Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL6171

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-03-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
HV 200.031.149
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijzigingsverzoek alimentatie. Niet voldaan aan stel- en substantiëringsplicht

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2010/291
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 2 maart 2010

Zaaknummer: HV 200.026.790/01

Zaaknummer eerste aanleg: 191700 FA RK 08-3204

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in (voorwaardelijk) incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. J. Brouwer,

tegen

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel,

appellante in (voorwaardelijk) incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. A.C.M. van Gool.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 20 januari 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 april 2009, heeft de man verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

A. de destijds vastgestelde kinderalimentatie met terugwerkende kracht, zowel in de voorlopige voorzieningen als in de bodemprocedure met ingang van 29 februari 2004 tot en met 2006 vast te stellen op nihil, althans op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof in goede justitie zal bepalen;

B. de destijds vastgestelde kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2007 vast te stellen op een bedrag van € 183,-- per kind per maand, althans op een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als het hof in goede justitie zal bepalen;

C. de destijds vastgestelde partneralimentatie met terugwerkende kracht zowel in de voorlopige voorzieningen als in de bodemprocedure met ingang van 29 februari 2004 vast te stellen op nihil, althans op een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als het hof in goede justitie zal bepalen;

D. het verzoek van de vrouw om de woonlasten voor rekening van de man te brengen, af te wijzen, althans in overeenstemming met en conform de uitspraak van de rechtbank Utrecht d.d. 11 februari 2009 gedeeltelijk af te wijzen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 18 juni 2009, heeft de vrouw primair verzocht de verzoeken van de man af te wijzen als zijnde ongegrond c.q. onbewezen, dan wel de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair, bij een gewijzigd door de man te betalen alimentatiebedrag, heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de man daarover de wettelijke rente verschuldigd is met ingang van de dag waarop de bijdragen door de man dienen te zijn betaald. Omdat de vrouw dit door haar in eerste aanleg gedane verzoek in hoger beroep herhaalt, heeft zij (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld. Tenslotte heeft de vrouw verzocht de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 januari 2010. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de man, bijgestaan door mr. J. Brouwer;

- de vrouw, bijgestaan door mr. A.C.M. van Gool.

2.3.1. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de brief met bijlagen van de advocaat van de man van 12 januari 2010.

2.3.2. Het hof heeft de minderjarige [zoon] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

3. De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1. Partijen zijn op 1 mei 1987 met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [zoon] op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats];

- [dochter] op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats].

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de vrouw.

3.2. Bij beschikking van 29 juni 2004 heeft de rechtbank Breda onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 19 juli 2004 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij beschikking van 10 februari 2005, waarvan wijziging wordt gevraagd, heeft de rechtbank bepaald, voor zover thans van belang, dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van bovengenoemde kinderen moet voldoen een bedrag van € 600,--per kind per maand, alsmede dat hij als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw moet voldoen een bedrag van € 500,-- per maand, alles met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

Voor de duur van de echtscheidingsprocedure heeft de man vanaf 29 februari 2004 onderhoudsbijdragen voor de kinderen en de vrouw betaald krachtens een beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank Breda van 22 maart 2004, zoals deze is verbeterd bij beschikking van die rechtbank van 2 april 2004. Bij die beschikking heeft de rechtbank voorts verstaan dat de man de hypothecaire- en zakelijke lasten van de echtelijke woning voor zijn rekening neemt.

3.3. De man heeft zich tot de rechtbank Utrecht gewend met een verzoekschrift d.d. 19 februari 2008. Dat verzoek strekte ertoe dat de door de man te betalen onderhoudsbijdragen voor de kinderen en de vrouw, zowel als voorlopige voorzieningen als in de bodemprocedure met ingang van 29 februari 2004 nader worden vastgesteld op nihil en de bijdragen voor de kinderen vervolgens met ingang van 1 januari 2007 op € 183,-- per kind per maand. Ook verzocht de man alsnog af te wijzen het destijds door de vrouw gedane verzoek, ertoe strekkende dat hij de lasten van de voormalige echtelijke woning voor zijn rekening zal nemen.

3.4. Bij beschikking van 9 juli 2008 heeft de rechtbank Utrecht zich onbevoegd verklaard van het verzoek van de man kennis te nemen en heeft zij de zaak verwezen naar de rechtbank Breda. Die rechtbank heeft het verzoek van de man afgewezen bij de bestreden beschikking van 20 januari 2009. De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. Zijn grieven strekkende ertoe dat zijn in eerste aanleg gedane verzoek alsnog wordt toegewezen.

3.5. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man desgevraagd verklaard dat het de bedoeling van de man is om hoger beroep tegen voormelde beschikking in te stellen, uitsluitend voor zover daarbij werd afgewezen zijn verzoek tot wijziging van de definitieve onderhoudsbijdragen, vastgesteld bij beschikking van 10 februari 2005. De man heeft zijn verzoek in hoger beroep in die zin aangepast. Het petitum onder D. van het beroepschrift wordt geacht niet te zijn gehandhaafd, nu dit kennelijk de bedoeling had wijziging te brengen in de “verstaatclausule” met betrekking tot de woonlasten in de beschikking voorlopige voorzieningen van 22 maart 2004 en de man dit verzoek, wat daar verder overigens ook van zij, niet heeft gehandhaafd.

Omdat de onderhoudsbijdragen verschuldigd werden op de datum van inschrijving van voormelde beschikking in de registers van de burgerlijke stand (19 juli 2004), ligt thans ter beoordeling aan het hof voor de draagkracht van de man tot betaling van onderhoudsbijdragen vanaf 19 juli 2004.

Behoefte kinderen en vrouw

3.6. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man een extra grief, althans zo begrijpt het hof, aangevoerd die er in essentie op neer komt dat de vrouw van begin af aan geen behoefte aan een door hem te betalen onderhoudsbijdrage heeft gehad, althans geen behoefte aan de door de rechtbank vastgestelde bijdrage.

Deze grief faalt. De man heeft de betwisting van de behoefte van de vrouw op geen enkele wijze onderbouwd; hij heeft slechts gesteld de behoefte van de vrouw te betwisten bij gebrek aan wetenschap. Hij heeft ook geen genoegzaam antwoord gegeven op de hem door het hof gestelde vraag waarom hij pas tijdens de mondelinge behandeling van dit hoger beroep voor het eerst een behoefteverweer wenst te voeren; de man heeft naar het oordeel van het hof derhalve niet voldaan aan zijn stel- en substantiëringsplicht.

3.7. De behoefte van de kinderen aan de destijds vastgestelde onderhoudsbijdragen, zoals deze nadien zijn verhoogd krachtens wettelijke indexering, is ook in hoger beroep niet in geschil.

Draagkracht

3.8. De eerste grief van de man behelst de klacht dat de rechtbank hem ten onrechte niet in staat heeft gesteld de tijdens de mondelinge behandeling gerezen vragen te beantwoorden, onder meer aan de hand van nog in het geding te brengen schriftelijke bescheiden.

Blijkens de toelichting op deze grief verkeert de man in de veronderstelling dat hij slechts stukken ter onderbouwing van zijn stellingen in het geding behoeft te brengen indien hem door de rechter daarom uitdrukkelijk wordt verzocht. Dit is een misvatting. Bij betwisting van zijn stellingen door de wederpartij - waarvan in casu sprake is - is het aan de man ook ongevraagd zijn stellingen naar behoren te onderbouwen. Zijn verzuim om hieraan te voldoen had de man in hoger beroep kunnen herstellen. Vanaf de datum van indiening van zijn beroepschrift is hij daartoe ruimschoots in de gelegenheid geweest. Het aanbod, thans in deze procedure wederom gedaan, om alsnog een aantal in de toelichting op deze grief genoemde stukken in het geding te brengen om aldus de juistheid van zijn stellingen aan te tonen, voor zover hij die stukken niet bij brief van zijn advocaat van 12 januari 2010 in het geding heeft gebracht, wordt dan ook verworpen.

Op het vorenstaande stuit de eerste grief af.

3.9. Naar het oordeel van het hof kunnen de door de man in het geding gebrachte fiscale overzichten tegenover de betwisting daarvan door de vrouw niet tot uitgangspunt worden genomen bij de beoordeling van diens draagkracht. De omstandigheid dat de man een regeling met de belastingdienst heeft getroffen, waaraan die fiscale overzichten kennelijk ten grondslag hebben gelegen, maakt dit niet anders, te meer niet nu de man erkent, dat die overzichten geen juist beeld geven van wat zich in werkelijkheid heeft voorgedaan. Hetgeen in dit verband door de rechtbank is overwogen heeft de man als zodanig niet bestreden.

De derde grief faalt derhalve.

3.10. De man heeft bezwaren tegen hetgeen de rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de onderbouwing van zijn financiële positie en zijn positie in de ondernemingen van zijn partner.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank de man terecht tegengeworpen dat hij geen, althans onvoldoende, inlichtingen heeft verschaft omtrent de afwikkeling van de vermogenspositie van twee van zijn bedrijven, [A.] Holding B.V. en [B.] Tuingoed B.V. Het hof verwijst kortheidshalve naar hetgeen de rechtbank heeft overwogen in r.o. 3.4. van de bestreden beschikking, waarmee het hof zich geheel verenigt. Ook in hoger beroep heeft de man nog immer onvoldoende inzicht in zijn financiële positie gegeven. De door de rechtbank gesignaleerde tegenstrijdigheden en discrepanties in de door de man geproduceerde stukken heeft hij nog steeds niet opgehelderd. Weliswaar heeft hij bij brief van zijn advocaat van 12 januari 2010 enkele stukken in het geding gebracht welke in eerste aanleg ontbraken, maar deze werpen meer vragen op dan zij beantwoorden. Zo zijn de verwijzingen door de man naar een rekening courantoverzicht met bankafschriften zonder nadere stukken niet te begrijpen. Het op de thans in het geding gebrachte aanslag I.B. 2006 vermelde verzamelinkomen van

€ 21.129,-- valt zonder nadere gedocumenteerde toelichting, welke ontbreekt, niet te rijmen met de eerdere aangifte I.B. over dat jaar waarin geen inkomen werd aangegeven. Onduidelijk is gebleven op welke wijze de man de gelden die hij ontvangen heeft uit de verkoop van onroerende zaken (bedrijfspanden) heeft besteed en hoe hij in staat is geweest een drietal recreatiebungalows in eigendom te verwerven ondanks het gestelde gemis aan inkomsten.

Het had op de weg van de man gelegen volledige opening van zaken te bieden, waarin hij geenszins is geslaagd, nu alle relevante stukken met betrekking tot zijn ondernemingen ontbreken, in het bijzonder een liquidatiebalans. De kasstromen in de bedrijven blijven onduidelijk en zakelijke en privé uitgaven lopen door elkaar heen. De enkele stelling van de man dat de vrouw beschikt over de volledige administratie van de bedrijven uit de jaren 2003 en 2004 is, gezien de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, onvoldoende om de visie van de man te volgen.

Ook de tweede grief faalt derhalve.

3.11. De man stelt werkzaamheden te verrichten in de onderneming van zijn partner, Strandwal Beheer B.V. en de werkmaatschappij daarvan, waarmee hij 75% van het wettelijk minimumloon verdient. De man heeft ook in hoger beroep onvoldoende duidelijk gemaakt wat zijn rol in die ondernemingen is. De man heeft niet betwist dat hij en niet zijn ongeschoolde partner die de zorg voor vier kinderen heeft, beschikt over de zakelijke expertise. Niettemin is de partner van de man de DGA van die ondernemingen. Een redelijke verklaring hiervoor heeft de man niet gegeven. Als zodanig kan niet worden aanvaard dat hij in verband met zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid slechts de door hem gestelde inkomsten mag genieten van het UWV.

Ook zijn vierde grief kan de man dus niet baten.

3.12. Het vorenstaande mondt uit in de conclusie, dat de man ook in hoger beroep zijn stellingen niet naar behoren heeft onderbouwd en derhalve het gemis aan draagkracht waarop hij zich beroept niet aannemelijk heeft gemaakt.

Ook de tweede grief faalt derhalve.

3.13. Het hof heeft geen behoefte aan de door de man tijdens de mondelinge behandeling geopperde mogelijkheid een deskundige te benoemen. De man heeft niet aangegeven wat het onderzoek door een deskundige precies zou moeten behelzen. Ook heeft hij aangegeven dat hij niet in staat zal zijn de kosten van een deskundigenonderzoek te voldoen.

3.14. Nu de bestreden beschikking behoort te worden bekrachtigd, komt het hof aan het subsidiaire verzoek van de vrouw en daarmee aan het door haar ingestelde (voorwaardelijk) incidenteel appel, niet toe.

Proceskosten

3.15. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Breda van 20 januari 2009;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lamers, Milar en Brants en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2010.