Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL9803

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
01-04-2010
Zaaknummer
20-002670-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2008:BD5788, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof spreekt vrij van - onder andere - overtreding van het (destijds geldende) In- en Uitvoerbesluit strategische goederen; het voorhanden bewijs wettigt niet de conclusie dat de in de tenlastelegging opgesomde goederen speciaal ontworpen of aangepast zijn voor militair gebruik.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002670-08

Uitspraak : 30 maart 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 1 juli 2008 in de strafzaak met parketnummer 01/996018-04 tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar 1963],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 21 juli 2009, 1 december 2009 en 16 maart 2010, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 17 juni 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft - na heropening van het onderzoek bij interlocutoir arrest van 4 augustus 2009 - ter terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2010 verzocht om een nieuwe termijn om uitvoering te geven aan de opdracht van het hof, die in dat interlocutoir arrest was gegeven. Subsidiair heeft hij gepersisteerd bij de ter terechtzitting van 21 juli 2009 gedane vordering dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de tijd van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De raadsman heeft primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en subsidiair de vrijspraak van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bepleit. Daarnaast persisteerde hij bij het verweer dat de dagvaarding, voor zover dat ziet op het in beide feiten geredigeerde medeplegen, nietig moet worden verklaard.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2010 - op de gronden als vervat in zijn pleitnota - de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Zoals blijkt uit hetgeen het hieronder overweegt onder “Verzoek van de advocaat-generaal om een nieuwe termijn” is het hof van oordeel dat de advocaat-generaal tijdens het geding in beroep in aanzienlijke mate te kort is geschoten in voortvarendheid.

Zulks wettigt echter niet de conclusie dat daardoor welbewust of met grove verwaarlozing van de belangen van de verdachte is tekort gedaan aan diens recht op een eerlijk proces.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof ook overigens niet gebleken van feiten of omstandigheden die zouden nopen tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Mitsdien wordt het verweer verworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis van de rechtbank zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

[Rechtspersoon I - B.V.] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2001 tot en met 31 juli 2003 te Maarheeze en/of te Eindhoven en/of te Rotterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk, een of meer goed(eren) aangewezen in de bijlage bij het In- en uitvoerbesluit strategische goederen, onder de post ML5 ("Vuurgeleidingssystemen en aanverwante alarm- en waarschuwingssystemen, en aanverwante systemen, test- en richtapparatuur en apparatuur voor tegenmaatregelen, als hieronder, speciaal ontworpen voor militair gebruik en speciaal ontworpen onderdelen en toebehoren daarvoor") en/of ML6 ("Voertuigen en onderdelen daarvoor speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik"), te weten:

- 15, althans een of meer, stuks "mount telescope" (telescoopsteun/richtmiddel, bijlage post ML5, bladzijde 2011 (zaak 6) en/of 2347 (zaak 7) van het proces-verbaal) en/of

- 4, althans een of meer, stuks "turbo-charger" (turbocompressor, bijlage post ML6, bladzijde 1447 (zaak 4) en/of 1700 (zaak 5) van het proces-verbaal) en/of

- 55, althans een of meer, stuks "gage rod" (peilstok, bijlage post ML6, bladzijde 946 (zaak 2) van het proces-verbaal) en/of

- 150, althans een of meer, stuks "control assembly" (gasbedieningssysteem, bijlage post ML6, bladzijde 1208 (zaak 3) van het proces-verbaal) en/of

- 70, althans een of meer, stuks "cover engine" (afdekplaat motorruimte, bijlage post ML6, bladzijde 1208 (zaak 3) van het proces-verbaal) en/of

- 30, althans een of meer, stuks “drivers seat” (tankbestuurderzitplaats, bijlage post ML6, bladzijde 1447 (zaak 4) van het proces-verbaal) en/of

- 60, althans een of meer, stuks “pump assembly” (hendelhandpomp, bijlage post ML6, bladzijde 1700 (zaak 5) en/of 2011 (zaak 6) van het proces-verbaal) en/of

- 270, althans een of meer, stuks “parts kit” (reparatiepakket, bijlage post ML6, bladzijde 1701 (zaak 5) en/of 2347 (zaak 7) van het proces-verbaal) en/of

- 4, althans een of meer, stuks “guide valve system” (geleider klepsteel, bijlage post ML6, bladzijde 2011 (zaak 6) van het proces-verbaal) en/of

- 60, althans een of meer, stuks “lever assembly” (hendel, bijlage post ML6, bladzijde 2011 (zaak 6) en/of 2347 (zaak 7) van het proces-verbaal) en/of

- 10, althans een of meer, stuks “bracket sight” (viziersteun, bijlage post ML5, bladzijde 2754 (zaak 9) van het proces-verbaal),

heeft uitgevoerd of heeft doen of laten uitvoeren, zonder vergunning van Onze Minister van Economische Zaken,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) hij, verdachte, (telkens) opdracht heeft gegeven dan wel aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.

2.

[Rechtspersoon I - B.V.] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 maart 2001 tot en met 31 juli 2003 te Maarheeze, althans in het arrondissement 's-Hertogenbosch, in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk meerdere, althans een of meer vrachtnota('s) en/of vrachtbrie(f)(ven)/vervoerdocument(en) CMR, zijnde deze vrachtnota('s) en/of vrachtbrie(f)(ven)/vervoerdocument(en) CMR (telkens) (een) geschrift(en) dat/die bestemd is/zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of heeft doen of laten opmaken, althans heeft vervalst of heeft doen of laten vervalsen,

hebbende [rechtspersoon I - B.V.] en/of haar mededader(s) toen en daar (telkens) opzettelijk valselijk en/of in strijd met de waarheid in:

- de vrachtnota voorzien van het nummer [nummer] en/of de datum 10 juli 2001 (bladzijde 957 (zaak 2) van het proces-verbaal) vermeld of doen of laten vermelden dat de vracht bestond uit auto-onderdelen en/of

- de vrachtnota voorzien van het nummer [nummer] en/of de datum 4 december 2001 (bladzijde 1215 (zaak 3) van het proces-verbaal) vermeld of doen of laten vermelden dat de vracht bestond uit auto-onderdelen en/of

- de vrachtbrief/het vervoerdocument CMR voorzien van het nummer [nummer] en/of de datum 9 juli 2002 (bladzijde 1715 (zaak 5) van het proces-verbaal) als aard der goederen vermeld of doen of laten vermelden dat het "spare parts" (reserve-onderdelen) betrof en/of

- de vrachtbrief/het vervoerdocument CMR voorzien van het nummer [nummer] en/of de datum 20 september 2002 (bladzijde 2035 (zaak 6) van het proces-verbaal) als aard der goederen vermeld of doen of laten vermelden dat het “spare parts” (reserve-onderdelen) betrof en/of

- de vrachtbrief/het vervoerdocument CMR voorzien van het nummer [nummer] en/of de datum 16 juli 2003 (bladzijde 2756 (zaak 9) van het proces-verbaal) als aard der goederen vermeld of doen of laten vermelden dat het auto-onderdelen betrof

en/of daarbij (telkens) niet heeft vermeld of doen of laten vermelden dat het om militaire goederen, althans onderdelen voor militaire voertuigen, ging, (telkens) met het oogmerk om voormeld(e) vrachtnota(‘s) en/of vrachtbrie(f)(ven)/vervoerdocument(en) CMR als echt en onvervalst te gebruiken of door een ander of anderen te doen gebruiken,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) hij, verdachte, (telkens) opdracht heeft gegeven dan wel aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd.

De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Geldigheid van de dagvaarding

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2009 betoogd dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard op het punt van de in de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten opgenomen zinsnede “tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen”. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat noch uit de omschrijving in de tenlastelegging noch anderszins uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende duidelijk is geworden met wie [rechtspersoon I - B.V.] zou hebben samengewerkt en dat de dagvaarding op dat onderdeel dus niet voldoet aan het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat geen rechtsregel voorschrijft dat in de tenlastelegging expliciet tot uitdrukking wordt gebracht met welke anderen een delict zou zijn medegepleegd. Voor de verdachte moet het echter voldoende duidelijk zijn, waartegen hij zich heeft te verweren. Uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat dit niet het geval was. Ook bij het openbaar ministerie blijkt over de identiteit van de mededader(s) onduidelijkheid te hebben geheerst.

In eerste aanleg heeft de officier van justitie zich, blijkens haar requisitoir, op het standpunt gesteld dat verdachte als feitelijk leidinggever binnen [rechtspersoon I - B.V.] heeft samengewerkt met de rechtspersoon [rechtspersoon I - B.V.], terwijl ook zou zijn samengewerkt met [rechtspersoon II - Ltd.], doch dat door jurisdictieproblemen de pijlen niet gericht waren op het laatstgenoemde bedrijf.

Bij zijn requisitoir ter terechtzitting in hoger beroep van 21 juli 2009 heeft de advocaat-generaal naar voren gebracht dat het medeplegen zou zien op de bewuste en nauwe samenwerking die [rechtspersoon I - B.V.] had met [rechtspersoon II - Ltd.], aangezien de onderlinge contacten veelvuldig zijn geweest en [rechtspersoon I - B.V.] op een zeker moment heeft geweten dat de militaire goederen zonder vereiste uitvoervergunning naar [rechtspersoon II - Ltd.] werden uitgevoerd.

Onder deze omstandigheden had de tenlastelegging over de identiteit van de (beweerde) mededader(s) en hun gedragingen meer gegevens moeten bevatten. De dagvaarding zal daarom nietig worden verklaard voor zover het de zinsnede “tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen” in de feiten 1 en 2 betreft.

Verzoek van de advocaat-generaal om een nieuwe termijn

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2010 verzocht om de zaak opnieuw aan te houden, opdat hij alsnog uitvoering kan geven aan de door het hof bij tussenarrest gegeven opdracht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Op 4 augustus 2009 heeft het hof bij tussenarrest beslist dat het hof het noodzakelijk achtte dat nadere informatie werd verschaft over de vraag of de elf, in het dictum van dat arrest omschreven, goederen, speciaal zijn ontworpen of speciaal zijn aangepast voor militair gebruik, zoals in de bijlage bij het In- en uitvoerbesluit strategische goederen onder de posten ML5 en ML6 als eis wordt gesteld, bij voorkeur door navraag bij de fabrikanten van die goederen. De stukken zijn in handen van de advocaat-generaal gesteld teneinde deze in de gelegenheid te stellen uitvoering te geven aan die opdracht. Voorts werd bepaald dat het onderzoek zou worden hervat op de terechtzitting van 1 december 2009.

De advocaat-generaal heeft bij brief van 16 november 2009 laten weten dat hij deze opdracht - gelet op de resultaten van een overleg zijnerzijds met onder andere het Ministerie van Defensie en het team dat het strafrechtelijk onderzoek heeft verricht - wilde beperken tot een viertal goederen, te weten: de Mount telescope, Drivers seat, Pump assembly en de Bracket Sight. Voorts heeft hij laten weten dat de wijze waarop uitvoering zou worden gegeven aan dat nader onderzoek door hem ter terechtzitting zou worden besproken.

De voorzitter van het hof heeft bij brief van 17 november 2009 gericht aan de advocaat-generaal haar teleurstelling over dat bericht kenbaar gemaakt en laten weten dat een meer voortvarende uitvoering van de beslissing van het hof verwacht had mogen worden. Voorts heeft de voorzitter de advocaat-generaal aangespoord het nadere onderzoek alsnog te verrichten voor de terechtzitting van 1 december 2009. De voorzitter heeft er daarbij op gewezen dat het gaat om feiten uit 2001, 2002 en 2003 en dat de verdachten al zeer langdurig geconfronteerd werden met de (dreiging) van vervolging.

De advocaat-generaal heeft het hof bij brief van 27 november 2009 bericht dat hij in die brief van de voorzitter een aansporing las om vooral door te gaan. Voorts gaf hij het hof in overweging de behandeling van de zaak op 1 december 2009 voor onbepaalde tijd aan te houden omdat met de uitvoering van rechtshulpverzoeken maanden gemoeid konden zijn.

Bij de behandeling van het onderzoek ter terechtzitting van 1 december 2010 is door de voorzitter de vraag gesteld waarom de advocaat-generaal meende dat een rechtshulpverzoek nodig is voor het achterhalen van informatie bij de drie - door het Ministerie van Defensie aan de advocaat-generaal doorgegeven - fabrikanten in de Verenigde Staten en wat het bezwaar was tegen het simpelweg aanschrijven van die fabrikanten. De advocaat-generaal deelde daarop mede dat die mogelijkheid niet bij hem was opgekomen. Het hof heeft toen beslist dat de advocaat-generaal nog éénmaal in de gelegenheid zou worden gesteld om uitvoering te geven aan de in het tussenarrest gegeven opdracht en dat zijn verzoek om aanhouding van de strafzaak dan ook voor een laatste keer zou worden ingewilligd. Het hof heeft daarbij aangetekend dat het onderzoek zich uit diende te strekken tot alle in het tussenarrest genoemde goederen. Het onderzoek werd daarop geschorst tot de zitting van 16 maart 2010.

Bij brief van 4 maart 2010 berichtte de advocaat-generaal dat “het […] binnen de door het Hof gestelde termijn niet mogelijk [is] gebleken (opsporings)capaciteit vrij te maken om de benodigde informatie in te winnen en te verbaliseren.”

Ter terechtzitting in hoger beroep van 16 maart 2010 meldde de advocaat-generaal dat hem uit een emailbericht van het Ministerie van Justitie was gebleken dat niet te verwachten was dat de fabrikanten vrijwillig medewerking zouden verlenen aan het beantwoorden van de door het hof gestelde vraag en dat daarom een rechtshulpverzoek toch noodzakelijk zou zijn. Desgevraagd deelde de advocaat-generaal mee dat er nog geen rechtshulpverzoek was uitgegaan.

Het hof overweegt dat die mededelingen van de zijde van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 maart 2010 niet goed te rijmen vallen met zijn mededelingen ter terechtzitting van 1 december 2009 en evenmin met de inhoud van zijn brief van 4 maart 2010. Daarbij c.q. daarin werd immers met geen woord gerept over een te verwachten niet-coöperatieve houding en de daaruit voortvloeiende noodzaak van een rechtshulpverzoek. Het hof houdt het ervoor dat de advocaat-generaal, ondanks de opdracht van het hof en ondanks de gelegenheid die hem nogmaals is geboden om aan de opdracht van het hof gevolg te geven, geen prioriteit aan de uitvoering daarvan wenst te geven. Dat strijdt met de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Mede het belang van verdachte bij een afdoening van de zaak binnen redelijke termijn in aanmerking nemend, zal het hof de advocaat-generaal dan ook geen nieuwe termijn voor het verrichten van nadere onderzoekshandelingen meer gunnen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.

Vrijspraak

De omstandigheid dat geen bevestigend antwoord gevonden is kunnen worden op de vraag of de in de tenlastelegging onder 1 omschreven goederen speciaal ontworpen of aangepast zijn voor militair gebruik, brengt met zich dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Voor bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit moet vaststaan dat de uitvoer van de in de tenlastelegging omschreven goederen ingevolge artikel 2 van het (thans vervallen) In- en uitvoerbesluit strategische goederen aan een vergunningsplicht onderworpen was. Daarvoor is in het onderhavige geval bepalend of de goederen zijn aan te merken als goederen in de zin van de bij de bijlage van dat In- en uitvoerbesluit vermelde posten ML5 en ML6. De beschrijving van de post ML5 luidt: “Vuurgeleidingssystemen en aanverwante alarm- en waarschuwingssystemen, en aanverwante systemen, test- en richtapparatuur voor tegenmaatregelen […] speciaal ontworpen voor militair gebruik en speciaal ontworpen onderdelen en toebehoren daarvoor.” ML6 wordt vervolgens beschreven als “Voertuigen en onderdelen daarvoor speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik”.

Daaruit volgt naar ’s hofs oordeel dat duidelijk moet zijn of meerbedoelde goederen speciaal ontworpen of aangepast zijn voor militair gebruik. Anders dan de advocaat-generaal, meent het hof dat de door het Ministerie van Defensie gegeven informatie, voor zover inhoudend dat een bepaald goed wordt toegepast in militaire voertuigen, dan wel daar een relatie mee heeft, daarvoor niet voldoende is. Het is immers niet uitgesloten dat een niet speciaal voor militair gebruik ontworpen of aangepast goed voor dergelijke doeleinden toepasbaar is.

Uit de verklaring van [getuige A] (pag. 2852) bijvoorbeeld, blijkt, dat de motor van het militaire voertuig M113 een standaard truckmotor is, die in allerlei voertuigen, zoals grote landbouwmachines en voertuigen in de mijnbouw wordt gebruikt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook anderszins geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die de conclusie wettigen dat er sprake is van goederen speciaal ontworpen of aangepast voor militair gebruik, zodat daarmee in rechte niet is komen vast te staan dat [rechtspersoon I - B.V.] voor de uitvoer ervan een vergunning nodig had.

In het onder 2 ten laste gelegde wordt de verdachte verweten feitelijk leiding te hebben gegeven aan de door [rechtspersoon I - B.V.] beweerdelijk begane valsheid in geschrift. Die valsheid bestond er in dat [rechtspersoon I - B.V.] op de vrachtbrieven of vervoersdocumenten CMR “auto-onderdelen” dan wel “reserve-onderdelen” heeft laten vermelden zonder daaraan toe te voegen dat het om militaire goederen dan wel onderdelen voor militaire voertuigen ging. Daarmee heeft de steller van de tenlastelegging - gelet op de samenhang met het onder 1 ten laste gelegde feit - kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat door de handelwijze van [rechtspersoon I - B.V.] verhuld werd dat het om (aan een uitvoervergunning onderhevige) strategische goederen ging. In deze zienswijze wordt het hof gesterkt door de toelichting op de tenlastelegging van de officier van justitie, zie haar schriftelijk requisitoir (pagina 3).

Aangezien het hof, gelijk hierboven overwogen, niet heeft kunnen vaststellen dat het in casu daadwerkelijk ging om zodanige goederen, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de in de tenlastelegging onder 2 genoemde vrachtbrieven of vervoersdocumenten CMR valselijk zijn opgemaakt.

Gelet op het vorenstaande zal het hof de verdachte van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten vrijspreken.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het beroepen vonnis en doet opnieuw recht.

Verklaart de dagvaarding nietig, voor zover deze betrekking heeft op de onder 1 en 2 ten laste gelegde zinsnede “tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen”.

Verklaart voor het overige niet bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. H.D. Bergkotte en mr. A.J.M. van Gink,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 30 maart 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.