Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL8026

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-03-2010
Datum publicatie
18-03-2010
Zaaknummer
HD 200.014.104
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 32 CMR, uitleg begrip schriftelijke vordering schorsing en stuiting verjaring, aanvang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2012/118
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.014.104

arrest van de tweede kamer van 16 maart 2010

in de zaak van

1. [APPELLANTE SUB 1],

gevestigd te [vestigingsplaats], [land],

2. [APPELLANTE SUB 2],

voorheen [bedrijf 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellanten,

advocaat: mr. Ph. C.M. van de Ven,

tegen:

[GEINTIMEERDE],

voorheen h.o.d.n. [bedrijf 1] en voorheen h.o.d.n. [bedrijf 3],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. E.H.H. Schelhaas,

op het bij exploot van dagvaarding van 17 juni 2008 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Breda gewezen vonnissen van 17 januari 2007 en 16 april 2008 tussen appellanten - [appellante sub 1] c.s. - als eiseressen en geïntimeerde - evenals haar rechtsvoorgangers aangeduid als [geïntimeerde] - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 154032/ HA ZA 05-1986)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellante sub 1] c.s. drie grieven aangevoerd, producties overgelegd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad alsnog toewijzing van haar vorderingen met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1.1. In overweging 3.1. van het tussenvonnis van 17 januari 2007 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, welke niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt.

4.1.2. Het gaat in dit hoger beroep thans om het volgende. [appellante sub 1] c.s. heeft [geïntimeerde] als vervoerder aangesproken, stellende dat [geïntimeerde] krachtens art. 17 lid 1 CMR aansprakelijk is voor schade, die is ontstaan omdat een door haar in opdracht van [appellante sub 1] vervoerde lading trichloorethaan niet in dezelfde staat is afgeleverd als waarin [geïntimeerde] deze had ontvangen.

4.1.3. [geïntimeerde] heeft zich hiertegen primair verweerd met een beroep op verjaring op grond van art. 32 CMR. Daartoe heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat de vordering niet vóór het verstrijken van de verjaringstermijn bij de Nederlandse rechter aanhangig is gemaakt, en dat het instellen van een vordering bij de Belgische rechter in deze niet relevant is.

4.1.4. Bij tussenvonnis van 17 januari 2007 heeft de rechtbank geoordeeld dat op het geschil de verjaringsregeling van art. 32 lid 1 sub a CMR van toepassing is. Zij heeft aan [appellante sub 1] c.s. opdracht gegeven tot het in het geding brengen van de dagvaarding van [geïntimeerde] in de Belgische procedure. Bij eindvonnis van 16 april 2008 heeft de rechtbank geoordeeld dat de vordering van [appellante sub 1] c.s. ten tijde van het instellen van de vordering bij de rechtbank Breda reeds was verjaard.

4.2.1. Het hof zal de grieven I en II gezamenlijk behandelen. Deze zijn - kort gezegd - gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de vordering, na beëindiging van de schorsing van de verjaringstermijn, alsnog is verjaard. Van belang voor de beoordeling hiervan zijn de volgende vaststaande feiten.

a) [appellante sub 1] heeft op 28 januari 1998 opdracht gegeven aan [geïntimeerde] voor het onderhavige vervoer over de weg van een zending trichloorethaan van Middlesbrough (Groot-Brittannië) naar Lainate (Italië) ter aflevering aldaar aan [bedrijf 2]. Op dit vervoer is het CMR-verdrag van toepassing.

b) Op of omstreeks 16 februari 1998 heeft de Italiaanse geadresseerde bij aankomst van de zending de lading geweigerd.

c) [appellante sub 1] heeft [geïntimeerde] op 16 februari 1998 hieromtrent geschreven:

"As told we keep you responsible for all consequences and expenses and of course no demurrage accepted."

d) Uiteindelijk is, na reconditionering, de lading op 14 april 1998 door de geadresseerde alsnog in ontvangst genomen.

e) Op 5 februari 1999 is [geïntimeerde] door [appellante sub 1] c.s. bij dagvaarding, uitgebracht door een Belgische deurwaarder, gedagvaard te verschijnen voor de Rechtbank van Koophandel te Brussel.

f) Deze dagvaarding is op 11 maart 1999 door een Nederlandse deurwaarder aan [geïntimeerde] betekend.

g) In de procedure voor de Belgische rechter heeft [geïntimeerde] op 20 september 2001 (bij haar "tweede besluiten") gesteld dat de Belgische rechter onbevoegd was en dat - zo hij zich wel bevoegd zou achten - de vordering zou moeten worden afgewezen omdat niet is komen vast te staan dat de vervuiling tijdens het transport is geschied. Voorts heeft [geïntimeerde] de hoogte van de door [appellante sub 1] c.s. gestelde schade betwist.

h) Op 17 maart 2004 heeft de Rechtbank van Koophandel te Brussel zich - onder verwijzing naar art. 31 CMR - onbevoegd verklaard van de vordering kennis te nemen.

i) Dit vonnis is op 5 april 2005 aan (de rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] betekend.

j) Naar Belgisch recht is het vonnis van 17 maart 2004 op 21 mei 2005 in kracht van gewijsde gegaan.

k) De inleidende dagvaarding in de onderhavige zaak dateert van 1 november 2005.

4.2.2. Bij memorie van grieven heeft [appellante sub 1] c.s. overgelegd een brief van [persoon 1] bvba van 9 juli 1998, waarin [geïntimeerde] namens "belanghebbenden" wordt verzocht over te gaan tot betaling van het bedrag van de volgens die brief "bijgevoegde Cargo Claim Bill", hetzij mededeling te doen van de identiteit van haar aansprakelijkheidsverzekeraars. Aan het hof zijn overgelegd een bewijs van de aangetekende verzending van deze brief en kopieën van twee berichten (zonder de daarin genoemde bijlagen) van de Belgische raadsman van [appellante sub 1] aan de raadsman van [geïntimeerde].

4.3.1. Bij memorie van antwoord wijst [geïntimeerde] op een inconsequentie in het oordeel van de rechtbank. Het gaat om het volgende. In haar tussenvonnis (r.o. 3.5. 3e alinea) heeft de rechtbank geoordeeld dat er sprake is van een vordering wegens gedeeltelijke beschadiging van de lading, waarop de verjaringsregeling van art. 32 lid 1 sub a CMR van toepassing is. Vervolgens overweegt de rechtbank dat deze termijn één jaar is, 30 dagen na de dag van de aflevering van de lading aanvangt, dat de aflevering op 16 februari 1998 was en de verjaring daarom loopt vanaf 15 april 1998.

4.3.2. De redenering van de rechtbank is onbegrijpelijk, maar de daaraan verbonden conclusie in het tussenvonnis is wel juist. Art. 32 lid 1 sub a CMR bepaalt dat bij gedeeltelijke beschadiging van de lading de verjaringstermijn van een jaar loopt vanaf de dag waarop de goederen zijn afgeleverd. Art. 32 lid 1 sub b CMR bepaalt dat bij volledig verlies de verjaring loopt vanaf de dertigste dag na afloop van de bedongen termijn of, bij gebreke van zo'n termijn, vanaf de zestigste dag na de inontvangstneming van de goederen door de vervoerder.

4.3.3. Nu niet gegriefd is tegen het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van gedeeltelijke beschadiging van de lading (en er dus geen sprake is van algeheel verlies), staat vast dat de verjaringstermijn loopt vanaf de dag waarop de goederen zijn afgeleverd.

In het onderhavige geval houdt dit in, gelijk de rechtbank in haar tussenvonnis overwoog, dat de verjaringstermijn aanvangt op 15 april 1998. Onjuist is overweging 2.9. van het eindvonnis, waarin de rechtbank terugkomt op haar eerdere berekening en stelt dat voor 15 april 1998 moet worden gelezen 18 maart 1998 (als zijnde 30 dagen na de aflevering - het criterium van art. 32 lid 1 sub b, dat op deze zaak echter niet van toepassing is).

4.4.1. Art. 32 CMR is een dwingendrechtelijke bepaling. In het tweede lid van art. 32 wordt bepaald dat de verjaringstermijn van een jaar wordt geschorst door een schriftelijke vordering en dat deze schorsing eindigt als de vervoerder de vordering schriftelijk afwijst en de daarbij gevoegde stukken terugzendt. Lid 3 bepaalt dat de schorsing van de verjaring wordt beheerst door de wet van het gerecht waarvoor de zaak aanhangig is, en dat hetzelfde geldt voor de stuiting van de verjaring.

4.4.2. Het Nederlandse (interne) recht kent de figuur van de schorsing van de verjaring niet (meer). Daaraan kan echter niet de gevolgtrekking worden verbonden dat de verjaring van CMR-vorderingen niet kan worden geschorst, zoals [appellante sub 1] c.s. stellen. Slechts de wijze waarop kan worden geschorst wordt, gelijk de wijze waarop de verjaring kan worden gestuit, door het interne (hier: Nederlandse) recht beheerst.

4.4.3. Het betreft hier een vraag van uitleg van art. 32 CMR. Volgens HR 18 december 2009, LJN BI6315, dient die te worden beantwoord overeenkomstig de gewone betekenis van de termen van deze bepaling met inachtneming van de context en in het licht van voorwerp en doel van het CMR-verdrag. Voorts zal rekening moeten worden gehouden met de heersende opvatting in de rechtspraak en literatuur van de verdragslanden.

4.4.4. De omschrijving van de schriftelijke vordering van art. 32 lid 2 CMR moet in dit verband naar het oordeel van het hof worden begrepen in het licht van de strekking van een schorsingshandeling als hier bedoeld, welke neerkomt op een - voldoende duidelijke - waarschuwing aan de vervoerder dat er wegens geheel of gedeeltelijk verlies een vordering (die zo concreet mogelijk moet worden omschreven) op hem wordt gepretendeerd en op welke gronden. Hiermee weet de vervoerder dan wat er van hem gevraagd wordt en wat het standpunt van de wederpartij is. Op zijn beurt zal de vervoerder er rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de wederpartij ingestelde vordering behoorlijk kan verweren. In geval van onderhandelingen over de vordering welke naar aanleiding hiervan zouden kunnen starten, loopt de verjaringstermijn niet door, zodat de verjaring geen factor is waarmee tijdens die onderhandelingen rekening behoeft te worden gehouden.

4.4.5. Het instellen van een eis in rechte valt a fortiori onder het gehanteerde begrip "schriftelijke vordering" en het maakt - gezien de ratio van art. 32 lid 2 CMR - geen verschil of een eis bij een (naar later gebleken: onbevoegde) buitenlandse rechter of direct bij de bevoegde Nederlandse rechter is ingesteld. In het onderhavige geval is de eis ingesteld bij de Belgische rechter bij dagvaarding van 5 februari 1999. Als eerder overwogen ging de verjaringstermijn lopen op 15 april 1998. Op 5 februari 1999 resteerden derhalve nog 70 dagen van de oorspronkelijke verjaringstermijn van een jaar.

4.4.6. De schorsing eindigt wanneer de vervoerder de vordering schriftelijk afwijst en de daarbij gevoegde stukken terugzendt, aldus art. 32 lid 2 tweede zin CMR. Naar het oordeel van het hof kan onder dit "schriftelijk afwijzen" niet worden verstaan het reageren via een processtuk in een lopende procedure op standpunten van de wederpartij (zoals [geïntimeerde] heeft gedaan door middel van de op 20 september 2001 ingediende "tweede besluiten"). Het in de CMR beschreven geval van schriftelijk afwijzen vergezeld van het terugzenden van de stukken gaat uit van de situatie dat de vervoerder buiten rechte schriftelijk is aangesproken. Het terugsturen door de vervoerder van de stukken dient in dat geval te worden beschouwd als het door die vervoerder definitief afwijzen van de vordering. Het terugsturen van die (originele) stukken geeft doorgaans ook aan dat eventuele onderhandelingen hiermee definitief zijn afgesloten. (Opgemerkt wordt nog dat deze bepaling haar oorsprong vindt in een tijd dat veelal met originele en niet met kopiestukken werd gewerkt, zoals thans wel het geval is.)

4.4.7. Bij het instellen van een vordering in rechte (waarbij de onderliggende stukken niet rechtstreeks aan de wederpartij, maar aan het gerecht worden gezonden, en dit bovendien niet steeds de originele stukken behoeven te zijn) is het niet aan de wederpartij om die stukken terug te sturen. Reeds hierom komt aan deze formaliteit geen betekenis toe. Daarnaast geeft het - ten eerste male inhoudelijk - reageren in rechte een minder definitieve indicatie van het afketsen van de eventuele onderhandelingen, dan het in de CMR bedoelde terugzenden van de originele stukken door de wederpartij bij het aangesproken worden buiten rechte.

4.4.8. Voorts deelt het hof de visie van de rechtbank dat tijdens een aanhangige gerechtelijke procedure een schorsingsperiode wordt onderbroken, maar niet ten einde kan komen, nu de mogelijkheid dat een (bij aanvang van de procedure niet verjaarde) vordering zou kunnen verjaren voordat de rechter een uitspraak heeft gedaan, zich niet met het recht verdraagt.

4.4.9. Het hof zal daarom uitgaan van de eindbeslissing in de aanvankelijk in België aanhangig gemaakte procedure - waarbij de Belgische rechter zich onbevoegd verklaarde van de vordering kennis te nemen - als ijkpunt voor het einde van de schorsingsperiode. Hiervan is sprake toen het vonnis van die rechter in kracht van gewijsde is gegaan, hetgeen op 21 mei 2005 het geval was. De schorsingsperiode is toen ten einde gekomen. De nog resterende verjaringstermijn (als gezegd, 70 dagen) was derhalve verstreken voordat de onderhavige vordering bij de rechtbank Breda werd ingesteld.

4.5. [appellante sub 1] c.s. heeft nog een beroep gedaan op art. 3:316 lid 2 BW. Dit is echter naar het oordeel van het hof tevergeefs. Ingevolge art. 32 lid 3 CMR moet ook ten aanzien van de stuiting van de verjaring het bepaalde in art. 32 lid 2 CMR in acht worden genomen: na schorsing stuiten verdere, op hetzelfde onderwerp betrekking hebbende vorderingen de verjaring niet. Het instellen van een nieuwe eis ten aanzien van dezelfde vordering heeft in dit soort gevallen (waarin art. 32 lid 2 van het CMR van toepassing is) derhalve geen gevolg. De termijn van zes maanden van art. 3:316 lid 2 BW ging dus niet lopen op 22 mei 2005. Dit betekent dat, met inachtneming van de verjaringstermijn van één jaar vanaf 15 april 1998 en een schorsing van de verjaring van 5 februari 1999 tot 21 mei 2005, de verjaringstermijn op 30 juli 2005 was verlopen.

4.6.1. [appellante sub 1] c.s. hebben echter gesteld dat door de brief van 9 juli 1998 van [persoon 1] bvba de verjaringstermijn van de vordering al in een veel eerder stadium was geschorst. Uit de overgelegde stukken blijkt volgens [appellante sub 1] c.s. dat aan (de rechtsvoorganger van) [geïntimeerde] vanuit Antwerpen een aangetekende zending is gestuurd op 10 juli 1998 welke een vordering in de zin van art. 32 lid 2 CMR bevatte.

4.6.2. [geïntimeerde] heeft niet ontkend dat door [persoon 1] op of omstreeks 10 juli 1998 een aangetekende brief aan haar (rechtsvoorganger) is verzonden. [geïntimeerde] ontkent echter dat zij (c.q. haar rechtsvoorgangster) genoemde brief heeft ontvangen. Dit brengt met zich dat [appellante sub 1] c.s. alsnog zou dienen te bewijzen dat de brief naar het juiste adres is verzonden en dat zij voorts aannemelijk zou moeten maken dat de brief aan de geadresseerde is aangeboden op de wijze die daartoe ter plaatse van bestemming is voorgeschreven. De korte voorgedrukte briefjes van de Belgische advocaat - waarvan alle daarin genoemde bijlagen bij de aan het hof overgelegde producties ontbreken - zijn op zichzelf hiervoor nog onvoldoende.

4.6.3. Het hof is echter van oordeel dat uit de inhoud van de overgelegde brief van 9 juli 1998 van [persoon 1] - nog daargelaten de betwisting van de ontvangst hiervan door [geïntimeerde] - niet kan volgen dat de lopende verjaring met die brief is geschorst, nu om de volgende redenen de brief niet voldoet aan de vereisten van art. 32 lid 2 CMR, zoals deze door het hof hiervoor in r.o. 4.4.4. nader zijn uitgelegd.

4.6.4. Uit de aan het hof overgelegde stukken blijkt dat [persoon 1] niet heeft aangegeven dat zij namens [appellante sub 1] optreedt, nu zij in haar brief geen enkele vorderingsgerechtigde noemt, maar slechts stelt op te treden "namens belanghebbenden". Op de bij die brief gevoegde rekening wordt evenmin de naam van [appellante sub 1] genoemd. Noch in de brief, noch in de bijlage wordt melding gemaakt van de aard of de oorzaak van het gedeeltelijke verlies/de schade of wordt een omschrijving van de schade gegeven, er staat slechts dat het zou gaan om "opgelopen averij en/of manco's" van het ms (curs. hof) Nedlloyd. Een vermelding dat nadere bewijsstukken van die schade zouden zijn bijgevoegd ontbreekt.

4.6.5. Gelet op het voorgaande is de brief van 9 juli 1998 voor de schorsing van de verjaring ontoereikend, zodat het door [appellante sub 1] c.s. - overigens onvoldoende gespecificeerde - aanbod tot bewijs van de ontvangst van de brief als niet relevant wordt gepasseerd.

4.6.6. Voor zover [appellante sub 1] c.s. nog hebben willen stellen dat zij [geïntimeerde] reeds op 16 februari 1998 schriftelijk aansprakelijk hebben gesteld, en daarmee reeds toen de verjaringstermijn was geschorst, passeert het hof die stelling, nu er op 16 februari 1998 nog helemaal niet was afgeleverd en de verjaringstermijn eerst op 15 april 1998 is gaan lopen, zodat een bericht vóór die datum de verjaringstermijn niet kan schorsen.

4.7.1. Het hiervoor overwogene brengt met zich dat de grieven I en II falen en het hof met de rechtbank van oordeel is dat de vordering van [appellante sub 1] c.s. reeds was verjaard toen deze bij de rechtbank Breda aanhangig werd gemaakt.. Grief III hoeft derhalve geen behandeling meer.

4.7.2. De beroepen vonnissen zullen, onder aanvulling van de gronden waarop zij berusten, worden bekrachtigd en [appellante sub 1] c.s. zullen als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt, onder aanvulling van de gronden waarop zij berusten, de vonnissen van de rechtbank Breda op 17 januari 2007 en 16 april 2008 tussen partijen gewezen;

veroordeelt [appellante sub 1] c.s. in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 2.205,-- aan verschotten en € 1.631,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Schaik-Veltman, Fikkers en De Klerk-Leenen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 maart 2010.