Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL5419

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
20-003177-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het vervaardigen en in bezit hebben van kinderpornografische afbeeldingen (meermalen gepleegd), het plegen van ontucht met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige (meermalen gepleegd) en het onttrekken van een minderjarige aan het bevoegd opzicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003177-08

Uitspraak : 26 januari 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van

21 augustus 2008 in de strafzaak met parketnummer 02/811999-07 tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar 1960],

thans wonende te [woonplaats], [adres],

volgens eigen opgaaf binnenkort wonend te [woonplaats], [adres],

waarbij de verdachte ter zake van

- het onder 1 ten laste gelegde “een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, meermalen gepleegd”;

- het onder 2 ten laste gelegde “ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd”;

- het onder 3 ten laste gelegde “onttrekking van een minderjarige aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent”

werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

Bij het vonnis werd de benadeelde partij [A] in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. Voorts werden in beslag genomen voorwerpen onttrokken aan het verkeer, verbeurd verklaard en teruggegeven aan de verdachte.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Voor het overige behelst haar requisitoir dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen en de daarbij behorende schadevergoedingsmaatregel zal worden opgelegd, terwijl omtrent de in beslag genomen voorwerpen zal worden beslist zoals de rechtbank dat heeft gedaan.

De raadsman van verdachte heeft een strafmaatverweer gevoerd en daarnaast bepleit dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Hij heeft zich ten aanzien van de in beslag genomen voorwerpen gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op meer, althans één, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 maart 2007 tot en met 14 november 2007 te [plaats], in elk geval in Nederland, één of meermalen een afbeelding en/of een gegevensdrager, bevattende één of meer afbeelding(en), van (een) seksuele gedraging(en), te weten (in totaal ongeveer 520 althans ongeveer 261 verschillende afbeeldingen) (waaronder) (een) afbeelding(en) waarop [A] (geboren [in het jaar 1991]) de penis van een volwassen man in haar vagina en/of haar mond en/of haar hand(en) heeft en/of waarop de borst(en) van die [A] (gebonden in/met touw) nadrukkelijk in beeld is/zijn gebracht, bij welke vorenbedoelde afbeelding(en) (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, (telkens) heeft verspreid en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of uitgevoerd en/of in bezit heeft gehad.

2.

hij op meer, althans één, tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 29 januari 2007 tot en met 29 oktober 2007 te [plaats] ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [A], geboren [in het jaar 1991], immers heeft hij zijn penis in de mond en/of de vagina van die [A] geduwd/gebracht/gehouden en/of zijn penis door die [A] laten vasthouden/betasten en/of de borsten van die [A] betast/gestreeld.

3.

hij in of omstreeks de periode van 19 oktober 2007 tot en met 25 oktober 2007 te [plaats] opzettelijk een minderjarige, te weten [A], geboren [in het jaar 1991], heeft onttrokken aan het wettelijk over haar gesteld gezag en/of aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende, te weten Bureau Jeugdzorg en/of [naam], immers heeft hij die [A] onderdak geboden en/of verborgen gehouden (toen zij overeenkomstig een vonnis van de kinderrechter uit huis/in een jeugdinrichting geplaatst diende te worden).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast.

? De seksuele contacten en de daarvan gemaakte foto’s

Uit de verklaring van [A], geboren [in het jaar 1991], blijkt dat zij sinds begin 2007 bij de verdachte verbleef in diens woning aan [het adres] in [plaats]. Op 29 oktober 2007 werd de verdachte aangehouden in verband met de (hierna eveneens te bespreken) verdenking dat hij [A] had onttrokken aan het bevoegd opzicht (het thans onder 3 ten laste gelegde feit). Omdat [A] op dat moment niet in de woning werd aangetroffen, zijn onder meer een tweetal computers onder de verdachte in beslag genomen teneinde na te gaan of de verblijfplaats van [A] daarmee kon worden achterhaald.

Op een van die computers trof de digitale recherche verwijderde bestanden aan die kinderpornografische afbeeldingen en filmpjes bevatten. Het ging in totaal om 201 foto’s, waaronder - zo bleek uit nader onderzoek - 198 foto’s waarop [A] te zien is. Diezelfde serie foto’s stond tevens op de geheugenkaart van een aan de verdachte toebehorend fototoestel, merk Canon, en op een cd met het opschrift “[voornaam A] privé”. Van deze serie foto’s kon worden vastgesteld dat de eerste foto’s omstreeks 11 maart 2007 en de laatste in juni 2007 zijn gemaakt. De digitale recherche heeft op de foto’s onder meer het volgende waargenomen:

“Ze, [A], naakt, alleen met slipje aan […] is te zien.

Ze vastgebonden is met een wit touw of handboeien.

Haar mond is afgeplakt met zwarte tape.

Ze in haar mond een rode ‘bal’ heeft wat in haar mond wordt gehouden middels riemen om haar hoofd.

Ze met touw of handboeien vastgebonden wordt aan het plafond of bed.

Haar borsten afgebonden zijn middels touw waarbij de borsten rood/blauw verkleurd zijn.

Ze […] wasknijpers op haar tepels heeft.

Ze een kleerhanger met daaraan knijpers voor broeken, op haar tepels heeft.

Ze door een persoon bij haar blote borsten wordt gepakt.

Ze de stijve penis van een man in haar mond heeft.

Ze de stijve penis van een man in haar hand heeft.

Ze gepenetreerd wordt door een man.”

Op grond van die beschrijving is naar ’s hofs oordeel genoegzaam duidelijk dat deze foto’s moeten worden beschouwd als afbeeldingen van seksuele gedragingen. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep overigens erkend dat de foto’s pornografisch van aard waren. Het hof stelt daarbij vast dat [A] bij deze afbeeldingen betrokken was, terwijl zij ten tijde van het maken van die afbeeldingen 16 jaar oud was en derhalve nog niet de leeftijd van 18 jaar had bereikt.

De verdachte heeft tegenover de politie en de rechtbank verklaard dat hij in die periode twee keer een fotosessie met [A] heeft gehad, waarbij zij hem onder meer oraal heeft bevredigd. Hij heeft echter steeds ontkend dat hij bij [A] vaginaal is binnengedrongen, laat staan dat hij daarvan foto’s heeft gemaakt. Het hof stelt die ontkenning als ongeloofwaardig terzijde en overweegt daartoe als volgt.

[A] verklaarde over de seksuele contacten tegenover de politie als volgt.

“Toen ik begin 2007 bij [voornaam verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) ging wonen, […] zijn we ook met elkaar naar bed gegaan. Dat wilde ik toen ook zelf. […] Ik was […] nog vijftien toen we het voor het eerst deden. […] De eerste keer gebeurde bij hem thuis op zijn kamer. […] Hij begon mij weer te strelen en al. Daarna hadden wij seks, neuken. […] Daarna is het nog een paar keer gebeurd. Ik begon het wel leuk en spannend te vinden. Ik wilde het ook steeds vaker zelf. […]

De foto’s zijn begonnen toen ik het zelf wilde. Hij had mij vastgebonden en zei dat hij een foto ging maken. Dat vond ik al helemaal spannend. […] Hij maakte foto’s en filmpjes. Hij liet mij ook een paar sites zien waar ook foto’s en al op stonden. Hij zei dat hij mij ook een keer op die manieren wilde vastbinden zoals op die sites. Ik wilde dat zelf ook wel. […]

Het is zo vaak gebeurd. Hij heeft heel veel foto’s van mij. […]

Als ik was vastgebonden in allerlei posities keek hij naar me en geilde hij zichzelf op. Hij stond dan voor me te kijken. […] Als ie dan helemaal geil is dan neemt ie me. Dan hadden we seks, terwijl ik vastgebonden lag. […]

De foto’s die gemaakt zijn, zijn op de slaapkamer van [voornaam verdachte] gemaakt. Alle foto’s die gemaakt zijn, zijn in de woning van [voornaam verdachte] gemaakt. Wij waren ook altijd samen. Er was niemand anders bij.”

Deze verklaring kenmerkt zich naar het oordeel van het hof door gedetailleerdheid en nuances. Zo blijkt daaruit dat de seksuele omgang met verdachte en de gehouden fotosessies met de instemming van [A] plaatsvonden. Het hof hecht daarom geloof aan deze verklaring, hetgeen temeer geldt nu de verdachte bij de rechtbank verklaarde dat hij zich niet kan voorstellen dat iemand anders dan hij foto’s van [A] heeft gemaakt omdat zij dat nooit toe zou laten.

? Een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige

Uit het voorgaande komt naar voren dat [A] in de (onder 2 ten laste gelegde) periode van 29 januari 2007 tot en met 29 oktober 2007 maandenlang bij de verdachte heeft ingewoond. Dat heeft de verdachte ook wel erkend, maar hij plaatste daarbij de kanttekening dat hij geen ‘zorgplicht’ ten aanzien van [A] had. Hij onderhield namelijk met haar, zo stelde hij, een affectieve en in zekere zin gelijkwaardige relatie. Daarmee miskent de verdachte naar ’s hofs oordeel echter dat hij in die periode, waarin [A] minderjarig was en hij haar onderdak verleende, onder de gegeven omstandigheden de feitelijke zorg en waakzaamheid over [A] had. De omstandigheid, dat zijn relatie met haar ook affectief van aard was, bevrijdt hem naar het oordeel van het hof niet van deze zorgplicht. Dat deze zorgplicht geen formele grond heeft, zoals door de raadsman aangevoerd, is daarbij niet van belang.

? Onttrekking aan het bevoegd opzicht

Op 25 oktober 2007 is aangifte gedaan door [B], de indertijd ten aanzien van [A] aangestelde gezinsvoogd van Bureau Jeugdzorg. Deze aangifte houdt voor zover van belang het volgende in.

“Momenteel verblijft [voornaam A] (het hof begrijpt: [A]) te [plaats], [adres]. Aldaar verblijft ze bij [de verdachte]. Voor de duur van het onderzoek is door de Raad van de Kinderbescherming gedoogd dat [voornaam A] aldaar verbleef.

Op 7 september 2007 is door de kinderrechter een OTS (ondertoezichtstelling) afgegeven met een machtiging voor uithuisplaatsing, waardoor Bureau Jeugdzorg gemachtigd is [voornaam A] te plaatsen in een accommodatie van een zorgaanbieder.

Omdat er geen plek was bij een zorgaanbieder en de situatie niet langer gedoogd kon worden, moest [voornaam A] worden geplaatst in een crisisopvang. Dit zou gebeuren op 19 oktober 2007.

Op donderdag 18 oktober 2007 werd [voornaam A] door mij, telefonisch, op de hoogte gesteld en gevraagd de volgende dag met haar spullen klaar te staan. Ik zou haar na schooltijd ophalen.

Op vrijdag 19 oktober 2007, omstreeks 14.30 uur, was ik samen met twee politiemensen en mijn collega [C], op [het adres] te [plaats]. Aldaar werden we te woord gestaan door [de verdachte], die aldaar woonachtig is.

Hij verklaarde dat [voornaam A] niet in de woning was, maar was weggelopen. Ik hoorde dat hij tegen mij zei: “Ik heb wel een vermoeden waar [voornaam A] is, als ik haar bel is ze hier binnen 5 minuten, maar dat doe ik niet. Ik wil eerst weten wat er niet bij mij pluis zou zijn.” [De verdachte] heeft op geen enkele grond bevoegdheid iets te zeggen of eisen ten aanzien van [voornaam A]. […]

Ik kreeg tijdens het gesprek met [de verdachte] het gevoel dat hij zeker wist waar [voornaam A] verbleef. Hij gaf ook aan dat hij het niet eens was met de crisisplaatsing van [voornaam A]. [voornaam A] zou het beste kunnen blijven bij hem. Dit zou [voornaam A] ook zelf willen.

Ik heb nog tegen [de verdachte] gezegd dat wij in opdracht van de kinderrechter te Breda, de beschikking, ten uitvoer moesten leggen.

Op dinsdag 23 oktober 2007 kreeg ik een telefoontje van Maatschappelijk Werk uit [plaats]. Ik hoorde dat [voornaam A] die ochtend voor een gesprek daar was geweest.

De maatschappelijk werker vertelde mij dat [voornaam A] had gezegd, dat zowel [voornaam A] als [de verdachte] tegen iedereen had gezegd dat ze was weggelopen, maar dat ze in werkelijkheid nog steeds bij [voornaam verdachte], op [het adres] te [plaats] verbleef.”

Ondanks dat de verdachte dit feit ter terechtzitting in hoger beroep heeft bekend, heeft de raadsman aangevoerd, zonder overigens daaraan de conclusie te verbinden dat de verdachte op die grond zou moeten worden vrijgesproken, dat het opzet tot onttrekking aan het gezag bij de verdachte heeft ontbroken.

Gelet op die stellingname van de raadsman brengt het hof de verklaring in herinnering die de verdachte tegenover de politie heeft afgelegd. Deze houdt voor zover van belang het volgende in.

“[voornaam A] vertelde mij dat ze naar de crisisopvang moest.. [voornaam A] wilde dit niet. […]

Vrijdag (het hof begrijpt, gelet op bovenvermelde aangifte: 19 oktober 2007) in de middag kwamen er twee vrouwen van de Jeugdzorg aan de deur. Ze kwamen [voornaam A] ophalen. Ik vertelde gelijk dat ze er niet was. […]

Ik heb de Jeugdzorg niet verteld waar [voornaam A] was, al wist ik dat wel. […]

Vanaf die vrijdagavond heeft [voornaam A] gewoon bij mij thuis verbleven. We hebben weer gewoon gedaan wat we altijd al deden.

Afgelopen maandag, toen ik ben aangehouden, (het hof begrijpt: 29 oktober 2007) was [voornaam A] gewoon in de woning. […] Ik wist al die tijd dat [voornaam A] naar de Jeugdzorg moest. […] Ik heb de Jeugdzorg of de politie niet gebeld omdat [voornaam A] en haar oma niet wilden dat ze naar de crisisopvang ging.”

Uit die verklaring blijkt ondubbelzinnig dat de verdachte [A] in de periode van

19 oktober 2007 tot en met 29 oktober 2007 voor Bureau Jeugdzorg - dat op dat moment door de kinderrechter als bevoegd opzichter was aangemerkt - bewust onderdak heeft geboden en verborgen heeft gehouden. Ook kan uit deze verklaring worden afgeleid dat de verdachte ervan op de hoogte was dat Bureau Jeugdzorg bevoegd was het opzicht over [A] uit te oefenen. Het hof acht daarom ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de minderjarige [A] opzettelijk heeft onttrokken aan het opzicht dat Bureau Jeugdzorg desbevoegd over haar uitoefende.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen - waarbij elk bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft - in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 maart 2007 tot en met 14 november 2007 te [plaats], meermalen een afbeelding van een seksuele gedraging, te weten verschillende afbeeldingen waaronder afbeeldingen waarop [A] (geboren [in het jaar 1991]) de penis van een volwassen man in haar vagina en mond en haar handen heeft en waarop de borsten van die [A] (gebonden met touw) nadrukkelijk in beeld zijn gebracht, bij welke vorenbedoelde afbeeldingen telkens een persoon, die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken, telkens heeft vervaardigd en in bezit heeft gehad.

2.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 29 januari 2007 tot en met 29 oktober 2007 te [plaats] ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [A], geboren [in het jaar 1991], immers heeft hij zijn penis in de mond en de vagina van die [A] gebracht/gehouden en zijn penis door die [A] laten vasthouden en de borsten van die [A] betast.

3.

hij in de periode van 19 oktober 2007 tot en met 25 oktober 2007 te [plaats] opzettelijk een minderjarige, te weten [A], geboren [in het jaar 1991], heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefende, te weten Bureau Jeugdzorg, immers heeft hij die [A] onderdak geboden en verborgen gehouden toen zij overeenkomstig een vonnis van de kinderrechter uit huis geplaatst diende te worden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 240b, eerste lid, juncto artikel 57, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 249, eerste lid, juncto artikel 57, van het Wetboek van Strafrecht.

Het onder 3 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 279, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het vervaardigen en in bezit hebben van kinderpornografische afbeeldingen (meermalen gepleegd), het plegen van ontucht met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige (meermalen gepleegd) en het onttrekken van een minderjarige aan het bevoegd opzicht.

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot eenzelfde strafoplegging.

De raadsman heeft in het kader van de strafmaat bepleit dat:

- ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit rekening zal worden gehouden met de omstandigheden dat de verdachte de afbeeldingen niet heeft verspreid en dat [A] met het maken van die afbeeldingen zonder enige dwang heeft ingestemd;

- de verdachte ter zake van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten schuldig zal worden verklaard zonder oplegging van straf, nu er sprake was van een juridisch onduidelijke situatie ten aanzien van het gezag over de minderjarige [A] en de vraag aan wie de zorg voor haar was toegewezen;

- gelet op alle feiten en omstandigheden, daarbij mede in aanmerking genomen verdachtes persoonlijkheidsstoornis en een laag recidiverisico, met een werkstraf al dan niet in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf kan worden volstaan.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarbij heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Hoewel het de raadsman kan worden toegegeven dat de formele, juridische situatie rondom het gezag over [A] niet geheel duidelijk is geweest, ziet het hof daarin geen aanleiding de verdachte ter zake van de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten schuldig te verklaren zonder oplegging van straf. Dat Bureau Jeugdzorg het verblijf bij de verdachte enige tijd heeft gedoogd, betekent niet dat de verdachte de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg naast zich neer kon leggen. Daarbij had hij in die periode - gelet op de bijzondere omstandigheden - wel degelijk de feitelijke zorg en waakzaamheid over [A]. Dit had de verdachte moeten beseffen.

Ten bezware van de verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op het volgende.

- De verdachte heeft seksuele omgang gehad met een minderjarige en deze omgang op verschillende foto’s vastgelegd, waardoor hij op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van deze minderjarige heeft geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat daardoor een normale en gezonde seksuele ontwikkeling mogelijk wordt doorkruist.

- Dat geldt te meer nu deze seksuele omgang heeft plaatsgevonden in een periode dat de minderjarige aan verdachtes zorg en waakzaamheid was toevertrouwd. Hij heeft daardoor het vertrouwen, dat door Bureau Jeugdzorg in hem was gesteld, op grove wijze beschaamd.

Ten voordele van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met het volgende.

- Uit het uittreksel van het Justitieel Documentatieregister d.d. 7 december 2009 blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van gelijksoortige strafbare feiten is veroordeeld.

- De psycholoog drs. J.F.L.M. van Kemenade heeft in een pro justitia rapport d.d. 18 juli 2008 geconcludeerd dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar moet worden geacht ten tijde van de ten laste gelegde feiten, maar dat hij wel lijdt aan een borderline persoonlijkheidsstoornis.

- Zowel de verdachte alsook de betrokken minderjarige zagen hun omgang met elkaar op enig moment als een relatie. De verdachte heeft de minderjarige daarbij niet gedwongen tot de seksuele contacten die zij hebben gehad. Het gebeurde met haar instemming, zodat het verwijt dat aan de verdachte moet worden gemaakt veeleer is dat dit tot stand kwam terwijl er sprake was van een afhankelijkheidsrelatie.

Anders dan de eerste rechter en de advocaat-generaal oordeelt het hof dat gelet op de hierboven beschreven feiten en omstandigheden in het onderhavige geval kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelijk aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf als hierna worden opgelegd.

Met de oplegging van deze gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Beslag

Van de in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen is het hof gebleken dat slechts de harddisk, vermeld op de beslaglijst onder het nummer 2, en de niet op de beslaglijst vermelde cd met opschrift ‘[voornaam A] privé’ en fotogeheugenkaart van het merk Canon, voorwerpen zijn die met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde feit zijn begaan.

Het hof zal daarom bevelen dat deze voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer.

Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [A] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 4.500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente. Bij het beroepen vonnis werd de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van de niet toegewezen vordering.

De vordering is naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen en zij kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36c, 57, 240b, 249 en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1. Een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen en in bezit hebben, meermalen gepleegd.

2. Ontucht plegen met een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

3. Opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over haar uitoefent.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 133 (honderddrieëndertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond van het feit dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren wordt verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de volgende in beslag genomen voorwerpen:

? het op de beslaglijst vermelde voorwerp:

2: 1 Harddisk, kleur: zwart, Seagate U4;

? de niet op de beslaglijst vermelde voorwerpen:

- CD met het opschrift [voornaam A] privé;

- Fotogeheugenkaart, merk Canon, type FC-32MH.

Gelast de teruggave aan de verdachte van de volgende in beslag genomen voorwerpen:

1: 1 Harddisk, kleur: zwart, Western Digital;

3: 1 Harddisk, kleur: zwart, Quatum fireball;

4: 1 Harddisk, kleur: zwart, Maxtor;

5: 1 Harddisk, kleur: zilver, Seagate;

52: 1 Ondergoed, kleur: bruin, slip;

57: 1 STK Kledinghanger, kleur: zwart.

Verklaart de benadeelde partij [A] in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt voornoemde benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven en mr. F.A.G.M. Vluggen,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 26 januari 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.