Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL8618

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
20-000746-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2009:BH4598, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 287/288 Sr: Een woning in een Eindhovense woonbuurt is volledig ingericht als hennepkwekerij. Op 9 januari 2008 wordt ingebroken door henneprippers. De exploitant van de kwekerij, gewaarschuwd door een gsm-alarm, gaat met een handlanger naar het pand toe en treft in de achtertuin een drietal personen. Een van de inbrekers (verdachte) schiet van dichtbij de exploitant dood. De handlanger schiet terug en vlucht weg. De rippers vluchten ook weg met achterlating van de hennep. Op grond van het sporenmateriaal, waaronder munitiedelen en een handschoen met DNA, en telefoonverkeer onmiddellijk na het schietincident wordt verdachte veroordeeld wegens gekwalificeerde doodslag en poging daartoe. Gevangenisstraf van 24 jaren (rechtbank: 30 jaren), mede omdat verdachte eerder is veroordeeld wegens een levensdelict.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000746-09

Uitspraak : 22 maart 2010

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 4 maart 2009 in de strafzaak met parketnummer 01-889007-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende in PI Limburg Zuid - Gev. De Geerhorst te Sittard,

waarbij verdachte terzake van:

(primair)

A. doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren

en

B. medeplegen van poging tot doodslag voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren

werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren met aftrek van voorarrest.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, mr. J.C.P.M. Boogers, en van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden, mr. A.P.M.A. Laeyendecker, advocate te Oss en mr. H.H.M. van Dijk, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechter in eerste aanleg zal vernietigen, opnieuw rechtdoende beide primair ten laste gelegde feiten (medeplegen van gekwalificeerde doodslag en medeplegen van een poging tot gekwalificeerde doodslag) bewezen zal verklaren en verdachte te dien aanzien zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren, met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

primair

A. hij op of omstreeks 9 januari 2008 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet met een wapen een of meer kogels op die [slachtoffer 1] afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten de (poging tot) diefstal van een hoeveelheid hennepplanten en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

en/of

B. hij op of omstreeks 9 januari 2008 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] en/of een of meer andere perso(o)n(en) van het leven te beroven, met dat opzet met een wapen een of meer kogels heeft afgevuurd op en/of in de richting van die [slachtoffer 2] en/of een of meer andere perso(o)n(en), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging tot doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten de (poging) diefstal van een hoeveelheid hennepplanten en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

subsidiair

hij op of omstreeks 9 januari 2008 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid hennepplanten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die hennepplanten onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer andere perso(o)n(en), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het met een of meer wapen(s) afvuren van een of meer kogels op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer andere perso(o)n(en), welk feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 9 januari 2008 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid hennepplanten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

een deur van een woning aan de [adres woning] te Eindhoven heeft opengebroken en/of die woning is binnen gegaan en/of

een hoeveelheid hennepplanten heeft afgeknipt en/of

een hoeveelheid hennepplanten in zakken heeft verzameld en/of

een hoeveelheid zakken, gevuld met hennepplanten, in en/of nabij die woning heeft klaar gezet om mee te nemen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

welke poging tot diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer andere perso(o)n(en), gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit het met een of meer wapen(s) afvuren van een of meer kogels op die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of een of meer andere perso(o)n(en), welk feit de dood van die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

Bewijsmotivering

1.

De advocaat-generaal heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde feiten A en B.

2.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen onomstotelijk wettig en overtuigend bewijs is op grond waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte op 9 januari 2008 omstreeks het tijdstip van de (poging tot) diefstal en het schietincident aanwezig is geweest op de plaats delict en daar heeft geschoten op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Het hof overweegt het navolgende.

3.

Op 9 januari 2008, omstreeks 22.06 uur kregen verbalisanten van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost het verzoek te gaan naar de [straat2] te Eindhoven, waar volgens een melder een schietpartij had plaatsgevonden. Ter plaatse werden verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] door enkele personen verwezen naar de brandgang gelegen aan de achterzijde van de woningen aan de [straat 2] en de [straat 1]. Vanaf de [straat 3] was te zien dat de eerste poort aan de linkerzijde open stond. In de tuin werd door de verbalisanten een bewegingloze man aangetroffen. De man lag op zijn buik, met zijn hoofd in de richting van de achterdeur van het pand [adres woning] en met zijn voeten in de richting van de poort. De man vertoonde geen tekenen van leven. Door ambulancemedewerkers werd vastgesteld dat de man was overleden. In de binnenzak van de jas van het slachtoffer werd een rijbewijs aangetroffen van: [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

Het stoffelijk overschot is op 11 januari 2008 door de beide ouders geïdentificeerd als dat van hun zoon [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

4.

Uit het proces-verbaal van technisch onderzoek blijkt van onder meer de volgende sporen. In de achtertuin van het perceel [adres woning] te Eindhoven op een afstand van 0,90 cm (het hof begrijpt gezien foto 60, op een afstand van 90 cm) respectievelijk 1,30 m van de tuinpoort trof de politie twee hulzen (sporen [nummer] en [nummer], DNA zegelnummers [zegelnummer] en [zegelnummer]) aan. Op de bodem van beide hulzen stond: “S&B 7.65 Br”. Op 0,85 m van de poort lag een kogelpunt (spoor [nummer], DNA zegelnummer [zegelnummer]) van het kaliber 7.65 mm. In de brandgang ter hoogte van de (tuin)poort van de [adres woning] lagen drie hulzen op de grond, alle van het kaliber 7.65 mm en met bodemstempel “S&B 7.65 Br”. Deze sporen [nummer], [nummer] en [nummer] zijn veiliggesteld en voorzien van de DNA zegelnummers [zegelnummer], [zegelnummer] en [zegelnummer].

In de woning werden twee projectielen gevonden (sporen [nummer] en [nummer]). Het hof begrijpt dat de sporen [nummer] en [nummer] in het deskundigenrapport van [deskundige] de projectielen zijn, gevonden in de hal van de [adres woning] te Eindhoven, in bijlage [nummer] benoemd als sporen [nummer] en [nummer], en in de ingetekende plattegrond waarop de sporen zijn vermeld aangeduid als “[nummer] en [nummer]: kogelpunten 7.65 mm”). De kogels [nummer], [nummer] en [nummer] zijn zeer waarschijnlijk van het kaliber 7.65 mm Browning.

5.

Op ongeveer 1,90 m van de (tuin)poort lag een kogelpunt van het kaliber 9 mm (spoor [nummer], DNA zegelnummer [zegelnummer]). Rechts naast het slachtoffer, op ongeveer 2,90 m van de poort lag een patroonhouder (spoor [nummer], DNA zegelnummer [zegelnummer]). Deze patroonhouder was voorzien van de merknaam Sig Sauer. Het eerste patroon in de houder, van het kaliber 9 mm, was voorzien van de bodemstempel S&B 9 mm Luger. De patroonhouder is bestemd voor patronen van het kaliber 9 mm Parabellum.

Op het terras achter de woning lagen eveneens twee hulzen van het kaliber 9 mm (sporen [nummer] en [nummer], DNA zegelnummers [zegelnummer] en [zegelnummer]) en in de woning, nabij de achterdeur, werd nog een huls van 9 mm gevonden (spoor [nummer], DNA zegelnummer [zegelnummer]). De 9 mm hulzen zijn te onderscheiden in twee soorten: 9x19 mm Luger en 9x17 mm Browning Kort. De aangetroffen hulzen met spoornummer [nummer] ([zegelnummer]), [nummer] ([zegelnummer]) en [nummer] ([zegelnummer]), afkomstig van pistoolpatronen van het kaliber 9 mm Browning Kort, zijn volgens het NFI rapport van 2 april 2008 met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afkomstig uit een en hetzelfde wapen.

Op 26 februari 2008 werd een aanvullend onderzoek ingesteld in de tuin achter de woning op het perceel [adres woning] te Eindhoven. Daarbij werden nog twee sporendragers aangetroffen, te weten een huls en een kogelpunt. Op een afstand van ongeveer 4,10 m vanaf de poort en een afstand van ongeveer 0,60 m rechts van de rechterrand van het tuinpad lag een huls. De betreffende huls was van het kaliber 9 x 19 mm en de bodemstempel vermeldde: “9 mm S&B Luger”. De huls werd veiliggesteld en gewaarmerkt als spoor [nummer]. Op een afstand van ongeveer 3,60 m vanaf de poort en een afstand van ongeveer 0,30 m rechts van de rechterrand van het tuinpad lag een kogelpunt. De kogelpunt was van het kaliber 9 mm. De kogelpunt werd veiliggesteld en gewaarmerkt als spoor [nummer].

6.

Getuige [getuige1] verklaarde ten overstaan van verbalisant [verbalisant 1] dat zij zeven schoten had gehoord, welke begonnen aan de achterzijde van haar woning [straat 2][nummer] (welke woning met de achterzijde van de tuin grenst aan de tuin van [adres woning]), vervolgens aan de linkerzijde, [straat 3], en eindigden op de [straat 2], aan de voorzijde van haar woning. De politie trof op de kruising van de [straat 2] met de [straat 3] twee hulzen (sporen [nummer] en [nummer], DNA zegelnummers [zegelnummer] en [zegelnummer]) en een patroon (spoor [nummer], DNA zegelnummer [zegelnummer]) van het kaliber 9 mm aan.

Deze hulzen [nummer] en [nummer] zijn met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verschoten met een en hetzelfde vuurwapen als de in de achtertuin van [adres woning] aangetroffen hulzen [nummer], [nummer] en [nummer].

7.

Aan de rechterzijde van het slachtoffer lag een zwarte stoffen handschoen. Dit was een linkerhandschoen, welke op ongeveer 70 centimeter van het hoofd van het slachtoffer lag. De handschoen werd gewaarmerkt als spoor [nummer] en voorzien van het DNA zegelnummer [zegelnummer].

8.

Uit buurtonderzoek blijkt dat de omwonenden meer schoten/knallen hebben gehoord, te weten enkele salvo’s van elk enkele schoten. Getuige [getuige 2] is accuraat in zijn tijdschatting. Hij hoorde schoten, keek op zijn horloge en zei tegen zijn moeder: “Let op moeder, morgen in de krant, twee minuten voor tien, liquidatie in de [straat2].” Hij hoorde de laatste twee knallen ongeveer een minuut na de andere schoten. Enkele seconden later ging hij naar het raam aan de voorzijde van zijn woning om te kijken en toen zag hij een zilvergrijze [personenauto], rijden met alleen de stadslichten aan. De politie heeft geconstateerd dat het horloge van de getuige gelijk loopt met de tijd die het computersysteem (het hof: kennelijk is het computersysteem van de politie bedoeld, aangezien deze verklaring is opgenomen op het politiebureau) aangeeft. [Getuige 3], de moeder van de getuige [getuige 2], heeft de verklaring van haar zoon bevestigd. Ze hoorde twee series knallen. Ze hoorde dat haar zoon zei: “Twee minuten voor tien, moeder, liquidatie op de [straat 2].” Verder hoorde ze hem een opmerking maken dat hij een “[personenauto] zonder licht” weg zag rijden.

9.

De verklaring van getuige [getuige 2] wordt voorts ondersteund door de verklaring van [getuige 4]. Deze heeft verklaard dat hij op 9 januari 2008 werd gebeld door [slachtoffer 1] (het hof: het hierboven genoemde slachtoffer) met de mededeling dat men aan het inbreken was in de [adres woning] te Eindhoven. [Getuige 4] is vervolgens in zijn auto, een zilvergrijze [personenauto], vanuit Heeze naar de [adres woning] gereden. Onderweg heeft hij [slachtoffer 1] nog een keer gebeld en hem gezegd dat hij er zo zou zijn. Op de hoek van de [straat 2] en de [straat 1] hoorde hij harde knallen. [Getuige 4] heeft verder verklaard dat hij via het woonwagenkamp in [wijk] is gereden. Ter hoogte van het kamp zag hij dat een donkerrode [bestelauto] met hoge snelheid van het kamp reed en nog hard moest remmen om een aanrijding met hem te voorkomen. De bus reed achter hem aan naar de [straat 1]. Ter hoogte van die straat heeft [getuige 4] zijn lichten gedoofd. Uit de printgegevens blijkt dat [getuige 4] om 21.56.17 uur heeft gebeld naar het nummer van [slachtoffer 1]. Er was een contact van 11 seconden.

10.

Gelet op het telefoongesprek om 21.56 uur van [getuige 4] met [slachtoffer 1] en op de accuratesse van de verklaring van [getuige 2], concludeert het hof dat [slachtoffer 1] om 21.56 uur nog in leven was en dat het schieten plaatsvond om 21.58 uur.

11.

Bij het na de schietpartij ingestelde onderzoek bleek met betrekking tot het perceel [adres woning] te Eindhoven het volgende.

De voordeur en de achterdeur van de woning stonden open. In ieder vertrek van de woning, zowel op de begane grond als op de eerste verdieping en op de zolder, was een hennepkwekerij aanwezig. Op de begane grond werd een aantal blauwe zakken met geknipte hennepplanten aangetroffen. Aan de achterzijde van de woning, op de binnenplaats, lag nabij de achterdeur eveneens een blauwe vuilniszak met geknipte hennepplanten.

In de meeste vertrekken waren de hennepplanten geoogst, maar in de woonkamer stonden ze nog in de potten.

Onder de zakken in de keuken lag een plastic draagtas met daarin rollen vuilniszakken, die wat betreft de kleur overeen kwamen met de vuilniszakken waarin de hennepplanten zaten.

Aan de achterdeur was braakschade, onder andere aan de profielcilinder van het slot van die deur.

12.

Op de wikkel van een van de rollen vuilniszakken is de afdruk van de rechterringvinger van medeverdachte [medeverdachte] gevonden.

13.

Op de [straat 3] naast de zijgevel van het pand [adres woning] stond een donkerkleurige [bestelbus], voorzien van het kenteken [kenteken]. De bestelauto stond met zijn neus in de richting van de [straat1] en met de rechterwielen op het trottoir. De rechter achterdeur van de [bestelbus] was niet helemaal afgesloten en de cabine en laadruimte waren leeg. Tijdens het onderzoek door de afdeling Forensisch Technische Ondersteuning van de Regiopolitie Brabant Zuid-Oost werd op een voorwerp in de bedrijfsauto een vingerspoor gevonden, toebehorende aan medeverdachte [medeverdachte]. Tevens werd in de bestelbus een geurmonster van onder meer de passagiersplaats veiliggesteld. Een politiespeurhond stelde een geurovereenkomst vast tussen het geurmonster en medeverdachte [medeverdachte].

14.

Uit nader onderzoek bleek dat de woning [adres woning] was beveiligd door middel van een GSM-alarm, dat op 9 januari 2008 om 21.13 uur werd geactiveerd. Om 21.14 uur belde het systeem naar het GSM-nummer dat in gebruik was bij [slachtoffer 1].

Uit onderzoek van de mobiele telefoon van het slachtoffer [slachtoffer 1] blijkt dat met diens telefoon op 9 januari 2008 om 21.52 uur is uitgebeld naar het mobiele nummer van [slachtoffer 2] en dat op het nummer van [slachtoffer 1] om 21.56 uur is ingebeld door de mobiele telefoon van [getuige 4].

15.

[Slachtoffer 2] heeft bij de politie het volgende verklaard.

[Slachtoffer 1] belde hem die bewuste avond van 9 januari 2008 en vroeg waar hij was. [slachtoffer 1] stopte ter hoogte van de woning van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 2] stapte in de personenauto van [slachtoffer 1]. [Slachtoffer 1] zei dat een van zijn wiethokken werd geript of dat de politie daar was. [Slachtoffer 2] heeft toen in zijn woning een vuurwapen gepakt van het merk CZ, kaliber 7.65 of 7.35 mm, met vier tot zes patronen. Hij is vervolgens weer bij [slachtoffer 1] in de auto gestapt en naar de woning, waar het wiethok gevestigd was, gereden. Onder het rijden hoorde hij dat [slachtoffer 1] zei dat hij hoopte dat het de politie was, maar dat hij het vreemd vond dat hij niets hoorde, omdat je de politie normaal wel hoort praten. [Slachtoffer 1] had op al zijn wietkotten dezelfde alarmen, welke op zodanige wijze waren ingesteld dat hij bij een alarm verbinding kreeg met zijn gsm en kon meeluisteren wat er gebeurde, aldus [slachtoffer 2]. Onderweg in de auto ging de telefoon van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hoorde hem zeggen “We zijn er bijna” en “Dan zie ik je zo”. Daarna zei [slachtoffer 1] tegen [slachtoffer 2] “Die ander is er over twee minuten”. [Slachtoffer 1] parkeerde zijn auto in de [straat 4]. Zij zijn de steeg in gelopen (het hof begrijpt: de hierboven beschreven brandgang). [Slachtoffer 1] opende de poort aan de linker zijde van de steeg en liep een paar passen de tuin in. [Slachtoffer 2] liep direct achter hem aan. In de tuin zag hij dat twee mannen halverwege in de tuin stonden, die vervolgens de woning in renden via de geopende achterdeur. [Slachtoffer 1] draaide zich vervolgens een halve slag naar de rechterzijde. Hij had in zijn linkerhand een lang voorwerp. Toen hij dit voorwerp iets naar boven bracht, hoorde [slachtoffer 2] kort achter elkaar twee schoten. Hij heeft op dat moment twee maal licht uit de richting van de schoten zien komen. De afstand tussen die lichtflitsen en [slachtoffer 1] was één, hooguit anderhalve meter. [Slachtoffer 1] riep direct na de schoten “aaah”, viel op de grond en zakte ineens in elkaar. [Slachtoffer 2] heeft hierop zijn pistool gepakt en één à twee keer geschoten in de richting waar de lichtflitsen vandaan kwamen en hij de schoten had gehoord. Vervolgens hoorde en zag hij dat er vanuit de achterdeur van de woning werd geschoten. Hij zag daar een persoon staan. [Slachtoffer 2] heeft daarna op de woning geschoten. In totaal heeft hij vier tot zes keer geschoten. Toen hij gerommel bij de poort hoorde, is hij gevlucht. Hij is de steeg uit gelopen en zag twee personen op de weg staan. [Slachtoffer 2] is toen een veld opgerend. Toen hij halverwege het veld was, hoorde hij twee schoten uit de richting van de [straat 2] komen.

In een volgend verhoor heeft [slachtoffer 2] verklaard:

“[Slachtoffer 1] opende de poort. Ik liep direct achter hem aan. Ik zag minimaal drie personen in de tuin, twee mannen in het midden van de tuin en een derde bij de geopende achterdeur van de woning. Ik liep op zeer korte afstand van [slachtoffer 1]. [Slachtoffer 1] riep “Wat moet dat” renden twee mannen de woning in. Toen draaide [slachtoffer 1] zich gedeeltelijk naar rechts. Ik stond op dat moment direct rechts naast hem op gelijke hoogte of een klein stukje achter hem. [Slachtoffer 1] hief zijn linkerhand op. Op dat moment hoorde ik twee knallen kort achter elkaar. Tegelijkertijd zag ik twee lichtflitsen op borsthoogte vanuit de richting waar [slachtoffer 1] heen keek. Hierna zakte [slachtoffer 1] in elkaar. Hij plofte als het ware direct neer. Ik hoorde dat hij een korte kreet sloeg en ik hoorde lucht uitblazen.”

16.

Uit de verklaring van [slachtoffer 2] volgt, dat toen [slachtoffer 1] en hij de tuin van het pand [adres woning] betraden daar minstens drie personen aanwezig waren.

Voor zover de verklaring van [slachtoffer 2] controleerbaar is, wordt deze ondersteund door ander bewijsmateriaal.

Het sporenbeeld op de plaats delict en in het bijzonder de aangetroffen munitiedelen komen overeen met de plaats van waaraf [slachtoffer 2] zegt te hebben geschoten (achterin de tuin, nabij de brandgang) en met de plaatsen van waaraf hij zegt te zijn beschoten (achterkant woning/terras; schoten gehoord vanaf kruising [straat 2]/[straat 3]).

Op aanwijzing van [slachtoffer 2] en diens dochter werd het pistool gevonden waarmee [slachtoffer 2] naar eigen zeggen op 9 januari 2008 op de plaats delict had geschoten. Het aangetroffen vuurwapen was een pistool van het merk Crvena Zastava (CZ), kaliber 7.65 mm. Blijkens het wapen- en munitieonderzoek van het NFI zijn de hierboven (in nummer 4) genoemde vijf hulzen en drie kogelpunten van het kaliber 7.65 mm, met de eerder vermelde DNA zegelnummers, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid afgevuurd met dit pistool. Het aantal hulzen stemt overeen met het aantal schoten dat [slachtoffer 2] verklaart te hebben gelost.

De hulzen op het terras en in de woning waren van het kaliber 9 mm. Zij geven steun aan de verklaring van [slachtoffer 2] dat hij vanaf het terras of vanuit de woning werd beschoten, terwijl de kogels van het kaliber 7.65 mm die in de woning zijn aangetroffen zijn verklaring ondersteunen, dat hij in de richting van het terras en de geopende achterdeur heeft geschoten. Voorts blijkt uit het verslag van technisch onderzoek op de plaats delict en in de omgeving dat op de kruising van de [straat 2] met de [straat 3] een patroon van 9 mm (spoor [nummer]) en twee hulzen van 9 mm (sporen [nummer] en [nummer]) zijn gevonden. Volgens het NFI- rapport van 2 april 2008 zijn de hulzen [nummer] en [nummer] alsmede de in de tuin aangetroffen hulzen [nummer], [nummer] en [nummer] met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verschoten met een en hetzelfde vuurwapen. Dat de hulzen [nummer] en [nummer] op de genoemde kruising zijn aangetroffen, geeft steun aan de verklaring van [slachtoffer 2] dat hij, toen hij wegrende over een nabijgelegen veld, schoten hoorde uit de richting van de [straat 2].

De verklaring van [slachtoffer 2] dat [slachtoffer 1] werd gebeld, toen zij in de auto op weg waren naar het pand in de [straat 1], wordt bevestigd door de verklaring van [getuige 4] en de telefoonprint (zie boven, nummer 9).

17.

Gelet op het vorenstaande acht het hof de gedetailleerde verklaringen van [slachtoffer 2] accuraat en betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs, waarbij mede wordt overwogen dat [slachtoffer 2] openheid van zaken heeft gegeven over zijn eigen aandeel en daarbij zichzelf heeft belast.

De aanwezigheid van de verdachte op de plaats delict

18.

Op basis van de verklaring van getuige [getuige 2] en de vaststelling over het gelijk lopen van het horloge van deze getuige met het computersysteem neemt het hof aan dat de schietpartij om 21.58 uur plaatsvond.

Om 21.59 uur wordt er vanaf telefoonnummer [nummer] via Cell ID’s [nummer] en [nummer] (waarvan de locatie is: [straat 5] te Eindhoven) gebeld naar de mobiele telefoon die in gebruik is bij [getuige5], de broer van verdachte [verdachte]. [Getuige 5] heeft verklaard dat hij woensdagavond 9 januari 2008 bij [getuige 6]; hof) was aan de [straat 6] te Eindhoven, dat hij daar werd gebeld “omstreeks 22.00 uur en 22.30 uur”en dat iemand hem in paniek vertelde dat “onze [naam] doodgeschoten was” bij [persoon]; hof). Uit deze verklaring begrijpt het hof dat [getuige 5] met “onze [naam]” bedoelt: zijn broer [verdachte].

Getuige [getuige 6] was aanwezig bij dit telefoongesprek. Hij heeft hierover verklaard: “Omstreeks 22.00 uur kreeg [getuige 5] een telefoontje. Ik zag dat [getuige 5] nogal schrok en ik hoorde hem verschrikt zeggen dat hunne [naam] was aangeschoten.”

[Getuige 5] en [getuige 6] hebben zich na het telefoontje onmiddellijk naar de directe omgeving van de plaats delict begeven, te weten naar de [straat 2]. Zij reden daarbij in de rode [bestelauto] van [getuige 6].

19.

Uit een netwerkmeting, verricht op 17 januari 2008, blijkt dat, wanneer in de directe omgeving van de plaats delict een telefoongesprek wordt gevoerd via het KPN-GSM netwerk, de aanvang van het gesprek logischerwijs plaatsvindt via basisstation [nummer] en dat tijdens het gesprek wordt overgeschakeld naar basisstation [nummer].

Degene die naar [getuige 5] belde om 21.59 uur, deed dit via basisstation [nummer] en [nummer] en was dus binnen het bereik van de mast nabij de plaats delict, met andere woorden de beller was in de omgeving van de plaats delict. Deze persoon belde ongeveer een minuut na de schietpartij naar [getuige 5] met de mededeling dat “onze [naam]” was doodgeschoten of aangeschoten.

Het hof leidt uit het vorenstaande af dat de persoon die [getuige 5] heeft gebeld, aanwezig moet zijn geweest bij de schietpartij in de tuin van het perceel [adres woning]. Deze persoon noemt uitdrukkelijk de voornaam van verdachte als betrokken bij de schietpartij, door [getuige 5] opgevat als zijn broer [naam].

20.

De omstandigheid dat op 4 maart 2008 geen schotverwonding bij verdachte is geconstateerd, bewijst niet dat verdachte niet bij de schietpartij betrokken was. Het kan – bijvoorbeeld – zijn dat verdachte wel is geraakt, maar slechts met een schampschot, terwijl de schampschotverwonding tussen 9 januari 2008 en 4 maart 2008 restloos is genezen. Het kan zijn dat de verdachte is geraakt in een kogelwerend vest. Het kan ook zijn dat verdachte niet is geraakt maar dat in de paniek en chaos die door de schietpartij is ontstaan, werd gedacht dat verdachte was getroffen, en dat dit laatste door de beller is doorgegeven aan [getuige 5]. Hierover kan slechts worden gespeculeerd.

21.

Het hof stelt voorts vast dat op 9 januari 2008 (vlak) na de schietpartij, te weten tussen 22.01.25 uur en 22.48.22 uur, meermalen met of door het telefoonnummer [nummer], dat was afgegeven op naam van verdachte [verdachte], werd gebeld. Het telefoonnummer van verdachte maakte daarbij steeds gebruik van Cell ID’s, welke staan voor de locatie [straat 5] te Eindhoven. Deze mast is gelegen nabij de plaats delict. Weliswaar bewijst dit gegeven op zich zelf niet dat verdachte op de plaats delict was, maar het is wel consistent met een bewezenverklaring dat verdachte op de plaats delict was.

22.

De binnenzijde van de op de plaats delict aangetroffen linkerhandschoen [zegelnummer] is bemonsterd ter hoogte van de muis en bij de aanzet van de vingers. De bemonstering is veiliggesteld als [nummer]. Het uit de bemonstering verkregen DNA-profiel is op 22 februari 2008 opgenomen in de DNA-databank voor strafzaken en sindsdien vergeleken met de daarin aanwezige DNA-profielen. Daarbij is een match gevonden met een DNA-profiel, verkregen uit een referentiemonster bloed van verdachte dat sinds 15 juli 1997 is opgenomen in de databank. Dit betekent dat het celmateriaal in de bemonstering [nummer] van de handschoen afkomstig kan zijn van verdachte. De berekende frequentie van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard, ofwel, de kans dat een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel, is kleiner dan één op één miljard.

23.

Op deze linkerhandschoen zijn voorts deeltjes aangetroffen met elementsamenstellingen uniek en karakteristiek voor schotrestdeeltjes. Hiermee wordt een relatie aangetoond tussen de handschoen en een schietproces.

24.

Door de verdediging is aangevoerd dat het niet ondenkbaar is, dat deze handschoen met DNA dat matcht met het DNA-profiel van verdachte voor of na het feit bewust op de plaats delict is achtergelaten door een derde, zodat de verdenking op de verdachte zou komen te rusten. Het hof acht dit volstrekt onwaarschijnlijk, alleen al omdat niet op het oog waarneembaar is of een voorwerp DNA-materiaal bevat. Het hof overweegt voorts ten aanzien van het geopperde scenario dat een derde de handschoen voorafgaand aan de schietpartij heeft neergelegd, dat geen concrete feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden op grond waarvan een derde vooraf kon voorzien dat het tot een schietpartij zou komen en dan bovendien in de tuin van de woning aan de [straat 1] [nummer] te Eindhoven. Dat ook verdachte en zijn mededaders (enigszins) werden verrast door de komst van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], blijkt naar het oordeel van het hof al uit de verklaring van [slachtoffer 2] dat twee mannen die in de tuin stonden de woning in vluchtten toen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] de tuin betraden. Dat de handschoen voorafgaand aan de schietpartij zou zijn neergelegd laat zich voorts bezwaarlijk rijmen met de omstandigheden dat deze slechts op 70 centimeter afstand van het hoofd van [slachtoffer 1] is aangetroffen en dat daarbij tevens een huls 9 mm (spoor [nummer]), 2 kogelpunten 9 mm (sporen [nummer] en [nummer]) en een patroonhouder 9 mm (spoor [nummer]) zijn aangetroffen. Het hof acht het niet aannemelijk dat een derde de handschoen vooraf zo nauwkeurig heeft kunnen plaatsen.

Het hof acht het evenmin aannemelijk geworden dat de handschoen achteraf is geplaatst en aldus contaminatie heeft plaatsgevonden met schotresten. Er is geen enkele concrete aanwijzing dat een derde de beschikking had over deze handschoen en deze, om de verdenking op verdachte te doen rusten, op de plaats delict heeft neergelegd. Bovendien valt uit de verklaringen van [slachtoffer 2] af te leiden dat er direct na de schietpartij sprake was van een chaotische situatie ter plaatse. Daar komt bij, dat de hulpdiensten om 22.06 uur, derhalve ongeveer 8 minuten na de schietpartij, gealarmeerd zijn. Gelet op deze feiten en omstandigheden acht het hof het door de verdediging geschetste scenario van het achteraf plaatsen van de handschoen niet aannemelijk.

Het hof overweegt voorts dat in de handschoen geen DNA-spoor is aangetroffen dat wijst op een andere persoon dan verdachte als drager van de handschoen. Dit brengt mee, dat het naar het oordeel van het hof verdachte was die deze handschoen heeft gedragen.

Gelet op de plaats waar de linker handschoen is aangetroffen en de overige hierboven geschetste omstandigheden concludeert het hof, dat verdachte ten tijde van het schietincident van 9 januari 2008 op de plaats delict is geweest, in de zeer dichte nabijheid van de aldaar overleden [slachtoffer 1].

Heeft verdachte de dodelijke verwondingen bij [slachtoffer 1] toegebracht?

25.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van het autopsierapport, gezien de geconstateerde schotskanalen, vastgesteld moet worden dat het dodelijke schot van bovenaf is afgevuurd, bijvoorbeeld vanaf de bovenverdieping van het pand of het dak van de schuur en dat het niet vanaf de rechterzijde van het slachtoffer kan zijn gelost, zoals [slachtoffer 2] heeft verklaard.

Het hof overweegt als volgt.

26.

[Slachtoffer 2] heeft verklaard dat van dichtbij – hij noemt een afstand van een tot anderhalve meter – twee maal geschoten is op [slachtoffer 1] door een persoon die zich kennelijk aan diens rechterzijde in de tuin bevond en dat [slachtoffer 1] direct in elkaar zakte. Aan de rechterzijde, op slechts 70 centimeter van het lichaam van [slachtoffer 1] is de linker handschoen (spoor [nummer]) aangetroffen die, zoals zojuist is vastgesteld, door verdachte is gedragen. Voorts werd bij het lichaam een huls (spoor [nummer]) van het kaliber 9 mm Parabellum gevonden. De patroonhouder (spoor [nummer]) die bij het lichaam van [slachtoffer 1] werd gevonden, is bestemd voor patronen van het kaliber 9 mm Parabellum.

27.

Ten aanzien van de schootsafstand heeft de deskundige geconcludeerd dat met betrekking tot het schot in de borst geen sporen zijn aangetroffen die wijzen op een schootsafstand kleiner dan 50 centimeter, terwijl ten aanzien van het schot in de pols van het slachtoffer wordt geconcludeerd dat de schootsafstand tussen de 25 en 150 centimeter bedroeg. Het aantreffen van de handschoen (spoor [nummer]) op 70 centimeter van het lichaam van [slachtoffer 1] past naar het oordeel van het hof binnen deze conclusie.

28.

Uit sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] is gebleken dat hij is overleden aan de gevolgen van schotletsel (bloedverlies, bloedinademing en weefselschade). Er was sprake van twee schotkanalen. Schotkanaal A.1 liep van links boven aan de borst naar rechts onder en naar achteren. In de schotbaan lag ook het ruggenmerg. De beschadiging van het ruggenmerg maakte lopen onmogelijk. Aan het einde van schotbaan A.1 werd een kogel gevonden. Schotkanaal A.2 liep van de duimzijde van de linkerpols naar de pinkzijde van de linkerpols of andersom. Uit onderzoek is gebleken dat schotkanaal A.2 waarschijnlijk via de pinkzijde van de linkerpols (inschotverwonding) naar de duimzijde van de linkerpols (uitschotverwonding) liep.

29.

Uit de feiten en omstandigheden weergegeven in de voorgaande nummers 26-28 volgt dat [slachtoffer 1] van heel dichtbij is neergeschoten. Dit biedt geen steun aan de veronderstelling dat hij van bovenaf moet zijn neergeschoten vanaf een plaats op enige afstand, zoals de verdieping van de woning. Dat de schutter zich bevond op het dak van het schuurtje is evenmin aannemelijk omdat [slachtoffer 2] dit dan zou moeten hebben opgemerkt. Bovendien verdraagt dit zich niet met de vastgestelde schootsafstand van het schot door de pols van het slachtoffer (25-150 centimeter).

Uit de richting van schotkanaal A.1 kan – bij gebreke van accurate informatie over de houding van het lichaam van het slachtoffer en de positie en houding van de schutter en diens vuurwapen ten opzichte van het slachtoffer op het moment van schieten – evenmin worden afgeleid dat het slachtoffer van bovenaf moet zijn neergeschoten.

Het hof gaat er dan ook van uit dat het dodelijke schot is afgevuurd van dichtbij en enigszins rechts van het slachtoffer (gezien vanuit het slachtoffer).

30.

De bij de sectie in het lichaam van [slachtoffer 1] aangetroffen kogel [nummer] is door het NFI onderzocht, waarbij is geconcludeerd dat de kogel zeer waarschijnlijk van het kaliber 9 mm Parabellum is. Het hof concludeert hieruit dat de kogel qua kaliber en nadere aanduiding (Parabellum) past bij de huls en patroonhouder, welke evenals de door verdachte gedragen linker handschoen aan de rechterzijde van het lichaam van [slachtoffer 1] werden aangetroffen. Het hof acht het dan ook buiten redelijke twijfel dat verdachte, die zich blijkens het sporenbeeld aan de rechterzijde van de tuin moet hebben bevonden, in de nabijheid en rechts van [slachtoffer 1], het dodelijke schot heeft gelost.

Opzet op het doden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

31.

Verdachte heeft van zeer dichtbij twee maal geschoten op [slachtoffer 1]. Het opzet op de dood van het slachtoffer is daarmee gegeven.

[Slachtoffer 2] bevond zich op dat moment zeer dicht bij en naast of enigszins achter [slachtoffer 1] en heeft twee maal licht gezien uit de richting van de schoten. Nu [slachtoffer 2] de schoten heeft kunnen zien, en gelet op zijn positie dichtbij [slachtoffer 1], bestond er een aanmerkelijke kans dat de schoten hem zouden raken, met fatale gevolgen. Verdachte heeft naar het oordeel van het hof door in het donker met een vuurwapen te schieten op twee personen die dicht bij elkaar stonden, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij beide personen dodelijk zou verwonden. Het hof acht aldus tevens de opzet van verdachte op het doden van [slachtoffer 2] bewezen.

32.

Gelet op de braaksporen aan de achterdeur en op de reeds in vuilniszakken in de woning verzamelde hennepplanten, kan worden geconcludeerd dat enkele personen, onder wie de verdachte, door middel van braak toegang hebben gekregen tot het pand aan de [straat 1] [nummer] te Eindhoven en dat zij daar doende zijn geweest hennepplanten te verzamelen in vuilniszakken, kennelijk met de bedoeling deze mee te nemen. Het is algemeen bekend dat de hennephandel zeer lucratief is. De dieven waren kennelijk nog niet klaar met het verzamelen van de hennep, gezien het feit dat de hennepplanten in de woonkamer nog niet waren afgeknipt. Gelet op de verklaring van [slachtoffer 2] hebben hij en [slachtoffer 1] de hennepdieven overlopen, waarna het tot een schietpartij kwam en waarna alle betrokkenen uit het pand zijn weggevlucht met achterlating van de hennep. Nu de daders de hennep nog niet uit de macht van de eigenaar hadden gehaald, was sprake van een poging tot diefstal, nog niet van voltooide diefstal.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

A. hij op 9 januari 2008 te Eindhoven opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een wapen kogels op die [slachtoffer 1] afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten de poging tot diefstal van een hoeveelheid hennepplanten en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

en

B. hij op 9 januari 2008 te Eindhoven ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven te beroven, met dat opzet met een wapen kogels heeft afgevuurd in de richting van die [slachtoffer 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, welke vorenomschreven poging tot doodslag werd voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten de poging) tot diefstal van een hoeveelheid hennepplanten en welke poging tot doodslag werd gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde onder A is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 288 juncto artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezenverklaarde onder B is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 288 juncto artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Sanctiemotivering

De rechter in eerste aanleg heeft verdachte ter zake van A. doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren (ten aanzien van [slachtoffer 1]) en B. medeplegen van poging tot doodslag voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren (ten aanzien van [slachtoffer 2]) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof de verdachte eveneens zal veroordelen tot voormelde straf.

De verdediging heeft, voor het geval het hof tot enige bewezenverklaring zou komen, aangevoerd dat verdachte niet de persoon is zoals hij in het procesdossier wordt afgeschilderd. Hij woont samen met zijn vriendin [naam vriendin] en haar jongste dochter. Met dit kind heeft verdachte een vader-dochterrelatie opgebouwd. Verdachte is voorts een modelgevangene, die medegedetineerden zo nodig corrigeert en zelf niet of nauwelijks correctie behoeft. De verdediging heeft het hof verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte een man is die een toekomst heeft buiten de gevangenis.

Het hof overweegt als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan – kort gezegd – gekwalificeerde doodslag jegens [slachtoffer 1] en een poging daartoe jegens [slachtoffer 2]. De maximum op te leggen straf voor het delict van gekwalificeerde doodslag is door de wetgever gelijkgesteld aan de strafbedreiging voor moord, te weten levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren, hetgeen de ernst van dit delict benadrukt.

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat verdachte met ten minste twee anderen naar het pand aan de [straat 1] [nummer] te Eindhoven is gegaan om de daar aanwezige hennepkwekerij van [slachtoffer 1] te beroven (“rippen”). Verdachte was daarbij voorzien van een vuurwapen van het kaliber 9 millimeter.

Toen [slachtoffer 1] en zijn handlanger [slachtoffer 2], gealarmeerd door een zogenaamd “stil gsm-alarm”, de achtertuin betraden, is door verdachte vrijwel direct twee maal en van zeer korte afstand op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] geschoten. [Slachtoffer 1] zakte ter plekke in elkaar en overleed. Het is naar het oordeel van het hof slechts een gelukkig toeval dat [slachtoffer 2] niet is geraakt.

Door het overlijden van [slachtoffer 1] is onherstelbaar leed berokkend aan zijn nabestaanden, met name aan zijn minderjarige kinderen en zijn partner. Dit moet aan verdachte worden aangerekend.

Daarnaast overweegt het hof dat het rippen van hennepkwekerijen een steeds vaker voorkomende vorm van zware en in meer of mindere mate georganiseerde criminaliteit is, waarbij niet geschuwd wordt om de buit te verzekeren door het gebruik van (vuur)wapens. Daarbij worden zeer grote geldbedragen verdiend aan de gestolen buit waardoor deze vorm van diefstal zeer lucratief is. Het verwonden of zelfs doden van in de buurt aanwezige personen wordt daarbij op de koop toegenomen. Met de rechter in eerste aanleg is het hof van oordeel dat deze zeer ongewenste ontwikkeling met kracht bestreden dient te worden.

Door de thans bewezenverklaarde gewelddadige feiten, gepleegd middenin een woonwijk, is de rechtsorde ernstig geschokt. De handelwijze van verdachte heeft in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg gebracht.

Het hof overweegt voorts dat verdachte in 1998 reeds eerder werd veroordeeld ter zake doodslag, gepleegd op zijn toenmalige partner. Het hof moet vaststellen, dat deze veroordeling verdachte er niet van heeft weerhouden om wederom iemand van het leven te beroven alsmede een poging daartoe te doen ten aanzien van een andere persoon.

Uit het feit dat verdachte nu al voor de tweede maal in zijn leven opzettelijk een medemens heeft gedood, blijkt dat hij als zeer gevaarlijk, letterlijk levensgevaarlijk moet worden beschouwd. Verdachte heeft er geen enkele blijk van gegeven dat hij zich dit realiseert. Er zijn geen aanwijzingen dat hij gevoelig is voor gedragsinterventies.

Dit alles dwingt tot het opleggen van een langdurige gevangenisstraf, zowel om de ernst van de nu gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen als ter bescherming van de maatschappij.

Voor een (enkelvoudige) moord – waarmee gekwalificeerde doodslag qua strafmaximum te vergelijken is – legt dit hof in de regel geen straf op lager dan 12 jaren gevangenis.

In dit geval gaat het om gekwalificeerde doodslag én om een poging daartoe én gaat het om een tweede veroordeling voor een levensdelict, waaruit de delictgevaarlijkheid van de verdachte blijkt.

Het vorenstaande brengt het hof tot een gevangenisstraf van 24 jaren.

Het hof zal een lichtere straf opleggen dan door de advocaat-generaal is gevorderd, nu de hierna te melden straf voldoende recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde en de persoon van de verdachte. Het hof ziet in de omstandigheden die door de verdediging naar voren zijn gebracht geen redenen om de straf verder te matigen.

Alles overwegende zal het hof een straf opleggen voor de hierna te vermelden duur.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 45, 57, 287 en 288 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde oplevert:

A. Doodslag, voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

en

B. Poging tot doodslag voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. N.J.L.M. Tuijn en mr. M.J.C. van Kamp,

in tegenwoordigheid van mr. S.J.F. Heirman, griffier,

en op 22 maart 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.