Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM2783

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
29-04-2010
Zaaknummer
20-003859-07
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BT6553, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BT6553
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 289 Sr: moord, beginselen behoorlijke procesorde, onbevoegde hulpofficier, telefoontaps, onherstelbaar vormverzuim, alternatief scenario.

Het hof heeft de verdachte wegens moord op zijn echtgenote en het verbergen van het stoffelijk overschot in de Belgische Ardennen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaar.

Het hof heeft uit de bewijsmiddelen afgeleid dat verdachte zijn echtgenote heeft vermoord door op haar te schieten en ander geweld op haar hoofd uit te oefenen. Verdachte heeft volgens het hof in de logeerkamer van de woning in Uden geschoten, onder meer omdat daar een bloedspat is gevonden die door een schot met een luchtbuks kan zijn ontstaan. Omdat verdachte aanwezig was bij het eerste schot en hij binnen een kwartier de dood heeft zien intreden en er verder niemand thuis was, kan het volgens het hof niet anders zijn dan dat het verdachte is geweest die de dodelijke letsels heeft toegebracht.

Door de verdediging was aangevoerd dat verdachte per ongeluk in de Belgische Ardennen in het hoofd van het slachtoffer heeft geschoten, maar dat zij niet daardoor om het leven is gekomen. Het dodelijk letsel zou zijn toegebracht door verdwaalde jachtmunitie verschoten door derden. Volgens de verdediging zou het onderzoek van de diverse deskundigen aan de schedel dit alternatieve scenario niet uitsluiten. Het hof acht dit scenario niet aannemelijk en is daarbij uitgebreid ingegaan op de bevindingen van diverse deskundigen over de beschadigingen in de schedel.

In deze zaak speelde ook het probleem van de onbevoegde hulpofficier van justitie, die de inverzekeringstelling van verdachte heeft bevolen. Het hof heeft beslist dat weliswaar is gehandeld in strijd met de wet, maar dat dit niet leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie. Verdachte heeft daarvan ook geen concreet nadeel heeft ondervonden. Het hof heeft volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan.

Voorts heeft het hof een onherstelbaar vormverzuim geconstateerd met betrekking tot de telefoontaps. Ook hier was er geen concreet nadeel voor verdachte en is volstaan met de enkele vaststelling van het vormverzuim.

Het verweer van de verdediging dat een opeenstapeling van vormverzuimen en onzorgvuldig handelen van de zijde van het openbaar ministerie dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wordt door het hof verworpen omdat deze vormverzuimen noch afzonderlijk, noch gezamenlijk tot de conclusie leiden dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Het hof heeft hier, omdat ook in totaliteit geen nadeel voor verdachte is ontstaan, volstaan met de vaststelling dat deze vormverzuimen zijn begaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-003859-07

Uitspraak : 29 april 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 oktober 2007 in de strafzaak met parketnummer 01-849338-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,

thans verblijvende in Den Haag PPC te 's-Gravenhage.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft, anders dan in de schriftelijke vordering is vermeld, ter terechtzitting gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende:

- het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren voor de onder feit 2 onder het tweede gedachtenpunt (de periode van 31 augustus 2006 tot en met 1 september 2006) ten aanzien van het op Duits grondgebied plegen van het ten laste gelegde;

- zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte onder 1 (moord) en onder 2 overigens is ten laste gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, met teruggave van het in beslag genomen hangertje aan [betrokkene 1] en met een beslissing omtrent de overige in beslag genomen goederen conform de beslissing in eerste aanleg.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2006 tot en met 31 augustus 2006 te Uden, althans in Nederland en/of in de gemeente Baelen (België), althans in België, opzettelijk (en al dan niet met voorbedachten rade) [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet (en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg) (met een luchtdrukwapen en/of een ander wapen) eenmaal of meermalen op en/of in het hoofd van die [slachtoffer] geschoten en/of (met een of meer harde voorwerpen) eenmaal of meermalen op het hoofd van die [slachtoffer] geslagen en/of anderszins geweld op het hoofd van die [slachtoffer] toegepast, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 juli 2006 tot en met 1 september 2006 te Uden en/of elders in Nederland en/of in de gemeente Baelen (België) en/of elders in België en/of in Duitsland, een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer], heeft verborgen en/of heeft weggevoerd en/of heeft weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers heeft/is verdachte met voormeld oogmerk:

• in of omstreeks de periode van 01 juli 2006 tot en met 31 augustus 2006

- in Uden en/of elders in Nederland en/of in de gemeente Baelen (België) en/of elders in België het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] in plastic en/of in een of meer dekens en/of in een dekbed en/of een dekbedovertrek ingepakt en/of

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] (vanuit Uden, in elk geval vanuit Nederland) naar en/of in België vervoerd en/of

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] in België in (de rand van) een (dicht begroeid) bos gelegd en/of (vervolgens) aldaar achtergelaten;

en/of

• in of omstreeks de periode van 31 augustus 2006 tot en met 1 september 2006:

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] in de gemeente Baelen, in elk geval in België uit het bos gehaald en/of (vervolgens)

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] in de gemeente Baelen, in elk geval in België in zijn, verdachtes, auto gelegd en/of (vervolgens)

- met die auto (vanuit en door België) naar Duitsland gereden en/of in Duitsland gereden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of omissies voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

A. Toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet

Zowel door de advocaat-generaal als door de verdediging is aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging voor wat betreft het gedeelte van het onder 2 ten laste gelegde feit waar is vermeld dat dit feit in Duitsland is gepleegd.

Het hof overweegt het volgende.

Kennelijk heeft de steller van de tenlastelegging beoogd onder 2 ten laste te leggen het meermalen plegen van het misdrijf van art. 151 Sr.

Nu niet is voldaan aan de in art. 5, eerste lid onder 2 Sr gestelde voorwaarde van dubbele strafbaarheid voor wat betreft het in Duitsland gepleegd zijn van het ten laste gelegde, zal het hof het openbaar ministerie voor dit onderdeel niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging.

B. Beginselen van een behoorlijke procesorde

Door de verdediging is het verweer gevoerd dat in de onderhavige zaak een opeenstapeling van vormverzuimen en onzorgvuldig handelen van de zijde van het openbaar ministerie heeft plaatsgevonden, waardoor de waarheidsvinding in het geding is gekomen en de verdediging op onherstelbare wijze in haar belangen is geschaad. Er is niet alleen sprake van handelen in strijd met de wet, maar ook van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.

De verdediging heeft de navolgende omstandigheden naar voren gebracht waarbij sprake zou zijn geweest van vormverzuimen en/of onzorgvuldig handelen:

1. schending van het onmiddellijkheidsbeginsel door het niet kunnen horen van Duitse verbalisanten;

2. onthouding van rechtsbijstand na aanhouding in Duitsland;

3. onzorgvuldig en niet adequaat onderzoek op Belgisch grondgebied;

4. onrechtmatig optreden van ‘hulpofficier van justitie’ bij de inverzekeringstelling in Nederland;

5. misleiding van verdachte tijdens verhoren;

6. geen mogelijkheid tot het laten verrichten van contra-expertise als gevolg van vernietiging van het stoffelijk overschot;

7. geen mogelijkheid tot het laten verrichten van contra-expertise als gevolg van het onzorgvuldig omgaan met het aangetroffen plastic zeil;

8. het niet vernietigen van geheimhoudersgesprekken.

Het hof overweegt dienaangaande het navolgende.

Vooropgesteld dient te worden dat niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. Voorts komt niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging als rechtsgevolg in aanmerking indien een ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij het wettelijk systeem in de kern is geraakt.

1. Schending van het onmiddellijkheidsbeginsel door het niet kunnen horen van de Duitse verbalisanten.

Door de verdediging is aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat, nu de verdediging niet de mogelijkheid heeft gehad de Duitse verbalisanten te bevragen over de informatie die aan de Duitse autoriteiten is verstrekt ten behoeve van de aanhouding van verdachte en –naar het hof begrijpt- over het onthouden van rechtsbijstand aan verdachte, de stelling van de verdediging dat een kunstgreep is toegepast om de aanhouding van verdachte te bewerkstelligen en dat verdachte in Duitsland ten onrechte rechtsbijstand is onthouden- niet kan worden getoetst. Daardoor is de verdediging en het hof niet de mogelijkheid geboden verbalisanten te ondervragen en te confronteren met de argumenten van de verdediging en de betrouwbaarheid zelf te beoordelen. De verdediging is door deze gang van zaken in haar belangen geschaad.

Het hof overweegt het navolgende.

Het hof stelt voorop dat de Duitse verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] na de daartoe gegeven opdracht van het hof en het terzake gedane rechtshulpverzoek op 26 januari 2009 respectievelijk 3 februari 2009 in Duitsland als getuigen zijn gehoord. In het rechtshulpverzoek is vermeld dat de getuigen (onder meer) kunnen worden bevraagd over de wijze waarop de aanhouding van verdachte heeft plaatsgehad en over de vraag of verdachte rechtsbijstand is onthouden. Bij het verhoor hebben de verbalisanten verklaringen afgelegd over hun betrokkenheid bij de onderhavige zaak.

De verhoren van de verbalisanten hebben echter plaatsgevonden buiten aanwezigheid van de verdediging en de advocaat-generaal en zonder dat hen de gelegenheid is geboden vragen te stellen of te doen stellen.

Aan de Duitse autoriteiten is, na een daartoe strekkende beslissing van het hof, verzocht hun medewerking te verlenen aan het horen van de getuigen in aanwezigheid van de verdediging en de advocaat-generaal. In antwoord hierop is door de Duitse justitiële autoriteiten bericht dat een nieuw verhoor van de verbalisanten niet noodzakelijk wordt geacht. Ter toelichting wordt vermeld dat door de betreffende politieambtenaren verklaringen zijn afgelegd, dat [verbalisant 2] en [verbalisant 3] over de feitelijke toedracht van de zaak geen uitspraken kunnen doen en dat [verbalisant 1] slechts kort met de verdachte heeft gesproken en daarover reeds uitvoerig heeft verklaard.

Het hof heeft vervolgens het verzoek van de raadsman om in de gelegenheid te worden gesteld de getuigen vragen te stellen en hen daartoe opnieuw te doen horen, afgewezen, zulks gelet op de opstelling van de Duitse justitiële autoriteiten.

Het hof acht voor de beoordeling van het verweer het navolgende van belang.

De verdediging heeft verzocht de Duitse verbalisanten te horen over –kort samengevat- a) de aanhouding van verdachte in Duitsland en b) het onthouden van rechtsbijstand in Duitsland. Ter toelichting op dit verzoek heeft de verdediging gesteld dat het voor wat betreft de aanhouding met name gaat om de informatieverstrekking: door de Nederlandse autoriteiten zou mogelijk een reden van aanhouding van verdachte door de Duitse autoriteiten kunstmatig gecreëerd zijn. Een aanwijzing hiervoor zou zijn dat de Belgische autoriteiten kennelijk onvoldoende grond aanwezig achtten voor aanhouding van verdachte en de omstandigheid dat Duitse verbalisanten de informatie hebben gekregen dat verdachte (vuur)wapengevaarlijk zou zijn. Deze informatie zou een kunstgreep kunnen zijn om de aanhouding van verdachte te bewerkstelligen. Voor wat betreft het onthouden van rechtsbijstand zou verdachte niet zijn gewezen op zijn recht op rechtsbijstand, dan wel zou hem rechtsbijstand ‘actief’ zijn onthouden.

Ad a) De aanhouding van verdachte in Duitsland.

Uit de processtukken en uit het verhandelde ter zitting blijkt het navolgende.

Bij observatie van verdachte is waargenomen dat hij op 31 augustus 2006 naar de Belgische Ardennen is gereden en aldaar tweemaal vanuit een bosperceel een pakket naar zijn auto heeft gebracht en in de kofferbak heeft gelegd. Door de leider van het observatieteam is verklaard dat het vermoeden bestond dat het hier ging om de vermiste [slachtoffer]. Verdachte is vervolgens weggereden en Duitsland ingereden en is daarbij door het Nederlands observatieteam gevolgd. De leider van het observatieteam heeft hierover verklaard dat door het tactisch team en de officier van justitie was bepaald dat de observatie moest worden voortgezet. De verwachting was dat verdachte naar Nederland zou rijden. Toen bleek dat verdachte niet meer naar Nederland zou rijden, is contact opgenomen met de officier van justitie en besloten om over te gaan tot aanhouding van verdachte door de Duitse politie. Volgens de leider van het observatieteam is er op enig moment over gesproken dat verdachte over een wapen of een luchtdrukwapen kon beschikken.

Na een daartoe strekkend mondeling rechtshulpverzoek door de officier van justitie aan de Duitse autoriteiten is verdachte vervolgens op 1 september 2006 om 00:25 uur door een Duitse arrestatie-eenheid (SEK) aangehouden op een parkeerplaats aan de A1, gemeente Harpstedt, Duitsland.

Volgens de zich in het dossier bevindende zogenaamde Festnahmeanzeige was de grond voor aanhouding van verdachte de verdenking ter zake van moord op [slachtoffer]. Het mondeling aanhoudingsverzoek is op 1 september 2006 middels een Europees arrestatiebevel geformaliseerd. Het Europees arrestatiebevel vermeldt als grond voor aanhouding de verdenking ter zake van moord cq doodslag op [slachtoffer].

In het dossier bevindt zich voorts een schriftelijk stuk betreffende de inzet van de SEK, waarbij onder het kopje Einsatzgrund wordt vermeld dat er sprake zou zijn van een levensdelict en dat zich in de kofferruimte van de auto vermoedelijk een stoffelijk overschot bevindt.

Uit het voorgaande blijkt dat de grond voor aanhouding van verdachte door de Duitse autoriteiten was gelegen in de verdenking ter zake van moord of doodslag. Dat daarbij aan de Duitse autoriteiten informatie zou zijn verstrekt dat verdachte over een wapen of een luchtdrukwapen kon beschikken maakt dit niet anders.

De Duitse verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] hebben terzake als getuigen gehoord verklaard dat zij slechts belast waren met de voorgeleiding van verdachte bij het Amtsgericht en met het vervoer van verdachte naar de gevangenis. Over de aanhouding van verdachte kunnen zij geen verklaring afleggen.

De Duitse verbalisant [verbalisant 1] heeft als getuige verklaard de aanhouding van verdachte niet uitgevoerd te hebben; op 1 september 2006 omstreeks 01:00 uur is hij over de aanhouding van verdachte wegens verdenking van moord geïnformeerd.

ad b) Het onthouden van rechtsbijstand.

Verdachte is tijdens de voorgeleiding aan een rechter van het Amtsgericht op de hoogte gesteld van zijn recht op rechtsbijstand. Daarbij was een tolk in de Nederlandse taal aanwezig. Verdachte was derhalve op de hoogte van zijn recht op bijstand door een advocaat.

Verdachte heeft ter zitting van het hof van 18 december 2009 verklaard dat hij op meerdere momenten om rechtsbijstand heeft gevraagd. Dit komt echter niet overeen met zijn verklaring ter zitting van het hof op 21 oktober 2009, te weten dat hij in Duitsland niet om rechtsbijstand heeft verzocht. Het hof houdt verdachte aan laatstgenoemde verklaring dat hij niet om rechtsbijstand heeft verzocht.

[verbalisant 1] heeft als getuige dienaangaande verklaard dat hij verdachte onder meer heeft gewezen op zijn recht een advocaat te raadplegen en dat verdachte tegenover hem niet de wens heeft geuit een Duitse advocaat te mogen bellen om zijn belangen waar te nemen. Uit een zich in het dossier bevindend schriftelijk stuk van 1 september 2006 blijkt dat, hoewel verdachte gebroken Duits sprak, een gesprek met [verbalisant 1] wel mogelijk was.

De verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] waren blijkens hun verklaringen slechts belast met het vervoer van verdachte naar het Amtsgericht en vervolgens naar de gevangenis.

Beoordeling van het verweer.

Voor wat betreft hetgeen door de verdediging is aangevoerd met betrekking tot de aanhouding van verdachte in Duitsland stelt het hof voorop dat noch uit de zich in het dossier bevindende stukken, noch uit de door de Duitse verbalisanten afgelegde verklaringen, noch anderszins aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat door de Nederlandse autoriteiten kunstmatig een reden voor aanhouding is gecreëerd dan wel dat de aanhouding anderszins niet op juiste gronden zou hebben plaatsgevonden. Uit hetgeen hiervoor is overwogen blijkt immers dat het vermoeden bestond dat verdachte het lichaam van [slachtoffer] had opgehaald, dat op enig moment is besloten tot aanhouding van verdachte over te gaan en dat de grond voor aanhouding van verdachte voor de Duitse autoriteiten was gelegen in de verdenking ter zake van een levensdelict.

De Duitse verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3] zijn op verzoek van de verdediging over de door de verdediging opgeworpen vraagpunten als getuigen gehoord en hebben verklaringen afgelegd. Door de verdediging is overigens niet nader gespecificeerd over welke punten, waarover die verbalisanten zouden kunnen verklaren, de verdediging deze verbalisanten had willen bevragen en met welke argumenten de verdediging hen had willen confronteren.

Hetgeen door de verdediging aan het verweer ten grondslag is gelegd levert niet op een grond voor niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. De door de verdediging aangevoerde argumenten leiden niet tot de gevolgtrekking dat ernstig inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan of waarbij het wettelijk systeem in de kern is geraakt.

2. Onthouden van rechtsbijstand na aanhouding in Duitsland

Door de verdediging is aangevoerd –zakelijk weergegeven- dat verdachte in Duitsland niet op adequate wijze op zijn rechten is gewezen en geen rechtsbijstand heeft gehad. Deze gang van zaken is, aldus de verdediging, ontoelaatbaar.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Uit hetgeen hiervoor onder 1. is overwogen blijkt dat verdachte tijdens de voorgeleiding door een rechter van het Amtsgericht, in het bijzijn van een tolk in de Nederlandse taal, op de hoogte is gesteld van zijn recht op rechtsbijstand. Verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat hij in Duitsland niet om rechtsbijstand heeft verzocht. Tijdens zijn verblijf in detentie in Duitsland heeft verdachte geen verklaringen afgelegd die tot bewijs in de onderhavige strafzaak zouden kunnen dienen. Verdachte is na aankomst in Nederland voorzien van rechtsbijstand.

De omstandigheid dat verdachte in Duitsland geen rechtsbijstand heeft gehad levert geen grond op voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging. Uitgangspunt is dat het recht op rechtbijstand als bedoeld in art. 6, derde lid EVRM niet ziet op de uitleveringsprocedure, nu die procedure niet strekt tot het bepalen van de gegrondheid van een tegen de opgeëiste persoon ingestelde strafvervolging als bedoeld in art. 6, eerste lid EVRM. Los daarvan zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen dat door het ontbreken van rechtsbijstand in Duitsland aan het recht van verdachte op een eerlijk strafproces in Nederland is tekortgedaan. Hetgeen aan het verweer ten grondslag is gelegd leidt dan ook niet tot het oordeel dat ernstig inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan of dat daardoor het wettelijk systeem in de kern is geraakt.

3. Onzorgvuldig en niet adequaat onderzoek op Belgisch grondgebied.

Door de verdediging is –zakelijk weergegeven- aangevoerd dat geen adequaat (technisch) onderzoek is verricht op de plaats waar verdachte het stoffelijk overschot van zijn echtgenote heeft aangetroffen. Door het gebrekkige onderzoek ter plaatse –zoals het onprofessioneel markeren van de plaats waar de auto van verdachte heeft gestaan, het niet onderzoeken van grondmonsters, het niet onderzoeken door middel van een metaaldetector, het niet raadplegen van specialisten- is het zeer wel mogelijk dat op de verkeerde plaats is gezocht naar sporen en dat cruciale sporen, mogelijk ook voor verdachte ontlastende sporen, niet zijn veiliggesteld en onderzocht kunnen worden. Een aanwijzing dat op de verkeerde plaats is gezocht is de omstandigheid dat met speurhonden niet eenduidig de plaats kon worden vastgesteld waar het slachtoffer zou hebben gelegen. Verdachte heeft aangeboden de betreffende plaats aan te wijzen, doch het heeft vervolgens enkele maanden geduurd voordat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld. Verdachte was toen niet meer in staat de exacte plaats aan te wijzen waar het stoffelijk overschot had gelegen en technisch onderzoek is toen niet verricht. Door onzorgvuldig onderzoek ter plaatse is cruciaal, wellicht ontlastend materiaal verloren gegaan, aldus de verdediging. Zou verdachte in België, toen hij het stoffelijk overschot van het slachtoffer ophaalde, onmiddellijk zijn aangehouden, dan had men voldoende zekerheid gehad omtrent de plaats waar het slachtoffer heeft gelegen. Door op dat moment niet over te gaan tot aanhouding, is een cruciale beoordelingsfout gemaakt, met aanzienlijke consequenties, aldus de verdediging.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Het hof stelt voorop dat het in de eerste plaats verdachte zelf is geweest die door zijn gedragingen –het gedurende twee maanden verborgen houden van het stoffelijk overschot van het slachtoffer in een bos in de Belgische Ardennen en het uit het bos halen en in de auto leggen en wegvoeren daarvan- een onderzoek naar de plaats waar de stoffelijke resten van het slachtoffer hebben gelegen, ernstig heeft bemoeilijkt.

Verdachte is geobserveerd toen hij het stoffelijk overschot van het slachtoffer uit een bos in de Belgische Ardennen ophaalde, in zijn auto legde en daarmee wegreed. Door het tactisch team en door de officier van justitie is toen bepaald dat de observatie moest worden voortgezet en dat daarbij leidend was de twee pakketten waarmee verdachte had gelopen, te volgen. Dat hierbij een cruciale beoordelingsfout zou zijn gemaakt, zoals de verdediging stelt, is geenszins aannemelijk geworden.

Tijdens de observatie ter plaatse heeft men verdachte niet kunnen waarnemen op het moment dat hij zich in het bos bevond. De leider van het observatieteam heeft ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard dat de plaats waar de auto van verdachte had gestaan is gemarkeerd door het neerleggen van een steen. Bij de observatie was een Belgische opsporingsambtenaar, [verbalisant 4], betrokken. [verbalisant 4] heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat hij bij het onderzoek op 1 september 2006, derhalve een dag na de observatie van verdachte, nog de plaats wist waar verdachte op 31 augustus 2006 gezien was. Hij had op 31 augustus de Nederlandse politieambtenaren die het bos waren ingegaan weer uit het bos gehaald. Daarom wist hij op 1 september nog de plaats waar verdachte gezien was. De Nederlandse opsporingsambtenaren hebben hem toen de steen die de plaats markeerde aangewezen. De plaats waar verdachte zijn voertuig heeft geparkeerd, waar hij het bos is ingegaan en waar hij het bos is uitgekomen is nauwkeurig in kaart gebracht. Het gaat om een brandgang vlakbij de chemin de la Robinette. Bij het onderzoek op 19 december 2006 heeft [verbalisant 4] de markeringssteen weer gezien en de plaats herkend. Hij was helemaal zeker van die plaats. Ook de leider van het observatieteam heeft toen de betreffende steen weer gezien en de omgeving herkend.

Voorts zijn bij het onderzoek op 1 september 2006 in de brandgang in het bos waar verdachte zijn auto zou hebben stilgezet, bandensporen aangetroffen die qua profilering overeen kwamen met de banden gemonteerd op de auto waarin verdachte het slachtoffer heeft vervoerd.

Bij het onderzoek op 1 september 2006 heeft men mede met behulp van speurhonden getracht de plaats te traceren waar het stoffelijk overschot van het slachtoffer heeft gelegen, doch men is er niet in geslaagd die plaats met zekerheid te bepalen. Er zijn bij het onderzoek verder geen sporen aangetroffen.

Nadat verdachte zich bereid had verklaard de plaats aan te wijzen waar hij het stoffelijk overschot van het slachtoffer uit het bos heeft gehaald, is na een daartoe strekkend rechtshulpverzoek verdachte daartoe in de gelegenheid gesteld. Er zijn geen aanwijzingen dat daarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte is gedraald. Door verdachte is toen geen duidelijkheid gegeven over de plaats waar het stoffelijk overschot van het slachtoffer heeft gelegen.

Dat door onzorgvuldig en/of inadequaat optreden niet op de juiste plaats zou zijn gezocht naar de plaats waar het stoffelijk overschot heeft gelegen, zoals door de verdediging wordt verondersteld, is gelet op het voorgaande niet aannemelijk. Dat de speurhonden de betreffende plaats niet met zekerheid hebben kunnen aanwijzen maakt dit niet anders. Het hof verwijst in dat verband naar de door[verbalisant 5] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring dat beide honden voor een bepaalde plaats meer aandacht hadden dan voor andere plaatsen, dat het ging om een plaats die gelegen was aan de rand van water en dat niet slechts één hond, maar beide honden op die plaats aarzelden. Uit die verklaring blijkt voorts dat niet valt uit te sluiten dat door weersomstandigheden en/of veranderingen in het terrein geuren al waren weggevloeid op het moment dat ter plaatse onderzoek werd verricht.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een onzorgvuldig en niet adequaat onderzoek waarbij ernstig inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

4. Onrechtmatig optreden van ‘hulpofficier van justitie’ bij de inverzekeringstelling in Nederland.

Door de verdediging is aangevoerd –zakelijk weergegeven- dat in de onderhavige zaak de inverzekeringstelling van verdachte is bevolen door een persoon die onbevoegd optrad als hulpofficier van justitie. Daardoor was de vrijheidsberoving van verdachte in strijd met het bepaalde in art. 5 EVRM en is sprake geweest van misleiding van de rechter-commissaris, dan wel is de controlerende taak van de rechter in enig opzicht belet. De rechter-commissaris zou immers, indien hij van de onbevoegdheid op de hoogte was geweest, de inverzekeringstelling onrechtmatig hebben beoordeeld wegens strijd met de in de wet neergelegde vormvoorschriften en/of met de beginselen van een goede procesorde. Door het onbevoegd optreden staat de integriteit van de opsporing op het spel. Dit levert op een onherstelbaar ernstig vormverzuim hetwelk, gelet op de aard van het vormvoorschrift en het belang dat het beoogt te beschermen, het juridisch systeem in de kern raakt. Een extra argument is dat het gaat om een bewust en zwaar vergrijp van de betreffende ‘hulp-officier van justitie’.

Het hof overweegt het volgende.

In de onderhavige zaak is verdachte, nadat hij op 8 september 2006 door de Duitse autoriteiten was overgedragen aan de Nederlandse autoriteiten, op dezelfde dag in verzekering gesteld wegens verdenking van moord c.q. doodslag en in dat kader verhoord. Bij dit verhoor heeft verdachte geen verklaring afgelegd die tot bewijs in de onderhavige strafzaak zou kunnen dienen. De officier van justitie is onverwijld van het bevel tot inverzekeringstelling in kennis gesteld. In opdracht van de officier van justitie is het bevel tot inverzekeringstelling verlengd. Door de rechter-commissaris is de inverzekeringstelling niet onrechtmatig geoordeeld en is vervolgens een bevel tot bewaring verleend.

Uit de door de advocaat-generaal ter zitting in hoger beroep gegeven toelichting blijkt dat het ernstig vermoeden is gerezen dat in de onderhavige zaak bij het bevel tot inverzekeringstelling van verdachte en bij het verhoor voor de inverzekeringstelling een inspecteur van politie is opgetreden als hulpofficier van justitie zonder over het daartoe vereiste certificaat te beschikken. Gelet op het door de raadsman gevoerde verweer dient het hof op basis van de eerst ter zitting in hoger beroep bekend geworden feiten zelfstandig een oordeel te geven over de vraag of is voldaan aan de in artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering geformuleerde eis dat het bevel tot inverzekeringstelling slechts kan worden verleend door de officier van justitie of de hulpofficier van justitie en, indien aan die eis niet is voldaan, of daaraan het door de raadsman genoemde rechtsgevolg dient te worden verbonden. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen staat daaraan niet in de weg, omdat het in casu niet gaat om de toetsing van de beslissing van de rechter-commissaris met betrekking tot de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling.

Het hof stelt vast dat het bevel tot inverzekeringstelling is gegeven door een niet daartoe bevoegde opsporingsambtenaar. In zoverre is derhalve gehandeld in strijd met artikel 57 van het Wetboek van Strafvordering. Dit brengt op zich genomen echter nog niet mee dat daardoor de integriteit van de opsporing op het spel is komen te staan, ook niet indien sprake zou zijn van strafbare feiten, gepleegd door de betreffende inspecteur van politie.

Ook hetgeen aan het verweer overigens ten grondslag is gelegd, misleiding van de rechter, schending van het bepaalde in art. 5 EVRM, leidt niet tot de gevolgtrekking dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging omdat ernstig inbreuk zou zijn gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan of waarbij het wettelijk systeem in de kern is geraakt. Dit is niet anders indien ervan wordt uitgegaan dat sprake is geweest van strafbaar handelen door de betreffende inspecteur van politie.

Aangezien vrijheidsbeneming tot de meest verstrekkende dwangmiddelen binnen de strafrechtspleging behoort, moet het in de wet opgenomen vereiste van betrokkenheid van ten minste een hulpofficier van justitie bij de inverzekeringstelling als een belangrijke waarborg worden beschouwd. Er zijn uit het verhandelde ter zitting evenwel geen aanwijzingen naar voren gekomen dat verdachte door het verzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden. Zo zijn er geen aanwijzingen dat de inverzekeringstelling van verdachte niet zou zijn bevolen indien de beslissing met betrekking tot de inverzekeringstelling was gegeven door een bevoegde hulpofficier van justitie. Ook door de verdediging zijn geen omstandigheden naar voren gebracht die erop wijzen dat verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden.

Het hof volstaat met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. Het hof merkt overigens op dat inmiddels een strafrechtelijk onderzoek is gestart door de Rijksrecherche, onder leiding van het Landelijk Parket, en dat bij gebleken onregelmatigheden en/of onrechtmatigheden arbeidsrechtelijke en/of strafrechtelijke consequenties voor de betrokken politieambtenaar kunnen volgen.

5. Misleiding van verdachte tijdens verhoren.

Door de verdediging is aangevoerd –zakelijk weergegeven- dat tijdens het verhoor van verdachte op 19 september 2006 door de verbalisanten aan verdachte onjuiste mededelingen zijn gedaan omtrent de onderzoeksresultaten aan de schedel van het slachtoffer. Verdachte is op een actieve wijze misleid. Los van de vraag of verdachte in zijn belangen is geschaad, levert dit op een fundamentele inbreuk op de rechtsorde. De rechtspleging is daarmee immers in haar kern geraakt, aldus de verdediging.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Van het betreffende verhoor van verdachte zijn audiovisuele opnamen gemaakt en het verhoor is woordelijk uitgewerkt in een proces-verbaal waardoor controle op de gang van zaken mogelijk is. Daaruit blijkt dat de verhorende verbalisanten verdachte hebben voorgehouden dat er meerdere beschadigingen in de schedel van het slachtoffer zijn aangetroffen en dat zij daarbij gebruik hebben gemaakt van de in het voorlopig sectierapport beschreven bevindingen van de patholoog. Dat de weergave van de bevindingen niet steeds geheel juist is geweest brengt op zich genomen nog niet mee dat verdachte ‘actief is misleid’ en dat daarmee een fundamentele inbreuk is gemaakt op de rechtsorde. De verbalisanten hebben immers tijdens het verhoor de verdachte inzage gegeven in het voorlopig sectierapport. Verdachte is toen ook in de gelegenheid gesteld het rapport te lezen en verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard het rapport ook te hebben gelezen.

Verdachte is derhalve door de verbalisanten in de gelegenheid gesteld zichzelf op de hoogte te stellen van de bevindingen van de patholoog en de juistheid van de informatie die hem tijdens het verhoor van de verbalisanten werd voorgehouden, zelf te toetsen.

De gang van zaken bij het verhoor levert dan ook geen grond op voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.

6. Geen mogelijkheid tot het laten verrichten van contra-expertise als gevolg van vernietiging van het stoffelijk overschot met uitzondering van de schedel.

Door de verdediging is –zakelijk weergegeven- aangevoerd dat, nu op 5 september 2006 met toestemming van het openbaar ministerie de stoffelijke resten van het slachtoffer, met uitzondering van de schedel, zijn vrijgegeven, de verdediging niet of onvoldoende in de gelegenheid is gesteld in volle omvang gebruik te maken van het recht op tegenonderzoek. Hierdoor is mogelijk ontlastend bewijsmateriaal verloren gegaan. Zulks terwijl, gelet op de aard van de verdenking en de bevindingen zoals beschreven in het voorlopig sectierapport, rekening diende te worden gehouden met de mogelijke wens een nader onderzoek te laten verrichten. Verdachte is niet uitdrukkelijk gewezen op de mogelijkheid van het laten verrichten van een tegenonderzoek en aan de verdediging zijn niet tijdig stukken verstrekt op basis waarvan gemotiveerd om een tegenonderzoek verzocht had kunnen worden. Voorts laat de kwaliteit van de fotografische opnamen te wensen over en is nagelaten radiologisch onderzoek te verrichten. Onderzoek van de stoffelijke resten had duidelijkheid kunnen verschaffen over dierlijke activiteit, doch deze mogelijkheid is de verdediging ontnomen. Er is gehandeld in strijd met het beginsel van de equality of arms.

Bovendien dient de kwaliteit van de sectie in twijfel te worden getrokken. De vraag is namelijk of er bij de Nederlandse deskundigen niet te weinig kennis is met betrekking tot het detecteren van metaaldeeltjes. Voorts zijn door de deskundigen van de University of Tennessee meer defecten aan de schedel vastgesteld dan door de deskundigen van het NFI wordt gerapporteerd en is door hen de kwaliteit van de foto’s die tijdens de sectie zijn gemaakt bekritiseerd.

Het voorgaande levert op een onherstelbare ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij is gehandeld met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte op diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Een dergelijk ernstig vormverzuim dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, aldus de verdediging.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het obductieverslag van 8 september 2006 van F.R.W. van de Goot, arts en patholoog, beëdigd deskundige bij het Nederlands Forensisch Instituut, blijkt dat op 2 september 2006 op het stoffelijk overschot van het slachtoffer sectie is verricht teneinde de identiteit en zo mogelijk de doodsoorzaak vast te stellen. Door de deskundige wordt bij de sectie op het stoffelijk overschot geconstateerd dat er een stadium was van zeer ver gevorderde ontbinding. Het lichaam was vrijwel geheel geskeletteerd. Vrijwel alle organen waren totaal vervloeid, daarvan was geen beoordeling meer mogelijk. Er waren geen aanwijzingen voor het mechanisch uit elkaar nemen van het lichaam. Door de deskundige zijn bij de sectie van het stoffelijk overschot letsels geconstateerd. Deze letsels werden geconstateerd aan de schedel van het slachtoffer. In het rapport heeft de deskundige de beschadigingen aan de schedel beschreven. Geconcludeerd wordt dat sterke aanwijzingen zijn gevonden voor hevig geweld op het hoofd, waaronder schotletsel en botsend geweld en dat, indien bij leven opgelopen, dit het intreden van de dood zonder meer zou kunnen verklaren.

De schedel van het slachtoffer is vervolgens bewaard gebleven voor nader sporenonderzoek.

Uit de hiervoor weergegeven bevindingen van de deskundige leidt het hof af dat de deskundige bij het onderzoek aan de overige delen van het lichaam kennelijk geen andere ter zake dienende aanwijzingen heeft gevonden die de dood van het slachtoffer zouden kunnen verklaren.

Het hof ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht en uit het onderzoek ter zitting is gebleken geen aanleiding aan de kwaliteit van de sectie te twijfelen. De door de verdediging veronderstellenderwijs opgeworpen vraag of de Nederlandse deskundigen wel voldoende kennis hebben met betrekking tot het detecteren van metaaldeeltjes, wordt niet nader onderbouwd. Voorts heeft voorafgaand aan de sectie wel degelijk een radiologisch onderzoek van het lichaam plaatsgevonden, waarbij een voor een kogeltje verdachte structuur werd waargenomen. Tot slot wijst het hof er op dat de deskundige, anders dan de deskundigen van de Universiteit van Tennessee, het stoffelijk overschot van het slachtoffer in de meest oorspronkelijke vorm heeft onderzocht teneinde zo mogelijk de doodsoorzaak vast te stellen en dat de deskundigen van de Universiteit van Tennessee slechts op basis van door de verdediging aan hen ter beschikking gestelde stukken hebben gereageerd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is geen sprake van een onherstelbare ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij is gehandeld met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte op diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. Omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden zijn uit het verhandelde ter zitting niet aannemelijk geworden. Het hof verwerpt mitsdien het verweer. Hetgeen door de verdediging overigens is aangevoerd doet aan dit oordeel niet af.

7. Geen mogelijkheid tot het laten verrichten van contra-expertise als gevolg van het onzorgvuldig omgaan met het aangetroffen plastic zeil.

Door de verdediging is –zakelijk weergegeven- betoogd dat hetgeen hiervoor is aangevoerd met betrekking tot de onmogelijkheid tot het laten verrichten van een tegenonderzoek door het vrijgeven van het stoffelijk overschot, eveneens geldt voor de uiterst onzorgvuldige wijze waarmee is omgegaan met het plastic waarin het slachtoffer is aangetroffen. Uit onderzoek zijn aanwijzingen naar voren gekomen dat een aantal beschadigingen in het plastic mogelijk schotbeschadigingen zijn. Door onzorgvuldig handelen is het echter aannemelijk dat sporen zijn verwijderd en dat sprake is van contaminatie door schotresten van politiemunitie. Door de onzorgvuldige wijze waarmee met het plastic is omgegaan is voor de verdediging een onderzoek naar alternatieve scenario’s onmogelijk gemaakt.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof stelt voorop dat door verdachte zelf, door het uit het bos halen van het stoffelijk overschot van het slachtoffer en het daarbij over de grond slepen van het plastic ten gevolge waarvan dit is gescheurd, en het in de auto leggen van het plastic met de stoffelijke resten van het slachtoffer , het sporenbeeld is verstoord. Nu verdachte heeft verklaard dat de schedel van het slachtoffer niet meer in het plastic zat, is voorts niet meer op betrouwbare wijze vast te stellen op welke wijze het plastic in de loop van de tijd om met name de schedel van het slachtoffer heeft gezeten.

Uit het proces-verbaal onderzoek inhoud (verpakkingsmateriaal) kofferbak Suzuki van 16 september 2006 van [verbalisant 6] en [verbalisant 7] en uit het aanvullend proces-verbaal onderzoek en voortgang landbouwplastic van 14 april 2008 van [verbalisant 8] blijkt dat op 2 september 2006 op het NFI een technisch sporenonderzoek is ingesteld in en aan de personenauto van verdachte waarbij een aantal stukken landbouwplastic werden veiliggesteld. Op 5 september 2006 werden de stukken plastic röntgenologisch onderzocht op de aanwezigheid van afwijkende metaalachtige delen, doch deze werden niet aangetroffen. Op 6 september 2006 werden de stukken plastic, verpakt in luchtdicht afgesloten containers door het NFI overgedragen aan de technische recherche. Op 21 en 22 september 2006 werden de stukken plastic onderzocht. Het plastic is gereinigd en onderzocht op de aanwezigheid van sporen. Het plastic is gespoeld met water en zeep in een gesloten bak. Het spoelwater werd vervolgens boven twee fijnmazige zeven weggespoeld. Hierna werd het achtergebleven residu in de zeven onderzocht op de aanwezigheid van sporen. Na het onderzoek zijn de stukken plastic opnieuw verpakt in de genoemde containers.

Op 8 augustus 2007 werd aan de stukken plastic een nader onderzoek ingesteld op de aanwezigheid van mogelijke perforaties veroorzaakt door een projectiel. Dit onderzoek heeft plaatsgevonden in de ruimte van de garage/bedrijfshal. Tijdens dit onderzoek zijn de stukken plastic opnieuw deels gereinigd. Niet kon worden vastgesteld waardoor de perforaties zijn ontstaan. Het plastic is vervolgens ter beschikking gesteld aan het NFI voor nader onderzoek. Uit nader onderzoek aan het plastic zijn aanwijzingen naar voren gekomen die kunnen duiden op contaminatie van het plastic met schotrestdelen, afkomstig van een in de garage/bedrijfshal gelegen politieschietbaan.

Uit het voorgaande blijkt dat zowel bij het NFI als bij de technische recherche is gezocht naar sporen op het plastic. Bij het onderzoek door het NFI op 5 september 2006 is gezocht naar afwijkende metaalachtige delen, doch deze zijn niet aangetroffen. Vervolgens is het plastic voor nader onderzoek ter beschikking gesteld van de technische recherche, waar middels het spoelen van het plastic verder is gezocht naar sporen.

Weliswaar kan naast het handelen van verdachte zelf ook door de verrichte onderzoeken aan het plastic het sporenbeeld zodanig zijn verstoord dat geen betrouwbare resultaten meer te verwachten zijn, doch dat daarbij sprake is geweest van een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, is geenszins aannemelijk geworden.

8.Het niet vernietigen van geheimhoudersgesprekken.

Door de verdediging is aangevoerd dat geheimhoudersgesprekken niet dan wel niet op de juiste wijze zijn vernietigd. Het tappen van telefoongesprekken met de accountant van verdachte kan in de start van het onderzoek bepalend zijn geweest voor de aanname van het mogelijke ‘financiële’ motief. Bij de accountant kan sprake zijn van een afgeleid verschoningsrecht van de notaris. Het openbaar ministerie had voor onmiddellijke vernietiging dienen te zorgen van de gesprekken die onder het verschoningsrecht vallen. Hierin is het openbaar ministerie tekortgeschoten.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 15 oktober 2009, opgemaakt door [verbalisant 9], nr. 29-002886, is gebleken dat in de onderhavige strafzaak vertrouwelijke telecommunicatie met geheimhouders is opgenomen. Uit dit proces-verbaal blijkt dat het gaat om een achttal gesprekken welke hebben plaatsgevonden tussen 2 augustus 2006 en 25 augustus 2006. Het betreffen gesprekken met respectievelijk de huisarts of zijn assistente, een medewerker van de GGZ, een tandarts en een dierenarts. Aan ten minste 2 gesprekken neemt verdachte deel. Over de onderhavige strafzaak wordt in die gesprekken niet gesproken.

Het hof heeft naar aanleiding van dit proces-verbaal op verzoek van de verdediging bepaald dat door de deskundige ing. [verbalisant 10], verbonden aan Tailor Made Products te Hilversum, aanvullend onderzoek wordt verricht naar de aanwezigheid van meer geheimhoudersgesprekken die mogelijk niet terstond vernietigd zijn.

Door [verbalisant 10] is hierover op 26 februari 2010 gerapporteerd. Uit zijn rapport blijkt onder meer dat er aan de hand van een door de verdediging aangeleverde lijst met telefoonnummers, telefoongesprekken zijn getraceerd die mogelijk zijn gevoerd met een geheimhouder. Het gaat om gesprekken die zijn gevoerd in de periode van 17 juli 2006 tot en met 25 augustus 2006. Door [verbalisant 10] is de verkorte inhoud van die gesprekken weergegeven. Ook zijn gesprekken gevoerd met een accountantskantoor. Er zijn geen aanwijzingen dat over de onderhavige strafzaak is gesproken.

Gebleken is dat de gesprekken voor zover deze betrekking hebben op geheimhouders kennelijk niet gesignaleerd zijn, althans dat na signalering daarvan niet in alle gevallen is gehandeld conform de instructie vernietiging geïntercepteerde gesprekken met geheimhouders.

Voor wat betreft de door [verbalisant 10] genoemde gesprekken met de accountant merkt het hof op dat de stelling van de verdediging dat bij de onderhavige telefoontaps de accountant een van de notaris afgeleid verschoningsrecht zou hebben en dat de gesprekken in de start van het onderzoek bepalend zouden zijn geweest voor de aanname van het mogelijke ‘financiële’ motief, niet is onderbouwd.

Het voorschrift van artikel 126aa, tweede lid, Sv (oud) strekt ertoe dat gegevens die als gevolg van het opnemen en afluisteren van telecommunicatie zijn verkregen, onmiddellijk worden vernietigd indien zij vallen onder het verschoningsrecht als bedoeld in artikel 218 Sv, zodat is verzekerd dat die gegevens geen deel uitmaken van de processtukken en dat daarop in het verdere verloop van het strafproces geen acht wordt geslagen.

Door het niet of niet op juiste wijze vernietigen van gesprekken met geheimhouders is sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Dit leidt evenwel niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Niet aannemelijk is geworden dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan of dat een ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij het wettelijk systeem in de kern is geraakt.

Er zijn geen aanwijzingen dat de betreffende gegevens op enigerlei wijze in het strafproces zijn gebruikt. Ook overigens zijn geen omstandigheden aangevoerd of gebleken waaruit concreet blijkt van enig nadeel voor verdachte.

Het hof volstaat met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan.

Opeenstapeling van vormverzuimen en onzorgvuldig handelen.

Door de verdediging is aangevoerd dat in de onderhavige zaak een opeenstapeling van vormverzuimen en onzorgvuldig handelen van de zijde van het openbaar ministerie heeft plaatsgevonden, waardoor de waarheidsvinding in het geding is gekomen en de verdediging op onherstelbare wijze in haar belangen is geschaad. Dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.

Het hof overweegt dienaangaande dat op grond van hetgeen hiervoor is overwogen geen sprake is van een ernstige inbreuk op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, dan wel van een handelwijze die in strijd is met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt. Dit heeft zowel te gelden voor de hiervoor besproken onderdelen afzonderlijk bezien als in hun gezamenlijkheid. Weliswaar heeft het hof geconstateerd dat in een aantal gevallen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim, doch deze vormverzuimen leiden noch afzonderlijk, noch gezamenlijk tot de conclusie dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging. Nu in beide gevallen geen nadeel voor verdachte is ontstaan, volstaat het hof met de vaststelling dat deze vormverzuimen zijn begaan.

Het hof verwerpt de verweren van de raadsman. Uit het onderzoek ter zitting zijn geen omstandigheden naar voren gekomen die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 01 juli 2006 te Uden, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een luchtdrukwapen eenmaal of meermalen op het hoofd van die [slachtoffer] geschoten en/of (met een hard voorwerp) eenmaal of meermalen op het hoofd van die [slachtoffer] geslagen en/of anderszins geweld op het hoofd van die [slachtoffer] toegepast, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2.

hij in de periode van 01 juli 2006 tot en met 1 september 2006 in Nederland en/of in België een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer], heeft verborgen en/of heeft weggevoerd en/of heeft weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, immers heeft/is verdachte met voormeld oogmerk:

• in de periode van 01 juli 2006 tot en met 31 augustus 2006

- in Nederland of in België het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] in plastic en in een dekbed en een dekbedovertrek ingepakt en

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] (vanuit Uden) naar en in België vervoerd en

- het stoffelijk overschot van die [slachtoffer] in België in een bos gelegd en vervolgens aldaar achtergelaten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Met betrekking tot de onder feit 2 onder het tweede gedachtenpunt (de periode van

31 augustus 2006 tot en met 1 september 2006) in België ten laste gelegde handelingen is naar het oordeel van het hof uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende duidelijk geworden met welk oogmerk verdachte de ten laste gelegde handelingen heeft verricht.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt het volgende naar voren.

Door verdachte is zakelijk weergegeven voor zover hier van belang het volgende verklaard.

- dat hij in juni 2006 woonde aan de [adres] in Uden;

- dat hij toen gehuwd was met [slachtoffer];

- dat uit dat huwelijk twee kinderen zijn geboren, [dochter van verdachte] en [zoon van verdachte];

- dat [slachtoffer] en hij hadden besloten uit elkaar te gaan;

- dat [slachtoffer] en hij niet meer elke nacht bij elkaar sliepen;

- dat [slachtoffer] af en toe op de eerste verdieping in de logeerkamer sliep. Ze sliep dan op het bed dat vanaf de deur van die kamer gezien aan de linkerkant in de lengte langs de muur stond;

- dat hij eind juni in de Belgische Ardennen heeft gewandeld met de hond in de buurt van de plaats Herbiester;

- dat hij op 29 juni 2006 een buks heeft gekocht, kaliber 5,5 mm, met bijbehorende kogeltjes;

- dat de verkoper hem had verteld dat je 40 tot 50 meter met de buks kon schieten;

- dat als je de buks zou vergelijken met de buks van zijn opa, die ongeveer 10 meter ver kon schieten, het een krachtige buks was;

- dat hem bijstaat dat hij die buks thuis uit de doos heeft gepakt;

- dat het best wel veel kracht en heel veel inspanning kostte om de buks open te knikken/te spannen;

- dat je in die luchtbuks maar een kogeltje per keer kon doen, een kogeltje per keer kon afschieten;

- dat [dochter van verdachte] en [zoon van verdachte] in de nacht van 30 juni op 1 juli 2006 niet thuis sliepen;

- dat hij aan [zoon van verdachte], die toen nog thuis woonde, heeft gevraagd die avond ergens anders te gaan slapen;

- dat [dochter van verdachte] niet meer thuis woonde;

- dat hij thuis was toen [slachtoffer] thuis kwam;

- dat [slachtoffer] na middernacht, om een uur of drie thuis kwam;

- dat hem bijstaat dat ze toen naar boven is gegaan.

Over het daaropvolgend (schiet)incident verklaart verdachte als volgt:

- dat hij op 1 juli 2006 de buks heeft gepakt, een kogeltje uit een doosje heeft gepakt en in de buks heeft gedaan en de buks heeft gespannen;

- dat vervolgens het wapen is afgegaan;

- dat hij het wapen in zijn hand had en afschoot;

- dat [slachtoffer] in haar linkerslaap werd geraakt, dat daar bloed op zat;

- dat ze toen begon te gillen;

- dat ze geen teken van leven meer gaf;

- dat hij allemaal bloed zag na het afgaan van het wapen;

- dat hij trappen kreeg en dat [slachtoffer] schokte met haar lichaam, dat ze gilde en in het kwartier daarna niets meer gezegd heeft;

- dat er zoveel bloed was;

- dat ze op korte afstand is geraakt aan de linkerzijde van haar hoofd;

- dat hij aan de rechterzijde van haar hoofd bloed heeft gezien;

- dat ze nog wel een kwartier heeft bewogen, maar dat hij niet weet of ze ook nog zo lang geleefd heeft, en dat het volgens hem snel voorbij was met haar;

- dat het in zijn beleving heel snel was, dat zij geen leven meer had;

- dat ze trapte met haar benen, stuiptrekkingen, en ook een beetje stuiptrekkingen had met haar armen, en schokte met haar hele lichaam en dat dat niet zo heel lang duurde, zeker minuten en dat hij zo snel zag dat er geen leven meer in zat;

- dat er steeds meer bloed kwam en dat hij aan de rechterkant het meeste bloed zag;

- dat [slachtoffer] nog even gilde, dat het kan zijn dat de laatste ademstoot langer duurde;

- dat hij niet meer met [slachtoffer] kon praten;

- dat [slachtoffer] aan de rechterkant ter hoogte van haar slaap bloedde;

- dat toen [slachtoffer] lag, ze aan de linkerkant van haar hoofd minder hard bloedde dan aan de rechterkant;

- dat hem bijstaat dat ze op enig moment is gestopt met ademen en nergens meer op reageerde;

- dat hij niet heeft gezien dat [slachtoffer] ergens anders verwondingen had dan op haar hoofd;

- dat hij aangifte heeft gedaan van vermissing van [slachtoffer] terwijl hij wist dat ze niet meer in leven was.

Over het naar België gaan verklaart verdachte het volgende.

Ik ben in de ochtend van 1 juli 2006 naar België gereden. Ik ben later weer terug naar Nederland gereden. Het zou goed kunnen dat ik gebruik heb gemaakt van de navigatie in de auto toen ik naar België reed. Ik dacht dat ik de plaats Herbiester had ingevoerd. U houdt mij voor dat de plaats Herbiester kort voor 1 juli 2006 ook op de navigatie is ingevoerd. Kort tevoren heb ik een keer een lange route met de auto gereden. Toen ben ik ook in de Ardennen geweest. Het kan ook zijn dat ik kort te voren met de hond (Joris), naar de Ardennen ben geweest en toen de plaats Herbiester heb ingevoerd.

Ik heb [slachtoffer] (het hof begrijpt op 1 juli 2006 in de Belgische Ardennen) in een dekbed en plastic neergelegd. De hoes van het dekbed zat toen om het dekbed heen.

Nadat ik uit België terug kwam heb ik vrijwel direct spullen, ook spullen uit de logeerkamer, waaronder de bedden uit de logeerkamer naar de stort gebracht.

Op 31 augustus 2006 ben ik weer naar België gereden. Toen heb ik [slachtoffer] teruggevonden in het bos. Ik zag dat het plastic helemaal om het lichaam, met uitzondering van de schedel, heen was gerold.

Ze lag nog steeds op de plek waar ik haar had neergelegd. Het lichaam (zo begrijpt het hof) was zo netjes ingepakt.

Het sectierapport met betrekking tot [slachtoffer], d.d. 8 september 2006 en de daarop volgende rapporten opgemaakt door F.R.W. van de Goot houden zakelijk weergegeven voor zover hier van belang onder meer het volgende in:

- Bij het lijk bevonden zich de resten van een slip en een met bruine vloeistof doordrenkt maandverband;

- Letsels: Aan de schedel waren onder meer de volgende beschadigingen zichtbaar:

? aan de rechterzijde van de schedel was een botperforatie van ca 1,5 cm (verder ook te noemen gat 2);

? aan de achterzijde van de linkeroogkas bevond zich een botperforatie (verder ook te noemen gat 4). In de oogkas was een sterk gedeformeerd metalen voorwerp (kogeltje) aanwezig;

? er was een groot botdefect van meerdere centimeters met ontbreken van botdelen, ter hoogte van het rechterjukbeen (verder ook te noemen gat 3);

- Epicrise:

? het letsel aan de linkeroogkas (gat 4) was het gevolg van gelokaliseerd hevig botsend geweld zoals bijvoorbeeld zou kunnen optreden bij schotletsel;

? de perforatie aan de rechterzijde van de schedel van ongeveer 1,5 cm (gat 2) zou door een projectiel kunnen zijn veroorzaakt;

? Aan de rechterzijde van de schedel was een grote perforatie van het bot met ontbreken van verschillende botdelen (gat 2 en gat 3). Deze waren het gevolg van inwerking van hevig uitwendig botsend mechanisch geweld zoals zou kunnen optreden door het herhaaldelijk slaan met een zwaar voorwerp; door het ontbreken van botdelen is geen zekere uitspraak mogelijk of gat 3 het gevolg was van inwerking door een projectiel.

- Met betrekking tot de alinea (kennelijk afkomstig uit een rapport van S.J.M. Eikelenboom-Schieveld d.d. 12 februari 2007) dat alle (schot)letsels het aspect van uitschotverwondingen hebben: Zoals reeds gesteld kunnen beschadigingen de vorm hebben van uitschotletsel, echter in onderhavige gevallen kan met sluitende zekerheid worden gesteld dat het beslist geen uitschoten zijn. Voorts aangaande het al dan niet veroorzaakt zijn van de beschadigingen door diervraat: De vorm, randen en het gehele aspect van de letsels aangetroffen op de schedel zijn met sluitende zekerheid niet veroorzaakt door diervraat. Het aspect hiervan is volstrekt anders. Verder, aangaande de doodsoorzaak: de beschadigingen aan de schedel, en dan met name het grote botdefect aan de rechterzijde, zouden indien bij leven opgelopen het intreden van de dood zonder meer kunnen verklaren op basis van bloedverlies en hersenschade.

- Duidelijk is dat bij heftig botsend geweld op het hoofd, zoals bijvoorbeeld zichtbaar is aan de jukbeenzijde van de rechterkant, ernstige schade aan de weke delen en de hersenen kan ontstaan, alsmede uitgebreid dodelijk bloedverlies.

- Met betrekking tot de vraag of een beschadiging dodelijk potentieel heeft, gaat het met name om het ernstig perforerend geweld rechts aan het hoofd en het verbrijzelend effect rechts aan de schedel. Met name dit laatste kan door verscheuring van de weke delen zeer ernstige bloedingen tot gevolg hebben, welke binnen enkele minuten tot de dood kunnen leiden. Ook het uitbreken van grote delen van de schedelbasis kan door beschadiging (kneuzing en verscheuring) van hersenweefsel het intreden van de dood zeer snel laten gebeuren.

- Het letsel aan de oogkas (het hof begrijpt gat 4) zal bij leven opgetreden waarschijnlijk zeer pijnlijk zijn, doch het dodelijk potentieel is gering, waarbij op korte termijn geen levensbedreigende situatie is te verwachten, maar op langere termijn het niet uitgesloten is dat er onder de hersenvliezen ophopende bloeduitstorting of infecties zouden kunnen optreden;

- Aangaande het (keyhole) letsel rechts aan het hoofd (gat 2) kan worden gesteld dat een dergelijk letsel waarschijnlijker is wanneer er hard tegen het hoofd geslagen wordt dan doordat iemand ergens tegen aan zou vallen;

- Een rapport opgemaakt door Van de Goot van het NFI d.d. 1 februari 2010, houdt voorzover hier van belang in: Het is een standaardprocedure om bij ontbindende lichamen dan wel bij herkenbaar schotletsel en zeker in geval van combinaties van deze beide standaard radiologisch onderzoek te verrichten aan het Nederlands Forensisch Instituut. Dergelijk onderzoek heeft een oriënterend doel ter opsporing van radiodense structuren zoals kogels of delen van messen. Hierbij werd een voor kogeltje verdachte structuur gezien. Tevens werden verschillende andere radiodense structuren (tandelementen, tandcorrecties en sieraden) gezien. De resultaten hiervan liggen ten grondslag aan de verdere analyse van het lichaam. Ik heb gemerkt dat in het definitief sectierapport de standaardzin: “Voorafgaand aan de sectie werd het lichaam met een röntgenapparaat doorlicht, hierbij werden verschillende radiodense structuren gezien”, niet is opgenomen. Teneinde mijn bevestiging dat deze analyse daadwerkelijk heeft plaatsgevonden te onderstrepen heb ik een fotokopie van een röntgenopname (van een hangertje), zoals aangetroffen bij [slachtoffer], bijgevoegd.

- Een rapport opgemaakt door Van de Goot van het NFI d.d. 5 maart 2010, houdt voor zover hier van belang in: Voorafgaande aan de sectie wordt het lichaam geheel in het bijzijn van een patholoog met een röntgenapparaat doorlicht. Dit is een continue doorgaand proces waarbij ingezoomd wordt op eventuele bijzonderheden. Ter plekke worden aantekeningen gemaakt welke bijzonderheden extra aandacht verdienen ten tijde van de sectie. Hierbij worden kruisjes op de lijkzak geplaatst waar de bijzonderheid zichtbaar was. Indien nodig kunnen er ook papieren opnames worden gemaakt van deze continue handeling. In dit geval zijn opnames gemaakt.

De bevindingen van Van de Goot vinden in voorkomend geval steun in andere bewijsmiddelen.

- Bloedsporen onderzoek: Bij technisch onderzoek aan de woning [adres] te Uden werden op 1 november 2006 op de linker onderzijde van de tussenmuur van de logeerkamer drie kleine bloedsporen aangetroffen op een hoogte van 41,5 respectievelijk 47,5 en 47 cm. Uit de resultaten van DNA onderzoek ter zake blijkt met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat deze afkomstig zijn van [slachtoffer].

- Daarop betrekking hebbende foto’s gemaakt tijdens het technisch onderzoek geven weer dat deze sporen zich, bezien vanuit binnenkomst door de deur van de logeerkamer, links naast die deur bevinden.

Het rapport opgemaakt op 27 juni 2007 door ing. R. Eikelenboom houdt zakelijk weergegeven voor zover hier van belang ter zake in:

- Wanneer een impact(patroon) wordt veroorzaakt doordat zeer veel kracht op een bloedbron wordt uitgeoefend, zoals door een kogel bij een schietincident, ontstaan bloedspatten waarvan de gemiddelde grootte meestal kleiner is dan 2 mm.

- Een van de aangetroffen bloedspatten is kleiner dan 2 mm en kan zijn ontstaan doordat veel kracht is uitgeoefend op het bloed van het slachtoffer. Een spat als deze kan ontstaan wanneer met een luchtdrukgeweer op het slachtoffer is geschoten.

- Er zijn (op de foto’s) geen aanwijzingen waarneembaar dat dit bloedspoor is veroorzaakt door een insectactiviteit.

De verklaringen van [betrokkene 1] houden zakelijk weergegeven voor zover hier van belang het volgende in:

- dat zij op donderdag 29 juni 2006 het laatst contact heeft gehad met haar moeder; dat haar moeder toen heeft gezegd dat ze 30 juni 2006 gewoon thuis zou slapen;

- dat ze van haar opa en oma van [slachtoffer] gehoord had dat haar moeder tegen hen gezegd had dat ze het niet te laat kon maken die vrijdag, omdat ze om 09.00 uur al op moest zijn;

- dat haar moeder over het algemeen geheel naakt sliep; dat zij soms een onderbroekje droeg; dat zij als zij ongesteld was, zeker een onderbroek droeg;

- dat ze op een foto die een verbalisant toont (een fotokopie, kennelijk van foto 21 bij het proces-verbaal technisch onderzoek PL216A/06-194268, opgemaakt door [verbalisant 6] en [verbalisant 7] d.d.16 september 2006, is gevoegd achter de verklaring) een dekbedovertrek herkent, waarvan zij weet dat deze gebruikt werd in de logeerkamer.

- dat zij op 1 juli 2006 naar Uden ging; dat zij daar haar vader zag; dat hij zei dat hij naar de stort ging om bedden weg te gooien; dat ze twee van die bedden hadden; dat zij op de een sliep als ze thuis sliep en dat ze die andere uit elkaar heeft gehaald en onder het andere bed heeft geschoven;

- dat ze op 1 juli 2006 toen ze bij haar vader in Uden was in de auto de bedden zag; dat hij vertelde dat hij besloten had op te ruimen; dat ze het vreemd vond dat hij zonder overleg met haar de bedden had weggegooid, omdat ze van haar en haar broer waren; dat zij toen haar vader naar de stort was even op de logeerkamer was; dat zij zag dat de bedden weg waren; dat in de logeerkamer, waar haar moeder sliep het bed met het hoofdeinde naar de deur stond.

De verklaring van[betrokkene 2] d.d. 14 juli 2006 die voor zover hier van belang inhoudt: Ik heb met [slachtoffer] afgesproken dat zij op 1 juli 2006 om 09.00 uur voor een week zou oppassen op mijn huis. Zij keek daar erg naar uit. [slachtoffer] die zaterdagochtend om 09.00 uur er niet was ben ik meteen gaan bellen. Ik heb die zaterdag 1 juli 2006 vanaf omstreeks 09.30 uur negen keer naar de mobiele telefoon van [slachtoffer] gebeld. Ik kreeg steeds haar voicemail, welke ik een aantal keer heb ingesproken. Ik heb geen reactie ontvangen.

De verklaring van [betrokkene 3] d.d. 18 augustus 2006 houdt zakelijk weergegeven voor zover hier van belang in:

- dat hij aan verdachte een luchtbuks Gamo Hunter 5,5 mm heeft verkocht op 29 juni 2006;

- dat deze Gamo Hunter een bijzonder krachtig wapen is.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen een en ander bezien in onderlinge samenhang en in (tijds)verband met hetgeen ook overigens uit de bewijsmiddelen naar voren komt concludeert het hof als volgt.

Uit de omstandigheid dat [slachtoffer] net achter de linkeroogkas is geraakt door een kogel afkomstig uit een luchtbuks welke werd gehanteerd door verdachte, waarbij bloed is vrijgekomen en in de logeerkamer een bloedspat is gevonden die kan ontstaan als met een luchtbuks op een slachtoffer wordt geschoten leidt het hof, in combinatie met de volgende factoren, af dat het schot in die kamer is gevallen, terwijl [slachtoffer] zich aldaar te ruste begaf of had begeven:

- [slachtoffer] kwam die nacht om ongeveer drie uur thuis;

- ze is toen naar boven gegaan;

- ze kwam die nacht thuis om te slapen; ze had de volgende morgen om 09.00 uur een afspraak waarvoor ze vroeg op moest;

- ze sliep vanwege echtscheidingsproblemen, als ze niet bij verdachte sliep, in de logeerkamer;

- ze sliep in het algemeen naakt, maar droeg als ze ongesteld was zeker een slip;

- bij haar stoffelijk overschot is slechts een slip en maandverband aangetroffen;

- een deel van het stoffelijk overschot is aangetroffen in een dekbed met dekbedovertrek, welke overtrek in gebruik was in de logeerkamer;

- genoemde bloedspat(ten) zijn aangetroffen in de (directe) omgeving waar (het hoofdeinde van) het bed toen stond.

Uit de verklaringen van verdachte ter zake leidt het hof af, dat [slachtoffer] na het afgaan van het schot dat haar links heeft geraakt in een tijdspanne van enkele minuten tot ongeveer een kwartier is overleden. Het hof acht daarbij met name van belang het door verdachte beschreven uitgebreide bloedverlies (rechts meer dan links) en het stoppen van de ademhaling, de laatste ademstoot. Uit de aangifte van vermissing, terwijl hij wist dat ze dood was, leidt het hof af dat verdachte kennelijk na die laatste ademstoot geen teken van leven meer heeft gezien bij [slachtoffer].

Een en ander past bij de duiding van de beschadigingen aan de schedel (gaten 2, 3 en 4) die van de Goot heeft beschreven en met name bij het aan de beschadigingen aan de rechterzijde van de schedel verbonden uitgebreide bloedverlies en snel intreden van de dood.

Dat genoemd schot het begin markeert van de tijdspanne waarin [slachtoffer] is overleden vindt ook nog bevestiging in de omstandigheid dat ze na daardoor geraakt te zijn begon te gillen, bezien in verbinding met het door deskundige Van de Goot gestelde, dat het hieruit voortvloeiende letsel weliswaar een gering dodelijk potentieel heeft, maar wel uiterst pijnlijk is.

Gelet op het feit dat verdachte genoemd schot heeft gelost en de dood vervolgens heeft zien intreden en er verder niemand thuis was, kan het in verband met het voorgaande naar ’s hofs oordeel niet anders zijn dan dat het verdachte is geweest die de genoemde (letale) letsels heeft toegebracht.

Uit het voorgaande, daarbij mede betrokken dat het slachtoffer in die korte tijdspanne lag te bloeden, vloeit ook voort dat verdachte die letsels (in de woning) te Uden heeft toegebracht.

Het hof laat hierbij de overige beschadigingen aan de schedel buiten beschouwing omdat het hof niet met voldoende zekerheid kan vaststellen of en zo ja in hoeverre deze letsels, die volgens de deskundige Van de Goot blijkens genoemde rapportages slechts een gering dodelijk potentieel hebben, een bijdrage hebben geleverd aan het intreden van de snelle dood, zoals hiervoor is vastgesteld.

Opzet en voorbedachte raad.

Verdachte is midden in de nacht met een kort tevoren gespannen en geladen krachtige luchtbuks, welke kracht hij kende, mede op grond van de informatie van de verkoper, naar de logeerkamer gegaan, of heeft de buks daar gespannen en geladen, in welke kamer zijn vrouw zich te ruste begaf of had begeven . Het spannen en laden heeft inspanning gekost en enige tijd in beslag genomen. Daarop heeft hij van dichtbij geschoten op het hoofd van [slachtoffer], waarbij ze achter de linkeroogkas werd geraakt, waarna verdachte het dodelijke letsel aan de rechterzijde van haar hoofd heeft toegebracht. Na het voorval heeft hij op geen enkele wijze hulp voor haar gezocht. Gelet op de wijze waarop, de plaats op het lichaam waar en de omstandigheden waaronder de letsels zijn toegebracht en verdachtes handelen daarna leidt het hof af dat verdachte deze met het opzet om [slachtoffer] te doden heeft toegebracht. Gelet op het voorgaande is het hof voorts van oordeel dat verdachte voldoende tijd heeft gehad zich te beraden op zijn te nemen of al genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad om [slachtoffer] van het leven te beroven en zich daarvan rekenschap te geven en aldus heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg zoals is bewezen verklaard.

Dit vindt ook steun in de volgende feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang en (tijds)verband bezien:

- verdachte is kort voor het (schiet)incident in de omgeving van Herbiesters in België geweest;

- verdachte heeft kort voor genoemd incident een krachtige luchtbuks gekocht;

- na het voorval heeft hij het stoffelijk overschot naar België gebracht en levenloos en verpakt achtergelaten in een bos in genoemde omgeving.

Het alternatieve scenario.

Het scenario waar het hier om gaat volgens de verdediging is dat het slachtoffer niet om het leven is gekomen door een schotverwonding die verdachte (per ongeluk, zo begrijpt het hof) heeft toegebracht, maar door latere schotverwondingen door verdwaalde jachtmunitie afgeschoten door derden, een en ander, zo begrijpt het hof, in België in de Belgische Ardennen.

Met betrekking tot het alternatieve scenario en hetgeen in dat verband is aangevoerd overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt zich allereerst op het standpunt dat het verweer weerlegging vindt in de gebezigde bewijsconstructie.

Het hof overweegt, mede naar aanleiding van gevoerd verweer, ter zake verder als volgt.

Door de verdediging is – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat het gepresenteerde scenario ondersteund wordt doordat in het landbouwplastic, waarin verdachte het slachtoffer had gewikkeld en waarmee hij haar in het bos had gelegd, beschadigingen zijn aangetroffen, welke als mogelijke schotbeschadigingen zijn beschreven, terwijl daarop ook stoffen zijn aangetroffen die mogelijk afkomstig zijn van loodhoudende en loodvrije munitie. Voorts zijn er verschillende metaaldeeltjes aangetroffen in de beschadigingen in de schedel, die veroorzaakt zijn door munitiedelen/schotresten.

Met betrekking tot de mogelijke schotbeschadigingen en schotresten aangetroffen op het plastic en de metaal- en overige deeltjes aangetroffen op de schedel merkt het hof op, dat er uit het onderzoek ter terechtzitting geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat deeltjes van jachtmunitie afgeschoten door derden op de schedel en het landbouwplastic zijn neergestreken op de plaats waar en de tijdspanne waarin het slachtoffer is overleden.

Er zijn uit het onderzoek ter terechtzitting daarentegen wel aanwijzingen naar voren gekomen dat bedoelde deeltjes daarna op het plastic, door onderzoek ervan naast een politieschietbaan waar met loodhoudende en loodvrije munitie werd geschoten, terecht zijn gekomen en op de schedel door contaminatie met een hangertje dat bij het stoffelijk overschot is aangetroffen en daar terecht zijn gekomen door zagen in de schedel bij technisch onderzoek (zie rapport ir. F.J. Verweij van het NFI d.d. 12 december 2006 en het rapport van ing. R.C. Roepnarain van het NFI d.d. 11 juli 2008 en de door deze personen als getuigen-deskundigen afgelegde verklaringen ter terechtzitting in hoger beroep van 12 april 2010).

Gelet op de hierna te bespreken duiding van met name gat 1 past deze bij de gedragingen van het bewezenverklaarde handelen van verdachte zoals daarvan blijkt uit de bewijsmiddelen. Hoewel die beschadiging hiervoor gemotiveerd buiten beschouwing is gelaten vormt de duiding ervan naar ’s hofs oordeel wel een aanwijzing voor de herkomst van het lood dat ook in die beschadiging is aangetroffen.

Door de raadsman is voorts aan het verweer ten grondslag gelegd dat een luchtdrukwapen geen dodelijk potentieel heeft.

Het hof stelt vast dat het slachtoffer door de door verdachte toegebrachte letsels, zoals van een en ander blijkt uit de gebezigde bewijsconstructie, is overleden. Het verweer vindt daarin zijn weerlegging.

Daar komt nog bij dat de deskundige Hermsen ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard dat een luchtbuks wel degelijk dodelijk potentieel heeft. Dit vindt bevestiging in het navolgende.

Uit een door de verdediging overgelegd rapport opgemaakt door S.J.M. Eikelenboom-Schieveld d.d. 8 oktober 2007 komt naar voren: In de forensisch medische literatuur zijn diverse publicaties over het aantal dodelijke incidenten bij gebruik van luchtdrukwapens te vinden. Uit een studie van McNeill blijkt dat van 1 juni 1992 tot 1 juni 1993 in totaal 32.997 mensen in de VS werden behandeld voor verwondingen van luchtdrukwapens.

Bond bekeek de cijfers over een 5-jaarsperiode die afliep in juli 1994. Zij komen op een getal van 33 doden in die periode. Dit betekent dat een incident met een luchtdrukwapen in ongeveer 0,02% van de gevallen een dodelijke afloop kent.

In het Verenigd Koninkrijk worden per jaar ongeveer 1961 mensen voor verwondingen met luchtdrukwapens behandeld. Ieder jaar overlijdt 1 persoon ten gevolge van verwondingen opgelopen door een dergelijk wapen. Daarmee ligt het percentage dat daardoor in het Verenigd Koninkrijk komt te overlijden rond de 0,05%.

In dit verband merkt het hof voorts nog op, dat het hof, anders dan de verdediging, van oordeel is dat verdachte blijkens de daarop betrekking hebbende bewijsmiddelen het intreden van de dood zelf heeft geconstateerd. Dat hij geen medische opleiding heeft gehad doet daaraan volgens het hof niet af. Daarmee staat naar ’s hofs oordeel, anders dan de raadsman heeft betoogd, tevens het moment van overlijden voldoende vast.

Door de verdediging is verder aangevoerd dat het aantreffen van “miniscule” bloedsporen en het ontbreken van “een groter deel daaromheen”, niet duidt op aanwezigheid van massale bloedsporen (ter plaatse in de logeerkamer naar het hof begrijpt) welke verdachte getracht zou hebben te verwijderen, en dat daaruit dus ook niet die plaats delict mag worden afgeleid.

Het hof heeft in de bewijsconstructie gemotiveerd aangegeven welke plaats delict aan de orde is. Daarin vindt het verweer zijn weerlegging. Het hof brengt in verband met het aangevoerde hier nog onder de aandacht dat juist de kleine diameter van één van de bloedspatten mede redengevend is om aan te nemen dat deze veroorzaakt kan zijn door het inslaan van het schot uit de luchtbuks, en voorts dat voor het ontstaan ervan door een insect geen aanwijzingen zijn.

Voorts merkt het hof in dit verband nog op dat voor de afwezigheid van massale bloedsporen een (alleszins) aannemelijke verklaring is. Verdachte heeft immers het dekbedovertrek van de logeerkamer en het zich daarin bevindende dekbed meegenomen naar België en deze daar achtergelaten met het lichaam van het slachtoffer erin. Voorts heeft verdachte na terugkeer uit België op 1 juli 2006 spullen uit de logeerkamer, waaronder de bedden, naar de stort gebracht.

Ten aanzien van de doodsoorzaak wordt door de verdediging aangegeven dat daarover onduidelijkheid bestaat, dat de bevindingen van door de verdediging ingebrachte deskundige W. Jacobs ter zake, zoals uiteengezet in diens rapport van 30 juni 2007, haaks staan op de bevindingen van het NFI ter zake, en dat derhalve niet valt uit te sluiten dat het slachtoffer als gevolg van een “andere” nog onbekende oorzaak is komen te overlijden.

Voorts is door de verdediging aangevoerd dat er sprake is van een lichtvaardig wegredeneren van verschillende meetresultaten door de deskundigen Van de Goot en Jacobs, terwijl voorts opvalt dat de verschillende deskundigen de verschillende gaten verschillend duiden (bijvoorbeeld ten aanzien van gaten 2 en 5) en niet duidelijk wordt met welk wapen/overig voorwerp het geconstateerde letsel is toegebracht, zodat ook hier sprake is van twijfel.

Voor wat betreft de doodsoorzaak verwijst het hof opnieuw naar de bewijsconstructie, waarin gemotiveerd is aangegeven dat door meervoudige geweldsuitoefening (door verdachte) aan het hoofd van het slachtoffer beschadigingen en letsels zijn ontstaan, die voor zover bij leven opgelopen, de dood alleszins kunnen verklaren. Daarin wordt voorts aangegeven dat de beschadigingen en letsels waar het hier om gaat aan het slachtoffer bij leven zijn toegebracht. Verder komt uit de bewijsconstructie naar voren waarmee het letsel is toegebracht te weten met een projectiel uit een wapen en/of door slaan met een (zwaar) voorwerp en/of door andere geweldstoepassing. In die zin vindt het verweer weerlegging in de bewijsconstructie.

Voorts overweegt het hof ter zake als volgt.

Met betrekking tot de door de verdediging genoemde bevindingen van deskundige Jacobs in diens rapport van 30 juni 2007, merkt het hof op dat de deskundige Jacobs in genoemd rapport aangeeft dat zijn opinie enkel is gebaseerd op de (door de verdediging) ter beschikking gestelde stukken.

Nu hij na te zijn voorgebracht door de verdediging is ingeschakeld door de rechtbank (en later het hof) en naar aanleiding daarvan zijn onderzoek geheel opnieuw heeft opgezet, daarbij de onderhavige schedel heeft onderzocht en vervolgens tot andere bevindingen is gekomen, gaat het hof bij de bespreking van de bevindingen van genoemde deskundige uit van zijn laatstgenoemde bevindingen en niet van het door de raadsman genoemde rapport.

Het hof zal ter verdere bespreking van het standpunt van de verdediging de diverse beschadigingen (letsels) aan de schedel de revue laten passeren en kort, zakelijk de duiding en (voor zover mogelijk) het dodelijk potentieel ervan aangeven, zoals dat door de hier relevante deskundigen is vermeld (Jacobs, Van de Goot en Keereweer/Pieterman) en die bevindingen met elkaar vergelijken.

Bij de bespreking wordt de nummering aangehouden zoals vermeld in het rapport van de deskundige Keereweer d.d. 12 december 2006.

1. Gat 4 ter hoogte van de linker oogkas wordt door de deskundige Jacobs onder andere op grond van de morfologie geduid als perforatie verenigbaar met een ballistische ingangswonde (rapport 26/9/07), met een gering dodelijk potentieel (rapport 26/9/07).

Door de deskundige Van de Goot wordt genoemd gat geduid als een botperforatie als gevolg van gelokaliseerd hevig botsend geweld, zoals bijvoorbeeld zou kunnen optreden bij schotletsel (rapport 8/9/06). Dit letsel heeft een gering dodelijk

potentieel (rapport 25/5/09).

De deskundigen Keereweer/Pieterman duiden gat 4 als een inschot (rapport 31/8/09), waarschijnlijk veroorzaakt door een gepenetreerd kogeltje.

2. Gat 2 ter hoogte van de rechterzijde van de schedel wordt door Jacobs onder andere op grond van de kenmerken (sleutelgat morfologie) geduid als een ballistische impact, mogelijk veroorzaakt door een ander kaliber/type munitie (dan 5,5 mm, begrijpt het hof) en met een reëel dodelijk potentieel (rapporten 26/9/07, 21/4/09 en 25/2/10).

Het gat wordt door de deskundige Van de Goot gemotiveerd geduid als botperforatie als gevolg van inwerking van hevig uitwendig botsend mechanisch geweld zoals zou kunnen optreden bij slaan met een zwaar voorwerp of zou kunnen worden veroorzaakt door een projectiel (rapporten 8/9/06 en 26/2/09) en met dodelijk potentieel (rapport 26/2/09).

Door de deskundigen Keereweer/Pieterman wordt gat 2 geduid als een gat, waarvan gelet op de vorm of door stapeling van onderzoeksbevindingen niet kan worden vastgesteld of het is veroorzaakt door een projectiel of door een ander voorwerp (rapporten 12/12/06, 22/3/07 en 31/8/09).

Met betrekking tot de uitspraak van de deskundige Jacobs over het mogelijke kaliber, stelt het hof vast dat deze mede is gebaseerd op de uitkomsten van een schietexperiment, waarvan, door de bij dat experiment aangenomen schootsafstanden (zie rapport 26/9/07) niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre zij de werkelijkheid zoals die zich heeft voorgedaan, hebben benaderd.

Voorts stelt het hof vast dat de deskundige Jacobs naar aanleiding van de bevindingen van de deskundigen Keereweer en Pieterman aangeeft dat gat 2 niet met zekerheid in verband kan worden gebracht met gat 5, dat gat 2 door een ander type projectiel veroorzaakt is, waarbij de schedel wel doorboord is, met een reëel dodelijk potentieel (rapport 21/4/09).

3. Gat 3 ter hoogte van het rechterjukbeen wordt door de deskundige Jacobs beschreven als een defect van 3,8 bij 4,0 cm (rapporten 26/9/07 en 21/4/09).

Het gat wordt door de deskundige Van de Goot geduid als een groot botdefect ontstaan als gevolg van inwerking van hevig uitwendig botsend mechanisch geweld, zoals zou kunnen optreden bij slaan met een zwaar voorwerp. Over het ontstaan door inwerking van een projectiel is geen zekere uitspraak mogelijk. Het kan indien bij leven opgelopen het intreden van een snelle dood verklaren op basis van bloedverlies en hersenschade (rapporten 8/9/06, 16/3/07 en 26/2/09).

De deskundigen Keereweer en Pieterman geven aan dat het een gat is waarvan niet kan worden vastgesteld of het is veroorzaakt door een projectiel of door een ander voorwerp, en dat gelet op de grootte ervan de oorzaak meer verenigbaar is met een (slag)voorwerp dan enig projectiel (rapport 31/8/09).

Het hof leidt uit het ontbreken van een verdergaande duiding door de deskundige Jacobs, ook met betrekking tot het dodelijk potentieel, hoewel daar door het hof wel uitdrukkelijk om was verzocht, af, dat hij in de bevindingen van Van de Goot en Keereweer/Pieterman kennelijk geen aanleiding heeft gevonden een andersluidend standpunt in te nemen.

4. Gat 5 aan het achterhoofd wordt door de deskundige Jacobs, nadat hij dit aanvankelijk als ballistische uitgangswonde heeft getypeerd en bezien in samenhang met gat 2, na kennisname van de resultaten van een soucheonderzoek door de deskundigen Keereweer en Pieterman (rapport 26/2/09) geduid als een niet “door en door” perforatie, welke niet met wetenschappelijke zekerheid in verband kan worden gebracht met gat 2. Het betreft geen uitgaande schotverwonding (rapport 21/4/09). Met betrekking tot het ontbreken van een verdere beschouwing van deskundige Jacobs ook over het dodelijk potentieel van de beschadiging herhaalt het hof hier hetgeen ter zake is overwogen bij de bespreking van gat 3.

Gat 5 wordt door de deskundige Van de Goot geduid als een taps toelopende botimpressie waarvan geen ontstaansmechanisme met zekerheid is aan te wijzen dan dat dit door uitwendig mechanisch geweld is ontstaan (rapporten 8/9/06 en 16/3/07). Kennelijk op grond van het onderzoek van de schedel in de meest oorspronkelijke vorm (dus voor uitkoken en uitzagen van delen), wordt door hem gewezen op een botdeeltje aan de binnenzijde van de schedel waardoor uitschot volgens hem uitgesloten is (rapport 26/2/09). Het letsel ten gevolge van de beschadiging heeft een gering dodelijk potentieel (rapport 25/5/09).

Gat 5 wordt door de deskundigen Keereweer en Pieterman geduid als van buiten naar binnen trechtervormig toelopend gat waarvan op grond van de vorm en het ontbreken van stapeling van factoren ondanks de aanwezigheid van loodresten niet kan worden vastgesteld dat het is veroorzaakt door een projectiel, maar wel dat het is veroorzaakt door krachtsinwerking van buitenaf (rapporten 12/12/06, 22/3/07 en 31/8/09). Het is in ieder geval geen uitschot, hetgeen gemotiveerd wordt onderbouwd door een souche onderzoek waaruit naar voren komt dat er aan de binnenzijde van de schedel geen beschadigingen waren en onder verwijzing naar de aanwezigheid van een botfragment dat ter plaatse aanwezig was bij onderzoek aan de schedel in de oorspronkelijke vorm (voor het uitzagen van delen) (rapport 26/2/09).

5. Gat 1 aan het voorhoofd wordt door de deskundige Jacobs geduid als een trapeziumvormige perforatie. Het betreft een mogelijke ballistische ingangswonde, waarbij een loodhoudend projectiel de schedel niet volledig gepenetreerd heeft, met een gering dodelijk potentieel (rapport 26/9/07).

Het gat wordt door de deskundige Van de Goot getypeerd als een botimpressie welke vrijwel de gehele schedelvoorwand doorboord heeft. Aan de binnenzijde was nog een kleine botrand (rapport 8/9/06). Bij onderzoek van de schedel in de meest oorspronkelijke toestand (bij sectie, voor uitkoken) was dit schilletje nog aanwezig en is waarschijnlijk verloren gegaan bij het uitkoken (rapporten 16/3/07 en 26/2/09). Het letsel kan alleen maar veroorzaakt worden door inwerking van uitwendig botsend geweld dat van buiten naar binnen is gegaan. Een 5,5 mm kogeltje behoort hier tot de mogelijkheden. Het betreft hier geen totale perforatie. Het letsel kan een subdurale bloeduitstorting veroorzaken, welke bij progressie het intreden van de dood na enige tijd zou kunnen veroorzaken. Dit geldt ook voor gat 5 (rapport 26/2/09).

De deskundigen Keereweer en Pieterman typeren gat 1, gezien de vorm, de enigszins karakteristieke uitbraak van botfragmenten en aangetroffen loodsporen als te zijn ontstaan door een loden kogeltje afkomstig uit een (luchtdruk)wapen.

Het is een inschot met beperkte penetratie (rapporten 12/12/06 en 31/8/09). De opeenstapeling van genoemde factoren leidt tot deze onderbouwde conclusie.

6. De beschadigingen 6 en 7 aan de achterzijde van de schedel worden door de deskundige Jacobs beschreven als rechthoekige botimpressies, welke suggestief zijn voor een tangentiële impact (rapport 26/9/07).

De gaten 6 en 7 worden door Van de Goot geduid als twee min of meer parallel verlopende streepvormige oppervlakkige botbeschadigingen, welke het gevolg waren van inwerking van hevig uitwendig botsend mechanisch geweld, met een gering dodelijk potentieel, als hiervoor omschreven ten aanzien van gat 5 (rapporten 8/9/06 en 26/2/09).

De deskundige Keereweer en Pieterman typeren de beschadigingen 6 en 7 als rechthoekige indruksporen waarbij een slagvoorwerp met een scherpe rand als veroorzaker in aanmerking komt (rapporten 12/12/06 en 31/8/09). Met betrekking tot het ontbreken van een beschouwing van deskundige Jacobs ook over het dodelijk potentieel van de beschadigingen/letsels herhaalt het hof hetgeen ter zake is overwogen bij de bespreking van gat 3.

Met betrekking tot gat 1 t/m 5 merken de deskundigen Keereweer en Pieterman verder nog op dat er geen aanwijzingen zijn dat deze letsels uitschotopeningen betreffen (rapport 31/8/09).

Zowel de deskundige Jacobs als de deskundigen Van de Goot en Keereweer stellen zich op het standpunt dat de aangetroffen gaten/letsels niet zijn veroorzaakt door diervraat, dan wel dat daarvoor geen aanwijzingen zijn gevonden (rapport Van de Goot 16/3/07, rapport Keereweer 22/3/07 en rapport Jacobs 26/9/07).

Het hof concludeert dat er uitgebreid onderzoek is gedaan aan en met betrekking tot de schedel door genoemde deskundigen (rapporten Van de Goot d.d. 8 september 2006,

16 maart 2007, 26 februari 2009, 25 mei 2009, 18 december 2009, 1 februari 2010 en

5 maart 2010), rapporten Keereweer en Pieterman d.d. 12 december 2006, 22 maart 2007, 25 september 2007, 26 februari 2009, 27 mei 2009 en 31 augustus 2009 en rapporten Jacobs d.d. 26 september 2007, 21 april 2009 en 25 februari 2010), waarbij gemotiveerd werd ingegaan op hetgeen zijdens de verdediging werd ingebracht.

De uitkomsten daarvan komen goeddeels overeen. Het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag heeft de schedel onderzocht in de meest oorspronkelijke vorm, hetgeen relevant is omdat door dit onderzoek veranderingen aan de schedel zijn opgetreden (na het uitkoken ervan en na het uitzagen van delen van de schedel).

Op de verschillen die bestonden (met name met betrekking tot de duiding van gat 1, 2 en 5 en het kaliber van het projectiel dat gat 2 heeft veroorzaakt) heeft het NFI uitgebreid en genuanceerd gereageerd, daarbij mede verwijzend naar waarnemingen met betrekking tot de schedel in de (meest) oorspronkelijke toestand.

De deskundige Jacobs heeft zijn bevindingen mede gebaseerd op een schietexperiment, waarvan voor wat betreft de resultaten niet vaststaat of en in hoeverre deze de werkelijkheid benaderen, door aanname van schootsafstanden, overigens in consensus met de verdediging, hetgeen ook eerder genoemde bevindingen raakt.

Verder concludeert het hof dat de deskundige Jacobs zijn opinie naar aanleiding van de bevindingen van het NFI heeft bijgesteld. Zo is gat 5 geen uitgangswonde meer en is daar geen verbinding meer met gat 2 en spreekt de deskundige ten aanzien van het veroorzakende projectiel bij gat 2 niet meer van een ander kaliber maar van een ander type projectiel.

Gelet op het vorenstaande concludeert het hof dat het NFI op basis van onderzoek aan de schedel in de (meest) oorspronkelijke vorm, uitgebreid, zorgvuldig en genuanceerd terzake heeft gerapporteerd en gereageerd.

Het hof acht daarom de bedoelde rapportages van het NFI betrouwbaar en als zodanig bruikbaar voor het bewijs.

Voorts komen uit de vergelijking van de resultaten van die door het NFI (Van de Goot, Keereweer, Pieterman) uitgevoerde onderzoeken met die van de onderzoeken verricht door de door de verdediging voorgebrachte deskundige Jacobs geen aspecten naar voren die grond geven voor de stellingen van de verdediging als bovenvermeld.

Hetgeen naar voren komt uit het rapport van de Universiteit van Tennessee, hetwelk slechts is gebaseerd op de door de verdediging ter zake overgelegde stukken, doet daaraan niet af.

Tenslotte overweegt het hof nog het volgende.

Anders dan door de verdediging is gesteld heeft verdachte op grond van wat uit de bewijsmiddelen naar voren komt niet in paniek, maar weloverwogen gehandeld. Dat niet duidelijk is geworden welk motief werkelijk aan het handelen van verdachte ten grondslag heeft gelegen, wordt naar ’s hofs oordeel veroorzaakt doordat verdachte ter zake geen opening van zaken heeft gegeven.

Met betrekking tot de tot bewijs gebezigde verklaringen van verdachte merkt het hof nog het navolgende op. Verdachte heeft veel wisselende en zelfs leugenachtige verklaringen, hetgeen ook door de raadsman wordt aangestipt, afgelegd. Het hof heeft zich daarvan rekenschap gegeven bij de selectie en bij de beoordeling van de bruikbaarheid ervan en deze in dat kader bezien in relatie met hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen naar voren komt.

Alles overziend is het hof van oordeel dat het door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario niet aannemelijk is geworden en wel voldoende is onderzocht. Er zijn, ook overigens, geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die zouden moeten leiden tot andere oordelen dan hiervoor gegeven.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 2 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 151 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten zoals daarvan blijkt uit de daarop gestelde strafmaxima en op de straffen die voor dergelijke feiten plegen te worden opgelegd, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Het hof rekent verdachte met name de volgende feiten en omstandigheden zwaar aan.

- verdachte heeft in de voor nachtrust bestemde tijd lafhartig zijn vrouw in ook haar woning, waar ze zich veilig mocht wanen, op zeer gewelddadige wijze vermoord;

- zij moet daarbij, zij het kort, veel pijn hebben geleden en in grote doodsnood hebben verkeerd;

- na de moord is verdachte respectloos omgegaan met de stoffelijke resten van zijn vrouw door deze achter te laten in het bos in België en dusdoende die stoffelijke resten ook weg te maken;

- verdachte heeft nadien welbewust de nabestaanden van [slachtoffer], waaronder met name zijn te noemen zijn kinderen en haar ouders, misleid en voorgelogen en hen op die wijze in grote onzekerheid laten verkeren omtrent haar lot;

- verdachte heeft ook anderen misleid en voorgelogen over wat er met haar aan de hand was onder meer door aangifte te doen van haar vermissing;

- verdachte heeft onherstelbaar leed toegebracht aan nabestaanden;

- verdachte heeft voorts bewust sporen weggemaakt, waaronder ook de luchtbuks;

Door het bewezen verklaarde handelen van verdachte is de rechtsorde ernstig geschokt en maatschappelijke onrust ontstaan.

Nu de maximum straf voor moord sinds 1 februari 2006 is verhoogd laat het hof ook dit doorwerken in de straftoemeting.

Bij de bepaling van de hoogte van de aan verdachte op te leggen straf heeft het hof in strafmatigende zin rekening gehouden met de omstandigheid dat minder bewezen is verklaard dan waarvan de advocaat-generaal bij haar eis is uitgegaan en met de omstandigheid dat de feiten hem in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend, zoals blijkt uit de rapportage omtrent het onderzoek ingesteld naar de geestvermogens van verdachte d.d. 7 maart 2007, opgemaakt door I. Schilperoord, psycholoog, en J.M.J.F. Offermans, psychiater.

Het hof constateert dat eerst na 30 maanden nadat het hoger beroep is ingesteld het hof tot een einduitspraak is gekomen en derhalve niet binnen de door de Hoge Raad bepaalde termijn van zestien maanden. Volgens de Hoge Raad kan van de gestelde termijn onder meer worden afgeweken indien de complexiteit van de strafzaak, de invloed van verdachte op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld daartoe aanleiding geeft.

Naar het oordeel van het hof is er hier sprake van een complexe strafzaak met internationale aspecten. Verder zijn er op verzoek van de verdediging en (ambtshalve) naar aanleiding van verzoeken van de verdediging in deze zaak diverse nadere onderzoeken verricht. Met name het op 13 november 2008 op verzoek van de verdediging bevolen nader onderzoek in de Belgische Ardennen heeft veel tijd gevergd, aangezien dit onderzoek, onder meer in verband met de bodemgesteldheid ter plaatse, eerst op 22 en 23 juli 2009 heeft kunnen plaatsvinden. Voorts heeft de raadsman op 18 december 2009 en 5 februari 2010 nog verzoeken gedaan die mede tot schorsing van het onderzoek hebben geleid.

Hoewel niet het gehele tijdverloop op conto van de verdediging kan worden geschreven, is het hof, gelet op de omvang van het na het instellen van het hoger beroep verrichte onderzoek en de complexiteit van de zaak, van oordeel dat er redenen zijn om af te wijken van eerdergenoemde termijn en dat de thans verstreken tijd niet zodanig lang is dat geen sprake meer is van behandeling binnen een redelijke termijn. Het hof ziet derhalve geen aanleiding om de straf om die reden te matigen.

Alles tegen elkaar afgewogen acht het hof, gelet op het vorenstaande, na te noemen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, die langer is dan gevorderd door de advocaat-generaal, passend en geboden.

Beslag

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven zilveren medaillon (hanger met Egyptische beeltenis) zal worden teruggegeven aan de hieronder te noemen persoon, zijnde degene die blijkens het onderzoek ter terechtzitting redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

Van hetgeen verder in beslag is genomen en nog niet is teruggegeven, zal de teruggave aan de verdachte worden gelast nu het belang van strafvordering zich niet meer tegen de teruggave daarvan verzet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 151 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk ten aanzien van het op Duits grondgebied plegen van het onder feit 2, tweede gedachtenpunt, ten laste gelegde.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen het onder feit 2, tweede gedachtenpunt, overigens ten laste gelegde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2, eerste gedachtenpunt, ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 2, eerste gedachtenpunt, meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1.

Moord.

2.

Een lijk verbergen, wegvoeren of wegmaken, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 (twintig) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis en in detentie in het buitenland ingevolge een Nederlands verzoek om uitlevering of om overlevering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan [betrokkene 1] van het in beslag genomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

een zilveren medaillon (hanger met Egyptische beeltenis).

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

alle overige op de lijst van in beslag genomen goederen vermelde voorwerpen.

Aldus gewezen door

mr. H. Eijsenga, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. F. van Es,

in tegenwoordigheid van mw. C.M. Sweep, griffier,

en op 29 april 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.