Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL5492

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
20-002964-08
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2008:BD8599, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mensenhandel en mensensmokkel; Hof geeft uitleg aan begrippen "misbruik" en "oogmerk van uitbuiting"; ontoelaatbaar handelen van verhorende politieambtenaren; 359a Sv; geen rechtgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-002964-08

Uitspraak : 19 februari 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 28 juli 2008 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 01-825385-06 en 01-820032-07, tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedatum],

wonende te [postcode] [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is - na partiële intrekking daarvan door de advocaat-generaal op 3 februari 2010 - uitdrukkelijk beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte bij parketnummer 01-825385-06 is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist, heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte terzake van de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 200 uren subsidiair 100 dagen hechtenis.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 22 augustus 2006 te [pleegplaats], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) (een) ander(en), genaamd [betrokkene 1] en/of een of meer andere perso(o)n(en), door dwang, door één of meer feitelijkheden, door dreiging met één of meer feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie, heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die ander, bestaande die/dat dwang, feitelijkheden, misleiding en/of misbruik hieruit dat zij verdachte, voornoemde perso(o)n(en), die allen illegaal in Nederland verbleven, (gemiddeld) zes dagen per week, (ongeveer) elf uur per dag werkzaamheden heeft laten verrichten in restaurant [naam restaurant] (waarbinnen verdachte (één van de) de leidinggevende(n) was, te weten leidinggevende van het restaurantgedeelte) in ruil voor voedsel en onderdak, dan wel een zeer geringe geldelijke vergoeding en/of haar/hen met meerdere perso(o)n(en) heeft gehuisvest in een (kleine) ruimte in het pand waarin restaurant [naam restaurant] is gevestigd en/of belet dat zij zich buiten het pand begaf/begaven, dan wel contact zocht(en) met de buitenwereld;

2.

zij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 22 augustus 2006 te [pleegplaats], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) (een) ander(en), te weten [betrokkene 1] en/of een of meer andere perso(o)n(en), uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, dan wel hem/hen daartoe gelegenheid en/of middelen heeft verschaft, te weten het verschaffen van woonruimte en/of het aanbieden van werk en/of het te werk stellen van voornoemde perso(o)n(en) in restaurant [naam restaurant] (waarbinnen verdachte (één van) de leidinggevenden is, te weten de leidinggevende van het restaurantgedeelte), terwijl zij wist, dan wel ernstige redenen had te vermoeden dat het verblijfwederrechtelijk was.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 22 augustus 2006 te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met anderen, anderen, genaamd [betrokkene 1] en andere personen, door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie, heeft gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die anderen, bestaande dat misbruik hieruit dat zij verdachte, voornoemde personen, die allen illegaal in Nederland verbleven, (gemiddeld) zes dagen per week, (ongeveer) elf uur per dag werkzaamheden heeft laten verrichten in restaurant [naam restaurant], waarbinnen verdachte één van de leidinggevenden was, te weten leidinggevende van het restaurantgedeelte, in ruil voor voedsel en onderdak, dan wel een geringe geldelijke vergoeding en hen met meerdere personen heeft gehuisvest in een (kleine) ruimte in het pand waarin restaurant [naam restaurant] is gevestigd;

2.

zij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 22 augustus 2006 te [pleegplaats], tezamen en in vereniging met anderen, anderen, te weten [betrokkene 1] en andere personen, uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, hen daartoe gelegenheid en middelen heeft verschaft, te weten het verschaffen van woonruimte en het aanbieden van werk en het te werk stellen van voornoemde personen in restaurant [naam restaurant] waarbinnen verdachte één van de leidinggevenden is, te weten de leidinggevende van het restaurantgedeelte, terwijl zij wist, dan wel ernstige redenen had te vermoeden dat het verblijf wederrechtelijk was.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat zij van de gehele tenlastelegging behoort te worden vrijgesproken.

A.

Alvorens de daartoe aangevoerde verweren te bespreken, overweegt het hof in verband met het in het onder 1. ten laste gelegde “misbruik” als volgt.

A.1 Door “misbruik” handelen

Voor het bewijs van door “misbruik” handelen in de zin van artikel 273a, eerste lid (oud) van het Wetboek van Strafrecht, is toereikend dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkenen waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat ten minste voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Datzelfde geldt voor gevallen waarin sprake is van een kwetsbare positie van het slachtoffer als bedoeld in die bepaling.

A.2

Bij de beoordeling van de vraag of in casu sprake is geweest van door “misbruik” handelen in voormelde zin, zijn de volgende feiten en omstandigheden, zoals die naar voren komen uit de gebezigde bewijsmiddelen, van belang.

De in de tenlastelegging onder 1. genoemde / bedoelde personen zijn door de politie op 22 augustus 2006 in het Chinees restaurant [naam restaurant] te [vestigingsplaats restaurant] aangetroffen. Het gaat hierbij om Chinezen die in het restaurant tewerk waren gesteld / werkten en die illegaal in Nederland verbleven.

Van de illegale Chinezen die in het kader van het opsporingsonderzoek zijn gehoord, hadden tenminste zes personen geen identiteitsbewijs beschikbaar, hetgeen past bij hun illegale status.

Bij de meeste illegale werknemers was sprake van schulden, voornamelijk gemaakt om de reis naar Europa te kunnen financieren.

De meesten van de aangetroffen illegalen spraken geen woord Nederlands of Engels en waren volstrekt onbekend met de (omgeving van de) locatie waar zij werkten, mede waardoor zij in hun (bewegings)vrijheid en in hun keuzevrijheid om anders te handelen werden beperkt.

A.3

Naar het oordeel van het hof staat op grond van deze feiten en omstandigheden vast dat er sprake was van een uit de feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht van de leidinggevenden van restaurant [naam restaurant] ten opzichte van de betrokken illegale werknemers en eveneens van een kwetsbare positie van laatstgenoemden.

Voorts is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat de leidinggevenden zich in ieder geval bewust moeten zijn geweest van hun overwicht op die illegale werknemers en hun kwetsbare positie en dat zij daarvan aldus welbewust misbruik hebben gemaakt door die illegalen tewerk te stellen en te huisvesten.

B.1 Oogmerk van uitbuiting

Op de gronden zoals in de overgelegde pleitnota verwoord, is met betrekking tot het onder 1. ten laste aangevoerd dat het ten laste gelegde oogmerk van uitbuiting niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

B.2

Het in artikel 273a, eerste lid (oud), Wetboek van Strafrecht, voorkomende bestanddeel (oogmerk van) uitbuiting is in de wet niet gedefinieerd, anders dan door de opsomming in het tweede lid van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder gedwongen of verplichte arbeid of diensten. Blijkens de bij dit artikel behorende Memorie van Toelichting doelt deze bepaling op een verscheidenheid aan moderne vormen van slavernij, waarbij als voorbeeld wordt genoemd een extreem lange werkweek tegen onevenredig lage betaling onder slechte werkomstandigheden. De vraag of – en zo ja, wanneer – sprake is van ‘uitbuiting’ in de zin van de onderhavige bepaling, is niet in algemene termen te beantwoorden, maar is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Bij de beantwoording van die vraag komt in een geval als het onderhavige onder meer betekenis toe aan de aard en duur van de tewerkstelling, de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt, en het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald.

Bij de weging van deze en andere relevante factoren dienen de in de Nederlandse samenleving geldende maatstaven als referentiekader te worden gehanteerd. Daar komt bij dat voor de vervulling van de delictsomschrijving niet nodig is dat het slachtoffer daadwerkelijk wordt uitgebuit.

B.3

Bij de beoordeling van de vraag of in casu sprake is geweest van het oogmerk van uitbuiting zijn in het bijzonder de volgende feiten en omstandigheden, zoals die naar voren komen uit de gebezigde bewijsmiddelen, van belang.

Door de illegale werknemers werden lange werkdagen gemaakt, in ieder geval beduidend langer dan door de legale werknemers van het restaurant. Het aantal werkuren van de illegalen varieerde van 10 uren tot 14 uren per dag.

Door de illegale werknemers werden voorts lange werkweken gemaakt. Door de meesten werd zes dagen in de week gewerkt en de werknemer [naam getuige 1] heeft bij de politie zelfs verklaard over een werkweek van zeven dagen.

Op de illegale werknemers werd vanuit de leiding van het restaurant druk uitgeoefend om het werk af te krijgen. Getuige [naam getuige 2] heeft in dit verband bij de politie verklaard dat men werd ontslagen als het werk niet af was en dat hij de volgende dag vroeger begon als het niet was gelukt het werk de avond tevoren af te krijgen.

Een aantal van de aangetroffen illegale werknemers ontving geen loon, maar werkte tegen slechts kost en inwoning.

De illegale werknemers die wel werden betaald, ontvingen een loon dat beduidend lager is dan het minimumloon zoals dat is vastgelegd in de CAO voor horecapersoneel. Het loon dat aan de illegale werknemers werd betaald, was bovendien aanmerkelijk lager dan het loon dat de legale werknemers van het restaurant ontvingen. Over het loon van de illegale werknemers werd geen enkele vorm van belasting en/of premie voor volksverzekeringen afgedragen.

Geen van de illegale werknemers had verlofdagen noch enige vorm van verzekering. Bij eventueel ziekteverzuim dreigde zelfs ontslag.

Een groot deel van de illegale werknemers was gehuisvest in kamers boven het restaurant onder zeer slechte omstandigheden. De kamers waren klein en op iedere kamer verbleven drie mannen / vrouwen zonder enige vorm van privacy. Al met al bevonden de illegale werknemers in een positie waarin zij redelijkerwijs geen andere keuze hadden dan zich te laten uitbuiten.

B.4

Op basis van de hierboven genoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van het oogmerk van uitbuiting in de zin van artikel 273a (oud) van het Wetboek van Strafrecht

B.5

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

C.1

Voorts heeft de raadsman met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat het ten laste gelegde bestanddeel “tezamen en in vereniging met (een) ander(en)”, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.2

Tijdens de ten laste gelegde periode was [medeverdachte 1] de eigenaar van het restaurant [naam restaurant]. Uit de gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de bij de politie door [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] afgelegde getuigenverklaringen, blijkt echter dat de verdachte samen met [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] verantwoordelijk was voor de dagelijkse gang van zaken in het bedrijf, in het bijzonder in het restaurantgedeelte van de zaak, waarbij zij een dusdanig significante rol heeft gespeeld dat zij door het personeel werd gezien als bedrijfsleidster.

Zij gaf opdrachten aan werknemers. Ook gaf zij instructies aan (nieuwe) werknemers, waarbij zij ook wel de nieuwe illegale werknemers informeerde over de werktijden en het salaris. Daarnaast hield zich bezig met de (loon)administratie, had contact met leveranciers en betaalde regelmatig loon uit aan werknemers.

C3

Voorts heeft verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat

- zij wel weet dat in Nederland vaker illegalen in Chinese restaurants werken;

- zij tijdens haar werk in [naam restaurant] wel dacht dat er in het onderhavige restaurant illegalen werkten;

- zij wist dat zich boven het restaurant kamers bevonden waarin werknemers verbleven.

C.4

Uit het vorenstaande leidt het hof af dat de verdachte vanuit haar leidinggevende positie een bepaald overwicht had op de illegale werknemers met wie zij bij de uitoefening van haar dagelijkse werkzaamheden te maken had. Voorts leidt het hof daaruit af dat zij zich bewust moet zijn geweest van de kwetsbare positie van de illegale werknemers, alsmede van de feitelijke omstandigheden van die werknemers waaruit voormeld overwicht voortvloeide.

C.5

Onder de genoemde omstandigheden moet worden vastgesteld dat de verdachte zo bewust en nauw heeft samengewerkt met de eigenaar van het restaurant en de andere leidinggevenden, dat moet worden geoordeeld dat zij het ten laste gelegde tezamen en in vereniging met anderen heeft begaan.

Bijgevolg wordt ook dit verweer verworpen.

D.1

Met betrekking tot het onder 2. ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat bij de verdachte sprake is geweest van winstbejag. Voorts heeft de raadsman - zakelijk weergegeven- betoogd dat het ten laste gelegde bestanddeel “tezamen en in vereniging met (een) ander(en), niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

D.2

In hetgeen hiervoor ten aanzien van het onderdeel “met het oogmerk van uitbuiting” (onder B.) is overwogen, ligt besloten dat de (formele) tewerksteller van de illegalen - te weten: [medeverdachte 1] - door die tewerkstelling economisch voordeel moet hebben behaald. Voorts moet het er, gelet op die onder B. genoemde feiten en omstandigheden, voor worden gehouden dat zijn oogmerk (mede) op dergelijk winstbejag was gericht.

D.3

Gelet op de hiervoor omschreven positie van verdachte in het bedrijf, waaronder de omstandigheid dat verdachte belast was met de (loon)administratie van het bedrijf en ook regelmatig aan werknemers loon uitbetaalde, neemt het hof aan dat verdachte - evenals de andere leidinggevenden - op de hoogte was van het feit dat door [medeverdachte 1] met de tewerkstelling van illegalen economisch voordeel moet hebben behaald, althans dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn ([medeverdachte 1]) oogmerk mede op winstbejag was gericht.

Voorts moet worden vastgesteld dat de verdachte ook in dit opzicht zo bewust en nauw heeft samengewerkt met de eigenaar van het restaurant en de andere leidinggevenden dat moet worden geoordeeld dat zij het ten laste gelegde tezamen en in vereniging met anderen heeft begaan.

D.4

Aldus is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met

anderen met het oogmerk van winstbejag heeft gehandeld.

D.5

Bijgevolg wordt het verweer verworpen.

F.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

G.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

H.1

Artikel 273a van het Wetboek van Strafrecht is gewijzigd nadat het bewezen verklaarde is begaan.

Uit de strekking en uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze wetswijziging volgt dat zij berust op een gewijzigd inzicht van de wetgever met betrekking tot de strafwaardigheid van het bewezen verklaarde.

In casu moet de oude bepaling worden toegepast, nu deze voor de verdachte gunstiger is.

H.2

Het onder 1. bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien bij artikel 273a, derde lid, aanhef en onder 1e van het Wetboek van Strafrecht, juncto artikel 273a, eerste lid van dat wetboek zoals dat luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

I.1

Artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht is gedurende de onder 1. bewezen verklaarde periode gewijzigd, te weten: op 1 februari 2006.

Deze wijziging berust evenwel niet op een gewijzigd inzicht van de wetgever met

betrekking tot de strafwaardigheid van het bewezen verklaarde, zodat het recht wordt toegepast dat gold ten tijde van het bewezen verklaarde.

I.2

Het onder 2. bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien bij artikel 273a, vierde lid van het Wetboek van Strafrecht, juncto artikel 273a, tweede lid van dat wetboek, zoals dat luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

J.

De feiten worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat op grond van het bepaalde bij artikel 359a Wetboek van Strafvordering de hoogte van de straf zal worden verlaagd, omdat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld.

Daartoe is aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de politie bij het verhoor van de verdachte d.d. 27 september 2006 het zogeheten “pressieverbod” heeft overtreden, in het bijzonder door tegen de verdachte te zeggen dat zij een slechte moeder is en dat haar kind misschien wel naar een pleeggezin zou moeten, opmerkingen die uitsluitend waren gericht op het psychisch breken van de verdachte.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

De gang van zaken bij voormeld verhoor, zoals onder meer naar voren komt uit het proces-verbaal van bevindingen van de regiopolitie Brabant Zuid-Oost, Vreemdelingenpolitie Eindhoven, mutatienummer PL2220/06-068259, d.d. 3 oktober 2006 (zie bijlage 53 van het proces-verbaal met dossiernummer PL2220-06-006639) en die onder meer hieruit heeft bestaan dat de verdachte tijdens het verhoor een half uur heeft moeten staan, dat door de verhorende verbalisanten kennelijk intimiderend een tafel is opgetild en is laten vallen en voorts dat door hen is ingespeeld op de angst van verdachte dat haar kinderen haar zouden worden ontnomen, is naar het oordeel van hof dusdanig ontoelaatbaar dat moet worden gesproken van een vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. Dit vormverzuim kan in hoger beroep niet meer worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan blijken niet uit de wet.

Rekening houdend met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, waarbij in het bijzonder van belang is dat de verdachte bij het gewraakte verhoor zich is blijven beroepen op haar zwijgrecht en derhalve geen voor haar belastende verklaring heeft afgelegd, is het hof echter van oordeel dat thans kan worden volstaan met de enkele constatering van het verzuim.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof aan de verdachte een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis, zal opleggen.

Naar het oordeel van het hof kan daarmee niet worden volstaan omdat daarin onvoldoende tot uitdrukking komt:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate waarin door het onder 1. bewezen verklaarde de slachtoffers zijn uitgebuit en waarin hun lichamelijke en geestelijk integriteit, alsmede hun persoonlijke vrijheid, is geschonden;

- de mate waarin door het onder 2. bewezen verklaarde het overheidsbeleid bij bestrijding van illegaal verblijf van personen in Nederland is geschonden.

Op grond daarvan acht het hof oplegging van de maximaal op te leggen taakstraf, bestaande uit een werkstraf, passend en geboden.

Voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren vervult, zal het hof bevelen dat aan haar vervangende hechtenis zal worden opgelegd voor de hierna te vermelden duur.

Daarnaast zal het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de hierna te melden duur opleggen, waarmee enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking wordt gebracht en anderzijds de strafoplegging dienstbaar wordt gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63, 197a en 273a van het Wetboek van Strafrecht, zoals die artikelen ten tijde van het bewezen verklaarde luidden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1. Mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

2. Een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland en hem daartoe gelegenheid en middelen verschaffen, terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Veroordeelt verdachte voorts tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. J.H.M. Westenbroek,

in tegenwoordigheid van R.H. Boekelman, griffier,

en op 19 februari 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Van der Meijde is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.