Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL4915

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-02-2010
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
HD 103.002.061
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig beslag op auto. Vermeerdering van eis toelaatbaar?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. JB

zaaknrs. HD 103.002.061 en HD 103.002.415

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 9 februari 2010,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant,

advocaat: mr. B.L.G. Moolhuysen,

tegen:

[GEINTIMEERDE],

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap [X] INTERNATIONAAL TRANSPORT B.V.,

kantoorhoudend te Roermond,

geïntimeerde,

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar,

als vervolg op de door het hof in beide gevoegde zaken gewezen tussenarresten van 14 juli 2009 in het hoger beroep van de door de rechtbank Roermond onder nummer 61454/HA ZA 04-417 gewezen vonnissen van 23 maart 2005 en 17 augustus 2005.

13. Het tussenarrest van 14 juli 2009

Bij genoemd arrest heeft het hof de zaken verwezen naar de rol voor een akte aan de zijde van [appellant] en is iedere verdere beslissing aangehouden.

14. Het verdere verloop van de procedure

[appellant] heeft een akte genomen waarbij hij 6 producties heeft overgelegd.

De curator heeft een antwoordakte genomen.

Vervolgens hebben partijen de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

15. De verdere beoordeling

15.1 In het tussenarrest heeft het hof bewezen geacht dat de Opel Vectra aan [appellant] is verkocht en geleverd. Het hof besliste dat de vordering van de curator alsnog zal worden afgewezen en oordeelde dat de curator ten onrechte beslag op de auto heeft gelegd. Het hof kwam vervolgens toe aan de vordering van [appellant] in reconventie en constateerde dat het eerste onderdeel daarvan, opheffing van het beslag niet meer toewijsbaar was, omdat het beslag al was opgeheven en de auto was verkocht. Het tweede deel van de vordering van [appellant], strekkend tot schadevergoeding voor huur van een vervangende auto, heeft het hof in elk geval toewijsbaar geacht tot een bedrag van € 2.825,-.

Het hof heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de schade en [appellant] verzocht zijn schade nader te specificeren, onderbouwd door bewijsstukken.

15.2. [appellant] vordert thans de navolgende bedragen:

a) de waarde van de Opel Vectra ten bedrage van € 6.500,- te vermeerderen met rente, in totaal € 8.408,70.

b) huur vervangende auto over 113 dagen á € 25,- per dag, te vermeerderen met rente, in totaal € 3.609,57.

c) onverschuldigde betalingen aan de curator tot een bedrag van € 4.422,78, te vermeerderen met rente, in totaal € 5.562,78.

d) kosten van zijn adviseur € 4.784,25.

e) getuigentaxen ten bedrage van € 1.082,80.

De gevorderde posten bedragen tezamen € 23.447,80.

15.3. Het hof stelt voorop dat [appellant] in eerste aanleg heeft gevorderd, kort weergegeven,

- opheffing van het beslag op de auto;

- een bedrag van € 25,- per dag terzake van huur van een vervangende auto, ingaande 8 april 2004 tot de dag dat de curator hem in het bezit zou hebben gesteld van de auto, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag ingaande 25 juni 2004;

- veroordeling van de curator in de proceskosten.

15.4. [appellant] vordert nu een bedrag aan schadevergoeding dat is samengesteld uit vijf posten. Een deel daarvan moet worden beschouwd als een vermeerdering van eis.

De in art. 347 lid 1 Rv besloten twee-conclusie-regel beperkt de aan de oorspronkelijke eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van zijn eis in hoger beroep in die zin dat hij in beginsel zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of van antwoord mag veranderen of vermeerderen (HR 20 juni 2008, NJ 2009,21). Op deze in beginsel strakke regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard. Zo'n uitzondering doet zich voor indien sprake is van na het nemen van die memories voorgevallen of gebleken omstandigheden en de eisvermeerdering of -verandering ertoe strekt te voorkomen dat het geschil aan de hand van inmiddels achterhaalde gegevens zou moeten worden beslist, alles mits een goede procesorde zich daartegen niet verzet (HR 19 juni 2009, LJN BI8771). Deze uitgangspunten leiden er naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak in elk geval toe dat [appellant] het eerste deel van zijn oorspronkelijke vordering, dat inmiddels niet meer toewijsbaar is, mag veranderen in die zin dat hij in plaats van opheffing van het beslag vergoeding van de waarde van de Opel Vectra mag vorderen. Het hof zal verder per onderdeel beoordelen of het de vermeerdering van eis in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen toelaatbaar acht.

15.5. Het hof zal de in 15.2. genoemde posten successievelijk bespreken.

15.6.1. Ad a)

Zoals hiervoor overwogen acht het hof het aanvaardbaar dat [appellant] thans in plaats van de opheffing van het beslag als schadevergoeding vordert de waarde die de auto vertegenwoordigde ten tijde van het beslag. De curator heeft zich daartegen niet verzet, zij het dat hij verweer voert tegen het gevorderde bedrag en de ingangsdatum van de gevorderde rente.

De Opel Vectra werd op 7 juli 2003 aangekocht voor € 4.500,- met inruil van een Audi met een waarde van

€ 2.000,-. De koopprijs bedroeg derhalve € 6.500,-.

De auto werd op 8 april 2004 in beslag genomen. [appellant] heeft de auto dus ongeveer 9 maanden gebruikt. Hij is er onder andere mee naar Turkije op vakantie geweest. De stelling van [appellant] dat in die periode van 9 maanden geen afschrijving op de auto heeft plaatsgevonden is niet onderbouwd en wordt door het hof verworpen.

De auto is door de curator in april 2005 verkocht voor

€ 2.000,-. [appellant] stelde in zijn akte van 1 juni 2005 dat soortgelijke auto's in die periode te koop werden aangeboden voor een bedrag van gemiddeld € 4.480,-. Volgens de curator volgt daaruit dat de waarde van de auto op de dag van de beslaglegging niet meer dan € 5.500,- bedroeg.

Het hof zal uitgaan van een reële waarde van de auto van circa € 4.500,- per april 2005. Dan is sprake van een waardevermindering ter grootte van € 2.000,- in een periode van circa 21 maanden, namelijk van begin juli 2003 tot begin april 2005, hetgeen neerkomt op een waardevermindering van circa € 95,- per maand.

Op basis daarvan berekent het hof de waarde van de Opel Vectra op 8 april 2004 op € 5.645,-.

Het hof acht de vordering van [appellant] toewijsbaar tot dat bedrag. De rente daarover is toewijsbaar vanaf het moment van het onrechtmatig gelegde beslag, derhalve vanaf 8 april 2004.

15.6.2. Ad b)

In de conclusie van antwoord in reconventie van 4 augustus 2004 heeft de curator als verweer tegen dit onderdeel van de vordering van [appellant] uitsluitend aangevoerd dat [appellant] geen auto nodig heeft gehad in de periode van 30 juli 2004 tot en met 3 september 2004 in verband met zijn vakantie. Dat [appellant] een auto heeft gehuurd voor de door hem genoemde prijs per dag is dus onweersproken gebleven. In het tussenarrest van 14 juli 2009 heeft het hof in rov. 11.8.3. reeds beslist dat deze post toewijsbaar is tot een bedrag van € 2.825,-. Het hof ziet in hetgeen de curator op dit punt heeft aangevoerd geen reden om op zijn beslissing terug te komen, een nadere onderbouwing van [appellant] is gezien het vorenstaande op dit punt niet nodig. [appellant] heeft zijn vordering tot het bedrag van € 2.825,- beperkt. De rente daarover is toewijsbaar vanaf het moment waarop de kosten zijn gemaakt, welk moment het hof stelt op 30 juli 2004.

15.6.3.1. Ad c)

Deze vordering, gebaseerd op onverschuldigde betalingen, heeft [appellant] niet eerder ingesteld. Beoordeeld moet worden of sprake is van een vermeerdering van eis en zo ja of deze toelaatbaar is. [appellant] stelt dat hij op basis van de vonnissen waarvan beroep € 1.287,78 aan de curator heeft voldaan. [appellant] heeft voorts gesteld dat hij ter zake van proceskosten uit hoofde van een kort geding vonnis van 29 juli 2004 € 1.935,- aan de curator heeft voldaan en dat hij op 23 december 2004 € 1.200,- aan de curator heeft betaald. Alle kosten hadden volgens [appellant] betrekking op kosten die de curator had gemaakt om de auto in beslag te nemen, te bewaren en te verkopen.

De curator heeft erkend dat [appellant] aan hem € 1.287,78 heeft voldaan op basis van de vonnissen waarvan beroep. Voorts heeft de curator erkend dat [appellant] de proceskosten ad

€ 1.935,- en de kosten van betekening van het kort geding vonnis ad € 147,22 heeft betaald. De curator betwist dat [appellant] daarnaast € 1.200,- heeft betaald, dat betrof volgens hem de gedeeltelijke voldoening van het bedrag van

€ 1.935,-. Volgens de curator is het bedrag van € 1.935,- niet onverschuldigd voldaan, omdat [appellant] tot betaling van dat bedrag is veroordeeld in een vonnis, waartegen hij geen hoger beroep heeft ingesteld.

15.6.3.2. Nu de vonnissen waarvan beroep worden vernietigd, heeft [appellant] recht op terugbetaling door de curator van hetgeen hij op grond van die vonnissen aan de curator heeft betaald. Gelet op het speciale karakter van deze vordering, die samenhangt met de vernietiging van genoemde vonnissen, blijft art. 130 Rv. hier buiten toepassing.

De curator heeft erkend dat [appellant] € 1.287,78 heeft betaald op basis van de vonnissen die thans vernietigd worden. Dat bedrag is derhalve in elk geval toewijsbaar.

15.6.3.3. Met betrekking tot de vordering tot betaling van € 1.935,- geldt het volgende. [appellant] heeft een kort geding tegen de curator aanhangig gemaakt ter opheffing van het beslag op de auto, welke vordering is afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. De vordering tot terugbetaling van die inmiddels betaalde proceskosten is gebaseerd op het nieuwe gegeven dat het hof heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de Opel Vectra is gekocht en betaald door [X] B.V. en dat de curator ten onrechte beslag op die auto heeft gelegd. Daarom acht het hof deze vermeerdering van eis in beginsel toelaatbaar. Het hof acht dit onderdeel van de vordering echter niet toewijsbaar, nu deze betaling door [appellant] is verricht op grond van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis en dat bedrag derhalve niet onverschuldigd is voldaan.

15.6.3.4. Beoordeling van de vermeerderde vordering tot betaling van € 1.200,- zou, gezien het verweer van de curator op dit punt, een nader feitenonderzoek vergen. Dat acht het hof in deze fase van de procedure in strijd met de goede procesorde. Dat betekent dat de vermeerdering van eis voor dit onderdeel niet toelaatbaar is.

15.6.3.5. Terzake van de vordering sub c) zal dus

€ 1.287,78 worden toegewezen, te vermeerderen met rente vanaf de datum van het instellen van deze vordering.

15.6.4. Ad d)

Dit is eveneens een nieuwe vordering van [appellant]. Deze vermeerdering van eis is te laat ingediend en geen van de in 15.4 genoemde uitzonderingen doet zich voor, zodat het hof met deze eisvermeerdering geen rekening houdt.

15.6.5. Ad e)

Zoals de curator terecht heeft opgemerkt komen de getuigentaxen voor vergoeding in aanmerking, maar niet in de vorm van schadevergoeding, maar als onderdeel van de proceskostenveroordeling.

15.7. De slotsom is dat de vonnissen waarvan beroep zullen worden vernietigd. De vorderingen van de curator zullen alsnog worden afgewezen. De vordering van [appellant] zal worden toegewezen tot een bedrag van € 8.470,-, vermeerderd met rente over € 5.645,- vanaf 8 april 2004 en over € 2.825,- vanaf 30 juli 2004, en een bedrag van € 1.287,78, vermeerderd met rente vanaf de dag van de akte uitlating schade, 11 augustus 2009. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

16. De uitspraak

Het hof:

in de zaak met zaaknr. HD 103.002.061:

vernietigt het vonnis van 23 maart 2005;

in de zaak met zaaknr. HD 103.002.415:

vernietigt het vonnis van 17 augustus 2005;

opnieuw rechtdoend in beide zaken:

wijst de vorderingen van de curator in conventie af;

veroordeelt de curator in de proceskosten van de eerste aanleg in conventie, welke voor zover gevallen aan de zijde van [appellant] tot op heden worden begroot op € 241,- aan verschotten en op € 2.260,- aan salaris van de advocaat;

veroordeelt de curator in reconventie tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 9.757,78,-, vermeerderd met de wettelijke rente over € 5.645,- vanaf 8 april 2004, over

€ 2.825,- vanaf 30 juli 2004 en over € 1.287,78 vanaf 11 augustus 2009;

wijst af wat meer of anders in reconventie is gevorderd;

veroordeelt de curator in de proceskosten van de eerste aanleg in reconventie, welke voor zover gevallen aan de zijde van [appellant] tot op heden worden begroot op € 226,- aan salaris van de advocaat;

verklaart het arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt de curator in de proceskosten in hoger beroep, welke voor zover gevallen aan de zijde van [appellant] worden begroot op € 376,60 aan verschotten (griffierecht en explootkosten) in zaaknr. HD 103.002.061, € 376,60 aan verschotten (idem) in zaaknr. HD 103.003.415, op

€ 1.382,50 aan verschotten (getuigentaxen) in beide zaken en op € 2.682,- aan salaris van de advocaat in beide zaken.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, Brandenburg en

Huijbers-Koopman en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 9 februari 2010.