Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL8616

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
20/012033-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 22g/22i Sr: Bezwaar gegrond verklaard: op grond van artikel 22i van het Wetboek van Strafrecht, alsmede gelet op de inhoud van de artikelsgewijze toelichting in de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer der Staten-Generaal Vergaderjaar 1997-1998) 26114, nr. 3, moet worden geoordeeld dat geen tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis meer kan worden bevolen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

OV-nummer : 001268-09

Parketnummer : 20/012033-05

Uitspraakdatum : 09 maart 2010

BESLISSING KRACHTENS ART. 22G WETBOEK VAN STRAFRECHT

Beslissing op het bezwaarschrift tegen het bevel vermeld in de kennisgeving tenuitvoerlegging vervangende hechtenis als bedoeld in artikel 22g van het Wetboek van Strafrecht betreffende de veroordeelde:

[veroordeelde],

geboren te [geboorteplaats] op [1947],

wonende te [woonplaats] aan de [adres],

domicilie kiezende te [adres] aan de [adres].

Bezwaarschrift van de veroordeelde

Bij onherroepelijk geworden arrest van het hof van 30 maart 2007 onder bovengenoemd parketnummer is de veroordeelde onder meer veroordeeld tot het verrichten van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren, te vervangen door hechtenis voor de duur van 120 dagen, indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht.

Bij kennisgeving gedateerd 02 december 2009, doch met vermelding 19 oktober 2009 als verzenddatum, welke kennisgeving aan de veroordeelde op 21 oktober 2009 in persoon is betekend, is door de advocaat-generaal ingevolge artikel 22g, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht aan veroordeelde bericht dat op 15 oktober 2009 de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen is bevolen. De veroordeelde zou de taakstraf niet geheel hebben verricht binnen de daarvoor geldende periode.

De raadsman van veroordeelde, mr. W.W. Korteweg, advocaat te Arnhem, heeft bij bezwaarschrift d.d. 28 oktober 2009, welk bezwaarschrift op 29 oktober 2009 ter griffie van het hof is ontvangen, bezwaar gemaakt tegen deze beslissing van het openbaar ministerie.

Onderzoek van de zaak

Het bezwaarschrift is behandeld ter openbare terechtzitting van dit hof op 09 maart 2010. De veroordeelde en zijn raadsman zijn ter terechtzitting verschenen.

Het hof heeft kennisgenomen van conclusie van de advocaat-generaal en van hetgeen door de raadsman is aangevoerd.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het bevel tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis bevoegd is genomen.

De raadsman van veroordeelde heeft zich ten aanzien daarvan gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Beoordeling

Het bezwaarschrift als bedoeld in artikel 22f van het Wetboek van Strafrecht kan worden ingediend binnen veertien dagen na de betekening van de kennisgeving als hiervoor bedoeld, bij de rechter die de straf heeft opgelegd.

Nu de kennisgeving is betekend op 21 oktober 2009 en het bezwaarschrift op 29 oktober 2009 ter griffie van het hof is ontvangen, is het bezwaarschrift tijdig ingediend.

Ingevolge artikel 22c, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht bedraagt de termijn binnen welke de taakstraf moet zijn voltooid een jaar na het onherroepelijk worden van het arrest. Het openbaar ministerie kan ambtshalve of op verzoek van de veroordeelde deze termijn eenmaal met (maximaal) eenzelfde termijn verlengen. Het vierde lid van deze bepaling houdt in dat de termijn binnen welke de taakstraf moet worden verricht, wordt verlengd met de tijd dat de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

Op grond van artikel 22i van het Wetboek van Strafrecht kan het openbaar ministerie een beslissing tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis slechts nemen gedurende de termijn waarbinnen de taakstraf dient te zijn voltooid of binnen drie maanden na afloop van deze termijn.

Uit het onderzoek ter terechtzitting en de stukken van de zaak blijkt het volgende.

Het arrest van het hof d.d. 30 maart 2007, waarbij naast de desbetreffende taakstraf aan veroordeelde een gevangenisstraf is opgelegd voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, is onherroepelijk geworden op 14 april 2007. De veroordeelde heeft vanwege voornoemde oplegde gevangenisstraf van 03 september 2007 tot en met 29 februari 2008, zijnde 180 dagen, in detentie verbleven.

De termijn binnen welke de taakstraf moest worden voltooid bedroeg derhalve een jaar te rekenen vanaf 14 april 2007 en te verlengen met de 180 dagen. Dit betekent dat veroordeelde de taakstraf moest hebben voltooid vóór 10 oktober 2008.

Door de heer[reclasseringsmedewerker]van Reclassering Nederland is op 15 september 2008 per brief aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), afdeling Landelijk Coördinatiepunt Arrestatiebevelen (LCA) / Taakstraffen, verzocht om verlenging van de uitvoeringstermijn van de taakstraf van veroordeelde tot 09 januari 2009, aangezien het de reclassering niet mogelijk is gebleken veroordeelde zijn resterende werkstraf te laten verrichten binnen de gestelde termijn.

Op 23 september 2008 heeft de advocaat-generaal de executietermijn voor de uitvoering van de taakstraf van veroordeelde, conform het verzoek van de reclassering, met 6 maanden verlengd tot 09 januari 2009.

De verlengingsbeslissing van de advocaat-generaal d.d. 23 september 2008 is binnen de termijn en derhalve tijdig genomen, zodat de termijn voor het voltooien van de taakstraf rechtsgeldig werd verlengd op de voet van artikel 22c, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht tot 9 januari 2009.

Het hof merkt daarbij op dat op de verlengingsbeslissing van de advocaat-generaal van

23 september 2008 de voorbedrukte datum van 04 oktober 2009 kennelijk door de

advocaat-generaal met pen is doorgehaald en is gewijzigd in 09 januari 2009.

Op 15 oktober 2009 heeft de advocaat-generaal de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen bevolen in verband met het niet volledig verrichten van de taakstraf door veroordeelde.

Nu de termijn binnen welke de taakstraf diende te zijn voltooid is verstreken op 09 januari 2009 en de beslissing van de advocaat-generaal tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2009, stelt het hof vast dat de beslissing van de advocaat-generaal noch binnen de termijn waarbinnen de taakstraf diende te zijn voltooid noch binnen drie maanden na afloop van die termijn is genomen. Hierdoor is sprake van overschrijding van de in artikel 22i van het Wetboek van Strafrecht opgenomen termijn.

In de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer der Staten-Generaal Vergaderjaar 1997-1998) 26114, nr. 3 wordt opgemerkt:

“Artikel 22i Sr bepaalt dat het openbaar ministerie de beslissing om de aard van de taakstraf te wijzigen of de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen moet nemen binnen drie maanden na het einde van de termijn, genoemd in artikel 22c, derde lid. Dat betekent dus dat na één jaar en drie maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis of arrest (en twee jaar en drie maanden wanneer het openbaar ministerie gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid de termijn met één jaar te verlengen) geen wijzigingen kunnen worden aangebracht in de aard van de taakstraf en geen tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis meer kan worden bevolen.”

Op grond van artikel 22i van het Wetboek van Strafrecht, alsmede gelet op de inhoud van de artikelsgewijze toelichting in de Memorie van Toelichting (Tweede Kamer der Staten-Generaal Vergaderjaar 1997-1998) 26114, nr. 3, moet worden geoordeeld dat, anders dan de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep heeft gesteld, na afloop van de hiervoor genoemde termijn geen tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis meer kan worden bevolen.

Het bezwaar moet derhalve als gegrond worden aangemerkt.

BESLISSING:

Het hof:

Verklaart het bezwaar van de veroordeelde gegrond.

Vernietigt het bevel van de advocaat-generaal d.d. 15 oktober 2009 tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis als bedoeld in artikel 22g van het Wetboek van Strafrecht.

Aldus beslist door mr. H. Harmsen, als voorzitter, en mrs. K. van der Meijde en

J.H.M. Westenbroek als raadsheren, in tegenwoordigheid van mr. J.A.G.W.M. van der Vleuten, als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

09 maart 2010.