Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM2356

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-04-2010
Datum publicatie
26-04-2010
Zaaknummer
20-002747-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2008:BD6914, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen van verduistering van vlees en verduistering van geldbedragen. Voedselbank Helmond.

A. De in de bewezenverklaring genoemde hoeveelheden vlees waren steeds gedoneerd aan de Stichting ”Voedselbank Zuid” en waren bestemd voor de cliënten van die voedselbank. Verdachte en haar medeverdachte hebben een deel van het beste vlees van de Voedselbank dat zij onder zich hadden ter verdeling onder de cliënten van de Voedselbank, willens en wetens in strijd met de hen bekende bestemming van dit vlees en zonder toestemming van het bestuur aan henzelf en de door hen uitverkorenen ten goede laten komen. Hieruit volgt dat verdachte als medepleger van de verduistering van dit vlees moet worden aangemerkt.

B. Verdachte heeft de geldbedragen van de schenkers aan de stichting voedselbank die geoormerkt waren als bedragen ten behoeve van een cliënte slechts ten dele aan haar heeft doen toekomen, waarbij verdachte een ander gedeelte aan derden heeft verstrekt. Door aldus te handelen heeft verdachte een gedeelte van het voor cliënte bestemde geld tegen de - verdachte bekende - afspraken in beheerd en zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester over dat geld beschikt. De verdachte heeft derhalve de betreffende geldbedragen verduisterd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-002747-08

Uitspraak: 15 maart 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 15 juli 2008 in de strafzaak met parketnummer 01/825108-07 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1956],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde, voor zover het betreft flessen wijn, en veroordeeld voor zover het betreft vlees en geldbedragen..

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd ten aanzien van vlees en geldbedragen. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist, heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen en te dien aanzien opnieuw rechtdoende, de verdachte zal vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit en de verdachte zal veroordelen ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit (medeplegen van verduistering van het vlees en verduistering van geldbedragen) tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 dagen, met aftrek van voorarrest.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis -voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen- zal

worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep en voor zover thans nog van belang - ten laste gelegd dat:

zij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 2004 tot en met 20 februari 2007 in de gemeente Helmond en/of elders in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, de volgende donateurs:

- [Bedrijf 1] en/of

- [Bedrijf 2] en/of

- [Slachtoffer 1] en/of

- [Slachtoffer 2]

heeft/hebben bewogen tot de afgifte van

-(een) hoeveelhe(i)d(en) vlees en/of

- een/enige geldbedrag(en) ten behoeve van mevrouw [Slachtoffer 3], en hebbende verdachte en/of haar mededader(s) toen aldaar (telkens) met vorenomschreven oogmerk

- zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid voornoemd vlees, althans enig(e) goed(eren) en/of voornoemd(e) geldbedrag(en) voor mevrouw [Slachtoffer 3], aangenomen van voornoemde donateurs, althans van een bedrijf en/of bedrijven en/of (een) pers(o)on(en), die in de veronderstelling was/waren en/of de bedoeling had/hadden dat dat vlees, althans dat goed/die goederen, ten goede zou(den) komen aan de cliënten van de Stichting "Voedselbank Zuid" en/of dat dat/die geldbedrag(en) ten goede zouden komen aan mevrouw [Slachtoffer 3], waardoor [Bedrijf 1] en/of [Bedrijf 2] en/of [Slachtoffer 1] en/of [Slachtoffer 2], (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 2004 tot en met 20 februari 2007 in de gemeente Helmond en/of elders in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) hoeveelhe(i)d(en) vlees, althans enig(e) goed(eren), en/of een/enige geldbedrag(en) (ten behoeve van mevrouw [Slachtoffer 3]), in elk geval enig(e) goed(eren) en/of enig(e) geldbedrag(en), dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [Bedrijf 1] en/of [Bedrijf 2] en/of [Slachtoffer 1] en/of [Slachtoffer 2] en/of de Stichting “Voedselbank Zuid”, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), en welk(e) goed(eren) en/of welk(e) geldbedrag(en) verdachte en/of haar mededader(s) uit hoofde van haar/hun persoonlijke dienstbetrekking van/als oprichters en/of feitelijk leidinggevenden van de Stichting "Voedselbank Zuid", in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had(den), hebbende voornoemd(e) perso(o)n(en) en/of bedrijf en/of bedrijven het/de goed(eren) en/of (enig) geldbedrag(en) als donatie ten behoeve van de cliënten van de Stichting "Voedselbank Zuid" en/of mevrouw [Slachtoffer 3] gedaan, aan verdachte en/of haar mededader(s) doen toekomen, wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 01 januari 2004 tot en met 20 februari 2007 in de gemeente Helmond en/of elders in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (een) hoeveelhe(i)d(en) vlees en/of een/enige geldbedrag(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Bedrijf 1] en/of [Bedrijf 2] en/of [Slachtoffer 1] en/of [Slachtoffer 2] en/of [Slachtoffer 3] en/of Stichting "Voedselbank Zuid", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s).

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij daarvan wordt vrijgesproken. Er is geen bewijs dat verdachte zich heeft bediend van één van de tenlastegelegde oplichtingsmiddelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

- zij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 september 2005 tot en met 20 februari 2007 in de gemeente Helmond en elders in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een hoeveelheid vlees die toebehoorde aan de Stichting “Voedselbank Zuid”, en welke goederen verdachte en haar mededader anders dan door misdrijf onder zich hadden, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

- zij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 september 2005 tot en met 20 februari 2007 in de gemeente Helmond, telkens opzettelijk een geldbedrag (ten behoeve van mevrouw [Slachtoffer 3]), dat toebehoorde aan de Stichting “Voedselbank Zuid”, welke geldbedragen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Door de raadsvrouwe van verdachte is aangevoerd dat verdachte van het primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe is ten aanzien van het vlees aangevoerd dat dit volledig ten goede is gekomen van de Voedselbank en bovendien dat de handelwijze betreffende het vlees door het bestuur was geaccordeerd. Ten aanzien van de geldbedragen ten behoeve van [Slachtoffer 3] heeft de raadsvrouwe bepleit dat verdachte niet als heer en meester over de schenkingen heeft beschikt, zodat geen sprake is van verduistering van het geld.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Volgens art. 321 Sr wordt onder verduistering verstaan: opzettelijk een goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort en dat men anders dan door misdrijf onder zich heeft, wederrechtelijk zich toe-eigenen. Van wederrechtelijke toe-eigening is sprake indien men zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester over een dergelijk goed beschikt.

A. Ten aanzien van het vlees

Het hof acht ten aanzien van het vlees de navolgende verklaringen van belang:

- [Getuige 1] heeft op 12 februari 2007 tegenover de politie onder meer het volgende verklaard (p. 248-249):

Ik ben vestigingsmanager van [Bedrijf 2] gevestigd te [Vestigingsplaats 1]. Ergens in 2005 heb ik met de Voedselbank Helmond afgesproken dat [bij ons bedrijf; hof] vlees kon worden opgehaald. Het vlees werd opgehaald door drie mannen in een blauwe bestelbus. Men brengt zelf kratten mee om het vlees in te doen. De hoeveelheden vlees variëren van heel weinig of geen overschot tot grote hoeveelheden in de week, zoals in januari van dit jaar, toen is iets van 5000 kilogram geschonken. De voedselbank vind ik een goede instantie. Het door [Bedrijf 2] geschonken vlees is natuurlijk bestemd voor de cliënten van de voedselbank. Als het vlees anders wordt of is bestemd dan voor de cliënten, dan was dit niet de bedoeling. Hiervoor was geen toestemming gegeven.

- [Getuige 2] heeft op 12 december 2006 tegenover de politie, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (p. 52-53):

Ik ben omstreeks oktober 2005 als vrijwilliger betrokken geraakt bij de Stichting Voedselbank Zuid. Mijn eerste argwaan ontstond toen ik en mevrouw [Getuige 3] als nieuwe vrijwilligers medio februari 2006 door [Medeverdachte] en [verdachte] (het hof leest:[verdachte], waarmee wordt bedoeld [verdachte], echtgenote van [Medeverdachte]) werden uitgenodigd voor een etentje bij het restaurant [Naam restaurant] in Beek en Donk. [Medeverdachte] en [verdachte] noemen zich de oprichters van de voedselbank en hebben nu het dagelijks beheer. Na het etentje hoefde niemand iets af te rekenen.

[Medeverdachte] vertelde dat dit geregeld was met het restaurant omdat ze af en toe vlees, afkomstig van de voedselbank, aan dit restaurant leverden. (…)

Elke donderdag kunnen de klanten van de Voedselbank hun pakket komen ophalen. Het viel mij vaker op dat er zeer veel voedsel overbleef. Gemiddeld 2 tot 3 donderdagen van de maand zag ik dat in de diepvriescel kratten met het duurdere vlees bleven staan. Met duurder vlees bedoel ik biefstuk, varkenshaas en dergelijke. Op die kratten lagen dan briefjes met de namen [Medeverdachte], [Betrokkene 1] en [Betrokkene 2]. Iedere maandag waren deze kratjes weg.

- [Getuige 3] heeft op 19 december 2006 tegenover de politie, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (p. 63-66):

Ik was als vrijwilliger werkzaam bij de stichting voedselbank te Helmond. In januari 2006 was ik op het adres Brandstraat (het hof begrijpt uit p. 7 van het dossier: het toenmalig adres van de Voedselbank, hof) aanwezig. Ik zag toen dat [Betrokkene 2] aangereden kwam met de koelbus die eigendom is van de voedselbank. Ik zag dat de twee deuren aan de achterzijde van de bus opengingen en dat [Medeverdachte] (het hof begrijpt: medeverdachte [Medeverdachte]) aan [Betrokkene 2] de vraag stelde wat er in welke krat zat. Ik hoorde dat [Betrokkene 2] aan [Medeverdachte] vertelde dat bijvoorbeeld in de ene krat bieflappen zaten en in de andere krat bijvoorbeeld hamlappen. [Medeverdachte] zei toen tegen [Betrokkene 2] dat de kratten vlees met die bieflappen en hamlappen in de privé auto van [Medeverdachte] gezet moesten worden. Ik zag dat [Betrokkene 2] vier kratten in de auto van [Medeverdachte] zette. De afmeting van zo’n krat is ongeveer 100 x 50 x 30 cm. De kratten waren geheel gevuld met vlees. (…)

In februari 2006 werd ik gebeld door [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte). Ze vroeg mij en mijn vriend [Getuige 2] mee uit eten. Ik weet dat [verdachte] een bijstandsuitkering heeft. (…) Wij hebben daar (de Japanner ‘[Naam restaurant]’ te Beek en Donk) met zijn vieren heel duur gegeten. Op het eind van de avond kreeg [Medeverdachte] de rekening. Ik zag dat we samen voor ongeveer 280 euro gegeten hadden. Ik wilde toen de helft van de rekening betalen maar [Medeverdachte] liet dat niet toe. [Medeverdachte] zei: “het kost mij niets”. [Medeverdachte] vertelde dat hij hen geregeld vlees brengt. Die rekening stopte [Medeverdachte] in zijn zak en wij vertrokken zonder te betalen. (…) [Betrokkene 2] heb ik ook een keer horen vertellen dat hij door [Medeverdachte] meerdere keren was uitgenodigd om samen te gaan eten bij die Japanner. Ook [Medeverdachte] heeft me verteld dat hij vaak met mensen uit gaat eten bij die Japanner. [Medeverdachte] vertelde ook dat hij nooit hoefde te betalen. Hij zou dat ook niet kunnen met zijn bijstandsuitkering. [Medeverdachte] vertelde dat hij zeker twee keer per maand bij die Japanner uit gaat eten. (…)

De broer van [verdachte] heb ik zeker 10 keer bij de voedselbank gezien. Hij kwam dan met een grote terreinauto, waarvan de achterklep omhoog gezet kon worden. Elke keer als die broer kwam, moesten de aanwezige vrijwilligers uit de koelcel van de voedselbank zeker 10 kratten vlees halen en die in de auto plaatsen van die broer. Het vlees in die kratten is het duurste vlees dat op dat moment op voorraad staat. In de koelcel heeft men onderverdelingen gemaakt. Bij een gedeelte staat een bord: “afblijven [Medeverdachte]”. In dat gedeelte staan dan altijd de kratten met het duurste vlees. En die kratten worden dan in de auto van die broer geladen.

- [Getuige 4] heeft op 6 februari 2007 tegenover de politie, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (p. 160-162):

Ik heb werk verricht als chauffeur en bijrijder van de koelwagen van de voedselbank. Mijn voornaamste taak was het ophalen en inladen van vlees bij [Bedrijf 1] (het hof leest: [Bedrijf 1]). (…) Elke week ging ik met [Betrokkene 2] naar [Bedrijf 1] te [Vestigingsplaats 2] en [Vestigingsplaats 1]. Daar kregen we elke week in totaal minimaal 60 grote kratten. Dat was elke week tussen de 500 en 750 kilo vlees. (…) Van die 60 kratten, waren er steeds 12 kratten gevuld met duur vlees. Dat dure vlees bestond uit vlees van de koe. Het varkensvlees werd uitgedeeld aan de cliënten. De kratten rundvlees moesten [Betrokkene 2] en ik apart in de koeling van de voedselbank zetten. [Medeverdachte] (het hof begrijpt: medeverdachte [Medeverdachte]) legde er dan steeds een briefje op: “Afblijven [Medeverdachte]”. (…) Ik kan ook een verhaal vertellen over de broer van [verdachte]. Die man kwam geregeld bij [verdachte] op de voedselbank. Hij had toen een oude Opel. Ik heb geregeld gezien dat [verdachte], [Medeverdachte] en die broer kratten vlees in die Opel hebben geladen en dat hij daarmee wegreed. Dat was allemaal eten voor de cliënten en die broer was geen cliënt.

- [Getuige 5] heeft op 7 februari 2007 tegenover de politie, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (p. 238):

Ik ben als vrijwilliger werkzaam geweest bij de voedselbank te Helmond van oktober 2003 tot september 2006. U stelt me de vraag of ik ooit gezien heb dat [Medeverdachte] kratten vlees in zijn privé auto heeft geladen. Dat heb ik inderdaad wel eens gezien. Ik schat dat ik dat een keer of 3 gezien heb en dat was dan elke keer 1 of 2 kratten vlees.

- [Getuige 6] heeft op 23 februari 2007 tegenover de politie, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (p. 253):

Ik ben adviseur van het Japans restaurant [Naam restaurant] te Beek en Donk. Begin 2006 kwam [Medeverdachte] bij het restaurant om mij vlees te laten testen. Het was alleen rundvlees. (…) [Medeverdachte] kwam elke keer een paar kilo vlees brengen. Dat werd dan in het restaurant klaar gemaakt voor het personeel van het restaurant en voor [Medeverdachte] en [verdachte]. Zij aten dan dus gratis in mijn restaurant. Ik weet, één keer, dat zal in oktober 2006 zijn geweest, kwam [Medeverdachte] met een paar honderd kilo rundvlees, dat hij aan mij gratis gaf. [Medeverdachte] en [verdachte] kwamen ook wel eens met vrienden in het restaurant eten. Ook dan hoefden ze niets af te rekenen.

- Medeverdachte [Medeverdachte] heeft op 21 februari 2007 tegenover de politie, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (p. 275):

Vraag: Kwam je zelf in aanmerking voor een voedselpakket?

Ja, we hebben altijd in de schuldsanering gezeten.

Vraag: Hoe lang heb je er in gezeten?

Bijna drie jaar.

Vraag: Wanneer was je van de schulden verlost?

Dat wordt nu bijna een jaar. In januari/februari 2006 ben ik uit de schuldsanering gekomen.

Vraag: En sinds die tijd heb je je bijstanduitkering van 1100 euro en nog iets per maand? Ja.

Vraag: Kom je met deze bijstandsuitkering in aanmerking voor een voedselpakket?

Nee, dat haal ik niet. Dan zit ik boven de norm.

- Medeverdachte [Medeverdachte] heeft op 6 maart 2007 tegenover de politie, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (p. 284-285):

De eigenaar van het Japans restaurant te Beek en Donk zou verklaard hebben dat ik in oktober 2006 enkele honderden kilo’s vlees aan hem gegeven zou hebben. Ik zal nu eerlijk verklaren dat dat inderdaad klopt. Ik heb in 2006 diverse keren vlees gebracht naar dat restaurant. (…) Ik ben begin 2006 naar dat restaurant gegaan. Ik heb toen met de eigenaar gesproken en heb hem het voorstel gedaan dat hij van mij vlees kreeg in ruil voor etentjes. (…) Ik schat dat ik zes keer in 2006 vlees gebracht heb naar dat restaurant. Ik schat dat ik per keer tussen de 10 à 15 kratten vlees naar hem bracht. Per krat zat ongeveer 8 kilo vlees. In oktober 2006 ben ik een keer met de bus van de voedselbank naar dat restaurant gereden en heb ik daar ineens 25 kratten vlees afgeleverd. (…) Ik schat dat [verdachte] en ik in dat restaurant in 2006, 7 à 8 keer gratis hebben gegeten. Een paar keer zijn [verdachte] en ik samen met [Betrokkene 2] en zijn vriendin [Betrokkene 5] in dat restaurant gaan eten. Dat was dus ook voor hen gratis. Aan [Betrokkene 2] heb ik verteld dat zij gratis konden eten omdat ik het restaurant van vlees voorzag. Ook het echtpaar [Betrokkene 3] van de voedselbank te Rotterdam heeft een keer gratis met ons daar gegeten. (…) [Getuige 2] en zijn vriendin [Getuige 3] hebben ook een keer met ons gratis gegeten. Ook nog een ander echtpaar, waarvan ik de naam niet noem, heb ik in dat restaurant gratis laten eten.

- [Getuige 3] heeft op 26 november 2007 bij de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank ‘s-Hertogenbosch, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (p.2):

Als mensen cliënt van de Voedselbank wilden worden, dan moesten ze voor de intake hun bankpapieren, ziekenfondspapieren en later ook een legitimatiebewijs meenemen. Er waren wel bepaalde normen bij de Voedselbank om vast te stellen wie wel of niet cliënt konden worden. Dat zijn landelijke normen. Er waren bepaalde maximum bedragen om van te leven. Wie daaronder bleef kon cliënt worden.

- [Getuige 7] heeft op 27 februari 2007 tegenover de politie, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (p. 79-80):

Ik begrijp dat u mij nog enkele vragen wil stellen in verband met mijn functie als voorzitter van de Stichting Voedselbank te Helmond. (…) Ergens in augustus 2006 kwam de heer [Getuige 2] bij mij thuis en vertelde dat er een hoeveelheid van 300 kilo vlees voor de voedselbank was gebracht naar een privé persoon met de naam [naam].

Naar aanleiding van deze beschuldiging heb ik [Betrokkene 2], [Betrokkene 4] en [verdachte] daarover aangesproken. Allen verzekerden mij dat al het vlees op de voedselbank terecht was gekomen.

- [Getuige 8] heeft op 28 februari 2007 tegenover de politie, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (p. 186):

U toont me een kopie van een rekening van het Japans restaurant [Naam restaurant] te Beek en Donk. Op de rekening, gedateerd 26 maart 2006, staat dat er met 32 personen gegeten is voor een totaal bedrag van 1376 euro. Ergens in januari 2006 zijn we met alle vrijwilligers en het bestuur, waaronder ik, gaan eten bij dat restaurant. Ik heb later aan [verdachte] en [Medeverdachte] gevraagd om een rekening te overleggen. Dit is de rekening die u mij toont en behoort bij de boekhouding van 2006. In die tijd was ik de penningmeester van de voedselbank, dus verantwoordelijk voor die rekening. Een hele tijd na dat etentje kreeg ik van [verdachte] en [Medeverdachte] die rekening. Naar aanleiding van die rekening heb ik een totaalbedrag van 1450 euro aan [Medeverdachte] en [verdachte] gegeven. 1376 euro daarvan was bedoeld om de rekening van het restaurant te betalen. Ik ben er van uit gegaan dat [Medeverdachte] en [verdachte] van dat geld die rekening bij het restaurant hebben betaald. Ik heb of [Medeverdachte] of [verdachte] voor ontvangst van die 1450 euro laten tekenen.

- Verdachte heeft op 1 juli 2008 ter terechtzitting in eerste aanleg, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (p. 4):

Het contact met de Chinees (het hof begrijpt: de heer [Getuige 6]) is gekomen door het Sinterklaasfeest. Wij hebben hem een voorstel gedaan en hebben daarover gesproken. Wij zouden het vlees wat op donderdag over is daarheen brengen en dan een gezin daar uit eten laten gaan. Wij zijn ook wel eens met het bestuur en met de voedselbank Rotterdam bij de Chinees gaan eten.

Het hof stelt naar aanleiding van vorenstaande verklaringen, in onderling verband en samenhang bezien, het volgende vast.

De in de bewezenverklaring genoemde hoeveelheden vlees waren steeds gedoneerd aan de Stichting ”Voedselbank Zuid” en waren bestemd voor de cliënten van die voedselbank. Door medeverdachte [Medeverdachte], die als vrijwilliger van de voedselbank het vlees onder zich had, is begin 2006 een afspraak gemaakt met de heer [Getuige 6] van het Japans restaurant [Naam restaurant] te Beek en Donk, inhoudende dat een deel van dit vlees, zou worden geleverd in ruil voor etentjes in het restaurant, hetgeen vervolgens daadwerkelijk herhaaldelijk is geschied en wel van het beste deel van het gedoneerde vlees. De verdachte was van deze gang van zaken op de hoogte. Anders dan verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg wilde doen geloven, is dit vlees niet (uitsluitend) ten goede gekomen aan cliënten van de Voedselbank. [Getuige 6], de adviseur van het Japanse restaurant, spreekt enkel over etentjes van verdachte en haar medeverdachte, alleen of met hun vrienden. Verdachte en haar medeverdachte waren in die tijd geen cliënten van de Voedselbank (meer), en dat gold ook voor de door hen mee uit eten genomen [Getuige 3] en [Getuige 2].

Bovendien hebben verdachte en haar medeverdachte vele malen een deel van het beste vlees van de Voedselbank afgegeven aan de halfbroer van verdachte.

Aldus hebben verdachte en haar medeverdachte een deel van het beste vlees van de Voedselbank dat zij onder zich hadden ter verdeling onder de cliënten van de Voedselbank, willens en wetens in strijd met de hen bekende bestemming van dit vlees en zonder toestemming van het bestuur aan henzelf en de door hen uitverkorenen ten goede laten komen. Anders dan de raadsvrouwe heeft betoogd, volgt uit de bovenstaande bewijsmiddelen dat verdachte als medepleger van de verduistering van dit vlees moet worden aangemerkt.

Het verweer van de raadsvrouwe dat de gang van zaken met betrekking tot het vlees gebeurde met toestemming van het bestuur dient te worden verworpen gelet op de hierboven genoemde verklaringen van de bestuursleden [Getuige 7] en [Getuige 8]. Deze verklaringen weerleggen de verklaring van [Getuige 9], inhoudende dat het bestuur akkoord was met de regeling van het vlees in ruil voor etentjes. Het hof schuift deze verklaring derhalve als ongeloofwaardig ter zijde. Overigens overweegt het hof dat noch verdachte noch de medeverdachte bij de politie hebben verklaard dat de etentjes plaatsvonden met medeweten en toestemming van het bestuur. De verweren van de raadsvrouwe worden derhalve verworpen.

B. Ten aanzien van de schenkingen aan [Slachtoffer 3]

Het hof acht ten aanzien van de geldbedragen ten behoeve van [Slachtoffer 3] de navolgende verklaringen van belang:

- [Slachtoffer 3] ([Slachtoffer 3]; hof) heeft op 23 januari 2007 tegenover de politie, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (p. 131-132):

Vanaf 2004 heb ik contact met de voedselbank. Daar heb ik [verdachte] leren kennen. Ergens in de lente van 2005 vroeg [verdachte] me of ik mee wilde werken aan een documentaire over armoede onder de mensen. Naar aanleiding van die uitzending bleken er mensen te zijn geweest die gereageerd hadden op die uitzending. Die mensen hadden contact gezocht met de redactie van die uitzending en wilden ons financieel gaan steunen. [Naam 2], de interviewster van de documentaire, vertelde dat er geld naar de voedselbank was gestuurd ten behoeve van mij. [verdachte] heeft een keer verteld dat ze een bankrekening had geopend waar ze geld op had gezet. Op een gegeven moment was ik weer op een donderdag op de voedselbank om mijn voedselpakket op te halen. [verdachte] riep me toen apart in haar kantoortje en duwde me een briefje van 50 euro in mijn hand en vertelde daarbij dat ik daar tegen niemand iets over mocht zeggen. Ze zei daarbij dat ze van de schenker van dat geld niets mocht zeggen want die mensen wilden anoniem blijven. Ik kreeg vanaf dat moment bijna elke maand van [verdachte] 50 euro. Eigenlijk vanaf begin 2006 kreeg ik van [verdachte] die 50 euro, nadat ik er zelf om gevraagd had en haar had verteld dat [Naam 2] dat had gezegd. Ik heb de eerste vijf maanden van 2006 dat geld gekregen. Daarna was het geld op, vertelde [verdachte]. Dus ik heb maar 250 euro van [verdachte] gekregen.

- [Slachtoffer 1] heeft op 29 januari 2007 tegenover de politie, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (p. 142-145):

Begin 2005 was er een TV programma van de VPRO, waarin een vrouw genaamd [Slachtoffer 3] uit Helmond, aan het woord was. Zij vertelde over haar armoede. Dat verhaal had mijn vrouw en mij zodanig aangegrepen dat we hebben besloten dat gezin financieel bij te staan. In een brief en telefonisch heb ik aangegeven dat ik dat gezin voor een periode van vijf jaar elke jaar voor 1000 euro financieel zou ondersteunen. (…) Er werd toen het voorstel gedaan dat [verdachte] van de voedselbank een bankrekening zou openen, waarop door mij dan het geld gestort kon worden. Op een gegeven moment heb ik telefonisch contact gehad met [verdachte] die mij het hierna genoemde nummer vertelde waarop ik het geld voor [Slachtoffer 3] kon overmaken. [verdachte] vertelde dat die rekening van de voedselbank was en bij de overschrijving zou ik alleen maar t.b.v. [Slachtoffer 3] hoeven te schrijven. Ik heb toen op 9 september 2005 een bedrag van 1000 euro overgemaakt op rekeningnummer [Rekeningnummer 1] ten name van [Betrokkene 6], vanaf mijn girorekening [Rekeningnummer 4]. Dat geld was bedoeld geheel ten behoeve van [Slachtoffer 3] [Slachtoffer 3]. (…) [verdachte] vertelde dat ze in het vervolg een bedrag van 100 euro per maand aan [Slachtoffer 3] wilde gaan besteden. Ik heb toen gezegd dat ik het bedrag van 1000 euro zou verhogen naar 1200 euro, zodat elke maand 100 euro aan [Slachtoffer 3] besteed kon worden. [verdachte] heeft gevraagd of het bedrag ineens overgemaakt kon worden. Op 25 januari 2006 heb ik toen 1200 euro overgemaakt op genoemde rekening, zodat [verdachte] dan elke maand 100 euro aan [Slachtoffer 3] kon geven. (…) Met betrekking tot mijn schenkingen had ik [verdachte] carte blanche gegeven om voor de familie [Slachtoffer 3] het geld te besteden op een zodanige wijze dat dit geheel ten goede zou komen aan de familie [Slachtoffer 3]. (…) Mocht blijken dat de schenkingen van mij aan de familie [Slachtoffer 3] niet geheel voor de familie [Slachtoffer 3] zijn gebruikt, dan is dat zonder mijn medeweten en zonder mijn toestemming gebeurd.

- [Slachtoffer 3] heeft op 30 januari 2007 tegenover de politie, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (p. 135-136):

Ik ken een man, namelijk [Slachtoffer 1] uit [Woonplaats 2]. Hij is twee keer bij ons op bezoek geweest. Daarbij heeft hij verteld dat hij in 2005 een bedrag van 1000 euro heeft gestort en in 2006 een bedrag van 1200 euro. Ik weet van [Slachtoffer 1] dat hij de bedragen van 2005 en 2006 gestort heeft op een rekening van de voedselbank. (…) In 2005 heb ik van [verdachte] een bed gekregen. De waarde weet ik niet meer precies, maar het was tegen de 300 euro. [verdachte] heeft toen direct cash dat bed betaald. (…) Eind 2005 ging mijn koelkast kapot. Ik had dat aan [verdachte] verteld. Die heeft me toen 200 euro gegeven. Die koelkast heb ik gekocht en kostte 180 euro. Ik had dus 20 euro overgehouden en wilde die aan [verdachte] teruggeven, doch ze zei toen dat ik die mocht besteden aan boodschappen. Verder heb ik niets meer van haar gekregen.

- [Betrokkene 6] heeft op 14 februari 2007 tegenover de politie, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (p. 217-218):

Vanaf de oprichting van de voedselbank Helmond ben ik daarbij betrokken via de vrijwilligerscentrale. Ergens in 2005 kwam [verdachte] naar me toe met de vraag of ik een bankrekening wilde openen zodat daar donaties op gestort konden worden. Zij vertelde dat er mensen in het land waren die donaties wilden doen, doch niet het geld op de rekening van de voedselbank wilden storten. Ik heb toen de rekening [Rekeningnummer 1] geopend bij de Rabobank. Ik heb deze info aan [verdachte] en [Medeverdachte] gegeven. Die dat op hun beurt weer doorgaven aan mensen die donaties wilden doen. De rekening stond op mijn naam. (…) Ik herken de bankafschriften en de kopieën van de kwitanties. Op alle kwitanties herken ik de handtekening van [verdachte]. Na opening van die rekening op 1 augustus 2005 werden er diverse bedragen op gestort met de vermelding “[Slachtoffer 3]”. (…) Toen de eerste storting van [Slachtoffer 1] binnen was, moest ik van [verdachte] het geld zo vlug mogelijk van de rekening afhalen. Dat deed ik en ik gaf het geld aan [verdachte] die op haar beurt een kwitantie voor ontvangst tekende. Rond 23 juni 2006 moest ik van [verdachte] 750 euro van de rekening afhalen, want [Slachtoffer 3] had een wieg nodig.

- [Getuige 10] heeft op 30 januari 2007 tegenover de politie, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (p. 92):

Naar aanleiding van een TV programma in 2005 kreeg ik contact met de programmamaakster [Naam 2], die vertelde dat er mensen waren die donaties wilden doen voor [Slachtoffer 3]. Een van deze mensen was [Slachtoffer 1]. De donaties die [Slachtoffer 1] heeft gedaan heb ik direct via [verdachte] laten lopen. Aan drie andere mensen heb ik mijn girorekening [Rekeningnummer 2] gegeven, waarop zij geld hebben gestort ten behoeve van [Slachtoffer 3]. (…) Het gaat over de donaties van [Donateur 1] 100 euro, [Donateur 2] 400 euro en [Donateur 3] 75 euro. Deze bedragen heb ik vervolgens, in totaal 575 euro, overgemaakt naar rekeningnummer [Rekeningnummer 3] ten name van de voedselbank. Dit naar aanleiding van een persoonlijk gesprek met [verdachte]. Die gaf mij dat nummer op. Ik had daarbij gezegd dat het geld geheel voor [Slachtoffer 3] bedoeld was. [verdachte] verzekerde mij dat de 575 euro geheel ten goede zou komen aan [Slachtoffer 3].

- [Getuige 11] heeft op 15 februari 2007 tegenover de politie, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (p. 156):

Medio 2005 was er een TV programma van de VPRO over armoede. Daarin werd een vrouw geïnterviewd die een zielig verhaal vertelde. De voornaam van deze vrouw was [Slachtoffer 3] en ze woonde in Helmond. Ik heb toen besloten die [Slachtoffer 3] een financiële gift te doen. Ik had daarvoor contact opgenomen met de voedselbank te Helmond. Ik heb toen gesproken met een vrouw die me vertelde dat de giften voor [Slachtoffer 3] op een voor [Slachtoffer 3] geopende rekening gestort konden worden. Ik had tegen die vrouw gezegd dat het volledige bedrag ten goede moest komen van [Slachtoffer 3]. Ik heb toen op 23 december 2005 een bedrag van 777,77 euro overgemaakt op het rekeningnummer [Rekeningnummer 1] ten name van de voedselbank. Ik had daarbij gezet dat de gift bestemd was voor [Slachtoffer 3] en familie.

- Verdachte heeft op 21 februari 2007 tegenover de politie, voor zover hier van belang, het volgende verklaard (p. 300-301):

U stelt weer vragen over de schenkingen voor [Slachtoffer 3]. Het klopt dat er maar een gedeelte van de schenkingen aan [Slachtoffer 3] gegeven is. Elke keer als ik van [Betrokkene 4] geld kreeg van de rekening waar de donaties voor [Slachtoffer 3] op terecht gekomen zijn, heb ik dat geld gedaan in het geldkistje op kantoor van de voedselbank. Een gedeelte van dat geld gaf ik dan aan [Slachtoffer 3].

Het was elke keer een bedrag van 50 euro. Uit dat kistje heb ik ook geld aan anderen gegeven. Ik weet dat dat geld voor [Slachtoffer 3] bedoeld was. Uit dat kistje heb ik onder andere aan [Betrokkene 7] 100 euro gegeven. (…) Ongeveer 3 à 4 maanden geleden kwam politieman [Politieman] bij mij op de voedselbank en die vertelde over een man met de voornaam [naam]. Deze man heeft van mij 50 euro gekregen uit dat geldkistje. Dus van het geld dat voor [Slachtoffer 3] bestemd was. Ergens in 2005 kwam een gezin bij mij op de voedselbank. Dat gezin leefde in een auto. Ik heb toen dat gezin geld gegeven. Dit was geld dat eigenlijk voor [Slachtoffer 3] bedoeld was. Ik denk dat er nog wel 20 gezinnen zijn geweest, die ik geld heb gegeven uit dat geldkistje. Dus geld dat eigenlijk voor [Slachtoffer 3] bedoeld was.

Uit bovenstaande verklaringen in onderlinge samenhang bezien leidt het hof af, dat verdachte de geldbedragen van de schenkers aan de stichting voedselbank die geoormerkt waren als bedragen ten behoeve van [Slachtoffer 3] slechts ten dele aan haar heeft doen toekomen, waarbij verdachte een ander gedeelte aan derden heeft verstrekt. Door aldus te handelen heeft verdachte een gedeelte van het voor [Slachtoffer 3] bestemde geld tegen de - verdachte bekende - afspraken in beheerd en zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester over dat geld beschikt. De verdachte heeft derhalve de betreffende geldbedragen verduisterd, zodat het verweer van de raadsvrouwe wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voor wat betreft het vlees voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 321 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht en voor wat betreft de geldbedragen bij artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen van de donateurs dat de schenkingen ten goede zouden komen aan mevrouw [Slachtoffer 3] respectievelijk overige cliënten van de Voedselbank;

- de mate waarin het bewezen verklaarde de cliënten van de Voedselbank heeft gedupeerd.

Bij de straftoemeting heeft het hof in strafmatigende zin rekening gehouden met de omstandigheden dat:

- de verdachte niet eerder is veroordeeld;

- het opsporingsonderzoek en de vervolging bij verdachte grote spanning teweeg hebben gebracht;

- de verdachte - mede door de publiciteit - zwaar gebukt is gegaan onder de gevolgen van de gepleegde feiten, waardoor zij haar werkzaamheden voor de Voedselbank heeft moeten opgeven en in sociaal diskrediet is geraakt.

Alles overwegende zal het hof een gevangenisstraf opleggen waarvan de duur van het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 47, 57 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd

en

verduistering, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) dagen.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. N.J.L.M. Tuijn, voorzitter,

mr. J.C.A.M. Claassens en mr. C.M. Hilverda,

in tegenwoordigheid van mr. M.C.H. van der Heijden, griffier,

en op 15 maart 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.