); steekkanaal verlopend vrij recht rugwaarts en iets beenwaarts, lengte steekkanaal circa 12 cm;

- beginnend bij letsel F, net onder de onderzijde van het borstbeen, door het middenrif, tot oppervlakkig in de linker leverkwab, steekkanaal verlopend vrij recht rugwaarts en iets beenwaarts, lengte steekkanaal circa 12 cm;

- beginnend bij letsel G, door de kraakbeendelen van de onderzijde van de ribbenboog links, tot in de linker leverkwab (oppervlakkig), steekkanaal verlopend vrij recht rugwaarts en iets beenwaarts; lengte steekkanaal circa 12 cm;

- beginnend bij letsel H, door de weke delen voor het strottenhoofd tot in de oppervlakkige halsspier (m. sterno-cleido-mastoideus) rechts; steekkanaal verlopend naar rechts en voetwaarts; lengte steekkanaal circa 8 tot 9 cm;

- beginnend bij letsel J, door een oppervlakkige halsspier (m. sterno-cleido-mastoideus) links, schamping van de halsader en de halsslagader, insteek aan de voorzijde van de bovenste borstwervel; steekkanaal verlopend naar rechts, rugwaarts en voetwaarts; lengte minimaal circa 6 tot 7 cm.

2. Circa 120 ml bloed en stolsels in het hartzakje en circa 520 ml bloed en stolsels in de

borstholten (voornamelijk links). […]

4. Oppervlakkige huidbeschadigingen en scherprandige huidklievingen aan beide handen.

[…]

Interpretatie

[…]

Bij de sectie waren er tekenen van bij leven opgetreden uitwendig, mechanisch, perforerend en klievend geweld, steek- en snijletsels (1, 4) waarbij vooral de insteken in het hart zeer ernstig waren. De letsels in het hart hebben geleid tot bloedophoping in het hartzakje (2) waardoor de hartactie ernstig werd belemmerd. Een dergelijke belemmering van de hartactie op zich leidt tot de dood omdat het hart niet meer kan pompen, dit noemt men ook wel de harttamponade. […] De bevindingen sub 4 passen goed bij afweerletsels. […]

Het kan niet worden aangegeven in welke volgorde de recente letsels werden toegebracht, wel kan worden gesteld dat na het oplopen van de perforaties van de hartkamers het slachtoffer binnen enkele minuten bewusteloos was geraakt en was overleden.

[…]

Het overlijden van [S], geboren [in 1973], wordt volledig verklaard door ernstig bloedverlies, ontstaan ten gevolge van steekletsels en de daardoor opgetreden verstoring van de hartfunctie en weefselschade.”

V.

Tot haar dood woonde [S] samen met de verdachte, haar vriend, in de woning aan [het adres] te Eindhoven. Zij hadden elkaar in het zorghotel - een instelling voor daklozen - leren kennen; ook hadden zij daar [B] ontmoet. De verdachte verklaarde het volgende over hun weerzien dat halverwege augustus 2008 plaatsvond en uiteindelijk ertoe leidde dat [B] en zijn vriendin [C] in hun woning zouden verblijven.

“Ik ben lange tijd in het zorghotel […] in Eindhoven verbleven. Ik heb daar [B] leren kennen. […] Kort daarop kwam ook [S] in het zorghotel wonen. […] Het zorghotel is een instelling voor daklozen.

[…]

Het is nu zo’n drie weken geleden (aangezien de verklaring is afgelegd op 4 september 2008 begrijpt het hof: halverwege augustus 2008) dat ik na lange tijd [B] weer eens tegen kwam, dat was bij het postkantoor. Hij was daar samen met een vrouw, die [C] heet. […] Wij spraken af dat [B] en [C] bij mij en [S] op bezoek zouden komen […]. [B] en [C] zijn toen gekomen […]. Ik begreep dat [B] en [C] geen woonruimte hadden op dat moment. Door ons vieren werd toen overeengekomen dat [B] en [C] bij ons in huis zouden komen wonen.”

VI.

Over het noodlottige voorval in de avond dan wel nacht van 3 september 2008 zijn de verdachte, medeverdachte [B] en medeverdachte [C] uitvoerig gehoord. Evenals de rechtbank hecht het hof met name veel (bewijs)waarde aan de verklaringen van [C]. Het hof overweegt daartoe als volgt. Op 8 september 2008 heeft [C] als eerste afstand genomen van de door [B] verzonnen toedracht. Met de verklaringen die zij vervolgens heeft afgelegd, heeft zij ook zichzelf belast. Verder blijkt dat zij in vergelijking met de verdachte en medeverdachte [B] - zij zeggen zich van meerdere momenten weinig tot niets te herinneren - de meeste herinnering aan het gebeuren te hebben, terwijl haar verklaringen niet worden weersproken en op sommige onderdelen zelfs wordt bevestigd door het onder IV weergegeven forensisch onderzoek. Het hof neemt haar verklaringen daarom als uitgangspunt bij het vaststellen van de toedracht.

[C] verklaarde ten overstaan van de rechter-commissaris als volgt.

“Op 3 september 2008 zijn [de verdachte], [B], [S] (het hof begrijpt: [S]) en ik naar de snackbar geweest en zijn van daar weer naar huis (het hof begrijpt: de woning aan [het adres] te Eindhoven) gelopen. [S] kon moeilijk lopen doordat ze pillen en drank op had. [De verdachte] ondersteunde haar bij het lopen. […]

Thuis ontstond en ruzie tussen [S] en mij over shag. […]

Op enig moment na de ruzie heb ik [S] naar boven gebracht. […]

Vervolgens, toen wij allemaal beneden waren, zei [B] tegen [de verdachte] dat het zo toch niet langer kon met [S]. Hij vroeg “Wat zullen we er aan doen? Wat wil je er mee doen?

Wil je dat er een end aan komt?”. [De verdachte] zei “Zo kan het inderdaad niet langer meer, ze is ook beter af als ze er niet meer is.” [B] vroeg: “Hoe zullen we het dan aanpakken?”. Dat wist [de verdachte] niet. Toen stelde [B] voor een theedoek te gebruiken om haar te wurgen. [De verdachte] heeft toen een theedoek uit de keuken gepakt. [B] deed aan [de verdachte] voor wat hij met de theedoek moest doen. [B] zei “Dan pak ik haar bij de armen.” […]

Vervolgens is eerst [B] en daarna [de verdachte] naar boven gegaan. Ze liepen samen, direct achter elkaar naar boven. Dat weet ik zeker. Dat kon ik vanuit de woonkamer zien. Na een minuut of twee ben ik ook naar boven gegaan. Boven ben ik in de deuropening van de slaapkamer van [S] en [de verdachte] blijven staan. [De verdachte] stond […] bij het hoofdeinde van het bed waar [S] op lag. [B] had met zijn handen de armen van [S] vast bij haar polsen en hield haar armen boven haar hoofd. Ondertussen probeerde [de verdachte] met een theedoek [S] te wurgen maar dat lukte niet. Ik heb gezien dat [de verdachte] een minuut lang probeerde [S] te wurgen. Maar [de verdachte] was al bezig met het wurgen toen ik boven kwam. Toen zei [B] tegen [de verdachte]: “Hier hou eens vast.” Vervolgens nam [de verdachte] van [B] de armen van [S] over. Ik weet zeker dat [B] en [de verdachte] na elkaar de polsen van [S] hebben vastgehouden. Toen pakte [B] uit een broekzak een mes dat hij openklapte […] [en] heeft [hij] [S] met het mes gestoken bij haar hartstreek. Toen [B] al een of twee keer had gestoken zei [S] tegen [de verdachte] “Waarom?”. Ze keek daarbij [de verdachte] aan. […] [De verdachte] heeft geen antwoord gegeven. […] Ik heb niet gezien dat het steken ophield. Ik heb mij kennelijk tijdens het steken omgedraaid en ben naar beneden gegaan. [B] en [de verdachte] zijn een paar minuten na mij samen naar beneden gekomen. […] [Nadat] [B] en [de verdachte] naar beneden waren gekomen, is [B] weer naar boven gegaan. Hij zei:“Ik ga even kijken of ze nog leeft”, of iets dergelijks. Toen [B] daarna weer naar beneden kwam, zei hij […] dat hij het had afgemaakt. […] Tussen het opperen van het idee om [S] om te brengen en het naar boven gaan van [B] en [de verdachte] zat ongeveer vijf minuten.”

VII.

Ook tegenover de politie verklaarde [C] over het overleg in de woonkamer en de wijze waarop daaraan vervolgens gevolg is gegeven. Zij bracht het daar als volgt onder woorden.

“Ik hoorde dat [de verdachte] en [B] tegen elkaar zeiden:“Dit gaat zo niet meer, wat gaan we eraan doen?” of zoiets. Ze waren het er over eens dat ze zo niet meer verder wilden. Ook vroeg [B] aan [de verdachte]: “Wil je d’r van af?” Ik hoorde dat [de verdachte] zei: “Ik hou van dat meisje maar zo kan dat niet meer” of zoiets. Ik zag dat [de verdachte] ineens een theedoek in zijn handen had. Ik zag dat [de verdachte] de theedoek enkele malen had omgeslagen zodat er een strook overbleef. Ik zag dat [de verdachte] de theedoek met beide handen vasthad. […]

Ik hoorde nog dat [B] aan [de verdachte] vroeg: “Durf je dat wel aan?”. Ik zag dat [de verdachte] en [B] samen naar boven liepen. […]

Ik ben ook naar boven gelopen. […] Ik zag dat […] [de verdachte] bezig was om [S] te wurgen met een theedoek. Ik zag dat [S] op haar rug lag met haar handen boven haar hoofd. Ik zag dat [B] haar beide handen vasthad. Ik zag dat [de verdachte] hard duwde met de theedoek in haar hals. Ik zag dat hij de theedoek, die nog omgeslagen was tot een strook, met beide handen vasthad en met de doek hard tegen haar keel duwde. Hij deed dit door met zijn beide handen met de theedoek er tussen, op het bed te duwen. Ik zag dat de benen van [S] bewogen. Ik zag dat ze trappelende bewegingen maakte, dat ze tegenspartelde.

Ik hoorde dat [B] zei: “Je doet het niet goed, je moet dat hier doen”, of zoiets.

Ik zag dat hij daarbij een plaats in de hals, vlak onder de kin, van [S] aanwees. Ik zag dat [de verdachte] het toen weer probeerde maar dat het lukte kennelijk niet. Ik wist dat omdat ik [S] nog zag bewegen en ik hoorde haar heel zwaar ademen.

[…] Ik zag toen […] dat [B] een mes uit zijn kontzak pakte. Het was het mes dat hij van [de verdachte] had gekregen. […] Ik zag dat hij het mes pakte en het uitklapte. […] Ik zag dat [de verdachte] op dat moment de armen van [S] vasthad. […]

Ik zag dat [B] met twee handen het mes vasthield en flink op [S] instak. Hij hield het mes ter hoogte van zijn hoofd en stak met twee handen met kracht. […] Ik zag dat [B] ongeveer vier keer met kracht en snel achter elkaar op [S] instak. Ik zag dat [S] daarbij gestoken werd aan de linkerzijde van haar borst, vlakbij het borstbeen […]. Ik zag dat [S] naar [de verdachte] keek en ik hoorde dat ze aan hem vroeg: “Waarom?”. Ik zag dat [de verdachte] hier niet op reageerde. […] Toen [de verdachte] en [B] naar beneden kwamen zag ik dat het mes helemaal onder het bloed zat. […] [De verdachte] zei dat het meiske beter af was. Na ongeveer 10 minuten à een kwartier ging [B] weer naar boven. Hij zei:“Ik ga even kijken”. Hij was een paar minuten boven en toen kwam hij weer naar beneden. Hij zei dat hij de halsslagader had doorgesneden.”

VIII.

De verdachte verklaarde over deze momenten tegenover de politie onder meer het volgende.

“[Op] enig moment […] was [S] naar boven gegaan. […] Er volgde een tijd dat [C], ik en [B] nog beneden in de woonkamer hebben gezeten. [S] was boven. Eigenlijk was het rustig in de woning. […] We spraken met elkaar in ieder geval over het feit dat we hier echt niet tegen konden. […] Ik weet nog dat ik tegen [C] en [B] heb gezegd: “Ik ga er een einde aan maken, ik ben het beu.” […] Ik weet dat ik op enig moment een theedoek in mijn handen heb gepakt. […] Ik liep in ieder geval de trap op met de intentie om [S] iets aan te doen. Mijn intentie was om [S] met de theedoek te gaan wurgen. […] [S] lag op bed. Op haar rug en onder het dekbed. […] Met de theedoek in mijn handen [ben ik] naar [S] toe gelopen. […] Ik heb de theedoek opgerold omdat ik dacht dat het dan beter zou gaan. […] Ik plaatste de gestrekte theedoek over de keel van [S]. Ik hield mijn beide handen ieder aan een zijde van het hoofd van [S]. Ik zette toen druk naar beneden. Ik drukte mijn handen omlaag in het matras.

[…] Ik hoorde dat [B] tegen me zei dat “Het niet lukte op de manier zoals ik bezig was.” […] Ik hoorde dat [B] toen zei: “Ik zal het wel afmaken.” […] Ik zag dat hij op bed stapte, zodat hij boven op [S] kwam te zitten Hij kwam zo’n beetje op de bovenbenen van [S] te zitten met zijn gezicht naar [S] gekeerd. [B] trok het dekbed, dat over [S] heen lag gedeeltelijk terug. Ik zag dat [B] een mes in beide handen hield. […] Het mes [had B] uit zijn broekzak […] gehaald. Ik zag dat meteen daarop [B] met twee handen het mes bij [S] in de borststreek naar binnen stak. Ik zag dat [B] toen nog enkele steken meer gaf in de borststreek van [S]. Die volgden elkaar snel op. Tijdens het steken zei [B] de woorden: “Je kunt het beste rond het hart steken en niet erin.” […]

Tijdens het steken van [B] op [S] […] had [ik] nog steeds het idee dat [S] dood moest; dat het afgelopen moest zijn. […]

Eigenlijk zijn [B] en ik toen, zonder iets te zeggen, samen naar beneden gelopen. [B] nam het mes mee. Ik zag dat er bloed aan het mes zat. […]

Niet lang daarna, zag ik dat [B] weer naar boven liep. Ik hoorde dat hij daarbij zei de woorden als: “Ik ga kijken of ze echt dood is.” […] Ik zag dat [B] een paar minuten later weer beneden kwam gelopen. Ik zag dat hij het mes […] nog steeds in zijn handen had. Ik zag dat hij de woonkamer in kwam gelopen en hoorde dat hij zei: “Ik heb ook nog maar een keer de nek doorgesneden, dan weet ik zeker dat het goed is; nou is ze echt dood.”, of woorden van gelijke strekking.”

IX.

Tijdens het daaropvolgende verhoor herinnerde de verdachte zich de laatste woorden die [S] tot hem had gericht. Hij verklaarde hierover als volgt.

“Na twee à drie steken hoor ik dat [S] haar laatste woorden zei. […]

[S] heeft alles bij elkaar nog maar een woord gezegd. [S] zei: “Waarom.” […] Het woord kwam er maar heel bedeesd en zacht uit.”

X.

Medeverdachte [B] heeft ter zake onder meer het volgende verklaard.

“U vraagt mij hoe het ging toen [S] naar boven ging. Wij hebben eerst nog even zitten praten. […]. [De verdachte] zei iets over kutpillen en drank. Ik hoorde [de verdachte] ook zeggen: “Ik maak ze dood, ik kan er niet meer tegen.” […] Ongeveer 5 à 10 minuten [nadat] […] [S] naar boven ging, [ging] [de verdachte] (het hof begrijpt gelet op de voor het bewijs gebezigde verklaringen van [C]: met mij) […] naar boven. […]

[De verdachte] was [S] […] aan het wurgen. [S] lag op bed. […] Ik zag dat ze al blauw werd. Ik heb toen mijn mes gepakt en opengetrokken. Ik had het mes in mijn kontzak. […] Ik heb […] haar […] gestoken. […] Ik had het mes met twee handen vast, heb dit op haar borst gezet en in haar lichaam gedrukt. Beneden zei [de verdachte] dat het meisje zo goed af was.”

• Voorbedachte raad

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat de dood van slachtoffer [S] het gevolg is geweest van een min of meer impulsieve daad en niet van een ruim tevoren beraamd plan. Het hof verstaat dat aldus dat de verdachte van de impliciet primair ten laste gelegde moord behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Voor bewezenverklaring van moord is vereist dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Daarvan is sprake indien de verdachte tijd (en dat kan een betrekkelijk korte tijd zijn) had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden blijkt dat de verdachte met medeverdachte [B] - op een moment dat het rustig was in de woning - overleg heeft gehad over het voornemen om [S] om het leven te brengen. [B] stelde daarbij voor om met een theedoek een verwurging bij haar aan te leggen en deed aan de verdachte voor op welke wijze dat mogelijk was. Vervolgens is de verdachte samen met [B] naar de slaapkamer gegaan waar [S] op bed lag. De verdachte heeft haar daar eerst geprobeerd te verwurgen. [B] hielp hem daarbij door [S] bij haar handen/polsen vast te houden. Toen deze verwurgingspoging niet slaagde, pakte de verdachte de armen van [S] over van [B] en heeft [B] meerdere keren met een mes in haar borststreek gestoken.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat deze handelswijze van verdachte niet van impulsiviteit getuigt, maar juist het gevolg is geweest van een weloverwogen plan dat hij tevoren met [B] had beraamd. Het hof oordeelt aldus dat de verdachte voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op het besluit om [S] van het leven te beroven, in die zin dat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

• Opzet

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat slechts kan worden bewezen dat de verdachte in voorwaardelijke zin opzet heeft gehad op de dood van [S]. Het hof deelt dat standpunt niet. Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden volgt dat de wil van de verdachte zich volledig uitstrekte tot zowel de gedragingen als de gevolgen. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte aldus een zuiver opzet op de dood van [S] gehad.

• Partiële vrijspraak van de messteken in de hals

Het hof overweegt ambtshalve nog het volgende. Uit bevindingen van dr. Kubat, zoals weergegeven in overweging IV, komt naar voren dat in totaal zeven steekletsels aan de voorzijde van de borst en twee steekletsels aan de hals zijn toegebracht, waarbij de insteken in het hart (het hof begrijpt: letsels C en D) binnen enkele minuten tot de dood van [S] hebben geleid.

Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat de zeven messteken in de borst door [B] zijn toegebracht op het moment dat de verdachte de armen van [S] vasthield en dat hij pas later - toen hij terugging om te kijken of [S] nog leefde - haar hals heeft doorsneden. In aanmerking genomen dat de fatale messteken toen reeds waren toegebracht en het - gelet op de verklaringen daaromtrent - waarschijnlijk is dat enkele minuten voorbij waren gegaan, gaat het hof ervan uit dat [S] ten tijde van de messteken in haar hals reeds was overleden. Daaruit kan worden afgeleid dat die messteken niet tot haar dood kunnen hebben geleid, zodat de verdachte in zoverre zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 3 september 2008 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade [S] van het leven heeft beroofd, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een theedoek de keel van voornoemde [S] dichtgeduwd en vervolgens met een mes meerdere keren in het bovenlichaam van voornoemde [S] gesneden/gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [S] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het wordt gekwalificeerd als hierna in de beslissing vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van de pro justitia rapporten die over hem zijn uitgebracht.

In het psychiatrisch rapport d.d. 28 november 2008, opgemaakt door psychiater drs. J.C. Zwemstra, wordt voor zover hier van belang overwogen dat de verdachte ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit lijdende was aan een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens, in de zin van een gemengde persoonlijkheidsstoornis (persoonlijkheidsstoornis NAO) met borderline, vermijdende, afhankelijke en mogelijk antisociale kenmerken in combinatie met een vitaal depressieve stoornis en alcoholafhankelijkheid, waardoor het feit hem slechts verminderd kan worden toegerekend.

In het psychologisch rapport d.d. 29 november 2008, opgemaakt door psycholoog drs. J.J.M. Kampkes, wordt eveneens overwogen dat de verdachte ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit lijdende was aan een ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Daarbij wordt in dit rapport gewezen op een depressieve stoornis, een alcoholverslaving een borderline persoonlijkheidsstoornis met antisociale persoonlijkheidskenmerken, waarbij rekening moet worden gehouden met een licht verminderde tot verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Het hof komt op grond van deze bevindingen tot de conclusie dat het bewezen verklaarde feit aan de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van moord.

De rechtbank heeft de verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot een gevangenisstraf van veertien jaren.

De advocaat-generaal heeft zich achter deze door de rechtbank opgelegde straf geschaard.

De raadsman heeft op de gronden als vervat in zijn pleitnota verzocht de door de rechtbank opgelegde straf te matigen.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van deze op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan onder de gegeven omstandigheden niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof overweegt dat bij moord in de regel niet wordt volstaan met een lagere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. In deze als uitgangspunt geformuleerde straf is met name rekening gehouden met de volgende omstandigheden.

- Het benemen van iemands leven is de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, te weten het recht op leven.

- De familie en naaste omgeving van het slachtoffer is onherstelbaar leed aangedaan.

- Door een dergelijk gewelddadig feit is de rechtsorde zeer ernstig geschokt en zijn in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeggebracht.

In strafverhogende zin neemt het hof de volgende omstandigheden in aanmerking.

- De verdachte heeft zijn 34-jarige vriendin in haar eigen woning - een plaats waar zij zich bij uitstek veilig had moeten kunnen voelen - tezamen en in vereniging met een ander op uiterst brute wijze vermoord. Nadat de verdachte haar eerst heeft geprobeerd te verwurgen met een opgerolde theedoek, heeft medeverdachte [B] haar tot zeven maal toe met een mes in de borststreek gestoken.

- Het slachtoffer lag op het moment van de moord weerloos op bed en was onder de invloed van een aanzienlijke mate van alcohol en medicijnen. In die staat heeft zij zich, blijkens de oppervlakkige huidbeschadigingen en scherprandige huidklievingen aan haar beide handen die volgens het pathologisch onderzoek van dr. Kubat goed kunnen passen bij afweerletsels, kennelijk nog geprobeerd te verzetten. [C] heeft gezien dat zij met haar benen trappelende bewegingen maakte, dat ze tegenspartelde. In haar laatste woorden heeft het slachtoffer de verdachte nog gevraagd “waarom?”.

- De verdachte heeft zichzelf kennelijk willen ontlasten door in te stemmen met het voorstel van medeverdachte [B] om valselijk te verklaren dat het slachtoffer zichzelf in de borst en hals had gemutileerd met het mes van [B], dat [B] dat zag en heeft geprobeerd het mes af te pakken en dat zij hem in de daarbij ontstane vechtpartij met dat mes heeft gestoken.

Als omstandigheid die strafverminderend werkt heeft het hof in aanmerking genomen dat het bewezen verklaarde feit aan de verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend, zoals dat reeds onder het kopje “Strafbaarheid van de verdachte” ter sprake is gebracht.

De omstandigheid dat de verdachte nog niet eerder is veroordeeld ter zake van geweldsdelicten en in zoverre dus als ‘first offender’ valt te beschouwen, heeft naar het oordeel van het hof gelet op de aard van het bewezen verklaarde feit geen strafverminderende werking. Indien sprake zou zijn geweest van geweldsrecidive zou dat veeleer als een strafverhogende omstandigheid hebben gegolden.

De overige door de raadsman genoemde omstandigheden hebben naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval evenmin een mitigerend effect op de strafmaat.

Alles in ogenschouw nemend komt het hof tot het oordeel dat in het onderhavige geval de door rechtbank opgelegde en advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf van veertien jaren passend en geboden is.

Maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [vader van S] als gevolg van het bewezen verklaarde feit schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 1.362,71, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De verdachte en zijn mededader zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer een bedrag te betalen van EUR 1.362,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict - in dit geval te stellen op 4 september 2008, zijnde de laatste dag van de bewezen verklaarde periode - tot de dag der algehele voldoening, met bepaling dat indien en voor zover de mededader van verdachte aan de verplichting heeft voldaan, de verdachte daarvan zal zijn bevrijd.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [vader van S] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 1.422,22. De rechtbank heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep volledig toegewezen, met dien verstande dat de in de vordering reeds verdisconteerde rente in mindering is gebracht en afzonderlijk is toegewezen. Het door de rechtbank toegewezen bedrag bedraagt daardoor EUR 1.362,71, vermeerderd met de wettelijke rente. De voeging duurt, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

Het hof verenigt zich met de wijze waarop de rechtbank op deze vordering heeft beslist en overweegt daartoe dat uit het onderzoek ter terechtzitting genoegzaam is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 1.362,71, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict - in dit geval te stellen op 4 september 2008, zijnde de laatste dag van de bewezen verklaarde periode - tot de dag der algehele voldoening.

De verdachte en zijn mededader zijn tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

De proceskosten van de benadeelde partij worden ten laste van de verdachte gebracht, doch zijn tot op heden begroot op nihil.

Overweging betreffende de schadevergoedingsmaatregel en de vordering benadeelde partij

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen en zulks vice versa (dat wil zeggen: indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, komt daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre te vervallen).

Het hof zal voorts bepalen dat indien en voor zover de mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 47, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Medeplegen van moord.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [vader van S] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 1.362,71 (duizend driehonderd tweeënzestig euro en eenenzeventig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 23 (drieëntwintig) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict - in dit geval te stellen op 4 september 2008 - tot de dag der algehele voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [vader van S] toe en veroordeelt de verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van EUR 1.362,71 (duizend driehonderd tweeënzestig euro en eenenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict - in dit geval te stellen op 4 september 2008 - tot de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij is voldaan.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van verdachte de benadeelde partij schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Aldus gewezen door

mr. J.M.W.M. van den Elzen, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. J.F. Dekking,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 4 mei 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.