Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM2085

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
23-04-2010
Zaaknummer
HV 200.047.112
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging co-ouderschap en bepaling hoofdverblijf;

Woonafstand ouders;

Leerplicht oudste kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 20 april 2010

Zaaknummer: HV 200.047.112/01

Zaaknummer eerste aanleg: 200335/ FA RK 09-759

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.Y. Raven,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.A.H. Vullings.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 3 augustus 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 november 2009, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de gewone verblijfplaats van de kinderen bij de man zal zijn met vaststelling van een omgangsregeling voor de vrouw.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 januari 2010, heeft de moeder verzocht de vader in zijn beroepschrift niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoek af te wijzen als ongegrond en onbewezen en de bestreden beschikking te bekrachtigen onder verbetering en/of aanvulling van gronden.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 maart 2010. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Raven;

- de moeder, bijgestaan door mr. Vullings;

- de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad), vertegenwoordigd door mevrouw E. van den Dam.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 28 juli 2009;

- de ter zitting overgelegde pleitnotitie van de advocaat van de vader.

3. De beoordeling

3.1. Partijen zijn op 2 februari 2007 gehuwd.

Uit de voorhuwelijkse relatie van partijen zijn geboren:

- [A.] (hierna: [A.]), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats],

- [B.] (hierna: [B.]), op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats].

Beide kinderen zijn voor het huwelijk door de man erkend. Partijen hebben gezamenlijk het gezag over hen.

3.2. Bij beschikking van 4 februari 2009 heeft de rechtbank Leeuwarden tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 27 februari 2009 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

Tussen partijen bestond, tot het moment dat [A.] in september 2009 naar school is gegaan, met betrekking tot de kinderen een co-ouderschapsregeling, waarbij [A.] was ingeschreven op het woonadres van de vrouw en [B.] op het adres van de man en beide kinderen afwisselend een week bij elke ouder doorbrachten.

3.3. Op verzoek van de vrouw heeft de rechtbank bij de bestreden beschikking bepaald dat [A.] en [B.] hun hoofdverblijf hebben bij de vrouw en, nadat partijen daarover ter zitting overeenstemming hadden bereikt, een contactregeling tussen de kinderen en de vader vastgesteld zoals in die beschikking weergegeven.

Met betrekking tot de vaststelling van het hoofdverblijf heeft de rechtbank overwogen dat beide ouders in gelijke mate geschikt zijn om de verzorging en opvoeding van de minderjarigen voor hun rekening te nemen. Beiden hebben de zorg voor de kinderen gehad en beiden beschikken over geschikte (woon)voorzieningen voor de kinderen, aldus de rechtbank. De rechtbank overwoog echter dat de vrouw parttime werkt en dat zij over een ruimer netwerk beschikt dan de man. Ook al stelt de man dat hij de opvang van de kinderen goed kan regelen, de vrouw is door haar parttime werk in staat om meer zelf voor de kinderen te zorgen, zodat de noodzaak tot andere opvang in mindere mate aanwezig is. Daarbij komt dat de vrouw, toen partijen nog samen waren, continu de zorg voor de kinderen had. Tenslotte overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de vrouw het contact tussen de man en de kinderen in de weg zal staan.

3.4. De vader kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5. Het hof overweegt als volgt.

3.5.1. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe wordt, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, de beslissing gerekend bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.5.2. Tussen partijen staat vast dat zij in oktober 2007 hun relatie hebben beëindigd. In december 2008 zijn zij een echtscheidingsconvenant overeengekomen, waarin onder meer is vermeld dat partijen het er niet over eens zijn waar de kinderen hun hoofdverblijf zullen hebben vanaf het moment dat [A.] naar school zal gaan, maar dat de zorg voor de kinderen vooralsnog per week gedeeld wordt, in die zin dat de kinderen de ene week bij de man verblijven en de daaropvolgende week bij de vrouw.

3.5.3. Vast staat in ieder geval dat de moeder reeds bij verbreking van de relatie en derhalve ten tijde van het sluiten van het convenant al kenbaar heeft gemaakt dat zij in [woonplaats] wilde gaan/blijven wonen, waartegen de vader op dat moment geen bezwaren had. Ter zitting in hoger beroep heeft de vader hieromtrent nog verklaard dat hij voornemens is geweest de moeder te volgen naar Brabant teneinde de co-ouderschapsregeling te kunnen voortzetten, maar dat dit helaas niet is gelukt.

3.5.4. De noodzaak tot wijziging van het hoofdverblijf van de kinderen - die in feite neerkomt op de beëindiging van het co-ouderschap – werd manifest op het moment dat [A.] leerplichtig werd. Pas vanaf dat moment werd de afstand tussen de woonplaatsen van partijen problematisch in de gedeelde zorg- en opvoedingstaken, welk probleem noopte tot een keuze voor een hoofdverblijf bij de ene dan wel de andere ouder.

3.5.5. Het hof stelt, evenals de rechtbank, voorop dat beide partijen in gelijke mate geschikt zijn om de dagelijkse opvoedings- en verzorgingstaken op zich te nemen. Het komt in de onderhavige zaak derhalve aan op een belangen- afweging, waarbij, ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de rechter alle omstandigheden van het geval in acht dient te nemen (HR 25 april 2008, LJN: BC5901).

3.5.6. [A.] en [B.] hebben al ruim een half jaar hun feitelijk hoofdverblijf bij de moeder, waarbij [A.] sinds september 2009 naar school is gegaan in de woonplaats van de moeder. De kinderen hebben derhalve hun sociale omgeving bij de moeder, hetgeen door de vader ook niet is betwist.

Ter zitting is komen vast te staan dat de kinderen vrijwel alle korte vakanties volledig bij de vader doorbrengen, naast de vastgelegde weekendregeling. Op deze wijze wordt tegemoet gekomen aan het belang van de vader om invulling te kunnen geven aan zijn rol als vader en verzorger van de kinderen.

Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat de moeder ter zitting onbetwist heeft verklaard dat het voor haar niet mogelijk is om (terug) te verhuizen naar Friesland, vanwege de arbeidssituatie van haar nieuwe partner.

Ook overigens is het hof niet gebleken van omstandigheden die maken dat het hoofdverblijf van [A.] en [B.] thans moet worden gewijzigd. Mede in aanmerking genomen de geschiedenis van de kinderen - waarin zij zijn geconfronteerd met de beëindiging van de relatie van hun ouders alsmede met een verhuizing van Friesland naar Brabant - acht het hof een nieuwe wijziging van hun hoofdverblijf in strijd met hun belang.

3.5.7. Op grond van het voorgaande acht het hof het in het belang van [A.] en [B.] wenselijk dat zij hun hoofdverblijf bij de moeder hebben. Hoewel het de gronden van de rechtbank niet tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Breda van 3 augustus 2009.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Brants, Lamers en Renckens en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2010.