Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL9886

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-01-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
07/00545
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende exploiteert een autohandel in de vorm van een eenmanszaak. Tijdens een derdenonderzoek bij afnemer C zijn facturen van belanghebbende aangetroffen die niet in zijn administratie waren opgenomen. De daarop vermelde omzetbelasting heeft belanghebbende niet afgedragen. De op de facturen voorkomende aankopen betreffen in Duitsland aangekochte bedrijfswagens. Bij de Duitse ondernemers werden facturen op naam van belanghebbendes eenmanszaak aangetroffen. Belanghebbende heeft verklaard dat hij privé geld heeft geleend aan C, die daarmee in Duitsland bedrijfswagens heeft gekocht. Na verkoop van de bedrijfswagens door C in Nederland werd het voorgeschoten bedrag door C aan belanghebbende terugbetaald, aldus belanghebbende. Het hof komt onder meer op basis van de door de Duitse ondernemers afgelegde verklaringen tot het oordeel dat het ter beschikking stellen van substantiële bedragen aan C ten behoeve van de aankoop van bedrijfswagens in Duitsland is aan te merken als een bedrijfsmatige activiteit die binnen het kader van belanghebbendes onderneming heeft plaatsgevonden. Nu belanghebbende van de financiering niets heeft verantwoord in zijn bedrijfsadministratie heeft hij niet voldaan aan de in art. 52, eerste lid, AWR neergelegde administratieverplichtingen, zodat de bewijslast volgens het hof moet worden omgekeerd/verzwaard. Belanghebbende heeft volgens het hof niet overtuigend aangetoond dat niet hij de bij C aangetroffen facturen heeft opgesteld en uitgereikt. De naheffingsaanslagen zijn volgens het hof redelijk en niet willekeurig berekend omdat de inspecteur deze heeft berekend door de omzetbelasting zoals vermeld op de bij C aangetroffen facturen na te heffen. De boetes dienen echter te vervallen omdat de bewijslast dienaangaande bij de inspecteur ligt en hij tegenover de betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende de bij C aangetroffen facturen heeft opgesteld en uitgereikt dan wel dat belanghebbende de bedrijfswagens heeft ingekocht en verkocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010/907 met annotatie van Zijlstra
FutD 2010-0888
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

Eerste meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 07/00545

Uitspraak op het hoger beroep van

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst,

hierna: de Inspecteur, en

op het incidenteel hoger beroep van

de heer X,

met gekozen domicilie te Y,

hierna: belanghebbende

tegen de schriftelijke uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 31 oktober 2007, nummer 06/1656 in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur

betreffende na te noemen over de periode 1 januari 1997 tot en met 31 december 1997 met verhoging opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting, het bij het vaststellen van die naheffingsaanslag met betrekking tot die verhoging genomen kwijtscheldingsbesluit, de over de periode 1 januari 1998 tot en met 31 december 1999 opgelegde naheffingsaanslag in de omzetbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikking alsmede, voor zover het betreft het incidenteel hoger beroep, betreffende de vergoeding van de kosten op de grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en de kosten van beroep.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 000.00.000.B.02.0315011 over de periode 1 januari 1997 tot en met 31 december 1997 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 27.203 (€ 12.344,18) aan belasting, met toepassing van een verhoging van de nageheven belasting met 100 percent, waarvan de Inspecteur bij besluit geen kwijtschelding heeft verleend. Onder aanslagnummer 000.00.000.B.02.0315012 is aan belanghebbende over de periode 1 januari 1998 tot en met 31 december 1999 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van ƒ 690.343 (€ 313.263,99) aan belasting, alsmede bij beschikking een boete van ƒ 690.343 (€ 313.263,99).

Na daartegen gemaakte bezwaren zijn de naheffingsaanslagen, het kwijtscheldingsbesluit en de boetebeschikking bij uitspraken van de Inspecteur gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van het Hof een griffierecht geheven van € 102.

Bij mondelinge uitspraak van 10 december 2003, kenmerk 01/03736 heeft het Hof het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de Inspecteur opgedragen om opnieuw te beslissen op de bezwaren van belanghebbende, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 1.207,50 en gelast dat door de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het door deze gestorte griffierecht ad € 102 wordt vergoed.

1.3. De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar van 12 april 2005 de beide naheffingsaanslagen, het kwijtscheldingsbesluit en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.4. Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 138. Bij schriftelijke uitspraak heeft de Rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar, de naheffingsaanslag alsmede de verhoging, het kwijtscheldingsbesluit, de boetebeschikking en de beschikkingen heffingsrente vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 2.174 en gelast dat de Staat het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 138 aan deze vergoedt.

1.5. Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.6. Belanghebbende heeft bij het verweerschrift incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. De Inspecteur heeft het incidenteel hoger beroep beantwoord.

1.7. Op grond van artikel 8:58 van de Awb heeft belanghebbende bij brieven van 9 september 2008, 18 december 2008 en 30 januari 2009 nadere stukken ingediend. De Inspecteur heeft bij brief van 27 januari 2009 een pleitnota met bijlagen ingediend. Al deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.8. De zitting heeft plaatsgehad op 11 februari 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende alsmede de Inspecteur.

1.9. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota en een aanvulling op de pleitnota met 1 bijlage toegezonden aan het Hof en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota en de aanvulling daarop met instemming van partijen worden geacht ter zitting te zijn voorgedragen. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij de aanvulling op de pleitnota behorende bijlage.

1.10. De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.11. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.12. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan. Deze met partijen gevoerde correspondentie behoort tot de stukken van het geding.

1.13. Op grond van artikel 8:58 van de Awb heeft belanghebbende voor de nadere zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.14. Het onderzoek ter nadere zitting heeft plaatsgehad op 8 oktober 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende alsmede de Inspecteur.

1.15. Belanghebbende en de Inspecteur hebben ieder te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.16. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

1.17. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter beider zittingen staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de ander niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende exploiteerde in de onderhavige jaren een handelonderneming welke, blijkens de omschrijving van het uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel te Y (hierna Handelsregister), tevens omvatte de import, export en groothandel van gebruikte bedrijfsauto's. Belanghebbende is uit dien hoofde ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB 1968). Ingevolge dit uittreksel was belanghebbende met ingang van 1 januari 1997 in het Handelsregister opgenomen als eenmanszaak met als handelsnaam: A (hierna ook: A). Volgens het Handelsregister is de onderneming op 31 december 1999 opgeheven. De onderneming was de gehele periode gevestigd op het adres B-straat 5 te Y. Blijkens een opgaafformulier van de Kamer van Koophandel te Y is de onderneming van A, INC. met ingang van 1 januari 1997 voortgezet als eenmanszaak van belanghebbende.

2.2. A, INC. is opgericht in 1994 naar het recht van de staat Delaware, U.S.A. Deze rechtspersoon is in 2001 uitgeschreven uit het Handelsregister.

2.3. In november 2000 is namens de Inspecteur een boekenonderzoek ingesteld bij belanghebbende. Blijkens het onderzoek bemiddelde belanghebbende onder meer bij de aankoop van tweedehands personenauto's ten behoeve Kroatische autohandelaren. Tijdens dit boekenonderzoek werd, voor zover hier van belang, een tweetal kopie-verkoopfacturen aangetroffen aangaande de levering van respectievelijk twee sneeuwmobielen en een bedrijfsauto van het merk Mercedes, aan C, D-straat 26 te E (hierna: C). Naar aanleiding hiervan heeft de Inspecteur een derdenonderzoek ingesteld bij C.

2.4 Tijdens het derdenonderzoek heeft de Inspecteur in de administratie van C voor het jaar 1997 een zestal facturen van "A inc." aangetroffen ter zake van de levering van bedrijfsauto's aan C. Het totaalbedrag van de op de facturen vermelde aankopen bedroeg fl. 156.011 met vermelding van fl. 27.302 in rekening gebrachte BTW. Voor de jaren 1998 en 1999 betrof het per jaar een veel groter aantal facturen van "A inc.". Het totaalbedrag van de op de facturen vermelde aankopen bedroeg fl. 3.944.817 met vermelding van een bedrag van fl. 690.343 aan in rekening gebrachte BTW. De in rekening gebrachte BTW is door C bij de periodieke aangifte Omzetbelasting als aftrekpost in aanmerking genomen. De op de facturen voorkomende aankopen betreffen in alle gevallen in Duitsland gekochte bedrijfswagens. De tenaamstelling van de facturen luidde: "A inc." met vermelding van het adres: "B-straat 5 0000 XX Y". Afschriften van deze facturen werden niet teruggevonden in de administratie van belanghebbende, noch was de op die facturen vermelde omzet in administratie van belanghebbende verwerkt. De in rekening gebrachte omzetbelasting was evenmin door hem op aangifte voldaan.

2.5. Volgens het Verification and Information Exchange System (VIES), het geautomatiseerde informatie-uitwisselingsprogramma tussen de belastingdiensten van de Lidstaten van de Europese Unie met betrekking tot de intracommunautaire transacties, werd door een aantal in de Bondsrepubliek Duitsland (Duitsland) gevestigde ondernemers, intracommunautair geleverd op het BTW identificatienummer (BTW ID-nummer) van (de eenmanszaak (A) van) belanghebbende. In de administratie van belanghebbende waren geen intracommunautaire verwervingen opgenomen, noch was door belanghebbende aangifte gedaan van intracommunautaire verwervingen.

2.6. Zoals blijkt uit de informatie uit het VIES, is door een veertiental ondernemers in Duitsland in de onderhavige perioden aangifte gedaan van leveringen onder gebruikmaking van het BTW ID-nummer dat op naam staat van belanghebbende. De Inspecteur heeft onder toepassing van de artikelen 5 en 19 van Verordening (EG) nr. 1798/2003 van de Raad van 7 oktober 2003 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 218/92 (de Verordening) inzake de intracommunautaire verwervingen op belanghebbendes BTW ID-nummer vanuit Duitsland in de onderhavige periodeken bij de Duitse belastingdienst in 2001 informatie gevraagd en gekregen met betrekking tot de vier grootste leveranciers te weten: F te G (hierna: F) , H te J (hierna: H), K te L (hierna: K) en M te G (hierna: M). Tot de stukken van het geding behoren kopieën van de door de Duitse leveranciers opgemaakte bestelformulieren, facturen en kwitanties alsmede door de Duitse Belastingdienst van de leveranciers opgenomen verklaringen. Uit deze stukken alsmede de verklaringen komt naar voren dat de bedrijfswagens bij het afhalen in Duitsland altijd contant werden betaald.

2.7. Uit de verklaring van F komt naar voren dat de goederen waarschijnlijk zijn geleverd aan C die de opdracht gaf de facturen op naam te stellen van A. Uit deze stukken alsmede de verklaringen komt naar voren dat de bedrijfswagens bij het afhalen in Duitsland altijd contant werden betaald. De factuur werd gesteld op naam van A, waarbij verschillende varianten van A werden vermeld. Bij F is op de facturen vermeld "Firma A", "A" en ook "X (A). Uit de administratie van F blijken leveringen van bedrijfswagens aan A tot de navolgende bedragen in Duitse marken (DM):

3e kwartaal 1998 voor DM 30.000.

4e kwartaal 1998 voor DM 20.000.

1e kwartaal 1999 voor DM 15.300.

2.8. H verklaarde - zakelijk weergegeven - dat de zaaksvoerder van A, de heer X, en de voor X werkzame inkoper de heer C eerst samen bij hem zijn gekomen. Latere bezichtigingen en bestellingen zijn overwegend door de heer C gedaan die daarbij optrad in naam van A, met gebruik van het BTW-nummer van A. De facturen zijn door H op naam gesteld van "Firma A, B-straat 5 NL 0000 XX Y" alsmede op "Firma A, N-straat 1, NL 1111 P". De heer X is - blijkens de verklaring van H - begin 2000 persoonlijk afscheid komen nemen. Een uittreksel uit de Kamer van Koophandel en Fabrieken Oost-Brabant inhoudende de opheffing per 31 december 1999 van de door belanghebbende gedreven onderneming "A, Eenmanszaak , N-straat 1, 1111 YY P ", werd in de administratie van H aangetroffen. Uit de administratie van H blijken leveringen van bedrijfswagens aan A tot de navolgende bedragen in Duitse marken (DM):

1e kwartaal 1998 voor DM 83.700.

2e kwartaal 1998 voor DM 70.000.

3e kwartaal 1998 voor DM 116.000.

4e kwartaal 1998 voor DM 215.000.

1e kwartaal 1999 voor DM 146.800.

2e kwartaal 1999 voor DM 94.736.

3e kwartaal 1999 voor DM 226.172.

4e kwartaal 1999 voor DM 293.500.

2.9. K verklaarde - zakelijk weergegeven - dat overwegend de heer X, gedeeltelijk ook de heer C en zelfs beiden tezamen de voertuigen kwamen bezichtigen en bestellen. De facturering vond plaats bij de bestelling en was steeds op naam van "Firma A, N-straat 1 1111 YY P". De betalingen werd contant gedaan door de heer X of door andere personen en vonden plaats bij het afhalen van de bedrijfswagens voor het transport naar Nederland.

Uit de administratie van K blijken leveringen van bedrijfswagens tot de navolgende bedragen in Duitse marken (DM):

1e kwartaal van 1999 voor DM 289.000.

2e kwrtaal van 1999 voor DM 25.600.

3e kwartaal van 1999 voor DM 136.500.

4e kwartaal van 1999 voor DM 95.500.

2.10. Uit de verklaring van M komt naar voren - zakelijk weergegeven - dat de transacties (bestellingen, betalingen en het afhalen van de voertuigen) door de heer C werden afgewikkeld, in het begin in het bijzijn van de zaakvoerder van A, de heer X. De facturering geschiedde aan A of Firma A Kfz.-Handel met adres B-straat 5, NL 0000 XX Y of N-straat 1 NL 1111 YY P, steeds onder vermelding van het BTW-nummer van A. Dit BTW-nummer is geverifieerd bij de Duitse belastingdienst. De betalingen werden steeds contant gedaan en vonden plaats bij het afhalen van de voertuigen. Ook andere personen als de heer C hebben in opdracht van hem de auto's in ontvangst genomen. Uit de administratie van M blijken leveringen van bedrijfswagen tot de navolgende bedragen in Duitse marken (DM):

4e kwartaal van 1997 voor DM 38.800.

5e (Hof: leest 1e) kwartaal van 1998 voor 108.500.

2e kwartaal 1998 voor DM 69.600.

3e kwartaal 1998 voor DM 58.200

4e kwartaal 1998 voor DM 86.500.

2.11. Blijkens de verklaring van belanghebbende ging hij in de beginperiode wel mee, daarna wel eens en heeft hij in voorkomend geval de helpende hand toegestoken bij het transport van de gekochte bedrijfswagens uit Duitsland naar Nederland. Belanghebbende verklaarde de aankopen van de bedrijfsauto's steeds te hebben gefinancierd. Het geld voor de betalingen heeft belanghebbende contant voorgeschoten aan C. De bedrijfswagens werden door C naar Nederland vervoerd, vervolgens door C voorzien van de ten behoeve van gebruik in Nederland benodigde papieren en werden tot zijn bedrijfsvoorraad gerekend. Nadat C de bedrijfswagens had omgebouwd door deze te voorzien van een dubbele cabine, werden de bedrijfswagens op de Nederlandse markt verkocht. Het door belanghebbende ten behoeve van de aankoop van de betreffende bedrijfswagen voorgeschoten bedrag werd, na verkoop door C van de bedrijfswagen, door C aan belanghebbende terugbetaald of verrekend. Het geld dat belanghebbende steeds heeft verstrekt aan C om de voormelde transacties te financieren, behoorde, naar belanghebbende stelt, tot zijn privé-vermogen. Het daartoe benodigde geld had hij contant beschikbaar. De reden om het geld te verstrekken aan C was - naar belanghebbende stelt - een vriendendienst; hij heeft hier niets mee verdiend.

2.12. De Inspecteur heeft zich op grond van de bevindingen van het boekenonderzoek bij belanghebbende, van het boekenonderzoek bij C alsmede van het onderzoek van de Duitse belastingsdienst op het standpunt gesteld dat belanghebbende in het kader van zijn onderneming A betrokken was bij de handel in bedrijfswagens die vanuit Duitsland werden vervoerd. In de administratie van belanghebbende is niets terug te vinden van deze handel en belanghebbende heeft derhalve, aldus de Inspecteur, niet voldaan aan zijn uit artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) voortvloeiende verplichtingen. De bewijslast dient volgens de Inspecteur op grond van artikel 27e van de AWR te worden omgekeerd en verzwaard. De Inspecteur heeft de omzetbelasting vermeld op de bij C aangetroffen facturen van "A inc." opgeteld en de volgende naheffingsaanslagen vastgesteld:

Tijdvak 1997 1998-1999

enkelvoudige belasting

ƒ 27.203

ƒ 690.343

Boete 100% ƒ 27.203 ƒ 690.343

Heffingsrente ƒ 3.021 ƒ 43.441

Totaal ƒ 57.427 ƒ 1.424.127

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Rust op belanghebbende de last te doen blijken dat, en zo ja in hoeverre, de uitspraken op de bezwaren met betrekking tot de naheffingsaanslagen onjuist zijn, omdat niet is voldaan aan de in artikel 52 van de AWR neergelegde verplichtingen?

II. Indien vraag I bevestigend moet worden beantwoord: Heeft belanghebbende doen blijken - dat wil zeggen overtuigend aangetoond - dat en in hoeverre de uitspraken op de bezwaren met betrekking tot de naheffingsaanslagen onjuist zijn?

III. Indien vraag I bevestigend en vraag II ontkennend moet worden beantwoord: Heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen redelijk en niet willekeurig berekend?

IV. Indien vraag I ontkennend moet worden beantwoord: zijn de naheffingsaanslagen terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende opgelegd?

V. Is aan belanghebbende terecht en tot de juiste hoogte een verhoging opgelegd en de boetebeschikking gegeven?

Belanghebbende is van oordeel dat de vragen I, III tot en met V ontkennend moet worden beantwoord en vraag II bevestigend . De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

Het incidenteel hoger beroep strekt tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank voor zover het betreft de door de Rechtbank toegekende forfaitaire vergoeding op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Belanghebbende is van oordeel dat hem een vergoeding van de volledige kosten en van schade moet worden toegekend. De Inspecteur concludeert in zoverre tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Voor hetgeen zij hieraan ter zitting hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van de beide zittingen opgemaakte processen-verbaal.

3.3. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur, handhaving van de naheffingsaanslagen, kwijtschelding van de verhoging tot op 10% van de nageheven belasting, zijnde ƒ 2.720,30 (afgerond € 1.234) en vermindering van de boete tot een ten bedrage van ƒ 69.034,30 (€ 31.326,40). Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank met betrekking tot de vergoeding van proceskosten, bevestiging van de bestreden uitspraak voor het overige, vergoeding van schade en vergoeding van de volledige kosten.

4. Gronden

Ten aanzien van de naheffingsaanslagen

Vraag I

4.1. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het financieren van de onder 2.4 en 2.6 tot en met 2.10 vermelde transacties een privéaangelegenheid betrof. Het ten behoeve van de financiering ter beschikking gestelde geld behoorde volgens belanghebbende tot zijn privévermogen. Het betrof een aan C verleende vriendendienst waarmee hij - naar hij stelt - niets heeft verdiend. De in 2.4 beschreven facturen van "A inc." met vermelding van het adres: "B-straat 5 0000 XX Y" zijn, naar belanghebbende eveneens stelt, niet van hem afkomstig. Gelet op de zwaarwegende gevolgen - te weten omkering en verzwaring van de bewijslast - van het mogelijkerwijs volgen door het Hof van het standpunt van de Inspecteur zoals vermeld in 2.11, heeft het Hof ter zitting van 11 februari 2009 deze gevolgen aan belanghebbende voorgehouden en belanghebbende in de gelegenheid gesteld hierop nader schriftelijk te reageren. Belanghebbende heeft vervolgens gereageerd in zijn bij het Hof op 31 maart 2009 ingekomen stuk. Belanghebbende heeft hierin alsmede in zijn ter zitting van 8 oktober 2009 voorgedragen pleitnota, gepersisteerd in zijn standpunt dat het verstrekken van de leningen aan C een privé-activiteit betrof.

4.2. Vaststaat dat belanghebbende een bedrijf had ter zake van zijn activiteiten in Nederland met betrekking tot tweedehands auto's ten behoeve van Kroatische autohandelaren. Derhalve was belanghebbende reeds uit dien hoofde administratieplichtig in de zin van artikel 52 van de AWR. De stelling van belanghebbende dat hij gedurende de periode van het 3e kwartaal 1997 tot 1 januari 2000 niet in Nederland woonachtig was en derhalve niet verplicht was tot het overleggen van de administratie van zijn privévermogen, snijdt geen hout. Mede gelet op de in 2.1 vermelde inschrijving in het Handelsregister acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende tijdens de vermelde periode in Nederland een eenmanszaak dreef, in ieder geval met betrekking tot zijn activiteiten in Nederland ten aanzien van tweedehands auto's ten behoeve van Kroatische autohandelaren. Ter zake van de bedrijfsactiviteiten van de onderneming met betrekking tot tweedehands auto's ten behoeve van Kroatische autohandelaren, ook indien zijn activiteiten beperkt zouden zijn gebleven tot financiering van die tweedehandsauto's, was belanghebbende op de voet van artikel 52 van de AWR gehouden een administratie te voeren van zijn bedrijf.

4.3. Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat de financiering van de handel in Duitse bedrijfswagens met C als een geheel tot de privésfeer te rekenen activiteit kan worden aangemerkt. Deze activiteit en de daarmee gemoeide geldstromen uit hoofde van de financiering van die handel dienen tot het bedrijf van belanghebbende te worden gerekend. Het Hof overweegt daartoe onder 4.4 als volgt.

4.4. Het Hof heeft belanghebbende tijdens het onderzoek ter zitting het vermoeden van het Hof voorgehouden dat de financiering door belanghebbende gebeurde op basis van zakelijke verhoudingen tussen belanghebbende en C. Het Hof overweegt dat belanghebbende - naar hij heeft verklaard - in het begin met C mee is geweest naar Duitsland om de bedrijfswagens te bezichtigen. Uit de verklaringen van H, K en M komt naar voren dat belanghebbende in zekere mate actief betrokken was bij de aankoop van een deel van de bedrijfswagens. Dat belanghebbende de verklaringen heeft weersproken leidt niet tot een ander oordeel. Belanghebbende heeft immers zelf verklaard in 1997 met C mee te zijn gegaan naar een aantal leveranciers van bedrijfswagens in Duitsland. Ook in 1998 en 1999 heeft belanghebbende hand- en spandiensten verricht voor C. In dit licht bezien acht het Hof het irrelevant dat belanghebbende een deskundigenrapport heeft overgelegd waaruit naar voren komt dat zijn handtekening op een aantal bij F en M aangetroffen bestelformulieren niet door belanghebbende is geproduceerd, doch waarschijnlijk afkomstig is van de hand van C. Het is aan belanghebbende om zijn verhouding met C goed te regelen. Bij het ontbreken van enige verifieerbare vastlegging in deze concludeert het Hof op grond van het vorenoverwogene dat belanghebbende er niet in is geslaagd het vorenbedoelde vermoeden van het Hof te ontzenuwen.

4.5. Het exacte aandeel van belanghebbende in zijn samenwerking met C is, buiten zijn rol als financier, niet vast te stellen. Het evenwel wekelijks dan wel met grote regelmaat gedurende de periode van het 4e kwartaal 1997 tot 1 januari 2000 substantiële bedragen ter beschikking stellen ten behoeve van de aankoop van bedrijfswagens in Duitsland, is naar het oordeel van het Hof, in de omstandigheden van het geval zoals omschreven in 2.4 en 2.6 tot en met 2.10 alsmede het in 4.3 en 4.4 overwogene, aan te merken als een bedrijfsmatige activiteit en vond, mede gelet op de omschrijving in 2.1 van de activiteiten van de onderneming van belanghebbende, plaats binnen het kader van die onderneming.

4.6. Gelet op het in 4.5 weergegeven oordeel diende belanghebbende in de administratie van zijn onderneming aantekening te houden van de financiering van de aankoop van de bedrijfswagens in Duitsland. Nu belanghebbende hiervan niets in zijn bedrijfsadministratie heeft opgenomen, concludeert het Hof dat belanghebbende niet aan de in artikel 52, eerste lid van de AWR neergelegde administratieverplichtingen heeft voldaan. Op grond van artikel 27e van de AWR in samenhang met artikel 27j, lid 2, van de AWR dient het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep ongegrond te worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de naheffingsaanslag onjuist is.

4.7. Vraag I dient bevestigend te worden beantwoord.

Vraag II

4.8. De Inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende de bij C aangetroffen litigieuze facturen heeft opgesteld en uitgereikt en dat belanghebbende de daarop vermelde omzetbelasting in ieder geval op grond van artikel 37 van de Wet OB 1968 verschuldigd is. De Inspecteur heeft de in geschil zijnde naheffingsaanslagen berekend door de omzetbelasting zoals vermeld op vorenbedoelde facturen na te heffen.

4.9. Het Hof stelt voorop dat gelet op de bevestigende beantwoording van vraag I op belanghebbende de last rust te doen blijken, dat wil zeggen overtuigend aan te tonen, dat, en zo ja, in hoeverre de uitspraak op bezwaar met betrekking tot de naheffingsaanslag onjuist is. In concreto houdt dit in, dat belanghebbende overtuigend dient aan te tonen dat niet hij de onder 4.8 bedoelde facturen heeft opgesteld en uitgereikt.

4.10. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met de door hem overgelegde stukken en hetgeen hij heeft aangevoerd niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast.

4.11. Vraag II dient ontkennend te worden beantwoord.

Vraag III

4.12. De Inspecteur heeft de in geschil zijnde naheffingsaanslagen berekend door de omzetbelasting zoals vermeld op de bij C aangetroffen litigieuze facturen na te heffen. Gelet hierop heeft de Inspecteur de naheffingsaanslagen redelijk en niet willekeurig berekend.

4.13. Belanghebbende heeft nog gesteld dat de Inspecteur, in strijd met het dienaangaande door de belastingdienst gevoerde beleid, dezelfde omzetbelasting tweemaal in de heffing heeft betrokken. Indien belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de Inspecteur in strijd heeft gehandeld met de resolutie van de Staatssecretaris van 23 april 1986, nr. 286/1389, gepubliceerd in V-N 1986, blz. 1125 en/of de resolutie van de staatssecretaris van Financiën van 24 april 1991, nr VB 91/1006, gepubliceerd in V-N 1991/1294, pt. 13 treft deze stelling geen doel. Uit deze resoluties vloeit voort dat de Inspecteur in de eerste plaats, met voorbijgaan aan de afnemer, dient na te heffen bij de leverancier en voorts niet bij beiden kan naheffen. Gelet op de beantwoording van vragen I en II heeft belanghebbende niet overtuigend aangetoond dat niet hij de litigieuze facturen heeft opgesteld en uitgereikt, zodat het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslagen volledig in overeenstemming is met de vorenbedoelde resoluties.

4.14. Belanghebbende heeft voorts gesteld dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel en het vertrouwensbeginsel door de naheffingsaanslagen op te leggen. Het Hof verwerpt deze stellingen. Belanghebbende heeft niet overtuigend aangetoond dat de Inspecteur de voormelde beginselen dan wel enig ander beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden.

4.15. Vraag III moet bevestigend worden beantwoord.

Vraag IV

4.16. Gelet op de bevestigende beantwoording van vraag I behoeft vraag IV geen beantwoording meer.

Ten aanzien van de verhoging en het kwijtscheldingsbesluit alsmede de boete

Vraag V

4.17. Uit de "mededeling boete" van de Inspecteur van 5 april 2001 blijkt dat de Inspecteur de in de naheffingsaanslag voor de periode 1 januari 1997 tot en met 31 december 1997 begrepen verhoging van 100% alsmede de boetebeschikking van 100% van de nageheven belasting over de periode 1 januari 1998 tot en met 31 december 1999 heeft gegrond op het navolgende:

"Er zijn facturen aangetroffen van A inc. in de administratie van een afnemer [Hof: bedoeld wordt C]. Deze facturen hebben betrekking op de verkopen van auto's. De omzet en de daarover in rekening gebrachte omzetbelasting heeft u niet aangegeven.".

Voor de periode 1 januari 1997 tot en met 31 december 1997 heeft de Inspecteur zich blijkens voormelde "mededeling boete" van 5 april 2001 gebaseerd op artikel 21, lid 1 eerste volzin van de AWR en voor de periode 1 januari 1998 tot en met 31 december 1999 op artikel 67f van de AWR.

4.18. Voor de beoordeling door de rechter van de verhoging en de vergrijpboete geldt op grond van het vermoeden van onschuld dat op de Inspecteur de stelplicht en bewijslast rust voor de feiten en omstandigheden die hij ten grondslag heeft gelegd aan de verhoging en de boete. Anders dan voor de naheffingsaanslag, waar belanghebbende overtuigend dient aan te tonen dat niet hij de bij C aangetroffen litigieuze facturen heeft opgesteld en uitgereikt, dient de Inspecteur voor de verhoging en de boete aannemelijk te maken dat de bij C aangetroffen litigieuze facturen door belanghebbende zijn opgesteld en uitgereikt dan wel dat belanghebbende de litigieuze bedrijfsauto's heeft ingekocht en heeft verkocht en over de verkoop omzetbelasting verschuldigd is.

4.19. Het Hof is van oordeel, dat de Inspecteur, tegenover de betwisting door belanghebbende, niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende de bij C aangetroffen litigieuze facturen heeft opgesteld en uitgereikt dan wel dat belanghebbende de litigieuze bedrijfsauto's heeft ingekocht en heeft verkocht. Derhalve dienen de verhoging en de boete te vervallen.

4.20. Vraag V dient ontkennend te worden beantwoord.

Slotsom

4.21. Uit al het vorenoverwogene vloeit voort, dat het hoger beroep van de Inspecteur gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd, de naheffingsaanslag over 1997 moet ontdaan worden van de verhoging, de naheffingsaanslag over 1 januari 1998 tot en met 31 december 1999 moet worden gehandhaafd en de boete moeten vervallen.

Ten aanzien van het verzoek om schadevergoeding

4.22. Op na te melden gronden verwerpt het Hof het incidenteel hoger beroep van belanghebbende.

4.23. Belanghebbende heeft op de voet van artikel 27m van de AWR incidenteel hoger beroep ingesteld onder meer strekkende tot vergoeding van de in verband met de zaak geleden schade. Belanghebbende stelt de omvang van deze schade op de kosten van inkomensderving gedurende de achterliggende acht jaren, inkomensderving voor de komende zeven jaren en aangedaan leed gedurende de achterliggende acht jaren, zowel fysiek, psychisch als sociaal. Hoezeer het Hof zich er van bewust is dat de onderhavige procedure belastend is (geweest) voor belanghebbende, hij heeft niet dan wel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat door hem schade in voormelde zin is geleden. Het Hof neemt hierbij in aanmerking dat belanghebbende met ingang van 1 januari 2000, derhalve voordat de Inspecteur de controle heeft ingesteld bij belanghebbende welke heeft geleid tot de onderhavige zaak, zijn onderneming in Nederland heeft beëindigd. Het frustreren door de Inspecteur van enige economische activiteit van belanghebbende in Nederland in de periode vanaf 1 januari 2000 is derhalve niet dan wel onvoldoende aannemelijk gemaakt. Tot slot merkt het Hof op dat belanghebbende op de voet van artikel 8:73 van de Awb niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de toekomst schade in voormelde zin zal lijden als gevolg van de onderhavige zaak. Het Hof acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gestelde schade als voormeld.

Ten aanzien van het griffierecht

4.24. Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Staat inzake het hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

4.25. Belanghebbende heeft tevens incidenteel hoger beroep aangetekend tegen de door de Rechtbank toegekende vergoeding voor de proceskosten. De Rechtbank heeft de toegekende vergoeding beperkt tot de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bij de behandeling van het bezwaar en het beroep. Bij de vergoeding voor de kosten voor het (hoger) beroep dienen in beginsel ook in aanmerking te worden genomen de kosten voor het door belanghebbende overgelegde verslag van onderzoek van de handschriftdeskundige. De Rechtbank heeft hiervoor geen vergoeding toegekend. Naar het oordeel van het Hof komt belanghebbende dienaangaande een vergoeding toe op grond van artikel 1, aanhef, onderdeel b van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Nu belanghebbende ter zake geen factuur heeft overgelegd zal het Hof in goede justitie een bedrag bepalen. In goede justitie bepaalt het Hof de tegemoetkoming in de kosten op € 2.000. Tezamen met de door de Rechtbank toegekende vergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand bedraagt de vergoeding voor de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken derhalve € 4.174.

4.26. Voor de behandeling van het hoger beroep stelt het Hof de vergoeding in goede justitie op een bedrag aan reiskosten van belanghebbende zelf voor het bijwonen van de beide zittingen van respectievelijk € 10 en € 10, in totaal € 20.

4.27. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt die rechtvaardigen om voor de vergoeding van de kosten voor de behandeling van het bezwaar, beroep en hoger beroep op de voet van artikel 2, lid 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht af te wijken van het bepaalde in lid 1 van dat artikel.

5. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voor zover het betreft de beslissing omtrent het griffierecht,

- verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond met betrekking tot de uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag met verhoging over 1997, met betrekking tot de uitspraak op bezwaar inzake het kwijtscheldingsbesluit en met betrekking tot de uitspraak op bezwaar inzake de boetebeschikking,

- verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond met betrekking tot de uitspraak op bezwaar inzake de naheffingsaanslag over 1998-1999,

- vernietigt de uitspraken van de Inspecteur met betrekking tot de naheffingsaanslag met verhoging over 1997, met betrekking tot het kwijtscheldingsbesluit en met betrekking tot de boetebeschikking,

- vermindert de naheffingsaanslag over 1997 met verhoging tot een naheffingsaanslag zonder verhoging,

- vernietigt het kwijtscheldingsbesluit,

- vernietigt de boetebeschikking, en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op in totaal € 4.194.

Aldus gedaan op: 8 januari 2010 door J.W.J. Huige, voorzitter, P. Fortuin en J. Verseput, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.