Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BM1456

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-04-2010
Datum publicatie
16-04-2010
Zaaknummer
HD 200.022.570
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtmatig strafvorderlijk politieoptreden.

Schade bij binnentreding in woning van een ander dan verdachte.

Schade is mede een gevolg van omstandigheden van de benadeelde derde.

Billijkheid eist dat schadevergoedingsplicht vervalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2010, 66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.022.570

arrest van de eerste kamer van 13 april 2010

in de zaak van

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

advocaat: mr. J.J.H.S. Thomassen,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon POLITIEREGIO BRABANT ZUID-OOST,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 januari 2009 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 15 oktober 2008 tussen appellante - [X.] - als eiseres en geïntimeerde - de Politieregio - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 170695/HA ZA 08-296)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, en het daaraan voorafgegane vonnis van 21 mei 2008 waarbij een comparitie van partijen werd gelast.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] onder overlegging van producties twaalf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot alsnog toewijzing van haar vorderingen, met veroordeling van de Politieregio in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft de Politieregio onder overlegging van producties de grieven bestreden.

2.3. De Politieregio heeft daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Hiervoor verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Grief I richt zich tegen het door de rechtbank in rechtsoverweging 2.3. van het bestreden vonnis vastgestelde feit dat de Officier van Justitie van het Landelijke Parket vrijwel direct na afronding van het opsporingsonderzoek door FIOD/ECD heeft besloten [Y.] op 16 januari 2006 buiten heterdaad aan te houden. Deze grief zal bij de beoordeling van de vraag of de Politieregio onrechtmatig jegens [X.] heeft gehandeld aan de orde komen.

4.2. De grieven richten zich niet tegen de overige door rechtbank in rechtsoverweging 2. van het bestreden vonnis vastgestelde feiten. Het hof zal deze feiten derhalve tot uitgangspunt nemen en de feiten voorts uitgebreider weergeven

4.3. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

(i) [X.] heeft een affectieve relatie met [Y.] (hierna: [Y.]).

(ii) [X.] en [Y.] woonden in 2000 samen in een woning aan de [woonadres A.] te [woonplaats 1.]. Op 21 november 2000 werd onder leiding van de rechter-commissaris van de rechtbank Roermond voornoemde woning doorzocht. Tijdens deze doorzoeking werden onder meer aangetroffen een (doorgeladen) Riotgun, een 9 mm pistool, een paralyser, een busje pepperspray en een in werking zijnde hennepkwekerij (prod. 4 bij conclusie van antwoord). [Y.] is bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Maastricht van 25 april 2001 voor overtreding van artikel 3 van de Opiumwet en artikel 26 van de Wet wapens en munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren en 6 maanden (prod. 6 bij conclusie van antwoord). Volgens de verklaring van [Y.], afgelegd op 21 november 2000, waren genoemde wapens van hem en lag het pistool naast zijn bed. Volgens het proces-verbaal van verhoor van [X.], opgemaakt op 21 november 2000, heeft zij op de aan haar voorgehouden constatering dat in de woning van haar en [Y.] een hennepplantage en vuurwapens waren aangetroffen geantwoord dat zij daarop niets te zeggen had.

(iii) [X.] woont aan de in haar in eigendom toebehorende woning aan de [woonadres B.] te [vestigingsplaats 2.]. [Y.] stond volgens de Gemeentelijke Basisadministratie van 31 juli 2002 tot en met 17 juli 2003 ook op voormeld adres ingeschreven. [Y.] huurde tijdens het in dit geding aan de orde zijnde opsporingsonderzoek en de politie-inval een kamer aan de [woonadres C.] te [woonplaats 2.].

(iv) Uit een op ambtsbelofte opgemaakt proces verbaal van de FIOD/ECD d.d. 4 januari 2006 (prod. 1 bij conclusie van antwoord) blijkt onder meer het volgende:

In 2004 werd in opdracht en onder leiding van het Openbaar Ministerie door FIOD/ECD een opsporingsonderzoek gestart naar de handel in chemicaliën die vermoedelijk werden gebruikt voor de vervaardiging van synthetische drugs. Dit onderzoek richtte zich onder meer op de verdachte [Z.] (hierna: [Z.]), een broer van [Y.]. Gedurende dit opsporingsonderzoek is ook jegens [Y.] de verdenking gerezen dat hij zich schuldig maakte aan overtreding van artikel 3 van de Opiumwet. Op 10 maart 2005 werd een telefoongesprek afgeluisterd tussen [Z.] en [Y.]. In dit telefoongesprek werd gesproken over een te vervoeren ijskast en de beschikbaarheid van een vervoermiddel. Na een daarop op 10 maart 2005 gestarte observatie werd door de politie geconstateerd dat [Y.] ter plaatse van de woning van [A.] aan de [woonadres D.] te [woonplaats 3.] enige voorwerpen uitlaadde. Op 7 april 2005 werd door het observatieteam gezien dat [Y.] een door [Y.] gehuurde, kennelijk zeer zwaar beladen, Mercedes Vito parkeerde op een parkeerplaats nabij de woning aan de [woonadres B.] te [woonplaats 2.]. Het observatie- team nam op 7 april 2005 voorts waar dat een Volkswagen Transporter wordt geparkeerd naast de Mercedes Vito en dat de achterklep van de Volkwagen Transporter en de zijdeur van de Mercedes Vito geopend zijn. Het observatieteam ziet voorts dat [Y.] en verdachte [B.] zich op de parkeerplaats bevinden waar de Mercedes Vito en de Volkswagen Transporter staan geparkeerd en dat de “nu kennelijk zeer zwaar beladen” Volkswagen Transporter van de parkeerplaats wegrijdt. Ter afscherming van het nog lopende opsporingsonderzoek is door het Openbaar Ministerie besloten dat het KLPD de Volkswagen Transporter op de snelweg zou staande houden en controleren. Dit voertuig is vervolgens ter hoogte van [plaatsnaam 1.] staande gehouden. Bij controle van het voertuig werd een lading van 20 pakketten van elk circa 30 kilogram (in totaal 621 kg) hasjiesj aangetroffen.

(v) Op 11 april 2005 heeft de politie van het district Roermond een onderzoek ingesteld in een woning aan de [woonadres D.] te [woonplaats 3.] alwaar zij een in werking zijnde hennepkwekerij aantrof (bijlage bij de brief van mr. Ceulen d.d. 2 september 2008). De in de woning aanwezige [X.] werd op 11 april 2005 aangehouden en in verzekering gesteld. Desgevraagd heeft [X.] toen verklaard dat zij over de plantage waarin zij werd aangetroffen geen verklaring wenste af leggen. [X.] werd voor overtreding van artikel 3 van de Opiumwet een transactie aangeboden, welke zij heeft betaald.

(vi) De Officier van Justitie van het Landelijke Parket heeft op 4 januari 2006 besloten [Y.] en [B.] gelijktijdig buiten heterdaad aan te houden en de woningen waar zij woonden althans verbleven te doorzoeken ter inbeslagneming. Daartoe werd een machtiging gekregen van de rechter-commissaris van de rechtbank Maastricht. De Hoofdofficier van Justitie heeft toestemming gegeven om het interregionaal arrestatieteam Zuid-Nederland (hierna: het arrestatieteam) in te zetten om de woning binnen te treden. De toestemming was gebaseerd op het feit dat bij de hiervoor onder (ii) vermelde doorzoeking meerdere vuurwapen in de woning van [Y.] en [X.] waren aangetroffen (prod. 7 bij conclusie van antwoord).

(vii) Het arrestatieteam heeft de woning van [X.] op 16 januari 2006 om 6.00 uur via de voordeur betreden. Daartoe heeft het arrestatieteam het rolluik vóór de voordeur en de voordeur geforceerd met behulp van explosieven. Tevoren was met behulp van een apparaat vastgesteld dat zich direct achter de voordeur geen personen bevonden. [Y.] is in de slaapkamer van de woning van [X.] aangetroffen en aangehouden. Tijdens de aanhouding is op [Y.] geweld toegepast, te weten een vuistslag in het gelaat (prod. 9 bij conclusie van antwoord). Bij de doorzoeking door de rechter-commissaris zijn geen wapens of verdovende middelen aangetroffen (prod. 1 bij inleidende dagvaarding). [Y.] is op 18 januari 2006 in vrijheid gesteld.

(viii) Op 16 januari 2006 heeft er tevens onder leiding van de rechter-commissaris in het arrondissement Maastricht in het kader van het strafrechtelijk onderzoek tegen [Z.] een doorzoeking plaatsgevonden in diens woning aan de [woonadres E.] te [woonplaats 4.]. Tijdens die doorzoeking is onder meer hennep aangetroffen (prod. 2 bij inleidende dagvaarding).

(ix) [Y.] is bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Maastricht van 29 januari 2008 veroordeeld voor het op 7 april 2005 te [plaatsnaam], tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk leveren en of verstrekken van ongeveer 621 kilogram hasjiesj. Aan [Y.] is ter zake een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk (prod. 11 bij conclusie na antwoord). Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.

(x) [X.] heeft de Politieregio bij brief van 9 augustus 2007 aansprakelijk gesteld voor de door haar als gevolg van het politieoptreden op 16 januari 2006 geleden en nog te lijden schade (prod. 5 bij inleidende dagvaarding). De Politieregio heeft de aansprakelijkheid ter zake betwist.

4.4. [X.] heeft de Politieregio in rechte betrokken en gevorderd (i) een verklaring voor recht dat de Politieregio door de wijze van binnentreden in de woning [X.] en de aanhouding van [Y.] onrechtmatig jegens [X.] heeft gehandeld, en deswege gehouden is de daardoor door [X.] geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, te vergoeden, (ii) veroordeling van de Politieregio in de gemaakte kosten van rechtsbijstand ad € 1.272,54 en (iii) veroordeling van de Politieregio in de kosten van de procedure.

4.5. Nadat de Politieregio gemotiveerd verweer had gevoerd, heeft de rechtbank bij vonnis waarvan beroep de vorderingen van [X.] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe - kort weergegeven - overwogen dat het strafvorderlijk optreden van de Politieregio op 16 januari 2006 (de wijze waarop de politie de woning van [X.] is binnengetreden en de wijze waarop het arrestatieteam de aanhouding van [Y.] heeft verricht) niet als onrechtmatig jegens [X.] kan worden aangemerkt en dat de schade die bij dit optreden is toegebracht aan (zaken van) [X.] voortvloeide uit noodzakelijk politieoptreden dat binnen de risicosfeer van [X.] lag.

4.6. Met de grieven II tot en met VIII stelt [X.] opnieuw aan de orde dat het strafvorderlijk optreden van de politie (het binnentreden in de woning van [X.] ter aanhouding van [Y.]) op 16 januari 2006 onrechtmatig was.

4.7. Het hof overweegt als volgt. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het strafvorderlijk optreden van de Politieregio in beginsel gerechtvaardigd was door de tegen [Y.] gerezen verdenking van handel in verdovende middelen (artikel 3 van de Opiumwet), en dat het vermoeden van schuld aan dit strafbare feit gefundeerd was blijkens de daarop gevolgde veroordeling van [Y.] bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Maastricht van 29 januari 2008. Nu ook in hoger beroep niet is gesteld noch anderszins is gebleken dat dit vonnis in rechte is aangetast, dient van de juistheid van het vonnis te worden uitgegaan.

4.8. De rechtbank heeft in het vonnis omstandig - waarbij zij alle door [X.] in eerste aanleg aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking heeft genomen - uiteengezet en overwogen dat er voldoende rechtsgrond was voor de inzet van het arrestatieteam, dat de Politieregio er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat [Y.] in de woning van [X.] verbleef, dat het arrestatieteam de woning van [X.] mocht binnentreden ter aanhouding van [Y.] en dat het arrestatieteam daarbij zorgvuldig is opgetreden. De rechtbank heeft daarmee geoordeeld dat deze strafvorderlijke dwangmiddelen zijn gebruikt met inacht- neming van de regels van geschreven en ongeschreven recht, en dat de toepassing van die dwangmiddelen in de gegeven omstandigheden niet zodanig disproportioneel was dat de Politieregio daarmee onzorgvuldig heeft gehandeld. Naar ’s hofs oordeel is de rechtbank terecht en op goede gronden, welke het hof overneemt en als hier herhaald en ingelast dienen te worden beschouwd, tot haar oordeel gekomen. [X.] heeft in hoger beroep, in weerwil van hetgeen zij in eerste aanleg heeft betoogd, gesteld dat niet is gebleken dat het bevoegde gezag toestemming heeft gegeven tot het inzetten van het arrestatie- team. Deze stelling acht het hof in het licht van de brief van de plaatsvervangend Hoofdofficier van Justitie van 8 maart 2006 (prod. 7 bij conclusie van antwoord), waarin deze schrijft dat de Hoofdofficier van Justitie van het Landelijk Parket voor de inzet van het arrestatieteam ter aanhouding van [Y.] toestemming heeft verleend, onvoldoende gemotiveerd onderbouwd.

4.9. Het hof overweegt ten aanzien van de grieven II tot en met VIII voorts als volgt.

4.9.1. Anders dan [X.] met grief II betoogt heeft de rechtbank niet als feit aangenomen dat het politieoptreden werd gerechtvaardigd door de tegen [Y.] gerezen verdenking, doch de vraag of het optreden gerechtvaardigd was getoetst, en vervolgens geoordeeld dat daarvan sprake was. Grief II faalt mitsdien.

4.9.2. In grief III stelt [X.] - kort samengevat - dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat uit het feit dat bij de doorzoeking van de woning van [X.] en [Y.] in 2000 onder het hoofdkussen van [Y.] een pistool lag en een doorgeladen riotgun in de slaapkamerkast stond, in redelijkheid kon worden afgeleid dat [Y.] ook in januari 2006 nog vuurwapengevaarlijk was. Het hof oordeelt hieromtrent als volgt. [Y.] heeft tijdens het verhoor in 2000 weliswaar verklaard dat het pistool naast zijn bed (en niet onder hoofdkussen) lag, maar dat neemt niet weg dat, gelet op deze eerdere ervaring bij de aanhouding van [Y.], de politie ook in 2006 rekening mocht houden met deze omstandigheid bij de beslissing over de vraag of een arrestatieteam moest worden ingezet. Hiermee falen ook de grieven IV en V.

4.9.3. Grief VI keert zich tegen de overweging van de rechtbank dat politie op grond van de beschikbare gegevens er redelijkerwijs vanuit mocht gaan dat [Y.] in de woning van [X.] verbleef, en dat dit vermoeden werd bevestigd door de aanhouding van [Y.] in de woning van [X.] op 16 januari 2006. Deze grief faalt. [Y.] heeft immers tijdens zijn verhoor op 17 januari 2006 (prod. 2 bij conclusie van antwoord) verklaard dat hij een woning op de [woonadres C.] heeft, maar dat hij meestal verblijft op de [woonadres B.] omdat hij liever bij een vriendin verblijft dan in zijn eentje op de kamer. De grieven VII en VIII falen hiermee evenzeer.

4.10. [X.] voert met grief I aan dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de Officier van Justitie vrijwel direct na afronding van het opsporingonderzoek heeft besloten [Y.] op 16 januari 2006 aan te houden. [X.] stelt zich voorts op het standpunt dat de aanhouding eerder bij andere gelegenheden en zonder toepassing van geweld had kunnen plaatsvinden.

4.11. Deze grief faalt. Uit het hiervoor onder 4.3. sub (iv) gerelateerde proces-verbaal van de politie blijkt dat het hier ging om een grootschalig opsporingsonderzoek naar de handel in verboden chemicaliën, gedurende welk onderzoek ook jegens [Y.] de verdenking was gerezen van overtreding van de Opiumwet. Uit dit proces-verbaal blijkt voorts dat de politie en het Openbaar Ministerie een bewuste afweging hebben gemaakt [Y.] niet reeds op 7 april 2005 aan te houden teneinde het lopende opsporingsonderzoek niet in gevaar te brengen, en dat zij derhalve na de afsluiting van het onderzoek tot aanhouding zijn overgegaan. Tot die afweging was het Openbaar Ministerie in beginsel gerechtigd, en [X.] heeft onvoldoende onderbouwd waarom op dit punt de aanhouding onrechtmatig was.

4.12. [X.] heeft in hoger beroep betoogd dat de aanhouding van [Y.] in de slaapkamer van [X.] gepaard is gegaan met disproportioneel geweld. [X.] stelt daartoe dat een lid van het arrestatieteam, anders dan in het meldingsformulier gewelds- aanwending (prod. 10 bij conclusie van antwoord) is vermeld, bij de aanhouding een vuurwapen heeft getrokken en gericht op [Y.]. [X.] stelt voorts dat bij de doorzoeking in 2000 het pistool niet is aangetroffen onder het hoofdkussen van [Y.] (blijkens het proces-verbaal van verhoor van [Y.] zou het pistool naast het bed hebben gelegen) en dat [Y.] de instructies van het arrestatieteam niet heeft genegeerd zodat er geen enkele aanleiding was om [Y.] een vuistslag in het gelaat te geven. De Politieregio heeft deze stellingen betwist.

4.13. Het hof overweegt als volgt. [X.] heeft niet onderbouwd waarom deze volgens [X.] gehanteerde en naar zeggen van [X.] onnodige en niet gerechtvaardigde geweldsaanwending jegens [Y.] ook ten opzichte van haar als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Deze door [X.] gestelde en door de Politieregio bestreden feiten behoeven derhalve geen bewijs.

4.14. Met de grieven IX tot en met XII keert [X.] zich tegen oordeel van de rechtbank dat de Politieregio niet aansprakelijk is voor de schade die [X.] als gevolg van het rechtmatig politieoptreden heeft geleden.

4.15. Vooropgesteld dient te worden dat, ook indien een overheidshandeling op zichzelf niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt, de overheid op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de onevenredig nadelige gevolgen van dat handelen. Daarbij gaat het om gevolgen die buiten het normale maatschappelijk risico en op een beperkte groep burgers drukken. De vraag of in een bepaald geval de gevolgen van een overheidshandeling buiten het normale maatschappelijk risico vallen moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang kan hierbij onder meer zijn enerzijds de aard van de overheidshandeling en het gewicht van het daarmee gediende belang alsmede in hoeverre die handeling en gevolgen daarvan voorzienbaar zijn voor een derde die als gevolg daarvan schade leidt, en anderzijds de aard en de omvang van de toegebrachte schade.

Voor zover het gaat om strafvorderlijk optreden waarvan de gevolgen een ander dan de verdachte treffen, kan als uitgangs- punt worden gehanteerd dat in het algemeen enig ongemak of gering tijdverlies niet als onevenredig kan worden aangemerkt en dat men dit zal moeten aanvaarden als vallend binnen het normale maatschappelijk risico of het normale bedrijfsrisico, maar dat dit niet zonder meer zal kunnen worden gezegd indien zaken van die ander als gevolg van dit optreden worden beschadigd. Dit een en ander brengt mee dat moet worden aangenomen dat schade die bij een huiszoeking in de woning van een ander dan de verdachte wordt toegebracht aan zaken van die ander, niet behoort tot het maatschappelijk risico van die ander, zodat de overheid in beginsel gehouden is die schade op grond van onrechtmatige daad te vergoeden (HR 30 maart 2001, NJ 2003, 615; HR 17 september 2009, LJN: AO 7887 en HR 2 oktober 2009, LNJ 2010, 95).

4.16. Vast staat dat bij het strafvorderlijk optreden door Politieregio (het binnentreden in de woning ter aanhouding van verdachte [Y.]) in elk geval schade is toegebracht aan de woning van [X.]. Dit betekent dat de Politieregio in beginsel - behoudens vermindering van haar vergoedingsplicht op grond van artikel 6:101 BW - gehouden is tot vergoeding van de hiervoor bedoelde schade.

4.17. De Regiopolitie heeft gesteld dat de schade op grond van aan [X.] toe te rekenen omstandigheden althans op grond van de billijkheid volledig voor risico van [X.] behoort te blijven aangezien zij wist althans behoorde te vermoeden dat haar woning door [Y.] werd gebruikt voor strafbare feiten die aanleiding konden geven tot binnentreden in en doorzoeking van haar woning, èn [X.] in een zodanige verhouding staat tot [Y.] dat zij zich, wat het binnentreden en de doorzoeking betreft, van willekeurige andere derden onderscheidt.

4.18. Het hof overweegt als volgt. Bij de beantwoording van de vraag of de schade mede een gevolg is van omstandigheden die aan [X.] kunnen worden toegerekend, neemt het hof de volgende vaststaande feiten en omstandigheden in aanmerking:

[X.] heeft reeds jarenlang, in elk geval vanaf 2000, een affectieve relatie met [Y.]. [Y.] verbleef ook met grote regelmaat in de woning van [X.];

bij een doorzoeking in november 2000 van de woning aan de [woonadres A.]te [woonplaats 1.] waar [X.] en [Y.] destijds samenwoonden zijn diverse wapens en een hennepplantage aangetroffen. [Y.] is voor deze strafbare feiten bij vonnis van 25 april 2001 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaren en zes maanden;

uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces verbaal van de FIOD/ECD d.d. 4 januari 2006 blijkt dat de woning van [X.] aan de [woonadres B.] te [woonplaats 2.] gedurende een bepaalde tijd door opsporingsambtenaren is geobserveerd. Tijdens de observatie op 7 april 2005 is geconstateerd dat [Y.] een kennelijk zeer zwaar beladen Mercedes Vito parkeerde op een parkeerplaats nabij de woning van [X.], dat een Volkswagen Transporter werd geparkeerd naast die Mercedes en dat de achterklep van de Volkwagen Transporter en de zijdeur van de Mercedes geopend waren. Het observatieteam heeft voorts waargenomen dat de “nu kennelijk zeer zwaar beladen” Volkswagen Transporter van de parkeerplaats wegreed. Uit dit proces-verbaal van de FIOD/ECD blijkt verder dat de Volkswagen Transporter op de snelweg is staande gehouden en gecontroleerd en dat bij die controle een lading van 20 pakketten is aangetroffen, bevattende in totaal 621 kg hasjiesj. Vast staat dat de rechtbank Maastricht bij vonnis van 7 april 2005 [Y.] heeft veroordeeld voor kort gezegd het leveren en verstreken van 621 kg hasjiesj, en dat dit vonnis in rechte niet is aangetast;

tijdens de observaties is geconstateerd dat [Y.] regelmatig de woning van [X.] in en uit liep en dat [Y.] in de periode voorafgaand aan 16 januari 2006 regelmatig in de woning van [X.] verbleef, hetgeen overigens strookt met de verklaring van [Y.] dat hij meestal verbleef in de woning van [X.] (prod. 2 bij conclusie van antwoord);

tijdens de observaties is geconstateerd dat [Y.] op 10 maart 2005 bij een pand aan de [woonadres D.] te [woonplaats 3.] voorwerpen heeft uitgeladen;

[X.] is op 11 april 2005 in ditzelfde pand aan de [woonadres D.] aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 3 van Opiumwet nadat in dat pand een in werking zijnde hennepkwekerij werd aangetroffen; hiervoor is [X.] door het Openbaar Ministerie een transactie aangeboden die zij heeft betaald.

4.19. Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat [X.] moet hebben geweten dat [Y.] zich bezigheid met strafbare feiten. Het feit dat [X.] in het pand aan de [woonadres D.] is aangetroffen, alwaar ook [Y.] zich (in elk geval) een maand daarvoor heeft opgehouden, en waaromtrent [X.] geen openheid van zaken heeft gegeven, draagt in belangrijke mate bij aan voormeld oordeel. De stelling van [X.] dat zij niet betrokken was bij en geen wetenschap droeg van de strafbare handel en wandel van haar vriend [Y.] acht het hof gelet op het vorenstaande onaannemelijk. Al het voorgaande voert het hof tot de conclusie dat de schade die [X.] door het strafvorderlijk optreden op 16 januari 2006 heeft geleden, mede een gevolg is van omstandigheden die aan haar kunnen worden toegerekend. Gelet op het feit dat [X.] bovendien een langdurige, affectieve relatie had en heeft met [Y.] en [Y.], blijkens zijn verklaring, meestal verbleef in de woning van [X.], zodat optreden tegen [Y.] in redelijkheid kon geschieden in de woning van [X.], is het hof van oordeel dat de schade volledig voor risico van [X.] dient te komen. De billijkheid eist aldus dat de vergoedingsplicht van de Politieregio geheel vervalt.

4.20. Nu alle grieven falen, zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd onder verbetering van de gronden. [X.] zal ook in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep onder verbetering van de gronden;

veroordeelt [X.] in de kosten van het hoger beroep, welke aan de zijde van de Politie-regio tot op heden worden begroot op

€ 303,-- aan verschotten en € 894,-- aan kosten advocaat;

verklaart voormelde veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Begheyn, Feddes en Riemens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 april 2010.