Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL5467

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-02-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
HV 200.045.389
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Past een gedwongen ouderschap in het systeem van de kinderbeschermingsmaatregelen ?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 23 februari 2010

Zaaknummer: HV 200.045.389/01

Zaaknummer eerste aanleg: 202587 FA RK 09-1599

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats]

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. I.M. van den Heuvel,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming, Regio Midden- en West Brabant,

gevestigd te Breda,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de raad.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 16 juli 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 13 oktober 2009, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de raad tot ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag af te wijzen.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 november 2009, heeft de Stichting Bureau Jeugdzorg gevestigd te Roosendaal (hierna: de stichting) verzocht het verzoek van de moeder in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 januari 2010. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. I.M. van den Heuvel;

- de raad, vertegenwoordigd door de heer mr. H. Werger;

- de stichting, vertegenwoordigd door mevrouw M. van den Heijkant en mevrouw R.C. Koijen;

- Mr. J.M.L. Gijzen, advocaat van de heer [[Y.] (hierna: de vader).

2.3.1. De vader is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

2.3.2. Het hof heeft de hierna nader te noemen minderjarige [zoon 1.] in de gelegenheid gesteld zijn mening voorafgaand aan de mondelinge behandeling kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt. [zoon 1.] heeft schriftelijk, bij faxbericht van 18 januari 2010, aan het hof kenbaar gemaakt dat hij wenst dat er sprake blijft van een ondertoezichtstelling, zodat zijn moeder zeggenschap over hem blijft houden. Ter zitting heeft de voorzitter de beknopte inhoud van dat faxbericht weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 20 oktober 2009;

- de brief van de stichting, met bijlagen d.d. 23 oktober 2009;

- de brief van de raad, met bijlage d.d. 30 oktober 2009;

- het faxbericht van de advocaat van de moeder d.d. 14 januari 2010;

- de ter zitting door de advocaat van de moeder overgelegde pleitnotitie.

3. De beoordeling

3.1. De moeder en de vader hebben van 1996 tot 2005 een affectieve relatie met elkaar gehad. Uit de relatie van partijen zijn geboren:

- [zoon 1.] (hierna: [zoon 1.]), op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats],

- [zoon 2.] (hierna: [zoon 2.]), op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats].

De vader heeft de kinderen erkend.

3.2. [zoon 1.] en [zoon 2.] staan sinds 7 november 2005 onder toezicht van de stichting.

[zoon 1.] en [zoon 2.] verblijven op grond van een daartoe strekkende machtiging tot uithuisplaatsing sedert 22 december 2006 respectievelijk op een leefgroep en in een gezinshuis van Zuidwester Jeugdzorg.

3.3. Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking, heeft de rechtbank de moeder ontheven van het ouderlijk gezag over [zoon 1.] en [zoon 2.] en de stichting tot voogdij-instelling benoemd.

3.4. De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

In haar beroepschrift voert de moeder aan dat de rechtbank en de raad blijkbaar uitgaan van de situatie dat kinderen onder voogdij van een jeugdzorginstelling in een volmaakte opvoedingssituatie verkeren met garantie voor de toekomst, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de moeder als gezagsdrager een dergelijke situatie niet kan bieden.

De moeder geeft aan dat de door haar betwiste opvatting van de raad dat de moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht als ouder te vervullen, niet concreet is gemotiveerd. Voorts stelt de moeder dat het feit dat het belang van de kinderen zich niet verzet tegen een ontheffing, volgens haar niet de norm dient te zijn. Volgens de moeder is er geen sprake van pedagogische onmacht bij haar, nu zij hulp en begeleiding nodig heeft, welke de moeder ook krijgt en aanvaardt. De moeder ziet niet in dat er door middel van een ontheffing een in ieder opzicht stabiele opvoedingsituatie gecreëerd wordt, die op adequate wijze aansluit bij de specifieke opvoedingsvraag van de kinderen, anders dan in het geval dat de moeder het gezag zou behouden.

Tevens kan de moeder zich niet verenigen met de overweging van de rechtbank dat een ontheffing een duidelijk toekomstperspectief zou bieden voor de kinderen. De beslissing van de rechtbank is zowel voor de moeder als de kinderen een onnodige en tevens pijnlijke beslissing, temeer nu er in de praktijk ook niets zal veranderen.

3.5. In het verweerschrift voert de stichting – kort samengevat – aan dat voor beide kinderen geldt, dat elk perspectief op terugkeer bij de moeder ontbreekt. De moeder is onmachtig om haar plicht tot opvoeding en verzorging te vervullen, nu haar capaciteiten het haar onmogelijk maken adequaat om te gaan met de pedagogische behoefte van haar kinderen. Om de kinderen rust en duidelijkheid in hun perspectief te bieden, is naar de mening van de stichting een verderstrekkende maatregel noodzakelijk. De samenwerking met de moeder verloopt goed. De moeder houdt zich aan de afspraken, maar zij wil deze nog wel eens oprekken door uitzonderingen te vragen op de bezoekregeling. Volgens de stichting veroorzaakt laatstgenoemd gedrag van de moeder onduidelijkheid bij de kinderen. De moeder dient aangestuurd te worden om niet te veel verantwoordelijkheden op zich te nemen die nu duidelijk behoren aan de leefgroep en aan het gezinshuis.

De stichting geeft aan dat [zoon 1.] zich altijd vrolijk voordoet en zich verschuilt achter een masker. [zoon 1.] heeft moeite met het uiten van zijn emoties, waarvoor een vorm van creatieve therapie zal worden ingezet. [zoon 1.] heeft een grote behoefte aan structuur en duidelijkheid en heeft moeite met het accepteren van gezag.

Ten aanzien van [zoon 2.] geeft de stichting aan dat hij gezag accepteert, maar soms onevenredig boos en verongelijkt kan reageren. Ook [zoon 2.] heeft behoefte aan duidelijkheid en structuur. [zoon 2.] zou het liefst weer thuis wonen. Hij is ervan overtuigd dat zijn ouders weer bij elkaar zullen komen en dat hij niet hoeft te kiezen bij wie hij zal verblijven. Ook [zoon 2.] is onzeker over zijn verblijf en heeft bevestiging en zekerheid hieromtrent nodig.

3.6. Het hof overweegt het volgende.

3.6.1. Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank een ouder ontheffen van het gezag over een of meer van zijn kinderen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daartegen niet verzet.

Op grond van artikel 1:268 lid 2 sub a BW kan bij verzet van de ouder de ontheffing toch worden uitgesproken, indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt of een uithuisplaatsing van meer dan één jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat dat de uithuisplaatsing door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder onvoldoende is om de ernstige bedreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW af te wenden.

3.6.2. Uit de inhoud van de stukken blijkt dat [zoon 1.] en [zoon 2.] zijn opgegroeid in een instabiele opvoedingssituatie met ouders met een verstandelijke beperking, waarbij de vader tevens last heeft van lichamelijke en psychische klachten. De moeder heeft in aanleg niet veel vaardigheden. Zij heeft hulp en begeleiding nodig om zelfstandig te kunnen functioneren, zo blijkt uit het raadsrapport.

In 2005 is het gezin uiteen gevallen en waren er geregeld conflicten tussen de ouders, waarbij de kinderen steeds meer op de achtergrond zijn geraakt. Beide kinderen staan thans al een aantal jaren onder toezicht en zij zijn uit huis geplaatst. De moeder heeft niet geappelleerd tegen eerdere beschikkingen tot (verlenging van de) uithuisplaatsing. Zij heeft eerder ook nimmer verzet gepleegd tegen de uithuisplaatsingen. Dit geeft naar het oordeel van het hof blijk (van de wetenschap bij de moeder) dat de moeder niet zelf zorg kan dragen voor de verzorging en opvoeding van de kinderen. Hierbij komt dat [zoon 1.] en [zoon 2.] kwetsbare kinderen zijn. [zoon 1.] heeft aandacht- en concentratieproblemen en motorische onrust. Ten aanzien van hem is de diagnose aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit gesteld. [zoon 2.] is een onrustige jongen die moeite heeft met het (h)erkennen en accepteren van grenzen en gezag; hij heeft veel behoefte aan duidelijkheid en structuur.

De moeder, die aangeeft dat zij op lange termijn een toekomstperspectief ziet voor de kinderen bij haar, ziet de ernst van de problematiek van de kinderen niet in.

Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat de moeder onmachtig is haar plicht tot de verzorging en opvoeding van [zoon 1.] en [zoon 2.] te vervullen en dat het belang van de kinderen zich niet tegen een ontheffing verzet.

3.6.3. De moeder verzet zich tegen de door de raad verzochte en door de rechtbank uitgesproken ontheffing.

Uit het verhandelde ter zitting en de inhoud van de stukken is het hof gebleken dat de moeder zich niet heeft neergelegd bij het feit dat [zoon 1.] en [zoon 2.] elders wonen en daar ook in de toekomst zullen blijven. Ter zitting heeft de moeder desgevraagd meermalen aangegeven dat zij hoopt dat de kinderen zo snel mogelijk bij haar zullen terugkeren, dat dit tijdens omgang met de kinderen ter sprake komt en dat de moeder de kinderen voor houdt ter zake van terugkeer naar haar geduld te hebben. De moeder blijft dus hoop houden dat er toekomstperspectief bestaat voor een opvoedingssituatie waarbij zij zelf zou kunnen zorgdragen voor de dagelijkse verzorging en opvoeding van haar kinderen. De moeder heeft derhalve bezwaar tegen de uithuisplaatsing van [zoon 1.] en [zoon 2.] op de lange termijn, waardoor haar gedrag onduidelijkheid bij de kinderen omtrent de – toekomstige – verblijfplaats teweeg kan brengen. De onzekerheid voor de kinderen over het toekomstperspectief van de opvoedingssituatie kan ertoe leiden dat het hechtingsproces van beide kinderen in de huidige opvoedingssituatie niet ongestoord kan worden voortgezet. Het hof is in het onderhavige geval niet gebleken van een duurzame bereidheid aan moederszijde om de kinderen te laten opgroeien in de huidige opvoedingssituatie.

3.6.4. Het staat vast dat de genoemde termijn van één jaar en zes maanden in het geval van [zoon 1.] en [zoon 2.] is verstreken; beiden wonen sinds december 2006 niet meer bij hun ouders.

3.6.5. Het hof is van oordeel dat gelet op het voorgaande, de problematiek van [zoon 1.] en [zoon 2.] en de onmacht van de moeder om hen een opvoedingssituatie te bieden die aansluit bij de behoefte van de kinderen, de bedreiging als genoemd in art. 1:254 BW niet voldoende weggenomen kan worden door de maatregel van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing.

Het recht van de kinderen op duidelijkheid over de opvoedingssituatie, dat tevens voortvloeit uit art. 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), weegt zwaarder dan het gevoel van onwaardigheid dat de moeder bij ontheffing heeft en haar vrees dat ontheffing mogelijk zal leiden tot het verlies van betrokkenheid of contact met de kinderen. Het belang van de kinderen bij stabiliteit en continuïteit binnen de huidige opvoedingssituatie en zekerheid voor hen hierover dient zwaarder te wegen.

Gelet op het bovenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

3.7. Het hof acht het prijzenswaardig dat de moeder zich altijd coöperatief heeft opgesteld jegens de hulpverlening, waarmee zij het belang van [zoon 1.] en [zoon 2.] voorop heeft weten te stellen. Ter zitting heeft de stichting verklaard dat de moeder ook na de ontheffing betrokken zal blijven bij te nemen beslissingen ten aanzien van de kinderen. Het hof hoopt dat de moeder zich coöperatief zal blijven opstellen na de ontheffing en dat de stichting er inderdaad zorg voor zal dragen dat de goede band tussen de kinderen en de moeder in stand blijft en dat de moeder gekend en betrokken blijft bij te nemen beslissingen en belangrijke gebeurtenissen in het leven van [zoon 1.] en [zoon 2.].

3.8. De vader van [zoon 1.] en [zoon 2.] is niet ter zitting verschenen, doch uit hetgeen zijn raadsvrouwe naar voren heeft gebracht tijdens de mondelinge behandeling maakt het hof op dat de vader zich niet verzet tegen de ontheffing van de moeder van het gezag over de kinderen. De onvrede van de vader betreft niet de ontheffing, doch de toewijzing van de voogdij over de kinderen aan de stichting. De raadsvrouw heeft ter zitting namens de vader uitgesproken dat hij het wenselijk zou vinden dat zijn moeder met de voogdij over de kinderen zou worden belast in plaats van de stichting. Er is hiertoe echter geen verzoek gedaan in het onderhavige hoger beroep, zodat het hof dienaangaande ook geen beslissing kan en hoeft te nemen.

3.9. Het hof merkt op dat het wenselijk is dat de vader zich jegens [zoon 1.] en [zoon 2.] niet uitlaat over een mogelijke terugkeer naar een opvoedingssituatie bij (de moeder van) de vader, terwijl hulpverlening uitdrukkelijk aangeeft dat dit niet in het belang van de kinderen is. Een ontheffing van de moeder van het gezag over [zoon 1.] en [zoon 2.] zal de door vader gecreëerde onduidelijkheid hieromtrent in de toekomst wellicht niet wegnemen en het hof acht het zeer gewenst dat ook de vader hierin zijn verantwoordelijkheid neemt en het belang van de kinderen voorop stelt.

3.10. Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen.

4. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Breda van 16 juli 2009;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank ’s-Hertogenbosch.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Milar, Lamers en Renckens en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2010.

Conc. RvZ