Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL5477

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
HD 200.021.103
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(Arbitraal) kort geding. Voorzieningenrechter verklaarde zich onbevoegd op grond van 1022 lid 2 en 1025 lid 2 RV

Appellanten niet-ontvankelijk in het hoger beroep op grond van artikel 1051 lid 4 RV

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer HD 200.021.103

arrest van de achtste kamer van 9 februari 2010

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma [X.] ARCHITECTUUR V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [A.],

wonende te [woonplaats],

3. [B.],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen:

DE GEMEENTE HEERLEN,

zetelende te Heerlen,

geïntimeerde,

advocaat: mr. H.A.J. Stollenwerck,

op het bij exploot van dagvaarding van 9 oktober 2007 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 12 september 2007 tussen appellanten – hierna in vrouwelijk enkelvoud aan te duiden als [X.] - als eisers en geïntimeerde – hierna de gemeente - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 122275/KG ZA 07-324)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven met producties heeft [X.] vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing alsnog van haar vordering, te weten veroordeling van de gemeente tot het realiseren van het project EcocE, met dien verstande dat niet gevorderd wordt dat de gemeente zelf als opdrachtgever zal functioneren, maar wel conform het overige in de appeldagvaarding gestelde en dus de nakoming van de door de gemeente aangegane resultaatsverbintenis tot realisering van het gebouw met SR-honorering, alles op straffe van verbeurte van dwangsommen.

2.2. Bij memorie van antwoord met producties heeft de gemeente de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven komen erop neer dat de voorzieningenrechter zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

[X.] is een architectenbureau dat zich onder andere bezighoudt met het ontwerpen van bedrijfspanden en (semi-)openbare gebouwen. In 2003 heeft de gemeente een architectuurprijsvraag uitgeschreven voor de locatie aan de [perceel] te [plaatsnaam]. De hoofdprijs was de uitvoering van het ontwerp met het bijbehorende honorarium conform de Standaard- voorwaarden 1997 Rechtsverhouding opdrachtgever – architect (hierna: SR 1997). De hoofdprijs ging op 18 juli 2003 naar het ontwerp EcocE van [X.], waarna [X.] is overgegaan tot het opstellen van een concept van de opdrachtbevestiging voor de gemeente. De gemeente liet op een gegeven moment weten het project door een projectontwikkelaar uit te willen laten voeren, te weten [Y.] Planontwikkeling B.V. (hierna: [Y.]). Na een periode van drie jaar van gesprekken en contacten tussen de gemeente, [X.] en [Y.] en de nodige aanpassingen aan het ontwerp is er volledige overeenstemming bereikt. [Y.] heeft op 28 maart 2007 evenwel laten weten niet verder te zullen gaan met het project.

[X.] heeft de gemeente gedagvaard in kort geding. [X.] heeft daarbij nakoming gevorderd van de overeenkomst tussen de gemeente en [X.], te weten – kort gezegd - veroordeling van de gemeente op straffe van verbeurte van dwangsommen tot het realiseren van het project EcocE, waarbij de gemeente concreet voortgang aan het project geeft in de vorm van een definitieve en getekende opdracht van de gemeente aan [X.] conform het ontwerp van de gewonnen prijsvraag, waarbij het de gemeente vrijstaat om in haar plaats een projectontwikkelaar als opdrachtgever te laten tekenen en optreden.

De gemeente heeft voor alle weren een bevoegdheidsincident opgeworpen.

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat op de rechtsverhouding tussen de gemeente en [X.] de SR 1997 van toepassing zijn. De voorzieningenrechter heeft zich onbevoegd verklaard – kort gezegd - omdat gezien de omstandigheden spoedig genoeg op grond van artikel 44 SR 1997 jo artikel 16 Reglement van de Stichting Arbitrage Instituut Bouwkunst (AIBK) ongeveer zes weken na het aanhangig maken van een met een kort geding gelijk te stellen spoedgeschil bij de Stichting AIBK een uitspraak kon worden verwacht.

Met het hiervoor beschreven kort geding werd gevoegd behandeld de vrijwaringszaak tussen de gemeente en [Y.]. De vordering van de gemeente werd afgewezen. Deze vrijwaringszaak speelt in dit hoger beroep geen rol.

4.2. In hoger beroep stelt [X.] zich op het standpunt dat de gemeente geen opdrachtgever van [X.] is. Zij heeft de vordering in hoger beroep daarom gewijzigd zoals hiervoor is weergegeven en overigens de gevorderde dwangsommen verhoogd. Tegen deze wijziging heeft de gemeente zich niet verzet.

4.3. De gemeente heeft op 21 juli 2009 bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw een memorie van eis ingediend tegen [X.], waarin de gemeente onder meer heeft verzocht voor recht te verklaren dat de SR 1997 volledig van toepassing zijn geweest op de rechtsrelatie tussen de gemeente en [X.], alsmede dat de gemeente uit die rechtsrelatie geen financiële verplichtingen jegens [X.] heeft.

De gemeente heeft bij dagvaarding van 3 maart 2008 [Y.] gedagvaard voor de rechtbank Maastricht tot nakoming van de koopovereenkomst met betrekking tot het perceel nabij [perceel] te [plaatsnaam] waarop het project EcocE gerealiseerd zal worden. In deze procedure is een comparitie na antwoord gehouden op 22 augustus 2008 met als uitkomst dat de gemeente en [Y.] zouden bezien of zij alsnog tot een minnelijke regeling zouden kunnen komen.

Verdere, recente ontwikkelingen in de beide procedures zijn het hof niet bekend.

4.4. De voorzieningenrechter heeft zich op grond van artikel 1022 lid 2 jo. 1051 lid 2 Rv onbevoegd verklaard om van de vordering van [X.] kennis te nemen.

Tegen dit vonnis staat ingevolge artikel 1051 lid 4 Rv geen voorziening open. Dat de voorzieningenrechter de zaak niet met zoveel woorden naar het overeengekomen arbitraal kort geding heeft verwezen is niet van belang. Een verwijzing heeft naast de onbevoegdverklaring geen eigen betekenis. Gronden voor doorbreking van het appelverbod, als dat al mogelijk zou zijn, zijn niet gesteld.

Dit betekent dat [X.] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep en in de proceskosten van het hoger beroep veroordeeld dient te worden.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart [X.] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Maastricht van 12 september 2007 (zaaknr. 122275/KG ZA 07-324);

veroordeelt [X.] hoofdelijk in de proceskosten van het hoger beroep aan de zijde van de gemeente gevallen en tot de dag van deze uitspraak begroot op € 303,= aan verschotten en € 894,= aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. Smeenk-van der Weijden, Bod en Waaijers en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 februari 2010.