Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL5417

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
24-02-2010
Zaaknummer
20-000386-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2009:BH5204, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht nieuwe VI-regeling: een TUL van een gevangenisstraf van voor de wetswijziging en een op te leggen gevangenisstraf van na de wetswijziging worden bij een aaneensluitende tenuitvoerlegging niet als één vrijheidsstraf aangemerkt. De VI wordt aldus over beide vrijheidsstraffen afzonderlijk berekend: de gevangenisstraf van de TUL conform de (voorheen geldende) vervroegde VI en de op te leggen gevangenisstraf conform de (thans geldende) voorwaardelijke VI.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000386-09

Uitspraak : 26 januari 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof te

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van 21 januari 2009, parketnummer 03/700453-08 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging, parketnummer 16/604062-06, in de strafzaak tegen:

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] [in het jaar 1954],

wonende te [woonplaats], [adres],

waarbij de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” en het onder 4 ten laste gelegde “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod” werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest. Bij het vonnis werd voorts de tenuitvoerlegging gelast van de bij het vonnis van de rechtbank Utrecht d.d. 22 december 2008 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar. Tot slot werden de in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis zal bevestigen.

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat de verdachte van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken. Hij heeft voorts verweer gevoerd ten aanzien van de op te leggen straf en de vordering tot tenuitvoerlegging.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere kwalificatie van de bewezen verklaarde feiten en een andere beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 3 juli 2008 te [woonplaats verdachte], in elk geval in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in een woning aan [het adres], een vuurwapen van categorie II, te weten: een automatisch vuurwapen (Micro Uzi, kaliber 9mm para), en/of een of meer patroonmagazijn(en) (behorende bij een Micro Uzi, kaliber 9mm para) voorhanden heeft gehad.

2.

hij op of omstreeks 3 juli 2008 te [woonplaats verdachte], in elk geval in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in een woning aan [het adres], een vuurwapen van categorie III, te weten een semi-automatisch geweer (merk FN, kaliber 5.56mm), en/of munitie van categorie III, te weten 164, in elk geval een aantal, patronen voorhanden heeft gehad.

3.

hij op of omstreeks 3 juli 2008 te [woonplaats verdachte], in elk geval in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, in een woning aan [het adres], een (scherf)handgranaat, zijnde (een) voorwerp(en) bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad.

4.

hij op of omstreeks 3 juli 2008 te [woonplaats verdachte], in elk geval in de gemeente Heerlen, in een woning aan [het adres], opzettelijk ongeveer 533 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, aanwezig heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

Op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof het volgende vast.

Op 3 juli 2008 heeft een doorzoeking plaatsgevonden van de woning van verdachte aan [het adres] te [woonplaats verdachte]. In de woning werd in de woonkamer onder de televisie een toiletzak aangetroffen met daarin een Micro Uzi-pistoolmitrailleur, een bijbehorende lange houder (het hof begrijpt: een patroonmagazijn) met scherpe 9mm para patronen, een bijbehorende korte lege houder (het hof begrijpt: een patroonmagazijn), een doosje met scherpe patronen van het kaliber .22, een doosje met scherpe patronen van kaliber 9 mm Luger en een zwartkleurige scherfhandgranaat.

Voorts werd in een kast in de woonkamer een automatisch geweer van het merk FN, kaliber 5.56 mm, met een bijbehorende lege houder aangetroffen. In diezelfde kast werd eveneens een etuitje gevonden met scherpe patronen van het kalbier 5.56 mm, behorend bij dat automatisch geweer. Tot slot werd in een bureaulade in de woonkamer een pakket met - naar later bleek 533 gram - hennep gevonden.

Uit nader onderzoek bleek dat de aangetroffen Micro Uzi van het kaliber 9 mm para een automatisch vuurwapen is, dat beschouwd dient te worden als een vuurwapen van categorie II van de Wet wapens en Munitie. Het geweer van het merk FN bleek een semi-automatisch geweer te zijn dat valt onder categorie III van de Wet Wapens en Munitie.

De bepalingen betreffende de vuurwapens van categorie II zijn mede van toepassing op de twee bij de Micro Uzi behorende patroonmagazijnen.

De patronen - uit het onderzoek blijkt dat het in totaal gaat om 164 kogelpatronen, te weten 12, 66 en 25 kogelpatronen van het kaliber 9 mm Luger, 41 kogelpatronen van het kaliber .22 LR en 20 kogelpatronen van het kaliber .223 Rem - werden verder aangemerkt als munitie in de zin van categorie III van de Wet wapens en munitie.

De aangetroffen handgranaat is door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) onderzocht. Uit dat onderzoek bleek dat het “vrijwel zeker een intacte scherfhandgranaat betreft van het type M75 met bijpassende ontsteekinrichting, geproduceerd door de fabrikant Slavko Rodic uit Bugojno (Bosnië-Herzegovina).” Het hof is van oordeel dat deze scherfhandgranaat op grond van deze beschrijving moet worden beschouwd als een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing in de zin van categorie II van de Wet wapens en munitie.

Op de beide vuurwapens werden sporen aangetroffen. Deze sporen zaten op de rechterzijde van de pistoolgreep van het vuurwapen van het merk FN (spoornummer PD1-01.4) en op de linker- en rechtergreep van de pistoolgreep van het vuurwapen Micro Uzi (respectievelijk spoornummer PD1-02.1 en PD1-02.3).

Het NFI is daarop verzocht onderzoek te doen naar het “biologisch DNA” van deze sporen. Daarbij werd aan spoor PD1-01.4 de identiteitszegel EDA290, aan spoor PD1-02.1 de identiteitszegel EDA294 en aan spoor PD1-02.3 de identiteitszegel BJA200 gegeven.

Door het NFI werd geconcludeerd dat deze bemonsteringen (voorzien van de identiteitszegels EDA290, EDA294 en BJA200) complexe DNA-mengprofielen zijn “waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal twee personen, waaronder minimaal één man” en dat “het DNA-profiel van de verdachte [verdachte] matcht met deze DNA-mengprofielen”.

Tegenover de politie verklaarde de verdachte dat hij de woning aan de [straat] ter beschikking heeft gekregen in maart 2008, dat daar niemand anders woont en dat alleen hij op dat adres staat ingeschreven.

Het opzettelijk aanwezig hebben van de 533 gram hennep, zoals onder 4 is ten laste gelegd, heeft de verdachte bij de politie, de rechtbank en het hof toegegeven.

De verdachte heeft daarentegen stellig ontkend het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde te hebben begaan. Over het aantreffen van de wapens en munitie in zijn woning heeft de verdachte verklaard dat deze daar moeten zijn gelegd door een persoon van wie hij de naam niet wil noemen. De DNA-sporen die zijn aangetroffen, moeten volgens hem doelbewust zijn aangebracht door met een voorwerp dat zijn DNA bevat - gedacht kan worden aan een handschoen of sok - over de wapens te wrijven. Ter adstructie daarvan heeft hij verklaard dat hij niet vaak in zijn woning aanwezig is geweest en aan anderen een sleutel van zijn woning heeft gegeven, onder meer om zijn hond te verzorgen. Bovendien zijn de wapens en munitie aangetroffen op plaatsen - namelijk onder de televisie en in de computerkast - waar hij deze nooit zou opbergen. Dat zou immers mogelijk gevaar op kunnen leveren voor zijn kinderen, aldus de verdachte.

In het verlengde van deze verklaring van verdachte heeft de raadsman bepleit dat de verdachte van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verklaring van verdachte plausibel moet worden geacht en dat daarom gerede twijfel bestaat over de wijze waarop de wapens en munitie in de woning terecht zijn gekomen. Voorts heeft hij het standpunt betrokken dat de door de rechtbank gebezigde CIE informatie moet worden uitgesloten van het bewijs.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank verklaard dat hij in elk geval de dag voordat de wapens werden aangetroffen, dus op 2 juli 2008, nog in de woning is geweest om kleren te strijken.

De wapens en munitie zijn, zo is hiervoor al aan de orde gekomen, aangetroffen in de woonkamer onder de televisie en in een kast.

Gelet op die omstandigheden - en mede in aanmerking genomen dat de verdachte de naam van de persoon, die de wapens en munitie in zijn woning zou hebben geplaatst, niet heeft willen noemen terwijl van verdachte op de wapens DNA-sporen zijn aangetroffen - stelt het hof de verklaring van de verdachte als ongeloofwaardig terzijde.

De CIE informatie gebruikt het hof niet in zijn bewijsvoering. Het daarover door de raadsman ingenomen standpunt behoeft derhalve geen nadere bespreking.

Het hof verwerpt mitsdien het verweer van de raadsman.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen - waarbij elk bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft - in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 3 juli 2008 te [woonplaats verdachte] in een woning aan [het adres], een vuurwapen van categorie II, te weten een automatisch vuurwapen (Micro Uzi, kaliber 9 mm para), en patroonmagazijnen (behorende bij een Micro Uzi, kaliber 9 mm para), voorhanden heeft gehad.

2.

hij op 3 juli 2008 te [woonplaats verdachte] in een woning aan [het adres], een vuurwapen van categorie III, te weten een semi-automatisch geweer (merk FN, kaliber 5.56 mm), en munitie van categorie III, te weten 164 patronen, voorhanden heeft gehad.

3.

hij op 3 juli 2008 te [woonplaats verdachte] in een woning aan [het adres] een scherfhandgranaat, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing, voorhanden heeft gehad.

4.

hij op 3 juli 2008 te [woonplaats verdachte] in een woning aan [het adres], opzettelijk ongeveer 533 gram hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II aanwezig heeft gehad

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 3 bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld in artikel 55, derde lid, onder a, van die wet.

Het onder 2 bewezen verklaarde is - voor zover betrekking hebbende op het vuurwapen van categorie III - als misdrijf voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld in artikel 55, derde lid, onder a van die wet.

Het onder 2 bewezen verklaarde is - voor zover betrekking hebbende op de munitie van categorie III - als misdrijf voorzien bij artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en strafbaar gesteld in artikel 55, eerste lid van deze wet.

Het onder 4 bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien bij artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet en strafbaar gesteld in artikel 11, tweede lid, van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Deze worden gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens van categorie II (het automatisch vuurwapen van het merk Micro Uzi en een scherfhandgranaat), een vuurwapen van categorie III (een semi-automatisch geweer van het merk FN) en munitie van categorie III alsmede aan het opzettelijk aanwezig hebben van 533 gram hennep.

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake daarvan veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot eenzelfde strafoplegging.

De raadsman heeft bepleit dat het hof - bij een bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten - gelet op de toepasselijke BOS Polaris-vervolgingsrichtlijnen van het openbaar ministerie aan de verdachte gevangenisstraf van ten hoogste 6 maanden en 21 dagen zal opleggen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof stelt daarbij voorop dat het hof zich ten aanzien van de straf richt op rechterlijke uitspraken met betrekking tot feiten die met het onderhavige geval vergelijkbaar zijn.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat het bezit van wapens en munitie, zoals bewezen verklaard, een groot risico voor de algemene veiligheid van personen veroorzaakt en dat dit - illegale - bezit vanwege de daaraan verbonden gevaarzetting een maatschappelijk kwaad is dat ernstig dient te worden bestraft.

In verband met de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op:

- de omstandigheid dat de verdachte, blijkens het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 7 december 2009, eerder ter zake van soortgelijke delicten is veroordeeld;

- de medische situatie van de verdachte alsook zijn overige persoonlijke omstandigheden, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Gelet op al het vorenstaande kan naar ’s hofs oordeel niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een straf die de onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt voor de duur als door de eerste rechter opgelegd en door de advocaat-generaal gevorderd.

Vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie te Maastricht heeft op 9 december 2008 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van de rechtbank te Utrecht van 22 december 2006 onder parketnummer 16/604062-06 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar.

De eerste rechter heeft de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf gelast.

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor de duur van 1 jaar moet worden gelast, waarvan het openbaar ministerie gelet op het bepaalde in artikel 15, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht (oud) slechts 8 maanden ten uitvoer zal leggen.

De raadsman heeft te dezen bepleit dat

- primair: gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zal worden volstaan met het verlengen van de proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf;

- subsidiair: gelet op die omstandigheden de tenuitvoerlegging in die zin zal worden gelast dat de gevangenisstraf wordt omgezet in de vorm van een taakstraf;

- meer subsidiair: het hof slechts 6 maanden van de voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer zal leggen, aangezien de verdachte - indien de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf aaneensluitend zou hebben plaatsgevonden met de bij het vonnis opgelegde gevangenisstraf - gelet op het thans geldende artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht niet na 21 maanden, zoals het openbaar ministerie na het vonnis van de rechtbank had medegedeeld, maar reeds na ommekomst van 15 maanden in vrijheid had moeten worden gesteld terwijl de verdachte thans de bij vonnis opgelegde vrijheidsstraf reeds in zijn geheel in voorarrest heeft uitgezeten. Weliswaar is door het instellen van het hoger beroep geen sprake geweest van een aansluitende tenuitvoerlegging, maar dat mag niet nadelig uitwerken voor verdachte, aldus de raadsman;

- meest subsidiair: zoals door de advocaat-generaal gevorderd, de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf zal worden gelast met dien verstande dat gelet op de toen geldende regeling daarvan niet meer dan 8 maanden in detentie hoeft worden doorgebracht.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Gelet op de ernst van de bij dit arrest bewezen verklaarde feiten kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een verlenging van de proeftijd of omzetting in een taakstraf, zoals de raadsman heeft bepleit.

Hetgeen de raadsman ter adstructie van zijn meer subsidiair gevoerde verweer heeft aangevoerd, is voorts slechts ten dele juist. Het openbaar ministerie in eerste aanleg heeft kennelijk het standpunt gehuldigd dat de verdachte, gelet op de eerder genoemde wetswijziging, bij een aaneengesloten tenuitvoerlegging beide straffen volledig zou moeten uitzitten. Dat standpunt vindt naar ’s hofs oordeel geen steun in het recht. Nu ten tijde van het wijzen van het beroepen vonnis het thans bepaalde van artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht van kracht was, geldt weliswaar dat de bij het beroepen vonnis opgelegde gevangenisstraf van 9 maanden - een straf van minder dan een jaar - volledig ten uitvoer zou moeten worden gelegd, maar dat geldt op grond van overgangsregelgeving niet voor de gevangenisstraf waarop de onderhavige vordering tot tenuitvoerlegging betrekking heeft.

Immers, artikel VI, eerste lid, van de Wet van 6 december 2007 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met de wijziging van de vervroegde invrijheidstelling in een voorwaardelijke invrijheidstelling (Stb. 2007, 500) luidt - voor zover van belang - als volgt.

“Deze wet heeft geen gevolgen voor veroordelingen tot vrijheidsstraf die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn uitgesproken. De artikelen 15 tot en met 15d van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven in deze van toepassing.”

De raadsman heeft op grond daarvan geconcludeerd dat ervan dient te worden uitgegaan dat artikel 15, vierde en vijfde, lid van het Wetboek van Strafrecht van toepassing zijn, zoals deze luidden voor de inwerkingtreding van de wijzigingswet, zodat beide vrijheidsstraffen (de bij het beroepen vonnis opgelegde gevangenisstraf en de gevangenisstraf waarop de vordering tot tenuitvoerlegging ziet) gezamenlijk als één vrijheidstraf moeten worden aangemerkt en over dat totaal de vervroegde invrijheidsstelling moet worden berekend.

Op die gezamenlijk ten uitvoer te leggen straf is volgens de raadsman de nieuwe voorwaardelijke invrijheidsstelling van artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing, zodat de verdachte in dat geval na 15 maanden detentie in vrijheid had moeten worden gesteld.

Daarmee miskent de raadsman echter het derde lid van artikel VI van meergenoemde wijzigingswet. Dat luidt immers als volgt.

“Indien een veroordeelde zowel een vrijheidsstraf heeft te ondergaan die is uitgesproken voor de inwerkingtreding van deze wet, als een vrijheidsstraf die is uitgesproken na de inwerkingtreding van deze wet, is artikel 15, vijfde lid, tweede volzin, niet van toepassing.”

Artikel 15, vijfde lid, luidt:

“Indien de veroordeelde meer dan één vrijheidsstraf heeft te ondergaan, worden deze zo enigszins mogelijk aaneensluitend ten uitvoer gelegd. In dat geval worden geheel onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen vrijheidsstraffen gezamenlijk, met uitzondering van vervangende hechtenis, als één vrijheidsstraf aangemerkt, waarop dit artikel en de artikelen 15a tot en met 15l van toepassing zijn.”

In de overgangsregeling is derhalve uitdrukkelijk bepaald dat een aaneengesloten tenuitvoerlegging van ten uitvoer te leggen vrijheidsstraffen niet tot gevolg heeft dat deze als één vrijheidsstraf worden aangemerkt.

Nu de vrijheidsstraf, waarop de vordering tot tenuitvoerlegging ziet, wel is uitgesproken voor de inwerkingtreding van de wetswijziging, geldt evenwel de bepaling van artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze toen luidde. Deze bepaling houdt - voor zover van belang - het volgende in.

“1. De veroordeelde tot vrijheidsstraf waarvan het onvoorwaardelijk ten uitvoer te leggen gedeelte ten hoogste een jaar bedraagt wordt vervroegd in vrijheid gesteld wanneer de vrijheidsbeneming ten minste zes maanden heeft geduurd en van het alsdan nog ten uitvoer te leggen gedeelte van de straf een derde gedeelte is ondergaan.

[…]

4. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien op grond van artikel 14g, eerste lid, de tenuitvoerlegging van het geheel of een gedeelte van een vrijheidsstraf is gelast.”

Gezien het voorgaande wordt de verdachte niet geschaad in zijn belangen door thans alsnog de tenuitvoerlegging te gelasten van de volledig - bij het vonnis van de rechtbank te Utrecht van 22 december 2006 - voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 1 jaar. Met de advocaat-generaal en de raadsman (in zijn meest subsidiaire standpunt) is het hof van oordeel dat de verdachte - gelet op de vervroegde invrijheidsstelling - met het gelasten van de tenuitvoerlegging van de volledig voorwaardelijke gevangenisstraf na ommekomst van 8 maanden in vrijheid zal worden gesteld.

Het hof zal tot die tenuitvoerlegging ook beslissen, aangezien de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn ook anderszins geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die tot een andere oordeel zouden moeten leiden.

Beslag

De hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot welke het 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde en bewezen verklaarde is begaan, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14g, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het plegen van de bewezen verklaarde feiten.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

2. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

3. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

4. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 22 december 2006 onder parketnummer 16/604062-06, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 1 (een) jaar.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- 533 gram hennep (henneptoppen);

- 1 wapen, kleur: zwart, FN 0113 S.56, pistoolmitrailleur voorzien van lege houder;

- 1 wapen, kleur: zwart, Micro Uzi 9 mm para imi, 9 mm;

- 1 patroonhouder, leeg;

- 1 patroonhouder met daarin 12 patronen 9 mm para;

- 65 stuks munitie 9 mm para in plastic zak;

- 40 stuks munitie.22 in doosje;

- 25 stuks munitie LUGER 9 mm in dichtgeplakt doosje;

- 1 granaat, kleur: zwart, scherfhandgranaat;

- 20 stuks munitie cal. 5.56 in zwarte tas.

Aldus gewezen door

mr. J. Huurman-van Asten, voorzitter,

mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven en mr. F.A.G.M. Vluggen,

in tegenwoordigheid van mr. A.P. Verhaegh, griffier,

en op 26 januari 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.