Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL4064

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-02-2010
Datum publicatie
16-02-2010
Zaaknummer
20-003505-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

287 Sr. Terugwijzing Hoge Raad (LJN: BI3874); noodweerverweer gehonoreerd, noodweerexcesverweer door hof verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003505-09

Uitspraak : 16 februari 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad der Nederlanden – op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 18 september 2006, parketnummer 02-800160-06 in de strafzaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [1987],

thans verblijvende in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen,

waarbij

- verdachte ter zake van doodslag werd veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaar;

- aan de verdachte is opgelegd de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 8.503,30 subsidiair 170 dagen hechtenis;

- de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] is toegewezen tot een bedrag van

EUR 8.503,30.

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 6 oktober 2009, nr. S 07/10475, heeft de Hoge Raad het in de onderhavige zaak gewezen arrest van dit hof d.d. 10 juli 2007, parketnummer 20/003583-06, vernietigd en de zaak teruggewezen naar dit hof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- de verdachte voor het hem ten laste gelegde feit zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- zal beslissen op de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Wetboek van Strafrecht, conform de beslissing van de eerste rechter.

De verdediging heeft bepleit:

- primair dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens noodweer(exces) dan wel putatief noodweer(exces);

- subsidiair dat indien het hof de visie van de verdediging op de (on)mogelijkheid van verdachte zich te onttrekken aan de ogenblikkelijke wederrechtelijke (en opnieuw dreigende) aanranding door te vluchten niet deelt, een schouw ter plaatse zal plaatsvinden;

- meer subsidiair dat aan de verdachte een gevangenisstraf van hooguit enkele jaren zal worden opgelegd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 28 januari 2006 tot en met 29 januari 2006 te Dinteloord, gemeente Steenbergen, en/of te Roosendaal, in elk geval in Nederland opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes een of meermalen in de borst, althans het lichaam van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De bewijsmiddelen

1. De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 26 juni 2007, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Het is juist dat ik op 28 januari 2006 in Dinteloord, gemeente Steenbergen, [slachtoffer] met een mes heb gestoken.

2. De verklaring van [getuige 1], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 28 januari 2006 hebben wij op het Raadhuisplein te Dinteloord gestaan. Ik zag dat de man (het hof begrijpt: verdachte) met zijn rechterhand een mes pakte. Vrijwel direct hierna zag ik dat de man [slachtoffer] in zijn linkerzij stak. Ik ben naar [slachtoffer] toegelopen en ik zag dat hij heel erg bloedde.

3. De verklaring van [getuige 1], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

De man (het hof begrijpt: verdachte) doet een paar stapjes achteruit en terwijl hij dat deed pakte hij een mes. Hij stak [slachtoffer] in zijn zij. Hij was gericht op de romp van [slachtoffer], onder de oksel van de linkerzij.

4. De verklaring van [getuige 2], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 28 januari 2006 was ik aanwezig op het Raadhuisplein te Dinteloord. Ik zag dat de man (het hof begrijpt: verdachte) met zijn lichaam naar achteren bewoog. Ik zag bij de man een handvat van een mes. Ik zag dat de man dit handvat met zijn rechterhand vastpakte. Ik zag dat hij zijn arm naar achteren bewoog. Ik zag vervolgens dat de man deze hand met daarin het mes met kracht richting [slachtoffer] bewoog. Ik zag vervolgens [slachtoffer] lopen en ik zag dat er bloed over zijn jas stroomde en dat hij in elkaar zakte.

5. De verklaring van [getuige 3], voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 28 januari 2006 tussen 20:00 uur en 20:15 uur kregen wij van de meldkamer de melding om te gaan naar het Raadhuisplein te Dinteloord. Ik zag dat op het trottoir aldaar een jongen lag. Ik zag dat hij een bloedende verwonding had op zijn thorax. Dit is de linkerborst. Ik kan over het zichtbare letsel van het slachtoffer vertellen dat ik één steekverwonding heb gezien op de linkerborst van het slachtoffer.

6. Het verslag betreffende een niet natuurlijke dood, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

De ondergetekende H.P.M. Venrooij

Lijkschouwer van de gemeente Roosendaal

Verklaart gedurende de laatste twee jaar geen genees-, heel- of verloskundige raad of bijstand te hebben verleend aan:

Naam [achternaam slachtoffer]

Voornamen (voluit) [voornamen slachtoffer]

Overleden op 29 januari 2006 om 04.00 uur te Roosendaal

verklaart het lijk persoonlijk te hebben geschouwd;

verklaart er niet van overtuigd te zijn, dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden; in verband waarmee hij de in artikel 14 van de Wet op de lijkbezorging bedoelde ambtenaar van de burgerlijke stand heeft gewaarschuwd.

Bijzonderheden: Overleden na operatie t.g.v. steekongeval

Datum: 29/01/06

7. Het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Justitie, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als volgt:

Op 30 januari 2006 is een uit- en inwendige schouwing verricht op het lijk van [slachtoffer], overleden te Roosendaal op 29 januari 2006.

Bij sectie werden een drietal huidletsels gezien aan de linkerzijde van de romp. De richting van het steekletsel verliep iets naar voetwaarts en middenwaarts en had een lengte van circa 12 centimeter.

Gelet op de beschikbare klinische informatie en de sectiebevindingen wordt het intreden van de dood verklaard door een steekletsel, met perforatie van de long en gepaard gaande met bloeduitstorting. Een andere of bijkomende doodsoorzaak is bij sectie niet gebleken.

Bij [slachtoffer] kon het intreden van de dood worden verklaard door de gevolgen van een steekletsel in de borst, reikend tot in de onderkwab van de linkerlong, gepaard gaande met massale bloeduitstorting, ondanks medische behandeling.

Het steekletsel is een scherprandige, ovale perforatie, aan de onderzijde enigszins spits toelopend en aan de bovenzijde niet spits maar toelopend naar een schuin/overdwars vlak.

Dit past bij een z.g. ‘eensnijdend’ mes.

Bewezenverklaring

Op grond van de hiervoor vermelde redengevende feiten en omstandigheden en de daaraan ten grondslag liggende bewijsmiddelen (genoemd in de voetnoten), in onderling verband en samenhang beschouwd, acht het hof het aan verdachte ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat

hij op 28 januari 2006 te Dinteloord, gemeente Steenbergen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet met een mes in de borst van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

A.

Zijdens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep ten verweer betoogd dat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aangezien hem met betrekking tot de ten laste gelegde doodslag op [slachtoffer] een beroep op noodweer toekomt. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat verdachte handelde ter verdediging van zijn lijf tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer] alsmede tegen een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer], [getuige 4], [getuige 1] en de overige, naderende, leden van de groep.

Dienaangaande overweegt het hof als volgt.

B.1

Uit het dossier blijkt omtrent de toedracht het volgende.

B.2

Verdachte heeft ter ’s-hofs terechtzitting van 26 juni 2007 – zakelijk weergegeven – onder andere verklaard:

“Ik stond bij de bushalte op de Steenbergseweg. Ik was alleen. Bij de ingang van de C1000 bevond zich een groep mensen en deze groep was verspreid over drie auto’s. Ik denk dat deze mensen op een afstand van 50 meter van het bushokje stonden. Een paar jongens uit die groep kwamen op mij af. Ik zag hen op mij afkomen. Ze kwamen op mij agressief over. Ik ben uit het bushokje gestapt en ben er naast gaan staan om voor hen plaats te maken. Een aantal jongens uit die groep kwam op mij af en de overige jongens bleven op een afstand staan kijken. Ik geloof dat het drie of vier jongens waren die op mij af kwamen lopen. Die jongens zijn in het bushokje gaan staan. Ik werd door één van de jongens aangesproken. Ik vroeg aan die jongens wat zij van mij wilden. Vervolgens kreeg ik een klap in mijn gezicht. Ik voelde dat iemand mij aan de zijkant sloeg. Dat werd door één van die jongens gedaan.”

B.3

Verdachte heeft ter ’s-hofs terechtzitting van 2 februari 2010 – zakelijk weergegeven – onder andere verklaard:

“[betrokkene 1] en ik zouden samen naar de supermarkt C1000 gaan om boodschappen te doen, maar de supermarkt was gesloten. We zijn toen naar de bushalte gegaan om te kijken hoe laat de bus naar Steenbergen zou vertrekken. Daarna zijn we weer vertrokken. Ik ben later alleen teruggegaan naar de bushalte om de bus te nemen naar Steenbergen. Toen ik bij de bushalte op de bus stond te wachten, zag ik een grote groep voor me, tegenover de Kruidvat. Ze waren met drie auto’s. Vervolgens kwamen er drie jongens naar mij toe. Ze kwamen naar de plek toe waar ik op de bus stond te wachten. Ze gingen zitten op de bank naast waar ik stond te wachten. Toen verliet ik het bushokje. Een van de jongens riep mij. Ik draaide mij om. Ik wilde weten wat er aan de hand was. Toen ik dat vroeg, kreeg ik geen antwoord maar een klap op mijn gezicht. Meteen kwamen ook de andere twee op mij af. Toen ik werd geslagen, pakte ik het mes.”

B.4

Een op 15 maart 2006 bij de politie afgelegde verklaring van verdachte houdt – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende in:

“Ik zag dat er drie of vier jongens richting de bushalte kwamen lopen. Ik zag dat er verderop richting het plein nog meer stonden. Toen werd ik aangesproken. De toon was zoals iemand je roept als hij je naar je toe wilt halen, dat je moet komen. Ik ben toen terug gegaan naar hem. Ik vroeg zoiets als “Wat wil je?” en voor er nog iets gezegd werd, werd ik al geslagen.”

B.5

Getuige [getuige 4] heeft bij de politie op 29 januari 2006 een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Ik praat nu over de avond van 28 januari 2006. Toen wij nog op het Raadhuisplein stonden zag ik dat er twee mannen ons tegemoet kwamen gelopen. Ik was daar toen samen met [slachtoffer] en [getuige 1]. [getuige 2] was er toen ook al. Ik zag dat de twee mannen ons voorbij kwamen gelopen aan onze zijde van de weg. Tijdens het passeren hebben wij elkaar aangekeken. Ik denk dat ik ze ongeveer 15 à 20 minuten niet meer heb gezien na het passeren. Na de genoemde tijd zag ik één van de twee mannen rondjes lopen om de bushalte heen. Ik ben vervolgens naar de dikke man (het hof begrijpt: verdachte) toegelopen. Ik wilde aan hem vragen waarom hij mij zocht. Ik had namelijk gehoord dat hij mij zocht.

[slachtoffer] liep naast mij en [getuige 1] een paar meter achter mij. De rest liep daar weer achter. Ik liep naar het bushokje. Ik ben op het bankje gaan zitten dat staat in het bushokje. [slachtoffer] zat links naast mij op het bankje. [getuige 1] was nog onderweg naar het bushokje.

Ik vroeg aan de dikke man waarom hij mij zocht en wilde spreken. Ik zag dat [slachtoffer] de dikke man sloeg. Hij sloeg met zijn rechtervuist op het gelaat van de dikke man. [getuige 1] stond toen bij ons.”

B.6

Getuige [getuige 4] heeft bij de politie op 8 februari 2006 een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Toen wij, vanaf het Raadhuisplein richting de bushalte gingen, liep ik voorop, samen met [slachtoffer]. Daarachter kwam [getuige 1], een meter of 10 achter ons aan. Nog verder achter ons kwamen volgens mij [getuige 2], [betrokkene 4]en [getuige 6]. Ik liep naar de bushalte om naar [verdachte] te gaan. Ik had gehoord dat hij mij zocht en ik wilde hem gaan vragen waarom hij mij zocht.

Op 28 januari 2006 stonden we dus op het Raadhuisplein in Dinteloord. We zagen toen die twee mannen aan komen lopen uit de richting van het park. Een van die mannen was [verdachte], de latere dader van het steken. Ik zag dat de mannen onze richting uit kwamen lopen. Er is over en weer gekeken.

Ik denk dat ik na ongeveer een kwartiertje één van de twee mannen bij de bushalte zag lopen. Dat was [verdachte]. Ik besloot toen dat ik die man ging aanspreken.

Bij het bushokje gekomen ben ik op het bankje in het bushokje gaan zitten. Ik zag dat [verdachte] weg liep. Ik sprak hem toen aan. Ik vroeg aan hem: “Waarvoor zoek je mij?” of “Ben jij diegene die mij zoekt?”. [getuige 1] was toen bij het bushokje aan gekomen. Ik zag dat [verdachte] stopte op ongeveer 3 meter van mij af, zich omdraaide en terug kwam lopen op mij toe. Ik hoorde dat [verdachte] iets zei. Ik zag toen dat [slachtoffer] [verdachte] een klap gaf.”

B.7

Getuige [getuige 1] heeft bij de politie op 28 januari 2006 een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 28 januari 2006 hebben wij op het Raadhuisplein te Dinteloord gestaan. Ik zag de man (het hof begrijpt: verdachte) bij de bushalte staan. Dit is de man die [slachtoffer] later neerstak. Ik zag dat [getuige 4] en [slachtoffer] naar de man toeliepen. Ik ben met hen meegelopen en liep zo’n 10 à 15 meter achter hen.

[getuige 4] en [slachtoffer] gingen op het bankje zitten in de bushalte. De man stond op dat moment zo’n twee meter bij hen vandaan. Ik zag dat de man voor [getuige 4] en [slachtoffer] liep. Ik hoorde dat [getuige 4] tegen de man zei: “liep je mij te zoeken?”.

[slachtoffer] stond inmiddels en sloeg de man met zijn rechtervuist. De man deed één of twee stappen terug. Ik zag dat de man met zijn rechterhand een mes pakte. Vrijwel direct hierna zag ik dat de man [slachtoffer] in zijn linkerzij stak.”

B.8

Getuige [getuige 1] heeft bij de politie op 6 februari 2006 een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 28 januari 2006 stonden wij op de parkeerplaats naast het standbeeld. De twee mannen kwamen voorbij lopen. Terwijl de mannen voorbij liepen is er niets gezegd. We hebben elkaar alleen aangekeken.

Op de parkeervakken tegenover de bushalte heb ik twee auto’s zien staan. Op het moment dat [getuige 4] en [slachtoffer] op de man af lopen stonden de auto’s er al. Het waren een BMW en een Ford. In de BMW zaten [getuige 5] en [betrokkene 2] en in de Ford zat [betrokkene 3].

De dader stond in een keer terug bij de bushalte. [getuige 4] zei zelf “ik ga vragen wat er is”. [slachtoffer] liep met hem mee en ik ben er achteraan gegaan. [getuige 4] en [slachtoffer] gingen in het bushokje zitten. Ik stond geleund tegen het paaltje aan de kant van de open zijde van het bushokje. Ik sta dan ongeveer een halve of één meter van [getuige 4] en [slachtoffer] af. Na ongeveer een halve minuut kwam de man een paar stappen in onze richting. [getuige 4] zei tegen hem “Zocht je mij” of woorden van die strekking.

Ik zag dat [slachtoffer] snel opstond en hem een klap op zijn gezicht gaf. [slachtoffer] sloeg met zijn vuist. De man wordt geraakt op zijn gezicht. De man doet een paar stapjes achteruit en terwijl hij dat deed pakte hij een mes. Ik stond nog steeds bij dat paaltje. Hij pakte dit met zijn rechterhand. Hij stak [slachtoffer] in zijn zij.”

B.9

Getuige [getuige 5] heeft bij de politie op 28 januari 2006 een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 28 januari 2006 bevond ik mij bij de bushalte in Dinteloord. Dat is de bushalte bij het Raadhuisplein in Dinteloord. Ik stond daar met [betrokkene 3]. Ik kan mij nog herinneren dat twintig meter verderop – ook bij de bushalte – een groepje jongens stond. Ik ken uit dit groepje [getuige 4] en [slachtoffer]. Verder weet ik dat één van die jongens [naam] heeft van zijn voornaam. Op een gegeven moment zag ik dat die buitenlandse jongen (het hof begrijpt: verdachte) op dat andere groepje jongens aan het insteken was.”

B.10

Getuige [getuige 5] heeft bij de politie op 8 februari 2006 een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Ik hoorde op een gegeven moment wat. Ik hoorde schreeuwen. Ik keek om, maar kon niet precies zien wat er was, omdat er een busje achter de auto van [betrokkene 3] stond. Ik stapte toen uit de auto. Ik zag door de ruiten van dat busje drukke bewegingen. Ik zag zwart haar flink bewegen. Ik kreeg de indruk dat er iets aan de hand was. Ik ben achterlangs om de bus heen gelopen. Ik zag toen bij het bushokje een aantal mensen. Ik zag [getuige 4] en [slachtoffer]. Ook zag ik bij die jongens de buitenlandse man. Ik zag op het moment dat ik om die bus liep dat die buitenlandse man een beweging maakte met zijn arm. Ik zag dat de man zijn arm naar achteren haalde en hierna zijn arm naar voren bewoog in de richting van [slachtoffer] volgens mij.”

B.11

Getuige [getuige 6] heeft bij de politie op 29 januari 2006 een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Het was vlak voor 20:00 uur (het hof begrijpt: op 28 januari 2006) toen ik op het Raadhuisplein aan kwam. Ik zag de bus van [getuige 4] op het Raadhuisplein geparkeerd staan. Bij de bus stonden [betrokkene 4], [getuige 2] en [getuige 1]. Ik zag [slachtoffer] en [getuige 4] over straat lopen in de richting van de bushalte. Ik zag bij de bushalte een man staan van buitenlandse afkomst.

Op het moment dat ik met [betrokkene 4] aan het praten was, zag ik dat [slachtoffer] en [getuige 4] op het bankje in de bushalte gingen zitten. De man van buitenlandse afkomst kwam naar [getuige 4] en [slachtoffer] toegelopen. Ik stond nog steeds te praten met [betrokkene 4] en ik stond met mijn gezicht naar de bushalte toe. Op dat moment zag ik dat er bij de bushalte iets gebeurde. Ik kon niet thuis brengen wat er gebeurde, maar ik zag bewegingen.”

B.12

Getuige [getuige 6] heeft bij de politie op 7 februari 2006 een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 28 januari 2006 stond ik samen met [getuige 2], [betrokkene 4] en [getuige 1] op het Raadhuisplein te Dinteloord. Op het moment dat ik daar aankwam zag ik dat [getuige 4] en [slachtoffer] vanuit het groepje wegliepen in de richting van de bushalte. Ik hoorde van [betrokkene 4] dat [getuige 4] en [slachtoffer] naar de bushalte liepen om aan die man te vragen waarom hij hen zocht. Ik zag dat [getuige 4] en [slachtoffer] in het bushokje zaten. Ik zag dat de dader nog voor het bushokje stond. Ik stond op dat moment nog steeds op het Raadhuisplein, maar had mij intussen verplaatst naast het standbeeld aan de zijde van de dokterspraktijk. Op dat moment stonden [betrokkene 4] en [getuige 2] bij mij en ik zag dat [getuige 1] nog iets verder vooruit was gelopen. Ik zag dat [getuige 1] in de richting van het bushokje liep. Ik zag dat de dader naar [getuige 4] en [slachtoffer] toe liep. Ik zag dat de dader vlak voor [getuige 4] en [slachtoffer] ging staan. [slachtoffer] en [getuige 4] zitten op dat moment dan nog steeds. Ik zag dat [slachtoffer] als eerste opstond. Ik zag dat [slachtoffer] naar die man toe ging en hem duwde of sloeg. Ik kon dat niet goed zien, maar ik zag dat het bovenlichaam van de dader naar achter ging. Toen ik dit zag stond ik, samen met [betrokkene 4] en [getuige 2], op het fietspad. Ik denk dat dit zo’n 10 à 15 meter van het bushokje vandaan was.

Direct nadat ik het bovenlichaam van de dader naar achter zie gaan, zag ik dat de dader met zijn rechterarm een beweging maakt in de richting van [slachtoffer]. Op dat moment zag ik dat [getuige 5] vanuit de rode Ford of de zwarte BMW naar het bushokje toeliep.”

B.13

Getuige [getuige 2] heeft bij de politie op 29 januari 2006 een verklaring afgelegd die – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende inhoudt:

“Op 28 januari 2006 was ik samen met een aantal vrienden aanwezig op het Raadhuisplein te Dinteloord. Ik was daar samen met [getuige 1], [getuige 4], [getuige 6], [betrokkene 4] en [slachtoffer].

Ik reed op mijn fiets richting mijn vrienden op het Raadhuisplein. Terwijl ik daar fietste zag ik twee mannen over het Raadhuisplein lopen. Terwijl ik hen voorbij fietste zag ik dat de personen mij aankeken. Ik ben toen doorgefietst naar mijn vrienden en ben bij hen gaan zitten. Ik zag dat de mannen die mij zojuist waren voorbij gelopen nu weer waren omgedraaid en weer richting mij en mijn vrienden liepen. Ik zag dat ze ons voorbij liepen en dat ze ons aan bleven kijken. Na ongeveer 15 minuten zag ik dat de twee mannen weer wegliepen richting de Ruiterstraat.

Ik zag dat vanuit de Ruiterstraat één van de personen kwam gelopen. Ik zag dat hij weer terugliep naar de bushalte. [getuige 4] zei op een gegeven moment dat hij naar de man toe wilde gaan om te vragen of hij [getuige 4] zocht. Vervolgens zag ik [getuige 4] samen met [slachtoffer] naar de bushalte lopen. Wij liepen vervolgens op ongeveer tien meter afstand achter hun aan. Toen [slachtoffer] en [getuige 4] bij de bushalte bij de man stonden zij wij eigenlijk op 10 meter afstand blijven staan.

Ik zag dat [slachtoffer] zijn rechterhand tot vuist balde en hem met deze hand tegen het gelaat sloeg. Ik zag dat de man hierdoor met zijn lichaam naar achteren bewoog. Ik zag bij de man een handvat van een mes. Ik zag dat de man dit handvat met zijn rechterhand vastpakte. Ik zag dat hij zijn arm naar achteren bewoog. Ik zag vervolgens dat de man deze hand met daarin het mes met kracht richting [slachtoffer] bewoog.”

C.1

Zowel ter terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2007 als ter terechtzitting in hoger beroep van 2 februari 2010 heeft verdachte verklaard dat hij op zijn knieën terecht is gekomen nadat hij was geslagen en dat hij daarna ook door de rest van de groep werd geslagen en geschopt. De raadsman heeft aangevoerd dat deze verklaring van verdachte steun vindt in de verklaring van [getuige 7], afgelegd ten overstaan van de raadsheer-commissaris, dat hij nog voordat hij de jongen naar de overkant zag strompelen, bij de bushalte een boel jongens problemen zag maken en dat het er misschien wel twintig waren.

C.2

Naar het oordeel van het hof is de door verdachte gestelde toedracht door de verklaring van [getuige 7] dat hij misschien wel twintig jongens problemen zag maken bij de bushalte voordat hij de jongen naar de overkant zag strompelen, niet aannemelijk geworden, nu daarvoor overigens in de zich in het dossier bevindende stukken noch anderszins in het onderzoek ter terechtzitting steun is te vinden. Bij dat oordeel heeft het hof tevens in aanmerking genomen dat de onder B. weergegeven verklaringen van [getuige 4], [getuige 1], [getuige 2], [betrokkene 4], [getuige 5] en [getuige 6] consistent zijn en dat verdachte zelf wisselende verklaringen heeft afgelegd over zijn eigen rol.

D.

Uit de hiervoor onder B. weergegeven verklaringen leidt het hof het volgende af.

Verdachte is samen met [betrokkene 1] naar de bushalte gelopen. Er is toen oogcontact geweest met een groep waarvan op dat moment in ieder geval [getuige 4], [slachtoffer], [getuige 1] en [getuige 2] deel uitmaakten. Verdachte en [betrokkene 1] zijn vervolgens weer vertrokken.

Enige tijd later is verdachte alleen teruggegaan naar de bushalte. Op dat moment bevond een groep bestaande uit [getuige 4], [slachtoffer], [getuige 1], [getuige 2], [betrokkene 4] en [getuige 6] zich op ongeveer vijftig meter van het bushokje. Er stonden twee auto’s met daarin [getuige 5] en [betrokkene 3] en [betrokkene 2] geparkeerd in parkeervakken tegenover de bushalte, op twintig meter afstand.

[getuige 4] en [slachtoffer] liepen op enig moment naar de bushalte, op korte afstand gevolgd door [getuige 1], [getuige 2], [betrokkene 4] en [getuige 6]. [getuige 4] en [slachtoffer] namen plaats in het bushokje. Toen verdachte enkele meters van hen vandaan was, heeft [getuige 4] hem aangesproken. Verdachte liep daarop in de richting van [getuige 4] en [slachtoffer] en zei iets. Daarop stond [slachtoffer] op en sloeg met zijn rechtervuist in het gezicht van verdachte. [getuige 1] stond toen een halve meter tot een meter van [getuige 4] en [slachtoffer] af, terwijl [betrokkene 4], [getuige 2] en [getuige 6] op circa tien tot vijftien meter van het bushokje liepen. Nadat [slachtoffer] verdachte had geslagen, kwamen [getuige 1] en [getuige 4] meteen op verdachte af, terwijl ook [getuige 5] naderbij was gekomen.

E.1

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte door [slachtoffer], bestaande uit een vuistslag, waartegen verdachte zich mocht verdedigen.

Vervolgens was er sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een (hernieuwde) wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte door [slachtoffer] en mocht verdachte ook de nabije aanwezigheid van enkele leden van de groep en de nadering van andere leden van de groep aanmerken als een dreigende wederrechtelijke aanval, waartegen verdachte zich eveneens mocht verdedigen.

Daarbij heeft het hof het volgende in aanmerking genomen:

- Er was eerder sprake van oogcontact tussen verdachte en de groep waarvan [slachtoffer] deel uitmaakte, waardoor verdachte wist uit welke leden de groep bestond.

- Toen verdachte bij de bushalte stond, kwam een deel van de groep, te weten: [slachtoffer], [getuige 4] en [getuige 1], naar de bushalte gelopen. Zij namen in of vlakbij de bushalte plaats. De rest van de groep bleef op tien à vijftien meter van de bushalte.

- [getuige 4] had de confrontatie gezocht met verdachte.

- [slachtoffer] had verdachte reeds in het gezicht gestompt, waarna [getuige 4] en [getuige 1] meteen op verdachte afgekomen waren, terwijl ook [getuige 5] naderbij was gekomen en andere leden van de groep aanstalten maakten om het bushokje te naderen.

E.2

Het hof acht voldoende aannemelijk geworden dat in de gegeven omstandigheden op de vlucht slaan geen reële mogelijkheid voor verdachte was om zich aan de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en de dreigende hernieuwde aanranding te onttrekken en dat verdachte zich tegen zijn belagers mocht keren.

Het hof is echter van oordeel dat verdachte door met een mes gericht in de borst van [slachtoffer] te steken de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden.

Geenszins is aannemelijk geworden dat er in het stadium waarin het conflict zich bevond, onmiddellijk levensgevaar voor verdachte dreigde. Verdachte was immers enkel met een vuist geslagen en riskeerde in dat stadium alleen opnieuw slachtoffer te worden van een mishandeling. Tegen die dreiging had verdachte zich met minder vergaande middelen kunnen en moeten verdedigen, bijvoorbeeld door terug te slaan of door het enkele dreigend tonen van het mes.

Het beroep op noodweer faalt derhalve.

F.1

Subsidiair is door de verdediging een beroep gedaan op noodweerexces als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat bij verdachte als gevolg van de aanranding van verdachte door [slachtoffer] een hevige gemoedsbeweging is ontstaan, waardoor hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden door [slachtoffer] met het mes te steken.

F.2

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is in het geheel niet aannemelijk geworden dat, voorafgaand aan het bewezenverklaarde steken, bij verdachte sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging als gevolg van de aanranding door [slachtoffer] dan wel door het onmiddellijk dreigend gevaar van een (hernieuwde) aanranding door [slachtoffer] of andere leden van de groep waarvan die [slachtoffer] deel uitmaakte.

Het beroep op noodweerexces faalt mitsdien.

G.

Meer subsidiair is door de verdediging een beroep gedaan op putatief noodweer(exces). Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven – dat wanneer het hof zou menen dat het gevaar voor een wederrechtelijke aanranding onvoldoende reëel zou zijn geweest, de ervaring en beleving van verdachte toch anders zijn geweest.

Het hof komt aan dit verweer niet toe. Zoals hiervoor onder E.1 overwogen, was naar het oordeel van het hof immers sprake van een reëel onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding. Dat in de beleving van verdachte de ernst van de aanranding groter was dan in werkelijkheid, maakt niet dat er in zoverre naast noodweer ook nog sprake kan zijn van putatief noodweer.

H.

Voor zover de raadsman het verzoek tot het houden van een schouw aldus heeft bedoeld dat een schouw zou moeten worden gehouden wanneer het hof niet tot een ontslag van alle rechtsvervolging zou komen, overweegt het hof dat het zich op grond van het onderzoek ter terechtzitting en het ter terechtzitting in hoger beroep door de raadsman overgelegde stuk voldoende geïnformeerd acht over de situatie ter plaatse.

Gelet daarop is het hof de noodzaak om een schouw te houden niet gebleken. Het wijst het daartoe strekkende verzoek dan ook af.

I.

Het hof verwerpt het verweer in al zijn onderdelen.

J.

Er zijn ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden, die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag, doordat hij opzettelijk [slachtoffer] met een mes in zijn borst heeft gestoken, als gevolg waarvan deze is overleden.

De eerste rechter heeft de verdachte ter zake van dat feit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot dezelfde straf als de eerste rechter heeft opgelegd.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat aan de verdachte een gevangenisstraf van hooguit enkele jaren zal worden opgelegd.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft [slachtoffer] op de openbare weg met een mes in zijn borst gestoken, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden. Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan doodslag, een delict dat algemeen wordt beschouwd als één van de ernstigste delicten die het Nederlandse strafrecht kent.

Door het doden van [slachtoffer] heeft verdachte een onomkeerbaar verlies teweeggebracht en groot leed toegebracht aan de familie en naaste omgeving van het slachtoffer, die zich geconfronteerd zagen met de gewelddadige dood van een dierbare.

Door een dergelijk gewelddadig feit, begaan op de openbare weg, is de rechtsorde zeer ernstig geschokt en zijn in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid te weeg gebracht.

Anderzijds heeft het hof in aanmerking genomen dat enkele jongens van de groep waarvan het slachtoffer deel uitmaakte de confrontatie hebben gezocht met verdachte en dat in eerste instantie de agressie van het slachtoffer is uitgegaan.

Ten slotte heeft het hof rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 29 december 2009, waaruit blijkt dat hij niet eerder door een strafrechter is veroordeeld;

- de inhoud van het hem betreffend voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland d .d. 19 april 2006;

- de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht.

Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij het bepalen van de duur van deze straf heeft het hof aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in gevallen vergelijkbaar met de onderhavige worden opgelegd. Op basis daarvan heeft het hof een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren tot uitgangspunt genomen.

Derhalve kan niet worden volstaan met een straf als bepleit door de verdediging.

De inhoud van het procesdossier geeft het hof evenwel aanleiding te onderzoeken of in de onderhavige zaak het recht van verdachte op berechting binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

De verdachte heeft op 13 juli 2007 beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft uitspraak gedaan bijna 27 maanden na de datum waarop beroep in cassatie is ingesteld, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht die een dergelijke overschrijding rechtvaardigen.

Een en ander brengt met zich mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, hetgeen moet leiden tot strafvermindering.

Het hof is van oordeel dat in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar passend zou zijn, doch in de hiervoor geconstateerde schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn ziet het hof aanleiding een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar en 6 maanden op te leggen.

Maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [benadeelde] (gemachtigde: [gemachtigde], [adres] te [woonplaats]), als gevolg van het bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 8.503,30.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer een bedrag van EUR 8.503,30.

Vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] (gemachtigde: [gemachtigde], [adres] te [woonplaats]) heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend ten bedrage van EUR 8.503,30. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen.

De benadeelde partij heeft gepersisteerd bij haar in eerste aanleg gedane vordering.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

De vordering is inhoudelijk niet betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De vordering zal tot dat beloop worden toegewezen.

De proceskosten van de benadeelde partij worden ten laste van de verdachte gebracht, doch tot op heden begroot op nihil.

En ten aanzien van de evenvermelde schadevergoedingsmaatregel en vordering:

Het hof zal bepalen dat indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede zijn verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, komt daarmede zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre te vervallen).

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Doodslag.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren en 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde] (gemachtigde: [gemachtigde], [adres] te [woonplaats]) aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 8.503,30 (achtduizend vijfhonderddrie euro en dertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 77 (zevenenzeventig) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] (gemachtigde: [gemachtigde], [adres] te [woonplaats]) toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 8.503,30 (achtduizend vijfhonderddrie euro en dertig cent).

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

En ten aanzien van de evenvermelde schadevergoedingsmaatregel en vordering:

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voor zover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. J.H.M. Westenbroek,

in tegenwoordigheid van mr. M.F.S. ter Heide, griffier,

en op 16 februari 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.