Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL9697

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-03-2010
Datum publicatie
31-03-2010
Zaaknummer
HV 200.009.219
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op beschikking 16 december 2008 inzake de overruleprocedure van art. 11 lid 8 Brussel II bis.

De vader krijgt niet het eenhoofdig gezag over de in Griekenland wonende kinderen.

Omgangsregeling vastgesteld;

Eerste jaar in Griekenland; daarna in Nederland.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253n
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2010/380
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

JM

30 maart 2010

Sector civiel recht

Zaaknummer HV 200.009.219/01

Zaaknummer eerste aanleg 121586/FA RK 07-971

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. P.Th. van Alkemade,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaaats], Griekenland,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw.

6. De beschikking d.d. 16 december 2008

Bij die beschikking heeft het hof de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) verzocht met hulp van International Social Service (hierna: ISS) een onderzoek te verrichten. Het hof heeft aangegeven een breed onderzoek te wensen waarbij zowel gekeken wordt naar de situatie bij de man in Nederland als de situatie in Griekenland van de kinderen bij de vrouw en waarbij, gelet op het subsidiaire verzoek van de man, ook naar een eventuele omgangsregeling tussen de kinderen en de man gekeken wordt. De volgende vragen zijn aan de raad voorgelegd:

1) Is het in het belang van [dochter A.] en [dochter B.] dat de man belast wordt met het eenhoofdig gezag (hetgeen zou meebrengen dat zij terugkeren naar Nederland), omdat zij klem of verloren zijn geraakt tussen de ouders of dat er een onaanvaardbaar risico is dat de zij alsnog klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hier binnen afzienbare tijd wijziging in zou komen?

2) Is het anderszins in het belang van [dochter A.] en [dochter B.] (noodzakelijk) dat de man belast wordt met het eenhoofdig gezag (hetgeen zou meebrengen dat zij terugkeren naar Nederland)?

3) Indien vraag 1 en 2 met nee worden beantwoord: Dient er een omgangsregeling tussen de man en de kinderen te worden vastgesteld en zo ja, hoe zou deze er dan uit moeten zien?

Het hof heeft vervolgens iedere beslissing in deze zaak aangehouden in afwachting van het door de raad uit te brengen rapport en advies.

7. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

7.1. De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 november 2009. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. S.C.H. Poelman;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw E.A.P. van den Dam;

7.2. De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

7.3. Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- het rapport van de raad d.d. 1 augustus 2009;

- de brief van mr. E.J.M. Driessen namens de man d.d. 26 augustus 2009;

- het faxbericht van mr. S.C.H. Poelman namens de man d.d. 20 november 2009, waarin zij op verzoek van het hof de data van de paasvakantie en de zomervakantie in Griekenland in 2010 doorgeeft;

- de brief met bijlagen van de raad d.d. 26 februari 2010;

- de brief van de raad d.d. 2 maart 2010 met als bijlagen een faxbericht van ISS afdeling Nederland van 2 maart 2010 en een faxbericht van ISS Hellenic Branch van 19 februari 2010.

8. De verdere beoordeling

8.1. De raad adviseert het hof in haar rapport van 1 augustus 2009 de man niet te belasten met het eenhoofdig gezag over [dochter B.] en [dochter A.] en de volgende omgangsregeling vast te stellen tussen de man en de kinderen:

• Tweemaal per jaar, de helft van de zomervakantie en de kerstvakantie. Het eerste jaar dient de omgang in Griekenland plaats te vinden, elk daarop volgend jaar dient omgang in Nederland plaats te vinden.

• Elke andere vorm van omgang in onderling overleg.

De raad heeft om meer zicht te krijgen op de gezinssituatie bij de vrouw in Griekenland gebruik gemaakt van de aan het rapport gehechte sociale rapportage van de Prefectuur van Kilkis d.d. 8 juni 2009, welke is verkregen door het consulteren van ISS.

De raad onderbouwt haar advies als volgt. Uit de informatie uit Griekenland blijkt dat [dochter B.] en [dochter A.] zich leeftijdsadequaat ontwikkelen en dat zij goed zijn ingegroeid in het nieuw samengestelde gezin bij de vrouw in Griekenland. Zij gaan naar de middelbare school en doen het daar goed. Zij hebben vrienden op school en spreken goed de Griekse taal.

Door de plotselinge vlucht van de vrouw met de kinderen naar Griekenland is [dochter B.] en [dochter A.] een reëel vader- beeld onthouden. [dochter B.] en [dochter A.] zijn plotseling uit hun vertrouwde omgeving weggehaald en hebben daarbij alle opgebouwde relaties achter zich moeten laten. Een ingrijpende gebeurtenis in hun leven waarop zij geen enkele invloed hebben gehad. De vrouw is hierin duidelijk tekort geschoten als moeder en heeft haar kinderen hier zwaar tekort mee gedaan. Echter uit de rapportage uit Griekenland blijkt niet dat [dochter B.] en [dochter A.] verloren zijn geraakt of dat zij extreem klem zitten tussen de ouders. Een terugkeer naar Nederland zou betekenen dat het leven van [dochter B.] en [dochter A.] wederom geheel verstoord zou worden.

De raad is voorts van mening dat het in het belang van [dochter B.] en [dochter A.] is dat er een omgangsregeling met hun vader wordt vastgesteld. Uit het feit dat [dochter B.] en [dochter A.] hebben aangegeven dat zij contact met hun vader willen, blijkt dat zij loyaal zijn naar hun vader.

8.2. De vrouw heeft niet gereageerd op het rapport van de raad, ondanks dat dit rapport aan haar is toegezonden en haar door het hof om een reactie is verzocht.

8.3. De man heeft als reactie op het rapport van de raad bij brief van 26 augustus 2009 en tijdens de mondelinge behandeling op 16 november 2009 zijn twijfels geuit over de sociale rapportage van de Prefectuur van Kilkis. In deze rapportage staat een aantal maal het woord “seems”, hetgeen er volgens hem op duidt dat men het kennelijk niet zeker weet. Voorts blijkt uit de rapportage niet of de vrouw aanwezig was bij het horen van de kinderen. De kinderen worden volgens de man beïnvloed door de vrouw. Ook ontbreekt een rapportage van de school van de kinderen. De man heeft begin 2009 contact gehad met de directrice van deze school. Zij vertelde hem dat de kinderen het erg moeilijk hadden. De man heeft voorts aangegeven dat de vrouw telkens het contact verbreekt met mensen met wie hij contact heeft opgenomen. In de visie van de man doet de vrouw er alles aan om ieder contact tussen hem en de kinderen te verhinderen.

De man zou graag zien dat er een voorlopige omgangsregeling wordt vastgesteld, zodat de kinderen naar Nederland kunnen komen en hier door de raad kunnen worden gehoord.

8.4. Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling aan de raad verzocht te informeren bij ISS of een eventuele omgangs- regeling begeleid zou kunnen worden. De raad heeft bij brief van 2 maart 2010 een faxbericht van ISS van 2 maart 2010 aan het hof toegezonden, waarin ISS Nederland na consultatie van ISS Hellenic Branch (faxbericht van 19 februari 2010) aangeeft dat begeleiding niet mogelijk is.

8.5. Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge het op 1 maart 2009 gewijzigde artikel 1:253n BW kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt, indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

8.6. Het hof is van oordeel dat het niet in het belang van [dochter B.] en [dochter A.] is indien de man alleen met het gezag over hen wordt belast. [dochter B.] en [dochter A.] zijn op dit moment respectievelijk vijftien en veertien jaar oud en verblijven al bijna vier jaar (sedert 19 juni 2006) met de vrouw en haar huidige partner in Griekenland. De ontvoering van [dochter B.] en [dochter A.] door de vrouw naar Griekenland is destijds een zeer ingrijpende gebeurtenis voor hen geweest. Echter inmiddels zijn [dochter B.] en [dochter A.] aan hun nieuwe leven in Griekenland gewend, zoals blijkt uit de sociale rapportage van de Prefectuur van Kilkis d.d. 8 juni 2009. Weliswaar is de rapportage, in vergelijking met de rapportages zoals wij die in Nederland gewend zijn van de raad, beperkt, echter de rapportage geeft wel degelijk concrete informatie over de leefomstandigheden en het welbevinden van [dochter B.] en [dochter A.]. Uit deze informatie blijkt niet dat het niet goed gaat met [dochter B.] en [dochter A.] in Griekenland of dat zij klem of verloren zijn geraakt tussen de ouders. Voorts zijn er geen aanwijzingen dat [dochter B.] en [dochter A.] in aanwezigheid van de vrouw zijn gehoord, zoals de man stelt. Overigens staat in de rapportage vermeld dat [dochter B.] en [dochter A.] zich in aanwezigheid van de vrouw en haar partner hetzelfde gedragen als wanneer zij alleen zijn.

Toewijzing van het eenhoofdig gezag aan de man zou betekenen dat [dochter B.] en [dochter A.] terug naar Nederland zouden moeten gaan. Dit zou betekenen dat [dochter B.] en [dochter A.] opnieuw uit een voor hen vertrouwde omgeving zouden worden weggehaald en de door hen in de afgelopen jaren opgebouwde relaties binnen en buiten hun gezin achter zich zouden moeten laten. Bovendien zou dit leiden tot een hernieuwde strijd tussen de ouders, aangezien niet aannemelijk is dat de vrouw, gezien de voorgeschiedenis van deze procedure, deze beslissing zonder slag of stoot zou accepteren. Het hof zal derhalve het verzoek van de man om hem alleen met het gezag over [dochter B.] en [dochter A.] te belasten afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.

Het hof wijst ook het verzoek van de man af tot vaststelling van een voorlopige omgangsregeling met als doel de kinderen in Nederland door de raad te laten horen. Het hof is van oordeel dat een voorlopige omgangsregeling hier niet voor is bedoeld en acht zich overigens voldoende voorgelicht.

8.7. Het voorgaande doet niets af aan het feit dat de vrouw, door de ontvoering van [dochter B.] en [dochter A.] naar Griekenland en door hen sinds hun vertrek uit Nederland vrijwel elk contact met de man te onthouden, [dochter B.] en [dochter A.] ernstig heeft benadeeld. Het is voor [dochter B.] en [dochter A.] van groot belang dat het contact met de man zo spoedig mogelijk wordt hersteld. Het hof zal derhalve, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, gelet op het bepaalde in artikel 1:253a lid 2 aanhef en sub a BW, een regeling vaststellen waarbij [dochter B.] en [dochter A.] in 2010 drie aangesloten weken in de zomervakantie en één aangesloten week in de kerstvakantie contact hebben met de man in Griekenland. De daarop volgende jaren verblijven [dochter B.] en [dochter A.] drie aaneengesloten weken in de zomervakantie en één aangesloten week in de kerstvakantie bij de man in Nederland. Het hof volgt hiermee het advies van de raad, dat in dat opzicht overigens afwijkt van de rapportage van de Prefectuur, waarin wordt voorgesteld om de omgang tussen de man en de kinderen steeds in Griekenland te laten plaatsvinden. Voor de bepaling van de duur van het contact in de zomervakantie is het hof uitgegaan van de in Nederland gebruikelijke lengte van de zomervakantie van zes weken en niet van de veel langere zomervakantie in Griekenland.

De kinderen hebben blijkens het rapport van de raad aangegeven contact te willen met hun vader, maar niet in Nederland. Het hof is van oordeel dat de kinderen, nadat zij gedurende twee vakantieperiodes contact hebben gehad met de man in Griekenland, mede gezien hun leeftijd, naar Nederland kunnen gaan om de man te zien. Het hof acht het van wezenlijk belang dat de kinderen contact houden met de leefomgeving van de man.

De man heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard de kosten van de omgang te willen dragen. Het hof verwacht van de vrouw dat zij loyaal meewerkt aan de regeling die het hof vaststelt, nu [dochter B.] en [dochter A.] zelf hebben aangegeven dat zij omgang met hun vader willen.

Nu begeleiding door derden van de (eerste) omgangscontacten door tussenkomst van ISS niet mogelijk is gebleken, is het aan de ouders om de regeling nader te concretiseren en uit te voeren. Het hof beseft dat dit gezien het verleden geen gemakkelijke opgave zal zijn, doch het hof verwacht van met name de vrouw dat zij in het belang van [dochter B.] en [dochter A.] optimaal haar medewerking zal verlenen aan het welslagen van de omgang tussen de man en de kinderen na zoveel jaren.

9. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Maastricht van 28 maart 2008;

stelt omtrent de verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de man en de vrouw met betrekking tot [dochter B.] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, en [dochter A.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995, de volgende regeling vast:

- in 2010 hebben [dochter B.] en [dochter A.] gedurende drie aangesloten weken in de zomervakantie en één aangesloten week in de kerstvakantie contact met de man in Griekenland;

- in de daaropvolgende jaren verblijven [dochter B.] en [dochter A.] gedurende drie aangesloten weken in de zomervakantie en één aangesloten week in de kerstvakantie bij de man in Nederland;

verstaat dat de man de kosten van de regeling voor zijn rekening neemt;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Bijleveld-van der Slikke en Everaars-Katerberg en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2010.