Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL8615

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-03-2010
Datum publicatie
24-03-2010
Zaaknummer
20-000576-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 209/45 Sr: poging opzettelijk uitgeven van valse bankbiljetten: Naar het oordeel van het hof kan het niet anders dan dat verdachte zich bewust is geweest van de bijzondere omstandigheden van de transactie. Het had daarom op haar weg gelegen om de biljetten op echtheid te (laten) controleren, alvorens deze aan te nemen. Nu verdachte dit niet heeft gedaan en de biljetten desalniettemin in ontvangst heeft genomen, heeft zij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de bankbiljetten vals waren. Verdachte heeft de valse bankbiljetten vervolgens ter overmaking bij een postagentschap heeft aangeboden, en ze aldus gepoogd uit te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000576-09

Uitspraak : 2 maart 2010

VERSTEK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch,

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 6 november 2008 in de strafzaak met parketnummer 02-627493-08 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit zal vrijspreken, het subsidiair ten laste gelegde feit bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd, omdat de politierechter kon volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 03 maart 2008 te Tilburg, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk als (een) echt(e) en onvervalst(e) bankbiljet(ten) uit te geven een (aantal) vals(e)/vervalst(e) bankbiljet(ten) van 100 Euro (emissie 2002) (waarvan de echtheidskenmerken ontbraken) en waarvan de valsheid/vervalsing haar, verdachte, toen zij die/dat bankbiljet(ten) ontving, bekend was, opzettelijk daartoe die/dat valse/vervalste bankbiljet(ten) ter betaling (en/of overmaking naar Suriname) (bij een postagentschap) heeft aangeboden, terwijl de uitvoering van dit misdrijf niet is voltooid

en/of

deze/dit valse/vervalste bankbiljet(ten) met het oogmerk om ze/het als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, heeft ontvangen en/of zich heeft verschaft en/of heeft vervoerd en/of in voorraad heeft gehad;

subsidiair:

zij op of omstreeks 03 maart 2008 te Tilburg, ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk een (aantal) vals(e) of vervalst(e) bankbiljet(ten) uit te geven, een (aantal) vals(e) of vervalst(e) bankbiljet(ten) (van 100 Euro) ter betaling (en/of overmaking naar Suriname) (bij een postagentschap) heeft aangeboden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 3 maart 2008 te Tilburg, ter uitvoering van het door haar, verdachte, voorgenomen misdrijf om opzettelijk als echte bankbiljetten uit te geven een aantal valse bankbiljetten van 100 Euro, emissie 2002, waarvan de echtheidskenmerken ontbraken, en waarvan de valsheid haar, verdachte, toen zij die bankbiljetten ontving, bekend was, opzettelijk daartoe die valse bankbiljetten ter overmaking naar Suriname bij een postagentschap heeft aangeboden, terwijl de uitvoering van dit misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Op grond van het bepaalde in artikel 209 van het Wetboek van Strafrecht is strafbaar hij, die de muntspeciën of munt- of bankbiljetten die hij als echt en onvervalst uitgeeft, zelf heeft nagemaakt of vervalst, of heeft ontvangen, terwijl de valsheid of vervalsing daarvan hem ten tijde het ontvangen, bekend was. De geschiedenis van de totstandkoming van artikel 209 van het Wetboek van Strafrecht bevat geen aanwijzingen voor de precieze betekenis van het bestanddeel ‘bekend was’ in die bepaling, maar het hof is van oordeel dat met de uitdrukking ‘bekend was’ de wetgever een omschrijving heeft gegeven van het bestanddeel ‘opzet’. Het bestanddeel ‘bekend was’ omvat naar het oordeel van het hof mede opzet in voorwaardelijke vorm.

Verdachte heeft op 3 maart 2008 tegenover de politie verklaard dat zij op 2 maart 2008 op het station in Vlissingen, met een jongen die zij daar tegenkwam en waarvan haar alleen de voornaam [naam] bekend was, een geldbedrag heeft gewisseld. Volgens verdachte had zij biljetten van 50 euro en kreeg zij daarvoor in de plaats 12 biljetten van 100 euro. Verdachte heeft niet verklaard wat de reden zou zijn geweest waarom de jongen zijn biljetten van 100 euro wilde wisselen.

Naar het oordeel van het hof bestaat er een aanmerkelijke kans dat biljetten die onder deze omstandigheden worden ontvangen, vals zijn. Het station is immers een zeer ongebruikelijke plaats om dergelijke grote geldbedragen te wisselen. Ook vond de transactie plaats met een persoon waarvan verdachte slechts de voornaam bekend was. Bovendien is het naar het oordeel van het hof opmerkelijk dat verdachte bereid was biljetten van 100 euro, die in het reguliere geldverkeer beperkt worden gebruikt, aan te nemen voor haar biljetten van 50 euro.

Naar het oordeel van het hof kan het niet anders dan dat ook verdachte zich bewust is geweest van de bijzondere omstandigheden van de transactie. Het had daarom op haar weg gelegen om de biljetten op echtheid te (laten) controleren, alvorens deze aan te nemen.

Nu verdachte dit niet heeft gedaan en de biljetten desalniettemin in ontvangst heeft genomen, heeft zij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de bankbiljetten vals waren. Verdachte heeft de valse bankbiljetten vervolgens ter overmaking bij een postagentschap heeft aangeboden, en ze aldus gepoogd uit te geven. Zij heeft zich derhalve aan het bewezen verklaarde misdrijf schuldig gemaakt.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 209 juncto artikel 45 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf of maatregel

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 90 uren, subsidiair 45 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte voor het subsidiair ten laste gelegde feit zal veroordelen tot eenzelfde straf.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast heeft het hof gelet op de omstandigheid dat door de uitgifte van vals geld het algemene vertrouwen in chartaal geld wordt geschonden, alsmede financieel nadeel en ergernis wordt toegebracht aan de ontvanger daarvan.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de inhoud van het haar betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 november 2009, waaruit blijkt dat zij niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die door dit gerechtshof in gevallen,vergelijkbaar met de onderhavige, gebruikelijk worden opgelegd. Gelet daarop acht het hof de straf die door de eerste rechter is opgelegd passend en geboden.

Het hof zal aan de verdachte derhalve een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor het hieronder te vermelden aantal uren opleggen.

Beslag

Verdachte heeft afstand gedaan van de in beslag genomen goederen, zodat het hof hierover – anders dan de eerste rechter heeft gedaan – geen beslissing neemt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 45 en 209 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze bepalingen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Poging tot opzettelijk als echte bankbiljetten uitgeven bankbiljetten waarvan de valsheid haar, toen zij ze ontving, bekend was.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 90 (negentig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 45 (vijfenveertig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. J.M. Brandenburg en mr. H. de Doelder,

in tegenwoordigheid van mr. drs. J. Walsweer, griffier,

en op 2 maart 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. J.M. Brandenburg en mr. H. de Doelder zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.