Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL4419

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
18-02-2010
Zaaknummer
HV 200.048.056
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appel tegen uithuisplaatsing niet-ontvankelijk.

Latere beschikking vervangt eerste, nu niet blijkt dat eerste wordt gewijzigd of aangevuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HVW

16 februari 2010

Sector civiel recht

Zaaknummer: HV 200.048.056/01

Zaaknummer eerste aanleg: 207210 JE RK 09-1482

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.] en [Y.]

wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: de ouders,

advocaat: mr. H.J.P.M. van Berckel-van der Rijken

t e g e n

DE STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDZORG & RECLASSERING

gevestigd te Utrecht, mede kantoorhoudende te Rotterdam,

namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, gevestigd te Eindhoven,

geïntimeerde,

hierna te noemen: ‘de stichting’

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 3 september 2009 onder zaaknummer 207210 JE RK 09 1482.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 november 2009, hebben de ouders, zoals het hof hen verstaat - samengevat - verzocht

primair:

voormelde beschikking te vernietigen voor zover het betreft de machtiging uithuisplaatsing, met bepaling dat de kinderen per datum beschikking weer thuisgeplaatst zullen worden;

subsidiair: een ouderschapsonderzoek te gelasten om te bezien over welke capaciteiten de ouders momenteel beschikken, waarbij door de deskundige eventueel doelen voor de ouders worden gesteld om thuisplaatsing in de toekomst mogelijk te maken.

2.2. Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 december 2009 heeft de stichting verzocht de bestreden beschikking van de rechtbank Breda te bekrachtigen.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 januari 2010.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. M. van Alphen, vervangende mr.van Berckel-van der Rijken;

- de stichting, vertegenwoordigd door mw. C de Vries, bijgestaan door mr.van Wijk;

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 27 augustus 2009;

- de brieven met bijlagen van de advocaat van de ouders d.d. 14 en 22 januari 2010;

- de brief met bijlagen van de stichting d.d. 15 januari 2010;

3. De beoordeling

3.1. Uit de relatie van de ouders zijn, voor zover hier van belang, geboren:

- [zoon] (hierna: [A.]), op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] en

- [dochter] (hierna: [B.]), op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],

3.2. [A.] en [B.] staan sinds 4 september 2007 onder toezicht van de stichting.

Zij zijn op grond van een daartoe strekkende crisismachtiging van de rechtbank Breda d.d. 9 februari 2009 - bij beschikking van 3 maart 2009 verlengd tot 4 september 2009 - uit huis geplaatst in een crisispleeggezin en vervolgens op 27 maart 2009 geplaatst in een perspectiefzoekend pleeggezin.

Op 6 augustus 2009 is [B.] overgeplaatst naar een perspectiefbiedend pleeggezin.

3.2.1. Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking, heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [A.] en [B.] met ingang van 4 september 2009 verlengd tot 4 september 2010 en voorts de aan de stichting verleende machtiging verlengd om [A.] en [B.] met ingang van 4 september 2009 tot uiterlijk 4 september 2010 uit huis te plaatsen in een verblijf pleegouder 24-uurs.

3.3. De ouders kunnen zich met deze beslissing uitsluitend wat betreft de verlenging uithuisplaatsing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.4. De ouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting -samengevat - het volgende aan.

Uithuisplaatsing is momenteel niet meer noodzakelijk.

De rechtbank gaat er ten onrechte van uit dat de oorspronkelijk door de stichting gemelde problemen ook nu nog bestaan.

De visie van de stichting is gebaseerd op oude rapportages waarop de stichting zich ten onrechte blijft beroepen. Tegen de oude rapporten hebben de ouders bovendien een klacht ingediend. Aanvankelijk liep de hulpverlening wel goed, met name ‘Hulp in Huis’. Alle benodigde vaardigheden zijn toen aangeleerd. Toen de hulp ziek werd, was er met de nieuwe hulp helaas geen ‘klik’.

Stabiel is slechts een korte periode bij het gezin betrokken geweest, maar meent desondanks verstrekkende conclusies te kunnen trekken.

De stichting heeft in het verleden voorgesteld, ouderschapsonderzoeken uit te laten voeren; deze zijn echter nooit uitgevoerd, terwijl de ouders toch positief staan tegenover dergelijk onderzoek.

Ook worden aan de ouders ten onrechte geen doelen meer gesteld, juist op het moment dat de ouders zelf laten zien dat zij een structurele verandering teweeg kunnen brengen, ondermeer door zelf hulp van MEE en maatschappelijk werk in te schakelen.

De ouders zijn bereid extra hulp te aanvaarden, ook als het gaat om verzorging en opvoeding van de kinderen. De rechtbank meent ten onrechte dat niet te verwachten valt dat de ouders er binnen een jaar tijd in zullen slagen, te laten zien dat zij ook op ander dan financieel en materieel gebied leerbaar zijn en veranderingen weten aan te brengen. Ten onrechte heeft de rechtbank geen gehoor gegeven aan het verzoek van de ouders om een ouderschapsonderzoek te gelasten.

3.5. De stichting voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting - samengevat – het volgende aan. Voor zowel [B.] als [A.] is de noodzaak tot uithuisplaatsing onverminderd aanwezig. [B.] is op 6 augustus 2009 in een perspectiefbiedend pleeggezin geplaatst. Haar verzorging en opvoeding vergt momenteel meer dan een ‘gemiddelde’ opvoeder kan bieden. Haar sociaal-emotionele ontwikkeling is zorgelijk.

Ook voor [A.] is een perspectiefbiedend pleeggezin gezocht, maar door toenemend probleemgedrag bleek [A.] elders niet plaatsbaar en was hij in het perspectiefzoekend pleeggezin niet te handhaven. De stichting heeft daarom op 10 november 2009 voor [A.] verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing in een residentiële voorziening, zodat [A.] geobserveerd kan worden.

Bij beschikking van 25 november 2009 (zaaknr. 211190 JE RK 09-2083) heeft de rechtbank Breda overwogen dat gelet op de ernst van [A.]’s probleemgedrag niet alleen observatie maar ook behandeling nodig is, waarna de rechtbank de stichting heeft gemachtigd, [A.] uit huis te plaatsen in een verblijf accommodatie zorgaanbieder 24-uurs met ingang van 25 november 2009 tot uiterlijk 4 september 2010.

[A.] is op 27 november 2009 overgeplaatst naar een residentiële voorziening.

Gelet op laatstgemelde beschikking zijn de ouders in hun hoger beroep wat betreft de uithuisplaatsing van [A.] niet ontvankelijk omdat die uithuisplaatsing inmiddels niet meer voortvloeit uit de bestreden rechtbankbeschikking van 3 september 2009.

Bij de ouders is sprake van gebrekkige pedagogische vaardigheden, hetgeen door de hulpverlening in het verleden is vastgesteld en de stichting thans ook tijdens de omgang ziet bevestigd.

Het is positief dat de ouders inmiddels MEE en maatschappelijk werk hebben ingeschakeld, maar ook reeds in de 2e helft van 2008, toen Stabiel in de thuissituatie werd ingezet, was duidelijk dat de ouders open staan voor hulpverlening inzake problemen die zij zelf ervaren, zoals financiën, huisvesting en busvervoer. Echter de overige problemen in de thuissituatie worden door de ouders niet (h)erkend, waarbij gesprekken over de kinderen worden afgehouden.

De stichting heeft in de opstelling van de ouders geen verandering geconstateerd.

Later worden adviezen van begeleiders inzake de omgang niet aangenomen en gebrek aan handelen wordt ontkend. De ouders blijven de oorzaak van problemen buiten zichzelf leggen.

In het verleden zijn de ouders niet in staat gebleken, positieve ontwikkelingen te continueren. Gebleken is dat de ouders onvoldoende in staat zijn te veranderen. Voor zover de ouders in het verleden hulp hebben aanvaard, was dit steeds slechts ten dele en voor een beperkte tijd. De inzet van Stabiel betreft altijd gedwongen hulp als laatste middel om uithuisplaatsing te voorkomen en heeft in deze situatie niet tot succes geleid.

Aanvankelijk heeft de stichting aan de ouders voorgesteld een onderzoek naar hun vaardigheden te laten doen door MEE, maar de ouders hebben daar geen gevolg aan gegeven. Na multidisciplinair overleg heeft de stichting besloten de kinderen perspectiefbiedend te plaatsen, zodat de stichting geen aanleiding zag, zelf nog een onderzoek te starten.

3.6. Het hof overweegt het volgende.

3.6.1. Het hoger beroep is niet gericht tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling en beperkt zich aldus tot de uithuisplaatsing.

3.6.2. Op grond van artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan de rechter de gezinsvoogdij-instelling machtigen om een onder toezicht gestelde minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.6.3. Het hof heeft zich allereerst uit te spreken over de vraag of de ouders kunnen worden ontvangen in hun beroep ten aanzien van [A.], nu [A.]'s uithuisplaatsing niet meer voortvloeit uit de bestreden beschikking maar uit de boven vermelde beschikking van 25 november 2009. Dienaangaande merkt het hof op dat het naast elkaar bestaan van twee achtereen- volgende machtigingen tot uithuisplaatsing wettelijk niet is uitgesloten. Niet valt immers in te zien dat hetgeen aanstonds zou kunnen zijn bepaald bij een zogeheten trajectmachtiging, niet, indien zulks in verband met na een eerdere machtiging gebleken omstandigheden in het belang van het kind is, in achtereenvolgende, elkaar op onderdelen aanvullende, machtigingen zou kunnen worden bepaald. De rechter dient dan uitdrukkelijk te vermelden of deze machtiging de eerdere machtiging aanvult, wijzigt, dan wel geheel vervangt. Het hof stelt vast dat de aanvankelijke keuze van de stichting tot uithuisplaatsing niet tot succes heeft geleid en dat mitsdien door de stichting aan de kinderrechter een hernieuwde machtiging is verzocht. Uit de bij beschikking van 25 november 2009 verleende machtiging is het hof niet gebleken dat deze de eerdere, bij beschikking van 3 september 2009 verleende machtiging, aanvult dan wel wijzigt. Het hof houdt het er dan ook voor dat de latere machtiging de eerdere machtiging geheel vervangt.

Het vorenstaande leidt het hof tot de conclusie dat de ouders in hun beroep ten aanzien van de uithuisplaatsing van [A.] niet ontvankelijk dienen te worden verklaard.

3.6.4. Het hof overweegt verder ten aanzien van [B.] als volgt.

3.6.4.1. Uit de processtukken en de zich daarbij bevindende rapportages en het besprokene ter zitting leidt het hof af dat de ouders onvoldoende in staat waren en nog zijn, hun opvoedingstaken in alle benodigde opzichten voldoende te vervullen. Geruime inspanning van hulpverleners heeft niet tot de nodige verbetering geleid. Het hof merkt in dit verband op dat de inzet van Stabiel - een laatste middel om ‘met drang en dwang’ te trachten een uithuisplaatsing af te wenden - is mislukt. Ook na de uithuisplaatsing baart de ontwikkeling van [B.] nog steeds ernstige zorgen en haar verzorging en opvoeding vraagt meer dan een ‘gemiddelde’ opvoeder kan bieden. Het hof acht daarom evenals de rechtbank de uithuisplaatsing onafwendbaar en schat de kans op thuisplaatsing binnen de lopende termijn van ondertoezichtstelling uiterst gering in. Het hof verwerpt dan ook de hiertegen gerichte grieven.

3.6.4.2. De ouders stellen dat zij bereid zijn extra hulp te aanvaarden en dat het eerder door de stichting voorgenomen onderzoek naar hun capaciteiten als ouders alsnog dient te worden verricht, eventueel met het stellen van doelen waar aan de ouders dienen te werken om thuisplaatsing mogelijk te maken.

Het hof ontgaat enigszins de strekking van het subsidiair verzoek, een ouderschapsonderzoek te gelasten. Onderhavige materie leent zich niet voor een dergelijk onderzoek. Voor zover het verzoek moet worden opgevat als een verzoek ex art 810a lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, oordeelt het hof dat een zodanig onderzoek niet mede tot de beslissing van deze zaak kan leiden en overigens het belang van [B.] niet dient.

3.7. Het voorgaande leidt ertoe dat de grieven worden verworpen en dat de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en voor zover nog van kracht, dient te worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof:

verklaart appellanten niet ontvankelijk in hun beroep voor zover het betreft de uithuisplaatsing van [A.];

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Breda van 3 september 2009, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Breda;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Brants, Lamers en Milar en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2010.