Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL7141

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-03-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
HD 103.005.988
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2007:BB6932, Bekrachtiging/bevestiging
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2006:AZ5038
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongeval in Nederland met van Belg geleend paard. Ernstig voetletsel. Belgische eigenaars aansprakelijk op grond van artikel 6:179 BW. Geen billijkheidscorrectie op grond van artikel 6:101 BW. Zie ook de gevoegde vrijwaringszaak HD 103.005.988.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. CH

zaaknr. HD 103.005.988

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 9 maart 2010,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats] ([land]),

hierna: [appellant],

appellant bij dagvaarding van 29 november 2007,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[GEINTIMEERDE],

wonende te [plaats],

hierna: [geïntimeerde],

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.E. van Berckel-Dekker,

als vervolg op de door het hof in het incident gewezen tussenarrest van 22 juli 2008 tot voeging van de onderhavige zaak met zaaknr. HD 103.005.990.

Zaaknr. HD 103.005.990 betreft het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht onder nummer 109393/HA ZA 06-286 in de hoofdzaak gewezen vonnissen van 12 juli 2006,

20 december 2006 en 19 september 2007 tussen [persoon 1] en [X] Maastricht Grondverzet en Groentechniek B.V. (verder te noemen: [persoon 1] en [X]) als eisers enerzijds en [appellant] als gedaagde anderzijds.

Zaaknr. HD 103.005.988 betreft het hoger beroep van de door de rechtbank Maastricht onder nummer 112957/HA ZA 06-781 in de vrijwaringszaak gewezen vonnissen van 13 december 2006 en 3 oktober 2007 tussen [appellant] als eiser in vrijwaring enerzijds en [geïntimeerde] als gedaagde in vrijwaring anderzijds.

5. Het tussenarrest van 22 juli 2008

Bij dat arrest is in het incident de voeging bevolen van de onderhavige zaak met de zaak onder nummer HD 103.005.990 en is vervolgens de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van de memorie van grieven.

6. Het verdere verloop van de procedure

6.1. [appellant] heeft een memorie van grieven met producties genomen, 4 grieven geformuleerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van 3 oktober 2007 en toewijzing van zijn vordering zoals die in het tussenarrest onder 2.1. is weergegeven.

6.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] onder overlegging van producties de grieven bestreden.

6.3. Partijen hebben vervolgens hun standpunten ter zitting van het hof van 23 november 2009 doen bepleiten. Ieder van de advocaten heeft daarbij een pleitnota overgelegd. [appellant] heeft ten pleidooie nog twee producties (productie 26 en 27) in het geding gebracht.

Het pleidooi in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden gelijktijdig met het pleidooi in de zaak met nummer

HD 103.005.990.

6.4. Na pleidooi hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

Heden (9 maart 2010) wordt uitspraak gedaan zowel in het hoger beroep tegen de vonnissen in de hoofdzaak als in het hoger beroep tegen de vonnissen in de vrijwaringszaak.

7. De gronden van het hoger beroep

De grieven van [appellant] zijn gericht tegen het vonnis van

3 oktober 2007 en komen erop neer dat de rechtbank ten onrechte Hebets niet aansprakelijk heeft geacht voor de schade die [appellant] lijdt als gevolg van het feit dat [appellant] de schade van [persoon 1] en [X] moet vergoeden.

8. De beoordeling

8.1. In het heden gewezen arrest in zaaknr. HD 103.005.990 in de hoofdzaak heeft het hof de gebeurtenissen uiteengezet die tot het onderhavige geschil tussen partijen heeft geleid. Het hof geeft die gebeurtenissen hierna weer.

8.1.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. Op 11 januari 2004 heeft te [plaats] een ongeval plaatsgevonden waarbij [persoon 1] zodanig ernstig voetletsel heeft opgelopen dat een deel van zijn rechtervoorvoet moest worden geamputeerd.

b. Op genoemde datum heeft [appellant] twee aan hem in eigendom toebehorende Belgische trekpaarden aan [geïntimeerde] om niet in bruikleen gegeven. [geïntimeerde] leende deze paarden wel vaker van [appellant]. Dit keer was dat op verzoek van de [plaatselijke] carnavalsvereniging "[naam carnavalsvereniging]". [geïntimeerde] haalde de paarden in zijn veewagen op bij [appellant] in [plaats 2] en bracht de paarden naar zijn bedrijfsterrein in [plaats]. De paarden zouden gebruikt worden om de oogstwagen te trekken, waarop de nieuwe prins carnaval in [plaats] zou worden ingehaald. De paarden stonden erom bekend dat zij zeer rustig waren.

c. [geïntimeerde] heeft de paarden op zijn terrein ingespannen, daarbij geholpen door [persoon 1] (hierna: [persoon 1]) en diens broer [persoon 2]. [geïntimeerde], [persoon 1] en zijn broer hadden dat al vaker gedaan.

d. [geïntimeerde] nam plaats op de bok van de oogstwagen. [persoon 1] en zijn broer geleidden de paarden bij de leidsels, [persoon 1] het rechterpaard en zijn broer het linkerpaard. Dit geleiden hadden zij nog nooit eerder gedaan. De aanspanning is op weg gegaan naar het startpunt van de carnavalsstoet.

e. Op weg naar de carnavalsstoet is na korte tijd een paraplu zonder doek door een windvlaag in de richting van de aanspanning komen aanrollen en tussen de benen van het door [persoon 1] geleide paard terecht gekomen.

f. Dat paard is daarvan onrustig geworden, heeft gesprongen en gesteigerd en is daarbij met één been op de voet van [persoon 1] gaan staan. [persoon 1] is daardoor gevallen. De beide paarden zijn naar voren gaan bewegen en de oogstwagen is over de voet van [persoon 1] gereden. De paarden zijn op hol geslagen.

g. De paarden zijn daarna in aanraking gekomen met een geparkeerde auto en een lantaarnpaal. De paarden zelf mankeerden niets en zijn ongedeerd dezelfde avond teruggebracht naar [appellant].

h. Ten tijde van de pleidooizitting bij het hof was [persoon 1] nog niet medisch uitbehandeld.

i. [persoon 1] was ten tijde van het ongeval als hovenier in dienst van [X]. [persoon 1] heeft sedert het ongeval niet meer kunnen werken. [X] heeft het loon van [persoon 1] gedurende 104 weken aan hem doorbetaald.

8.1.2. Bij inleidende dagvaarding (in de hoofdzaak) heeft [persoon 1] gevorderd te verklaren voor recht dat [appellant] aansprakelijk is voor de door [persoon 1] als gevolg van voormeld ongeval geleden en te lijden schade,nader te begroten bij staat. Verder heeft [persoon 1] gevorderd [appellant] te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten.

[X] heeft (in de hoofdzaak) gevorderd te verklaren voor recht dat [appellant] aansprakelijk is voor de netto loondoorbetalingen door [X] aan [persoon 1] tot ten hoogste 104 weken na de datum van het ongeval. [X] heeft gedurende de procedure in eerste aanleg zijn eis vermeerderd met een vordering [appellant] te veroordelen om 70% van het aan [persoon 1] in 2004 en 2005 doorbetaalde nettoloon, te weten

€ 25.146,10, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 21 februari 2006, aan [X] te betalen.

8.1.3. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 20 december 2006 (in de hoofdzaak) geoordeeld dat [appellant] uit hoofde van artikel 6:179 BW als bezitter van het paard aansprakelijk is voor de schade van [persoon 1], doch heeft de vergoedingsplicht van [appellant] met 30% verminderd.

8.1.4. Bij eindvonnis van 19 september 2007 (in de hoofdzaak) heeft de rechtbank de door [persoon 1] gevorderde verklaring voor recht toegewezen. De vordering van [persoon 1] tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten is afgewezen.

Bij dat eindvonnis heeft de rechtbank de door [X] gevorderde verklaring voor recht toegewezen, doch de gevorderde veroordeling tot betaling van het doorbetaalde nettoloon afgewezen.

8.2. Bij inleidende dagvaarding heeft [appellant] in het vrijwaringsgeding gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van al datgene waartoe hij - [appellant] - in de hoofdzaak jegens [persoon 1] en [X] wordt veroordeeld.

8.3. De rechtbank heeft deze vordering van [appellant] in het eindvonnis van 3 oktober 2007 afgewezen.

8.4. De rechtbank heeft geoordeeld

- dat op de rechtsverhouding tussen [appellant] en [geïntimeerde] Belgisch recht van toepassing is en de rechtsverhouding daarom wordt beheerst door de regels van Boek III, titel X, Hoofdstuk 1 (bruikleen) van het Belgisch Burgerlijk Wetboek (verder BBW);

- dat uit die regels niet volgt dat [geïntimeerde] moet instaan voor de schade die [appellant] lijdt vanwege het feit dat [appellant] naar Nederlands recht (art. 6:179 BW) aansprakelijk is jegens [persoon 1] en [X];

- dat voorts niet is gebleken van bijzondere overeenkomsten tussen partijen in aanvulling op de tussen partijen geldende regels van bruikleen naar BBW.

8.5. Grief I van [appellant] is gericht tegen deze oordelen.

8.6. [appellant] betoogt dat onjuist is de conclusie van de rechtbank dat de rechtsverhouding niet mede wordt beheerst door de overige wettelijke bepalingen van BBW.

8.6.1. Dit betoog verwerpt het hof, omdat de rechtbank dat niet heeft geconcludeerd, zoals blijkt uit de hierboven onder rov. 8.4. opgenomen weergave van het oordeel van de rechtbank.

8.7. [appellant] betoogt voorts dat onjuist is de conclusie van de rechtbank dat [geïntimeerde] niet behoeft in te staan voor de onder rov. 8.1.2. bedoelde schade.

a. Volgens [appellant] volgt uit de artikelen 1875 tot en met 1891 BBW (prod. 4 cva in de zaak [persoon 1] en [X] tegen [appellant] en prod. 4 bij dagv. in vrijwaring d.d. 15-2-2006) dat [geïntimeerde] bedoelde schade voor zijn rekening moet nemen. Ter toelichting hiervan wijst [appellant] op de wettelijke regeling van bruikleen in het BBW, inhoudende dat de uitlener ([appellant]) slechts jegens de inlener ([geïntimeerde]) aansprakelijk is indien "de uitgeleende zaak behept is met gebreken van aard om schade te berokkenen en de uitlener deze gebreken kende en de inlener hiervan niet heeft verwittigd." Uit deze regeling volgt, aldus [appellant], a contrario "dat voor al het overige de lener ([geïntimeerde]) dient in te staan voor schade veroorzaakt door de ontleende (het hof begrijpt: geleende) zaak (de paarden)." (citaten uit mvg pag. 5 en 6).

b. Voorts bepaalt artikel 1880 BBW dat de inlener dient in te staan voor de geleende zaak. Dit impliceert, aldus [appellant], "het ervoor zorgen dat de ingeleende zaak (in dit geval de paarden) geen schade berokkent aan derden dan wel het ervoor zorgen dat [appellant] door het lenen van de paarden geen schade wordt berokkend." (citaat uit mvg pag. 6). Uitdrukkelijk is in artikel 1385 BBW (prod. 14 inl. dagv.) bepaald dat degene die de bewaring heeft over een dier (in casu [geïntimeerde]) eveneens de plicht heeft om in te staan voor de vergoeding van de schade die door het dier waarover men de bewaring heeft, aan derden wordt veroorzaakt en dus ook voor vergoeding van de schade van [appellant], aldus [appellant].

c. Indien niet reeds direct uit de bepalingen van de bruikleenovereenkomst volgt dat [geïntimeerde] de schade van [appellant] moet vergoeden, vloeit de verplichting tot vergoeding van die schade voort uit art.1135 BBW (prod. 22 mvg) inhoudende dat overeenkomsten ook verbinden tot alle gevolgen die door de billijkheid, het gebruik of de wet aan de verbintenis, volgens de aard ervan, worden toegekend.

De bruikleenovereenkomst dient, aldus [appellant], op die grond te worden aangevuld met het bepaalde in artikel 1385 BBW, inhoudende dat [geïntimeerde] als degene die de paarden in bewaring had en zich ervan bediende, aansprakelijk is jegens [appellant] voor de schade die het paard heeft veroorzaakt. Voor aanvulling van de bruikleenovereenkomst is eveneens plaats op grond van de billijkheid, ook al heeft het ongeval zich voorgedaan in Nederland. [appellant] heeft de paarden belangeloos en kosteloos uitgeleend aan [geïntimeerde] en de feitelijke bewaring van de paarden aan [geïntimeerde] overgedragen waaraan het Belgische recht (art. 1385 BBW) het gevolg verbindt dat [geïntimeerde] verplicht is de schade aan derden te vergoeden. [appellant] heeft erop vertrouwd dat [geïntimeerde] dienovereenkomstig voor die schade instond en dat het niet de bedoeling was dat [appellant] schade zou lijden.

8.8. Het hof oordeelt omtrent een en ander als volgt.

Grief I faalt op grond van het navolgende.

8.9. Artikel 1385 BBW houdt in:

"De eigenaar van een dier of, terwijl hij het in gebruik heeft, degene die zich ervan bedient, is aansprakelijk voor de schade die door het dier is veroorzaakt, hetzij het onder zijn bewaring stond, dan wel verdwaald of ontsnapt is."

8.10. De schade die [appellant] lijdt bestaat hierin dat hij op grond van de toepasselijke Nederlandse wet (art. 6:179 BW) verplicht is de schade die [persoon 1] en [X] lijden, aan [persoon 1] en [X] te vergoeden, aangezien [appellant] volgens de toepasselijke Nederlandse wet is aan te merken als "de bezitter van het dier" en als zodanig (risico)aansprakelijk is "voor de door het dier aangerichte schade".

8.10.1. De schade die [persoon 1] en [X] lijden is aan te merken als "de schade die door het dier is veroorzaakt" in de zin van art. 1385 BBW, De schade die [appellant] lijdt is evenwel niet als zodanig aan te merken, want is een schade die daarvan is afgeleid doordat hij voor de schade van [persoon 1] en [X] aansprakelijk is (aansprakelijkheidsschade).

Dit betekent dat art. 1385 BBW geen grondslag kan vormen voor een plicht van [geïntimeerde] jegens [appellant] tot vergoeding van de aansprakelijkheidsschade van [appellant]; zulks noch direct, noch indirect (via art. 1135 BBW: zie voor de tekst rov. 8.15.) omdat de schade van [appellant] niet kan gelden als "schade die door het dier is veroorzaakt" in de zin van art. 1385 BBW.

8.10.2. In dit verband merkt het hof bovendien het volgende op. Nu de schade door het paard is veroorzaakt in Nederland, dient de buiten-contractuele aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor de door het dier aangerichte schade te worden vastgesteld naar Nederlands recht, ook voorzover het de buiten-contractuele aansprakelijkheid van [geïntimeerde] jegens [appellant] betreft. Het Belgische buiten-contractuele aansprakelijkheidsrecht kan daarom geen grondslag vormen voor een schadeplichtigheid van [geïntimeerde] jegens [appellant], zodat de vordering van [appellant] jegens [geïntimeerde], voorzover [appellant] deze vordering rechtstreeks baseert op artikel 1385 BBW, ook daarom niet toewijsbaar is.

8.11. Artikel 1880 BBW houdt in:

"De lener is gehouden als een goed huisvader voor de bewaring en het behoud van de geleende zaak te zorgen. Hij mag zich ervan slechts bedienen voor het gebruik dat door de aard der zaak of door de overeenkomst bepaald is; een en ander op straffe van schadevergoeding, indien daartoe grond bestaat."

8.12. Ook het beroep op dit artikel kan [appellant] niet baten.

Op grond van de tussen partijen vaststaande feiten omtrent de toedracht van het ongeval kan niet geconcludeerd worden dat [geïntimeerde] niet "als een goed huisvader voor de bewaring en het behoud van de geleende zaak" heeft gezorgd in de zin van art. 1880 BBW. Ter onderbouwing daarvan heeft [appellant] ook geen feiten gesteld. [geïntimeerde] heeft zich van het paard bediend in overeenstemming met het gebruik dat door partijen was bedoeld (het trekken van een kar of wagen in Nederland in verband met de carnavalsoptocht) en ook door de aard van de zaak (het paard) was bepaald. Bovendien zijn de paarden ongeschonden teruggegeven. [geïntimeerde] heeft daarom niet gehandeld in strijd met art. 1880 BBW.

8.13. Ook het beroep dat [appellant] kennelijk doet op het bepaalde in art. 1891 BBW faalt.

Artikel 1891 BBW houdt in:

"Wanneer de geleende zaak zodanige gebreken heeft dat zij aan hem die zich ervan bedient, schade kan veroorzaken, is de uitlener aansprakelijk, indien hij de gebreken kende en de lener daarvan niet op de hoogte heeft gebracht."

8.14. Artikel 1891 BBW is opgenomen in afdeling 3 van de wettelijke regeling van bruikleen met het opschrift "Verplichtingen van degene die in bruikleen geeft". Gelet op dit opschrift strekt artikel 1891 BBW ertoe de verplichtingen te regelen van de bruikleengever (uitlener [appellant] dus) en niet die van bruiklener (inlener [geïntimeerde]). Het is in strijd met die strekking om uit het bepaalde in artikel 1891 BBW - a-contrario - verplichtingen van de inlener af te leiden. De verplichtingen van inlener zijn geregeld in een aparte afdeling 2.

8.15. Artikel 1135 BBW houdt in:

"Overeenkomsten verbinden niet alleen tot hetgeen daarin uitdrukkelijk bepaald is, maar ook tot alle gevolgen die door de billijkheid, het gebruik of de wet aan de verbintenis, volgens de aard ervan, worden toegekend.""

8.16. Het hof is van oordeel dat ook op grond van de in deze bepaling bedoelde billijkheid niet kan worden geconcludeerd dat [appellant] zich voor zijn schade kan verhalen op [geïntimeerde]. De aanvullende werking van de bedoelde billijkheid is beperkt tot de grenzen van de contractuele verbintenissen. Uitgaande van de verbintenissen van de ontlener kan men - naar Belgisch recht - niet aannemen dat de billijkheid een contractuele vrijwaringsplicht aan de ontlener zou opleggen. Niet valt in te zien aan welke contractuele verbintenis van de ontlener een vrijwaringsplicht gekoppeld zou kunnen worden.

8.16.1. Voorts overweegt het hof als volgt. Op geen enkele wijze valt [geïntimeerde] feitelijk enig verwijt te maken dat het door [appellant] uitgeleende paard schade heeft aangericht aan [persoon 1] en [X]. Hoogstens is aan [geïntimeerde] toe te rekenen de omstandigheid dat het paard die schade heeft kunnen veroorzaken en heeft veroorzaakt in Nederland en dat daarom art. 6:179 BW van toepassing is geworden ter vaststelling van de aansprakelijkheid voor de door het paard aangerichte schade. Die enkele omstandigheid brengt echter niet mee dat het daarom billijk is dat de aansprakelijkheidschade van [appellant] voor rekening komt van [geïntimeerde]. Immers bedoelde omstandigheid is evenzeer aan [appellant] toe te rekenen, nu hij wist dat [geïntimeerde] de paarden in Nederland zou gaan gebruiken en daarmee heeft ingestemd. Er zijn door [appellant] geen bijkomende omstandigheden gesteld die meebrengen dat het billijk is [geïntimeerde] de schade te laten dragen. Voorzover de door [appellant] gestelde schending van een mededelingsplicht als bijkomende omstandigheid is gesteld, kan dat [appellant] niet baten, aangezien [geïntimeerde] geen mededelingsplicht jegens [appellant] heeft geschonden, zoals hierna in rov. 8.19 wordt overwogen.

Dan blijft over dat [appellant] de paarden belangeloos en kosteloos ter beschikking heeft gesteld van [geïntimeerde]. Artikel 1876 BBW bepaalt weliswaar dat de bruikleen essentieel een overeenkomst om niet is, maar deze bepaling biedt geen aanknopingspunt om te concluderen dat de eisen van billijkheid in overeenstemming waarmee de bruikleenovereenkomst moet uitgevoerd, meebrengen dat de inlener jegens de bruikleengever verplicht is de schade die door de ingeleende zaak, in casu het paard, wordt veroorzaakt, voor zijn rekening te nemen, ook niet indien die schade is veroorzaakt terwijl de inlener de zaak in gebruik heeft en zich aldus van de zaak (het paard) bedient als bedoeld in art. 1385 BBW.

De omstandigheid dat art. 1385 BBW bepaalt dat degene die zich van het dier bedient ([geïntimeerde]), aansprakelijk is voor de schade die door het dier is veroorzaakt, leidt niet tot een ander oordeel, omdat die bepaling er niet toe strekt de rechtsverhouding te regelen tussen de eigenaar (bruikleengever: [appellant]) en degene die zich van het dier bedient (inlener: [geïntimeerde]). Het Belgisch recht bevat ook overigens geen aanknopingspunten op grond waarvan een verhaalsrecht aan de eigenaar zou toekomen jegens degene die zich van dier bedient in geval de eigenaar voor de door het dier veroorzaakte schade aansprakelijk is op grond van Nederlands recht (art. 6:179 BW).

8.17. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat ook niet kan worden geconcludeerd dat [geïntimeerde] voorafgaande aan het moment waarop [geïntimeerde] de paarden van [appellant] leende, [appellant] had moeten informeren omtrent de verschillen in wetgeving in Nederland (art.6:179 BW) en België (art. 1385 BBW) met betrekking tot de aansprakelijkheid van de eigenaar van een dier. Volgens de rechtbank is er in dit opzicht geen sprake van een tekortkoming van [geïntimeerde] in de nakoming van de verbintenis uit de bruikleenovereenkomst, noch van handelen in strijd met het maatschappelijk verkeer.

8.18. De grieven II en III van [appellant] zijn hiertegen gericht.

[appellant] betoogt het volgende. [geïntimeerde] was naar het ook op dit punt toepasselijke Belgische recht verplicht hem te informeren. Daarbij is niet relevant of [geïntimeerde] bekend was met de verschillen in wetgeving, maar slechts of [geïntimeerde] het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht met betrekking tot dieren kende, dan wel behoorde te kennen. [geïntimeerde] wordt geacht de (Nederlandse) wet te kennen, dus ook het aansprakelijkheidsrecht en het risico dat [appellant] zou lopen indien de paarden in Nederland schade zouden veroorzaken. Bovendien was [geïntimeerde] veevervoerder en diende hij zich voor zijn transporten te verzekeren. [geïntimeerde] wenste dat de carnavalsvereniging een en ander zou verzekeren. Ook hieruit blijkt dat hij wist dat er risico's aan het gebruik van de paarden was verbonden. Deze spontane mededelingsplicht vloeit volgens [appellant] ook voort uit artikel 1134, lid 3 BBW. [appellant] behoefde [geïntimeerde] hieromtrent niet expliciet vragen te stellen, mede gelet op het feit dat de paarden op vertrouwensbasis werden uitgeleend. [appellant] verwijst naar productie 15 bij inleidende dagvaarding.

8.19. Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

Ook als [geïntimeerde] zou hebben geweten dat naar Nederlands recht de bezitter van het dier risico-aansprakelijk is voor de door het dier aangerichte schade, brengt dat niet mee dat op [geïntimeerde] een spontane mededelingsverplichting dienaangaande rustte jegens [appellant]. Immers van essentieel belang daarvoor is tevens dat [geïntimeerde] wist dat de aansprakelijkheid voor het dier in België anders in de wet geregeld is dan in Nederland, met name dat [appellant] met zijn paarden in Nederland meer risico loopt dan in België indien zijn paarden in Nederland door een ander worden gebruikt en schade zouden aanrichten. Indien [geïntimeerde] niet bekend was met dat verschil, is er geen grond voor een spontane mededelingsplicht zijdens [geïntimeerde] jegens [appellant]. De stelling van [appellant] dat kennis van dit verschil in risico niet relevant is, verwerpt het hof daarom. Nu overigens niet is gesteld of gebleken dat [appellant] bedoeld verschil in risico kende, kan niet worden geconcludeerd dat [geïntimeerde] jegens [appellant] een spontane mededelingsplicht had, ook niet op de door [appellant] voor het overige aangevoerde gronden.

8.19.1. De grieven II en III falen dus ook.

8.20. Nu de grieven I tot en met III falen, faalt ook grief IV.

De bewijsaanbiedingen van [appellant] passeert het hof als niet terzake dienend.

8.21. Het beroepen vonnis van 3 oktober 2007 dient te worden bekrachtigd en [appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

8.22. Nu [appellant] geen grieven heeft aangevoerd tegen het vonnis van 13 december 2006 en [appellant] in de memorie van grieven ook niet tot vernietiging van dat vonnis heeft geconcludeerd, gaat het hof ervan uit dat dat vonnis - anders dan is vermeld in het tussenarrest van 22 juli 2008 - niet in het hoger beroep is betrokken.

9. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van 3 oktober 2007;

veroordeelt [appellant] in de kosten van dit geding in hoger beroep, welke kosten, voorzover aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, worden begroot op € 402,- wegens griffierecht en op € 4.893,- wegens salaris van de advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Smeenk-van der Weijden en Van Rijen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 maart 2010.