Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL3875

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-02-2010
Datum publicatie
15-02-2010
Zaaknummer
HV 103.009.497
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Man overlijdt lopende de procedure in hoger beroep. Belang erfgenamen bij beoordeling in hoger beroep ?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak:12 februari 2010

Zaaknummer: HV 103.009.497/01

Zaaknummers eerste aanleg: 150294/FA RK 06-4411 en 150298/FA RK 06-4414

in de zaak in hoger beroep van:

de erfgenamen van:

[X.],

bij leven gewoond hebbende te [woonplaats],

overleden op 11 februari 2009,

appellant,

hierna: de man,

advocaat: A.J. Verhagen.

Erfgenamen zijn:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. A.C.M. van Gool,

en

[Z.],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

hierna: de zoon.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 augustus 2007, zaaknummer 150294/FA RK 06-4411, en de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 augustus 2007, zaaknummer 150298/FA RK 06-4414.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 12 november 2007 (welk beroepschrift nadien is gewijzigd bij brieven van 19 mei 2008 en 28 augustus 2008), heeft de man verzocht voormelde beschikkingen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de verzoeken van de vrouw ex artikel 1:84 BW en ex artikel 1:86 BW af te wijzen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 januari 2008 (welk verweerschrift nadien is gewijzigd bij brief van 16 september 2008), heeft de vrouw verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans hem het door hem in hoger beroep verzochte als ongegrond en/of onbewezen te ontzeggen en de man te veroordelen in de kosten van de procedure. De vermelding “in incidenteel appel” in het petitum van het verweerschrift, moet, naar de advocaat van de vrouw ter zitting van het hof heeft medegedeeld, als niet geschreven worden beschouwd, omdat door de vrouw geen incidenteel appel is ingesteld.

2.3.1. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de processen-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 9 januari 2007;

- de brief d.d. 19 mei 2008 van de advocaat van de man;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw van 27 mei 2008.

2.3.2. Bij voornoemde brief van 19 mei 2008 heeft de advocaat van de man aan het hof medegedeeld dat de man de grieven VI, VII, VIII en IX, voor zover deze zijn gericht tegen de beschikking ex artikel 1:86 BW, intrekt (en dat met grief V tevens wordt beoogd de ingangsdatum van de in de beschikking van 14 augustus 2007 ex artikel 1:84 BW vastgestelde betalingsverplichting ter discussie te stellen).

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 juni 2008. Bij die gelegenheid zijn de advocaat van de man, alsmede de vrouw en haar advocaat gehoord. De man is behoorlijk opgeroepen, maar heeft er om hem moverende redenen van afgezien bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn.

Na partijen de gelegenheid te hebben geboden de zaak toe te lichten en een aantal bij het hof gerezen vragen te beantwoorden, heeft het hof partijen alsnog in de gelegenheid gesteld om met betrekking tot de perioden van 8 maart 2007 tot 1 juni 2007, 1 juni 2007 tot 1 september 2007 en met ingang van 1 september 2007 aan de hand van in rechte geloof verdienende bescheiden en per periode gespecificeerd en getotaliseerd opgave te doen van de netto inkomsten waarover de man, respectievelijk de vrouw heeft beschikt c.q. beschikt, evenwel uitsluitend voor zover betrekking hebbend op die periode, en van de man, respectievelijk de vrouw daarvan betaalde kosten van de huishouding eveneens uitsluitend voor zover betrekking hebbend op die periode.

Aan partijen is medegedeeld dat het hof na ontvangst van de hiervoor bedoelde informatie en de wederzijdse reacties daarop zonder nadere mondelinge behandeling op het verzoek van de man zou beslissen.

Van een en ander is op 5 juni 2008 verkort proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

2.5.1. Na vorenbedoelde zitting zijn de navolgende brieven ingekomen:

- de brief d.d. 3 juli 2008 met bijlagen van de advocaat van de vrouw;

- de brief d.d. 17 juli 2008 net bijlagen van de advocaat van de man;

- de brief d.d. 21 juli 2008 met bijlagen van de advocaat van de man;

- de brief van de advocaat van de vrouw van 3 juli 2008 (deze datum berust kennelijk op een vergissing, nu de brief op 27 augustus 2008 ter griffie is ingekomen);

- de brief d.d. 28 augustus 2008 van de advocaat van de man;

- de brief d.d. 2 september 2008 van de advocaat van de man;

- de brief d.d. 10 september 2008 van de advocaat van de man;

- de brief d.d. 11 september 2009 van de advocaat van de vrouw;

- de brief d.d. 15 september 2008 met bijlagen van de advocaat van de vrouw;

- de brief d.d. 16 september 2008 van de advocaat van de vrouw;

- de brief d.d. 5 maart 2009 van de advocaat van de man;

- de brief d.d. 28 mei 2009 met bijlage van de advocaat van de man;

- de brief d.d. 2 juli 2009 met bijlage van de advocaat van de man;

- de brief d.d. 10 augustus 2009 van de advocaat van de man;

- de brief d.d. 22 oktober 2009 van de advocaat van de vrouw;

- de brief d.d. 6 november 2009 van de advocaat van de man.

2.5.2. Bij voornoemde brief van 28 augustus 2008 heeft de advocaat van de man het verzoek aan het hof gewijzigd in die zin dat hij tevens verzoekt te bepalen dat de vrouw dient terug te betalen hetgeen de man uit hoofde van de (in het kader van artikel 1:84 BW gegeven) beschikking (met zaaknummer 150294/FA RK 06-4411) onverschuldigd heeft betaald.

2.6. Bij voormelde brief van 5 maart 2009 heeft de advocaat van de man het hof bericht dat de man op 11 februari 2009 is overleden. Bij brief van 2 juli 2009 heeft de advocaat van de man vervolgens een verklaring van erfrecht overgelegd.

Onder verwijzing naar die verklaring van erfrecht heeft de advocaat van de man bij zijn brief van 10 augustus 2009 bericht dat de uit een eerder huwelijk van de man geboren zoon [Z.] recht heeft op een deel van de nalatenschap van de man en dat de hoogte van dat deel van de nalatenschap mede afhankelijk is van de uitkomst van de onderhavige procedure, zodat de zoon van de man belang heeft bij de uitspraak in de onderhavige procedure.

2.7. De advocaat van de vrouw heeft in haar brief d.d. 22 oktober 2009 betwist dat de zoon van de man als belanghebbende in deze procedure dient te worden aangemerkt. Ter toelichting hierop heeft zij aangevoerd dat het erfdeel van de zoon van de man negatief is en dat een uitspraak van het hof daarin geen verandering kan brengen. Daarnaast heeft de vrouw aangevoerd dat mr. Verhagen ten aanzien van het onderhavige verzoek optreedt namens de zoon, terwijl deze noch onder algemene, noch onder bijzondere titel als rechtsopvolger van de man is getreden in de rechten en plichten van de man als erflater, terwijl ook overigens niet is gebleken van een bevoegdheid van deze zoon tot overname van het onderhavige geding en evenmin anderszins van een daartoe strekkende volmacht aan mr. Verhagen is gebleken. Naar de mening van de advocaat van de vrouw is er derhalve sprake van een ontoelaatbare verandering van hoedanigheid.

2.8. De advocaat van de man heeft bij brief d.d. 6 november 2009 bij gebrek aan wetenschap betwist dat het erfdeel van de zoon negatief zou zijn. Hij heeft verder gesteld dat hij zich op geen enkele wijze heeft gepresenteerd als advocaat van de zoon, doch enkel heeft willen schetsen dat - nu de zoon een niet opeisbaar recht heeft op een deel van de nalatenschap - er nog belang bestaat bij het doen van een uitspraak.

3. De beoordeling

3.1. De man en de vrouw zijn op 3 augustus 1987 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

3.2. De vrouw heeft - voor zover thans nog van belang - aan de rechtbank verzocht het bedrag te bepalen dat de man vanaf de datum van de indiening van het verzoekschrift ten behoeve van de kosten van de huishouding aan haar ter beschikking dient te stellen.

3.3. Bij de hiervoor vermelde beschikking van 14 augustus 2007, zaaknummer 150294/FA RK 06-4411, heeft de rechtbank het bedrag dat de man als bijdrage in de kosten van de huishouding van de vrouw moet voldoen met ingang van 1 november 2006 vastgesteld op € 1.850,-- netto per maand.

3.4.1.De man is van deze beschikking in hoger beroep gekomen en heeft verzocht het hiervoor onder 3.2. vermelde verzoek alsnog af te wijzen en te bepalen dat door de vrouw terugbetaald dient te worden hetgeen de man uit hoofde van de uitspraak in eerste aanleg (onverschuldigd) aan de vrouw heeft betaald. Als gevolg van dit hoger beroep ligt het voormelde verzoek van de vrouw opnieuw ter beoordeling voor.

3.4.2. Daarentegen is het tegen de beschikking van 14 augustus 2007, zaaknummer 150298/FA RK 06-4414, ingestelde hoger beroep reeds daarom niet-ontvankelijk, nu, gelet op meergenoemde brief van 19 mei 2008 van de advocaat van de man, de grieven tegen de beschikking ex artikel 1:86 BW niet werden gehandhaafd. Daarbij gaat het hof ervan uit dat de man ook grief I, voor zover deze betrekking heeft op vorenbedoelde beschikking ex artikel 1:86 BW, niet heeft willen handhaven.

3.5. Zoals hiervoor reeds is vermeld is de man op 11 februari 2009 overleden.

Door het overlijden van de man is het huwelijk en daarmee ook diens verplichting om een bijdrage te leveren in de kosten van de huishouding van de vrouw geëindigd. De bijdrageplicht van de man strekt zich derhalve uit over de periode van 1 november 2006 tot 11 februari 2009.

3.6. Naar het oordeel van het hof hebben de erfgenamen van de man, zijnde de vrouw en de zoon van de man, geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep.

3.6.1. In geval van een bekrachtiging door het hof van de beschikking waarvan beroep, waarbij het verzoek van de vrouw is toegewezen, is er sprake van een betalingsverplichting van de man aan de vrouw ter hoogte van een bedrag van circa

€ 50.000,-- en een aanspraak van de vrouw op de man ter hoogte van datzelfde bedrag.

De omvang van de huwelijksgoederengemeenschap ten tijde van het overlijden van de man neemt daardoor dus niet toe of af.

3.6.2. Datzelfde geldt in het geval van een vernietiging van de beschikking waarvan beroep door het hof.

Immers, de betalingsverplichting van de man aan de vrouw zou dan komen te vervallen en daarmee ook de vordering van de vrouw op de man.

Voor zover al enig bedrag zou zijn betaald of verhaald, zou op de vrouw een terugbetalingsverplichting rusten en zou de man een vordering op de vrouw hebben. Nu het hier een verplichting tussen echtelieden betreft, neemt de totale omvang van de huwelijksgoederengemeenschap echter niet toe of af.

3.6.3. Nu de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap en daarmee de omvang van de nalatenschap in geen geval zal wijzigen, hebben de erfgenamen geen belang bij een beoordeling in hoger beroep.

3.6.4. Daarenboven blijkt uit de door de advocaat van de man in het geding gebrachte verklaring van erfrecht dat de man alle tot zijn nalatenschap behorende goederen aan de vrouw heeft toebedeeld en dat de vrouw de nalatenschap ondubbelzinnig en zonder voorbehoud heeft aanvaard.

Nu de man alle tot zijn nalatenschap behorende goederen aan de vrouw heeft toebedeeld, heeft de zoon als erfgenaam ter zake uitsluitend een verbintenisrechtelijke aanspraak jegens de vrouw. De vaststelling van deze aanspraak valt echter buiten de rechtsstrijd in hoger beroep, die immers uitsluitend de vaststelling van de door de man te betalen bijdrage in de kosten van de huishouding van de vrouw betreft.

3.7. Uit het voorgaande volgt dat op het inleidend verzoek van de vrouw en de grieven van de man niet meer behoeft te worden beslist in die zin dat het voor afwijzing alsnog gereed ligt. Er is dan ook geen plaats om de erfgenamen (met name de zoon) in het geding te roepen of om een nieuwe mondelinge behandeling te bepalen

3.8. De vrouw heeft verzocht de man te veroordelen in de kosten van de procedure, maar ook daarvoor geldt dat de vrouw daarbij geen belang meer heeft, nog daargelaten dat het hof daarvoor, gelet op het familierechtelijk karakter van deze zaak, geen termen aanwezig zou hebben geacht.

5. De beslissing

Het hof:

verklaart – de erfgenamen van – de man alsnog niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 14 augustus 2007 ex artikel 1:86 BW (zaaknummer 150298/FA RK 06-4414);

vernietigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 augustus 2007 ex artikel 1:84 BW (zaaknummer 150294/FA RK 06-4411);

wijst het inleidend verzoek van de vrouw alsnog af;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pellis, Smeenk-van der Weijden en Everaars-Katerberg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 12 februari 2010.

Conc.: BSU