Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM3249

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
20-001464-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inbraakpoging; Salduz, pressieverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-001464-09

Uitspraak : 4 mei 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 10 april 2009 in de strafzaak met parketnummer 02-626275-08 tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]), [1989],

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij de verdachte ter zake van “poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak”, werd veroordeeld tot

- een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis;

- een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren,

en waarbij:

- aan de verdachte werd opgelegd de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 412,44 subsidiair 8 dagen hechtenis;

- de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] werd toegewezen tot een bedrag van EUR 412,44;

- het in beslag genomen paar gymschoenen werd teruggegeven aan de verdachte.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de verdachte zal veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

- de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] zal afwijzen;

- het in beslag genomen paar gymschoenen zal worden teruggegeven aan de verdachte

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroepen vonnis moet worden vernietigd en:

- de verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit;

- de benadeelde partij [naam benadeelde partij] in haar vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard;

- het in beslag genomen paar gymschoenen moet worden teruggegeven aan de verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 februari 2008 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning ( gelegen aan de [adres aangeefster]) weg te nemen een of meer goederen van zijn/hun gading en/of een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen de poort van de achterplaats heeft verbroken en/of geforceerd en/of vervolgens een ruit van die woning heeft verbroken en/of ingegooid en/of vervolgens door dat raam die woning is binnen geklommen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Door het hof vastgestelde feiten

Het hof stelt op grond van de wettige bewijsmiddelen, waarnaar in de in deze kolom opgenomen noten wordt verwezen, het volgende vast.

Op 7 februari 2008 was [verbalisant 1] belast met de noodhulp ten behoeve van het district Tilburg. Hij was in uniform gekleed en reed in een opvallend dienstvoertuig. Tevens is de verbalisant hondengeleider binnen genoemd district en had hij zijn gecertificeerde diensthond [naam diensthond] bij zich.

Omstreeks 02:21 uur hoorde de verbalisant via de mobilofoon een melding betreffende een inbraak in de woning aan de [adres aangeefster] nummer [pandnummer] te Tilburg. De verbalisant besloot daarop in de richting van de [adres aangeefster] te gaan.

Onderweg kreeg hij via de meldkamer van de politie het telefoonnummer van de meldster die hij vervolgens belde. Tijdens het telefoongesprek dat hij daarop met haar voerde, zei de meldster onder meer tegen hem dat zij glasgerinkel hoorde en dat zij iemand in haar tuin zag lopen.

De verbalisant besloot daarop zijn diensthond uit zijn dienstvoertuig te halen en verder in de richting van de [adres aangeefster] te lopen. Toen hij ter hoogte van de brandgang kwam die bij het pand met nummer [pandnummer] hoort en deze in wilde lopen, kwamen er twee jongens op hem afgerend. Hij zag dat de achterste jongen, van wie de verbalisant vermoedde dat het een Somaliër was, uit een zijtak van de brandgang die parallel liep aan de woning van de meldster.

De verbalisant sommeerde de jongens te blijven staan en riep dat zij waren aangehouden. De voorste jongen bleef daarop staan. De verbalisant zag dat deze jongen een breekijzer in zijn handen had en dat vervolgens liet vallen. Voorts zag hij dat de achterste jongen zich omdraaide en de brandgang uitliep in de richting van de [straatnaam]. De verbalisant sommeerde hem te blijven staan omdat anders de diensthond zou worden ingezet. Hij zag dat de verdachte door bleef rennen en stelde vervolgens zijn hond op de verdachte.

Vervolgens deed de verbalisant zijn transportboeien om bij de verdachte die wel meewerkte. Korte tijd daarna hoorde hij vanuit de [straatnaam] gegil. Daarop rende hij samen met de eerst aangehouden verdachte in de richting van de [straatnaam]. Vervolgens zag de verbalisant dat de tweede verdachte in de bossages lag met aan zijn arm de diensthond.

De verbalisant is korte tijd later naar de achterzijde van de woning van de meldster gegaan. Hij zag dat de poort, die bij het pand met nummer [pandnummer] hoort, was opengebroken. Toen hij in de tuin was, zag hij dat de ruit aan de achterzijde van de woning was ingegooid middels een baksteen.

De als eerste aangehouden persoon bleek te zijn: [naam medeverdachte].

De met behulp van de diensthond aangehouden persoon bleek te zijn: de verdachte.

Bij een door de politie uitgevoerde fouillering bij de insluiting van verdachte [naam medeverdachte] werd bij hem een zwarte muts aangetroffen.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

A.

Op 7 februari 2008 werd door [naam aangeefster] aangifte gedaan van inbraak in haar woning aan [adres aangeefster] te Tilburg. Deze aangifte houdt -zakelijk weergegeven- het volgende in.

Op 7 februari 2008 lag ik mijn woning te slapen. Ik werd omstreeks 2:15 uur wakker van een knal en glasgerinkel.

Ik belde vervolgens de politie. De meldkamer vertelde mij dat er eenheden onderweg waren. Ik kreeg even later weer een telefoontje, nu was het een politieman die onderweg was naar mij. Hij vroeg mij zicht te blijven houden op de achtertuin. Ik deed dit vervolgens. Ik zag dat er personen mijn tuin in liepen. Ik zag twee personen. Eén van hen droeg een zwarte muts. De andere persoon was volgens mij een Somalische jongen, mager en vrij lang.

Ik bleef in de kamer zitten in een afwachtende houding. Vervolgens hoorde ik geluid in mijn woning en zag ik lampen schijnen. Ik wist niet of het de daders waren of de politie.

Ik hoorde dat er personen naar boven kwamen en ik hoorde één van hen zeggen: "He..daar zit ze", of woorden van gelijke strekking. Ik hoorde ook één van hen zeggen: "Blijf maar zitten", of woorden van gelijke strekking. Ik zag dat één van hen een breekijzer had.

De personen vertrokken vervolgens. Kort daarna hoorde ik een hoop gegil en het geluid van rennende personen. Later begreep ik van de politie dat er twee verdachten waren aangehouden. Ik bekeek mijn woning, maar volgens mij hebben ze niks meegenomen.

M.O.-omschrijving: Daders forceerden de poort en gooiden met een steen de achterruit in.

B.

Op 8 februari 2008 is medeverdachte [naam medeverdachte] door de politie gehoord. Zijn alstoen afgelegde verklaring houdt -zakelijk weergegeven- het volgende in.

Ik wil nu wel vertellen dat ik in die woning ben geweest.

Ik was op 7 februari 2008 tussen 02.00 uur en 03.00 uur in een brandgang. De naam van de straat weet ik niet. In mijn inverzekeringstelling staat dat het huis waar ik binnen ben geweest de woning (adres aangeefster] was. Ik ben via een poort de achterplaats ingelopen. De poort was opengebroken.

Wij waren met twee personen. Ik heb het gerinkel van het glas gehoord toen die ruit werd vernield. Ik heb dat raam toen ontgrendeld. Hierna heb ik het raam geopend. Het raam draaide naar buiten open, waarna ik naar binnen ben geklommen. Daarna volgde die tweede persoon.

Ik liep vervolgens via de trap naar de eerste verdieping om daar te gaan zoeken naar waardevolle spullen. Op de trap ging ik eerst naar boven waarna die tweede persoon mij volgde. Op de eerste verdieping zag ik in een kamer een jonge vrouw ineengedoken tegen de verwarming staan. Ik schrok en zei toen: "Daar zit iemand."

Toen ik de woning binnenging had ik een breekijzer in mijn handen met een rubber handvat en de andere zijde was gespleten om spijkers mee te trekken. Toen ik die vrouw zag, had ik dat breekijzer in mijn handen. Wij zijn toen naar buiten gevlucht waarna wij door de politie werden aangehouden.

Opmerking verbalisanten:

Wij, verbalisanten, toonden aan verdachte de foto van verdachte [naam verdachte]. Wij vroegen hem hierna of hij de persoon op die foto kende.

Wij hoorden dat hij zei: "Ja dat is die tweede persoon die ik in mijn verklaring noem."

C.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij van het ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken, omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

C.1.

Daartoe is door de raadsman onder meer aangevoerd dat de (hierboven weergegeven) door medeverdachte [naam medeverdachte] op 8 februari 2008 bij de politie afgelegde verklaring niet voor het bewijs mag worden gebruikt, omdat:

- [naam medeverdachte] voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld een advocaat te raadplegen, hetgeen volgens de zogeheten “Salduz-jurisprudentie” een onherstelbaar vormverzuim oplevert;

- [naam medeverdachte] bij dit verhoor door de verhorende verbalisanten onder onaanvaardbare druk is gezet;

- bij het verhoor aan [naam medeverdachte] slechts één foto van de verdachte is getoond, terwijl in het onderhavige geval een meervoudige fotoconfrontatie geboden was.

- [naam medeverdachte] ter terechtzitting in eerste aanleg zijn voor verdachte belastende verklaring heeft ingetrokken en zelfs bereid was om straf te ondergaan teneinde zijn onjuiste verklaring over verdachte te herstellen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.2

Uit de inhoud van het proces-verbaal van politie blijkt dat medeverdachte [naam medeverdachte] op 7 februari 2008 in het politiebureau is bezocht door de raadsman mr. M. Drenth, advocaat te Tilburg. [naam medeverdachte] heeft zich tijdens zijn eerste twee verklaringen, afgelegd op 7 en 8 februari 2008, op zijn zwijgrecht beroepen. Pas tijdens zijn derde verklaring, afgelegd op 8 februari 2008, heeft hij –als boven weergegeven- verklaard. De stelling dat de bewuste verklaring is afgelegd voordat [naam medeverdachte] in de gelegenheid is gesteld een advocaat te raadplegen, mist alzo feitelijke grondslag.

Ten overvloede overweegt het hof dat, ware dat anders geweest, het verweer toch geen doel zou treffen omdat het niet de verdachte is die door het vermeende verzuim is getroffen in enig rechtens te respecteren belang.

C.3

Ter onderbouwing van het betoog dat de verklaring van [naam medeverdachte] is afgelegd in strijd met het pressieverbod, heeft de raadsman aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat door de ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige gehoorde [verbalisant 2] onder meer is verklaard op de vraag of op [naam medeverdachte] bij voormeld verhoor druk was uitgeoefend: “Het is maar de vraag wat je onder druk verstaat”.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de omstandigheid dat [naam medeverdachte] bij zijn eerste twee verhoren heeft verklaard zich te beroepen op zijn zwijgrecht en eerst bij zijn derde verhoor een verklaring heeft afgelegd, steun biedt voor de stelling dat hij door de politie onder druk is gezet.

Het hof overweegt als volgt.

Anders dan de verdediging meent, vloeit uit voormelde getuigenverklaring van [verbalisant 2] geenszins dwingend voort dat deze de mogelijkheid heeft open gelaten dat door de politie bij voormeld verhoor ontoelaatbare druk is uitgeoefend op de medeverdachte [naam medeverdachte], zijnde het toch zeer wel voorstelbaar dat hij daarmede bijvoorbeeld tot uitdrukking wenste te brengen dat voor sommige verdachten de enkele omstandigheid dat zij van hun vrijheid zijn beroofd reeds als druk wordt ervaren.

Dat in de gegeven omstandigheid daadwerkelijk onaanvaardbare druk is uitgeoefend op [naam medeverdachte] vindt in de verklaring van de eveneens in eerste aanleg als getuige gehoorde [verbalisant 3] noch anderszins steun. De omstandigheid dat [naam medeverdachte] eerst bij zijn derde verhoor een belastende verklaring heeft afgelegd, is evenmin voor de gestelde druk redengevend, zijnde het toch een alledaags gegeven dat verdachten niet altijd aanstonds openheid van zaken geven.

C.4

De aan het verweer ten grondslag gelegde stelling dat door de politie niet kon worden volstaan met het tonen van slechts één enkele foto aan medeverdachte [naam medeverdachte], ziet eraan voorbij dat in een situatie als de onderhavige, waarin degene op wie de herkenning betrekking heeft voorafgaand aan de fotoherkenning reeds bij de betrokkene bekend is, een meervoudige fotoconfrontatie niet aangewezen is.

C.5

Uit het onderzoek ter terechtzitting is geen enkele aanwijzing naar voren gekomen op grond waarvan dient te worden getwijfeld aan het waarheidsgehalte van de gegispte verklaring. Daarbij is nog van betekenis dat [naam medeverdachte] inmiddels ter zake van zijn in eerste aanleg als getuige afgelegde andersluidende verklaring voor het plegen van meineed is veroordeeld.

Het hof acht de hierboven weergegeven verklaring van [naam medeverdachte] derhalve wèl betrouwbaar en bezigt die tot het bewijs.

C.6

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog aandacht gevraagd voor de in eerste aanleg overgelegde, voor de verdachte ontlastende, brief van zijn grootmoeder, waarin zij onder meer verklaart dat haar kleinzoon tot ongeveer 2.00 uur in de nacht in haar woning is geweest en dat zij hem niet in staat acht een feit als het onderhavige te begaan.

Nog daargelaten dat vanwege de nauwe familieband tussen de verdachte en zijn grootmoeder een dergelijke ontlastende verklaring niet veel gewicht in de schaal legt, laat de inhoud van de brief heel wel de mogelijkheid open dat verdachte, na bij zijn grootmoeder om 2.00 uur te zijn vertrokken, zich alsnog schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

C.7

Op grond van het vorenstaande wordt het verweer in al zijn onderdelen verworpen.

D.

Uit de hierboven onder A. weergegeven aangifte van [naam aangeefster] blijkt zij dat één van de personen die zij kort voorafgaand aan de inbraak in haar woning heeft gezien in haar tuin, heeft omschreven als een Somalische jongen, mager en vrij lang. Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep waargenomen dat de verdachte volledig voldoet aan dit signalement.

Daarnaast hecht het hof belang aan de omstandigheid dat de verdachte, zoals blijkt uit het hierboven vastgestelde feiten, direct na de onderhavige poging tot inbraak in de directe omgeving van de plaats van het delict is aangetroffen samen met [naam medeverdachte], die heeft bekend de inbraak (samen met verdachte) te hebben gepleegd.

Ten slotte is van belang dat uit de hierboven onder B. weergegeven verklaring van [naam medeverdachte], de verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep , noch uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [naam verbalisant 1] , van enige aanwijzing is gebleken die erop zou kunnen duiden dat naast [naam medeverdachte] en de verdachte nog een derde persoon ter plaatse is geweest.

Op grond daarvan acht het hof de door verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebrachte lezing, kort gezegd inhoudende dat hij ter plaatse kwam, dat de hem bekende [naam medeverdachte] hem tegemoet kwam rennen en naar hem riep dat hij “moest wegwezen”, dat hij vervolgens met [naam medeverdachte] mee is gaan rennen waarop zij een agent tegenkwamen die hen aanhield, ongeloofwaardig. Het hof gaat daar dan ook aan voorbij.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof ten laste van verdachte wettig en overtuigend bewezen dat hij:

hij op 7 februari 2008 te Tilburg ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres]) weg te nemen een of meer goederen van hun gading, toebehorende aan [naam slachtoffer], en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak en inklimming, met zijn mededader, de poort van de achterplaats heeft verbroken en een ruit van die woning heeft ingegooid en vervolgens door dat raam die woning is binnen geklommen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 45 junctis de artikelen 310 en 311, eerste lid onder 4° en 5°, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Het hof heeft -evenals de eerste rechter- bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake van dat feit veroordeeld tot:

- een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 90 uren subsidiair 45 dagen hechtenis;

- een gevangenisstraf voor de tijd van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot dezelfde straf als de eerste rechter.

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat hij door de politie is gehoord zonder dat hem voorafgaand aan dat verhoor de gelegenheid is geboden een advocaat te raadplegen, hetgeen volgens de zogeheten “Salduz-jurisprudentie” een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering oplevert.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de inhoud van het proces-verbaal van politie zijn aanwijzingen te ontlenen voor het tegendeel van hetgeen door de raadsman is gesteld. Uit de slotopmerkingen opgenomen in het ambtelijk verslag van [verbalisant 3] blijkt immers dat aan de verdachte als raadsman mr. J. van Rooijen is toegewezen.

Dat de verdachte ook daadwerkelijk door de raadsman is bezocht lijkt bevestiging te vinden in het stempel dat is geplaatst op het als bijlage 2 bij het proces-verbaal opgenomen “Verklaring optreden piket”. Vanwege de geringe leesbaarheid van dit (slecht gekopieerde) formulier kan daaromtrent echter geen uitsluitsel worden gegeven.

Indien en voor zover sprake is geweest van één of meer verhoren door de politie waarbij de verdachte niet in de gelegenheid is gesteld zich te laten bijstaan door een advocaat en aldus sprake is van een vormverzuim dat niet meer worden hersteld en waarvan de rechtsgevolgen niet uit de wet blijken, houdt het hof rekening met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt. Daarbij is doorslaggevend dat de verdachte bij alle verhoren door de politie zich is blijven beroepen op zijn zwijgrecht, althans geen voor zichzelf als belastend te beschouwen verklaring heeft afgelegd. Het hof vindt daarin aanleiding om te volstaan met de enkele -doch gezien het evenoverwogene voorwaardelijke- constatering van het verzuim.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate waarin het bewezen verklaarde feit schade teweeg heeft gebracht aan de eigenaar van de onderhavige woning dan wel diens verzekeraar, alsmede de mate van overlast en ergernis die door een dergelijk delict is veroorzaakt aan de gedupeerde;

- de mate waarin het bewezen verklaarde feit, zelfs gedurende een aanzienlijke de periode daarna, heeft geleid tot gevoelens van angst en onveiligheid bij de aangeefster, die ten tijde van de onderhavige inbraak, te weten: in de nachtelijk uren, thuis was en oog in oog kwam te staan met de daders.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 17 maart 2010, waaruit blijkt dat hij niet eerder met politie en/of justitie in aanraking is gekomen;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, in het bijzonder de omstandigheid dat de verdachte de MBO- opleiding Juridische Dienstverlening volgt, in dat kader een stage volgt bij een rechtsbijstandverzekeraar en op kamers woont;

- de omstandigheid dat de verdachte door zijn halsstarrige ontkenning van het feit kenbaar heeft gemaakt het laakbare van zijn handelen geenszins in te zien.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten, dienende als richtlijn voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid ten aanzien van diefstal uit een woning (woninginbraak).

Genoemde oriëntatiepunten geven als indicatie voor de op te leggen straf, een gevangenisstraf voor de duur van 10 weken, zijnde 70 dagen. Nu het in casu echter niet gaat om een voltooid delict maar om een poging tot inbraak zal het hof overeenkomstig het bepaalde bij artikel 45, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht dit uitgangspunt met één derde verlagen tot een gevangenisstraf voor de duur van (afgerond) 45 dagen.

Gelet echter op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, in het bijzonder de omstandigheid dat hij niet eerder met politie en/of justitie in aanraking is gekomen, acht het hof het niet noodzakelijk dat de verdachte thans nog zijn vrijheid zal worden ontnomen.

Het hof zal daarom in plaats van de overwogen gevangenisstraf beslissen tot oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor het hierna te vermelden aantal uren.

Voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren vervult, zal het hof bevelen dat aan hem vervangende hechtenis zal worden opgelegd voor de hierna te vermelden duur.

De hierboven vermelde omstandigheid dat de verdachte het laakbare van zijn handelen geenszins heeft ingezien, is voor het hof aanleiding om naast de op te leggen taakstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de hierna te melden duur op te leggen.

Met oplegging van een dergelijke voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp moet worden teruggegeven aan de verdachte, zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Vordering van de benadeelde partij

[benadeelde partij], wonende [adres] te [woonplaats], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend.

De eerste rechter heeft de vordering deels toegewezen, te weten: tot een bedrag van EUR 412,44.

De benadeelde partij heeft in hoger beroep gepersisteerd bij haar in eerste aanleg gedane vordering.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat de benadeelde partij inmiddels door verdachtes mededader geheel schadeloos is gesteld. Gelet daarop dient de vordering te worden afgewezen.

Het hof zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals die artikelen ten tijde van het bewezen verklaarde luidden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Veroordeelt verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- een paar sportschoenen, merk Lacoste.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij] af.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,

mr. H.D. Bergkotte en mr. J.J.H. van Laethem,

in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,

en op 4 mei 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.