Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL9885

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-02-2010
Datum publicatie
02-04-2010
Zaaknummer
07/00522
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBBRE:2007:BB5932, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BO5093
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BO5093
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en woont in Spanje. Hij werkt in dienstbetrekking als scheepswerktuigkundige voor een in Nederland gevestigde vennootschap en verricht zijn werkzaamheden aan boord van zeeschepen varend onder Antilliaanse vlag. In geschil is of belanghebbende in Nederland voor de volksverzekeringen verzekerd en premieplichtig is. Het hof komt in een uitvoerige uitspraak tot de conclusie dat dat niet het geval is. Nederland kent geen wettelijke bepaling op grond waarvan belanghebbende als verzekerde kan worden aangemerkt. Het socialezekerheidsverdrag met Spanje mist volgens het hof in het onderhavige geval toepassing en ook de Verordening 1408/71 wijst niet het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2010/10.8
FutD 2010-0862
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector belastingrecht

tweede meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 07/00522

Uitspraak op het hoger beroep van

de heer X wonende te Y (Spanje),

hierna: belanghebbende,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda (hierna: de Rechtbank) van 15 oktober 2007, nummer 06/3043 in het geding tussen

belanghebbende

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z van de rijksbelastingdienst, hierna: de Inspecteur,

betreffende na te noemen aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2003 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar belastbare inkomens uit werk en woning, uit aanmerkelijk belang en uit sparen en beleggen van telkens nihil, en een premie-inkomen van € 49.103, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 38. Bij mondelinge uitspraak heeft de Rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

1.3. Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4. De zitting heeft plaatsgehad op 30 juli 2008 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de Inspecteur.

Belanghebbende noch zijn gemachtigde is, met kennisgeving aan het Hof, verschenen.

1.5. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan.

1.6. De nadere zitting heeft plaatsgehad op 27 februari 2009 te 's-Hertogenbosch. Aldaar is toen verschenen en gehoord de Inspecteur. Belanghebbende noch zijn gemachtigde is, met kennisgeving aan het Hof, verschenen.

1.7. Het Hof heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het Hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of onder hen berustende stukken in te zenden, aan welk verzoek zij hebben voldaan.

1.8. Met toestemming van partijen heeft het Hof bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Het Hof heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1. Belanghebbende is geboren op 24 maart 1949 en heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij woont in Spanje. Hij is een groot aantal jaren geleden van Nederland naar Spanje geëmigreerd.

2.2. Belanghebbende werkt in dienstbetrekking voor een in Nederland (te Rotterdam) gevestigde vennootschap.

2.3. Belanghebbende verricht zijn arbeid geheel buiten Nederland. Hij werkt als scheepswerktuigkundige aan boord van zeeschepen geregistreerd in Willemstad (Nederlandse Antillen), varend onder Antilliaanse vlag.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de Inspecteur belanghebbende terecht in de heffing van premies volksverzekeringen heeft betrokken c.q. of belanghebbende in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen. Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen zij hieraan ter zittingen hebben toegevoegd wordt verwezen naar het van deze zittingen opgemaakte proces-verbaal.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en de Inspecteur en vernietiging van de aanslag.

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Gronden

Ten aanzien van het geschil

De Inspecteur stelt dat belanghebbende in Nederland verzekerd is. Hij voert daartoe drie argumenten aan.

(1) Verordening (EEG) nr.1408/71 (hierna: de Verordening) wijst Nederland aan als de lidstaat waarvan de socialeverzekeringswetgeving van toepassing is. De Inspecteur baseert zich op het arrest van het Hof van Justitie van de EG van 29 juni 1994, C-60/93 (Aldewereld).

(2) Indien het eerste argument niet zou opgaan, dan stelt de Inspecteur dat het Europeesrechtelijke beginsel van non-discriminatie Nederland verplicht belanghebbende te verzekeren.

(3) Indien ook het tweede argument niet zou opgaan, stelt de Inspecteur dat belanghebbende in Nederland verzekerd is op grond van het socialezekerheidsverdrag gesloten tussen Nederland en Spanje (hierna: het verdrag met Spanje).

Belanghebbende stelt dat er geen nationale bepaling is die belanghebbende als verzekerde aanmerkt, dat de Verordening niet van toepassing is, en dat het verdrag met Spanje zijn werking heeft verloren, zodat belanghebbende niet in Nederland verzekerd is.

Geen Nederlandse wettelijke bepaling

Het Hof constateert, met belanghebbende, dat Nederland geen wettelijke bepaling kent op grond waarvan belanghebbende als verzekerde kan worden aangemerkt. Deze constatering verdient precisering, in die zin, dat zij abstraheert van artikel 6a AOW (en de vergelijkbare bepalingen in de Anw, AKW en AWBZ). Dit artikel bepaalt, geparafraseerd en voor zover hier van belang, dat als verzekerde wordt aangemerkt de persoon van wie de verzekering voortvloeit uit toepassing van bepalingen van een verdrag of van een besluit van een volkenrechtelijke organisatie, zelfs als voor die verzekering overigens geen nationale wettelijke bepaling zou bestaan. Het antwoord op de vraag of belanghebbende in Nederland verzekerd is, is daarmee afhankelijk van de vraag of hij ingevolge een internationale regeling als voornoemd verzekerd is, c.q. of een internationale regeling bepaalt dat het Nederlandse socialezekerheidsstelsel op hem van toepassing is.

De relevante internationale regelingen zijn hier het verdrag met Spanje, en de Verordening.

Verdrag met Spanje

Het Hof is met belanghebbende van oordeel dat het verdrag met Spanje zijn werking heeft verloren. Artikel 6 van de Verordening bepaalt namelijk, voor zover hier van belang, dat de Verordening in de plaats treedt van alle bestaande bilaterale verdragen tussen de lidstaten, waaronder (dus) het socialezekerheidsverdrag tussen Spanje en Nederland. Op de regel dat de Verordening in de plaats treedt van bestaande socialezekerheidsverdragen bestaan uitzonderingen. Om te beginnen noemt artikel 6 als uitzondering de voorbehouden gemaakt in de Verordening zelf, in de artikelen 7, 8 en 46, lid 4; deze voorbehouden spelen in het onderhavige geval geen rol. Daarnaast heeft het HvJ EG in zijn jurisprudentie ook uitzonderingen geïntroduceerd. Uit het arrest Rönfeldt (HvJ EG 7 februari 1991, zaak C-227/89) volgt namelijk dat artikel 6 alleen van toepassing is, indien de Verordening tot een gunstiger resultaat leidt dan de bij inwerkingtreding reeds bestaande verdragen. Het HvJ oordeelde dat het EG-verdrag in de weg staat aan een verlies van socialezekerheidsrechten dat voor werknemers die hun recht op vrij verkeer hebben uitgeoefend, zou voortvloeien uit het feit dat tussen twee of meer lidstaten geldende verdragen hun toepasselijkheid hebben verloren door de inwerkingtreding van de Verordening. Artikel 6 mag dus in de visie van het HvJ niet leiden tot een verlies of achteruitgang van door de werknemer reeds verworven sociale voordelen. Het gaat daarbij om (concrete) sociale voordelen die zijn opgebouwd onder een verdrag vóór de vervanging van dat verdrag door de Verordening, niet om de vraag of in abstracto het oude verdrag, indien dat nog zou gelden, gunstiger voor de werknemer zou uitwerken dan de Verordening.

De Inspecteur, als stellende partij zal, nu belanghebbende de toepasselijkheid van het verdrag met Spanje bestrijdt, aannemelijk moeten maken dat in casu voldaan wordt aan de Rönfeldt criteria. Hij zal aannemelijk moeten maken, dat belanghebbende op het moment van inwerkingtreding van de Verordening reeds voordelen onder het socialezekerheidsverdrag met Spanje had opgebouwd, welke als gevolg van de inwerkingtreding van de Verordening zouden verminderen of verdwijnen. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur zulks niet, althans onvoldoende concreet, gesteld. Hij heeft dit in ieder geval niet aannemelijk gemaakt.

Op overeenkomstige gronden sneuvelt het beroep van de Inspecteur op artikel 7, lid 2, onderdeel c, van de Verordening, dat onder voorwaarden verplichtingen van lidstaten voortvloeiende uit 'oude' socialezekerheidsverdragen in stand laat. De voorwaarden zijn cumulatief. Het dient te gaan om een bepaling in een verdrag dat is gesloten voordat de Verordening van toepassing wordt op rechthebbende; de verdragsbepaling voor de rechthebbenden dient gunstiger te zijn dan toepassing van de Verordening of moet voortvloeien uit specifieke historische omstandigheden en dient een in de tijd beperkt effect te hebben. De Inspecteur heeft wel gesteld dat artikel 7, lid 2, onderdeel c, van de Verordening van toepassing is, maar hij heeft deze stelling niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Hij heeft in ieder geval niet aannemelijk gemaakt dat aan genoemde voorwaarden is voldaan.

Het Hof komt daarom tot de conclusie dat het socialezekerheidsverdrag met Spanje in de onderhavige situatie toepassing mist.

De Verordening. Aldewereld.

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of de Verordening het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel aanwijst. De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, onder verwijzing naar het besluit van de Staatssecretaris van Financiën, nr. CPP2007/584M, van 2 juli 2007. Daarin geeft de Staatssecretaris het volgende te kennen.

"Artikel 13, lid 2, sub c; arrest Aldewereld en begrip zeeschip

Degene die zijn beroepswerkzaamheden uitoefent aan boord van een zeeschip, valt op grond van artikel 13, lid 2, sub c, van de verordening onder de socialezekerheidswetgeving van de lidstaat onder wiens vlag het zeeschip vaart. Regels voor zeeschepen die varen onder de vlag van derde staten (niet EU-lidstaten) komen in de verordening niet voor. Op grond van het arrest HvJ EG van 29 juni 1994, zaak C-60/93 (Aldewereld), en het naar aanleiding hiervan gewezen arrest HR 5 oktober 1994, nr. 28 205, BNB 1995/45 dient de Nederlandse wetgeving te worden toegepast, indien de werkgever van de zeevarende in Nederland is gevestigd, de zeevarende in de EU, EER of Zwitserland woont en beschikt over een EU/EER-nationaliteit of de Zwitserse nationaliteit en het schip vaart onder de vlag welke niet behoort tot een van de lidstaten van de EU/EER of Zwitserland. Vaart het schip onder de vlag van een land waarmee Nederland een verdrag inzake sociale zekerheid heeft gesloten en verklaart dit verdrag de wetgeving van het vlagstaat van toepassing, dan wordt de Nederlandse wetgeving niet van toepassing geacht. De Nederlandse wetgeving dient ook te worden toegepast op de zeevarende (in dienst van een Nederlandse werkgever) die niet een van de hierboven genoemde nationaliteiten heeft, woont in een van de lidstaten van de EU, uitgezonderd Denemarken, en werkzaam is op een zeeschip dat vaart onder een vlag welke niet behoort tot een van de lidstaten van de EU/EER of Zwitserland. Zie ook het Besluit verzekeringsplicht zeevarenden van het UWV van 22 december 2003, Stcrt. 2004, nr. 35.

Het begrip zeeschip is in de verordening niet gedefinieerd. Op grond van de uitspraak van de CRvB van 17 april 2002, nr. 98/8488, NTFR 2002/849 wordt op basis van het Nederlandse recht (artikel 8:2 BW) bepaald of sprake is van een zeeschip. Een baggerschip waarvoor een zeebrief is afgegeven en dat is ingeschreven in het Nederlandse zeeschepenregister, dan wel in een met het zeeschepenregister vergelijkbaar buitenlands register, wordt als een zeeschip aangemerkt voor de toepassing van artikel 13, lid 2, sub c."

De kern van dit betoog, zoals door de Inspecteur nader toegelicht in de stukken en ter zitting, is dat het HvJ in het arrest Aldewereld zou hebben beslist, dat aan de expliciete toewijzingsregels opgenomen in de Verordening, nog een impliciete, uit de aard en strekking van de Verordening voortvloeiende, toewijzingsregel moet worden toegevoegd: indien een onderdaan van de EU buiten de EU werkzaamheden verricht voor een binnen de EU gevestigde werkgever, geldt als verzekeringsland, het land waar de werkgever is gevestigd. Het Hof verwerpt deze lezing van het arrest Aldewereld.

Het arrest Aldewereld betrof een situatie waarin een inwoner van Nederland werkzaamheden verrichtte voor een in Duitsland gevestigde werkgever. Hij verrichtte de werkzaamheden volledig buiten de EU (namelijk in Thailand). Zowel Nederland als Duitsland claimden dat de belanghebbende in hun land verzekerd was. Zij baseerden de claim op nationale wettelijke regels. De Nederlandse wet baseerde de verzekering op het feit dat de belanghebbende in Nederland woonde. De Duitse wet op het feit dat de belanghebbende in dienstbetrekking stond tot een in Duitsland gevestigde werkgever. Duitsland kende dus, anders dan Nederland, een wettelijke bepaling die aanknoopte bij de vestigingsplaats van de werkgever; de woon- en werkplaats van de werknemer waren irrelevant. Aldus ontstond een wetsconflict en daarmee het gevaar van dubbele verzekering.

De eerste vraag die het HvJ moest beantwoorden was, of, nu de belanghebbende zijn werkzaamheden volledig buiten de EU verrichtte, hij wel onder de reikwijdte van de Verordening viel. Zou de Verordening niet van toepassing zijn, dan zou de dubbele verzekeringsplicht in stand blijven. Het HvJ achtte de (bescherming van de) Verordening van toepassing. Het overwoog:

"dat de enkele omstandigheid dat een werknemer zijn werkzaamheden buiten het grondgebied van de Gemeenschap verricht, de toepassing van de gemeenschapsregels inzake het vrije verkeer van werknemers niet kan verhinderen wanneer de arbeidsverhouding een voldoende nauwe aanknoping met dat grondgebied behoudt. In een geval als het onderhavige bestaat een dergelijke aanknoping in de omstandigheid dat de communautaire werknemer in dienst is van een onderneming uit een andere Lid-Staat en daardoor is aangesloten bij de sociale-zekerheidsregeling van die staat" (cursivering toegevoegd).

Vervolgens moest het HvJ de vraag beantwoorden welke van de rivaliserende socialezekerheidsstelsels door de Verordening werd aangewezen.

Het HvJ overwoog, dat binnen het stelsel van de Verordening "toepassing van de wetgeving van de woonstaat van de werknemer (...) een ondergeschikte regel (lijkt), die slechts wordt toegepast wanneer die wetgeving een aanknopingspunt heeft met de arbeidsverhouding". Dat leidde in het geval Aldewereld tot de conclusie dat "de wetgeving van de woonstaat van de werknemer niet (kon) worden toegepast, aangezien die wetgeving geen enkel aanknopingspunt heeft met de arbeidsverhouding, zulks in tegenstelling tot de wetgeving van de staat waar de werkgever is gevestigd". Het HvJ besliste ten slotte

"dat de regels van gemeenschapsrecht die ertoe strekken, het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap te verzekeren, inzonderheid de regels betreffende de vaststelling van de toe te passen nationale wetgeving, vervat in titel II van verordening nr. 1408/71, eraan in de weg staan, dat van een werknemer die op het grondgebied van een Lid-Staat woont en die in loondienst van een in een andere Lid-Staat gevestigde onderneming uitsluitend buiten het grondgebied van de Lid-Staten werkzaamheden uitoefent op grond waarvan hij premies verschuldigd is krachtens de sociale wetgeving van die andere Lid-Staat, premies worden geheven ingevolge de sociale wetgeving van zijn woonstaat".

Naar het oordeel van het Hof kan uit het arrest Aldewereld (slechts) het volgende worden afgeleid.

(1) De Verordening kan worden ingeroepen als het gaat om een wetsconflict tussen twee (of meer) lidstaten met potentiële dubbele verzekering tot gevolg, zoals in het berechte geval tussen Nederland en Duitsland.

(2) Indien iemand werkzaamheden buiten het grondgebied van de gemeenschap verricht, is de Verordening niettemin van toepassing indien de betreffende arbeidsverhouding voldoende aanknopingspunten heeft met het grondgebied van de gemeenschap. Daarvan is onder meer sprake indien de persoon

(a) in dienst is van een onderneming gevestigd in een lidstaat en

(b) deswege op grond van het nationale recht van die lidstaat (zonder inachtneming van de regels van de Verordening en regels zoals artikel 6a AOW, omdat men anders in een cirkelredenering terechtkomt) aldaar aangesloten is bij het stelsel van sociale zekerheid.

(3) Bij een wetsconflict tussen een woonstaat en een staat waar de werkgever is gevestigd en waar de werknemer premies verschuldigd is krachtens de sociale wetgeving van die staat, 'wint' de werkgevers-staat.

In het onderhavige geval bestaat noch een wetsconflict, noch is belanghebbende naar Nederlands nationaal recht aangesloten bij het Nederlandse stelsel. De Verordening is niet van toepassing.

Het beroep van de Inspecteur op het arrest Aldewereld faalt derhalve.

Algemene EG beginsel van nondiscriminatie

De Inspecteur stelt voorts dat het algemene beginsel van nondiscriminatie meebrengt, dat belanghebbende in Nederland verzekerd is. Hij stelt dat uit het EG recht zou volgen dat een lidstaat, althans waar het gaat om de sociale verzekering, geen onderscheid mag maken naar woonplaats.

Het Hof verwerpt dit standpunt. Onderscheid naar woonplaats levert, op zichzelf, geen verboden ongelijke behandeling op. De positie van inwoners van een staat is niet gelijk aan of vergelijkbaar met die van niet-inwoners. Op dit uitgangspunt dient evenwel onder omstandigheden een uitzondering te worden aanvaard. Het is deze uitzondering - bekend onder de term 'sterke werking' van de Verordening - waar, naar het Hof verstaat, de Inspecteur op doelt.

Het HvJ besliste in Hof van Justitie EG 3 mei 1990, nr. C-2/89 (Kits van Heyningen)

"Artikel 13, lid 2, sub a, van de verordening bepaalt uitdrukkelijk, dat op degene die op het grondgebied van een Lid-Staat werkzaamheden in loondienst uitoefent, de wetgeving van die Staat van toepassing is, zelfs indien hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont." Deze bepaling zou elk nuttig effect verliezen, indien het woonplaatsvereiste waarvan de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de werkzaamheden in loondienst worden verricht, de aansluiting bij de aldaar geldende verzekeringsregeling afhankelijk stelt, kan worden tegengeworpen aan de in artikel 13, lid 2, sub a, bedoelde personen. Artikel 13, lid 2, sub a, heeft tot gevolg, dat het woonplaatsvereiste voor deze personen wordt vervangen door een voorwaarde die berust op de uitoefening van werkzaamheden in loondienst op het grondgebied van de betrokken Lid-Staat.

De theorie van de sterke werking houdt derhalve in dat, indien ingevolge de Verordening de socialeverzekeringswetgeving van een lidstaat van toepassing is, de aangewezen wetgeving geen voorwaarden mag stellen ten aanzien van de woonplaats.

Aan de Inspecteur zij derhalve toegegeven, dat indien de Verordening de Nederlandse wetgeving zou hebben aangewezen, Nederland geen onderscheid naar woonplaats zou hebben mogen maken. Deze situatie doet zich hier echter niet voor; de Verordening wijst immers de Nederlandse wetgeving niet aan.

Het Hof komt tot de conclusie dat noch de Nederlandse wet, noch de Verordening, noch het verdrag met Spanje de basis kunnen vormen voor verzekering van belanghebbende in Nederland. Het hoger beroep van belanghebbende is derhalve gegrond.

Ten aanzien van het griffierecht

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

Belanghebbende heeft in zijn hoger beroepschrift en in zijn bezwaarschrift mede gevraagd om een vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, die hij heeft moeten maken in de bezwaarfase.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in

de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het gaat hier om twee samenhangende zaken met kenmerk 07/00522 en 07/00531. Het Hof zal de proceskostenvergoeding vaststellen voor deze twee zaken gezamenlijk.

Het Hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het indienen van het bezwaarschrift op 1 punt x € 161 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 241,50, voor het indienen van het beroep bij de Rechtbank op 1 punt € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 483 en voor het indienen van het hoger beroep bij het Hof op 2 (punten) x € 322 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) is € 644.

De totale proceskostenvergoeding bedraagt, met een wegingsfactor 1 voor twee samenhangende zaken, € 1.368,50.

Voor de onderhavige zaak bedraagt de proceskostenvergoeding derhalve 1/2 x € 1.368,50 = € 684,25.

5. Beslissing

Het Hof

- verklaart het hoger beroep gegrond

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank

- verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond

- vernietigt de uitspraak van de Inspecteur

- vermindert de aanslag tot nihil

- gelast dat de Staat aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van, in totaal, € 144 vergoedt, en

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het bezwaar en van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 684,25.

Aldus gedaan op 12 februari 2010 door P.J.M. Bongaarts, voorzitter, W.E.M. van Nispen tot Sevenaer en M.C.G.J. van Well, in tegenwoordigheid van A.W.J> Strik, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH 's-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a) de naam en het adres van de indiener;

b) een dagtekening;

c) een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d) de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.