Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL3539

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-02-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
HV 200.050.175
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WSNP. Verzoek echtpaar tot uitspreken schuldsaneringsregeling. Voldoende aannemelijk dat niet kan worden voortgegaan met betalen van schulden ? Te goeder trouw ontstaan/onbetaald laten van schulden ? Verwerven baten boedel ?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 5 februari 2010

Zaaknummer: HV 200.050.175/01

Zaaknummer eerste aanleg: 143651/ FT-RK 09.609 en 143653/ FT RK 09.611.

in de zaak in hoger beroep van:

[X.] en [Y.],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

hierna ook te noemen: [X.] respectievelijk [Y.],

advocaat: mr. D.M. Gijzen.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Maastricht van 24 november 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 december 2009, hebben appellanten ieder voor zich verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de schuldsaneringsregeling op appellanten van toepassing is, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 januari 2010.

Bij die gelegenheid zijn appellanten gehoord, bijgestaan door mr. D.M. Gijzen.

3. De beoordeling

3.1. Appellanten - echtgenoten van elkaar en gehuwd in gemeenschap van goederen - hebben de rechtbank verzocht om ten aanzien van ieder van hen de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaringen ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van appellanten blijkt een totale schuldenlast van € 248.339,42. Daaronder bevinden zich een schuld aan Stater Ned. BV van € 180.000,-- , een schuld aan Interbank van € 50.179,20 en een schuld aan International Card Service van € 10.345,--. Uit genoemde verklaringen blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat niet alle schuldeisers hebben ingestemd met het aangeboden akkoord.

3.2. Bij het vonnis waarvan beroep zijn de verzoeken van appellanten afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe in beide zaken op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet aannemelijk is dat appellanten ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw zijn geweest en (kennelijk op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw) voorts overwogen dat appellanten niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.3. De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd.

1. Het had in de lijn der verwachtingen gelegen dat appellanten veel eerder tot inzicht zouden zijn gekomen dat zij systematisch veel meer geld uitgaven dan dat er binnenkwam.

2. Appellanten hebben niet aangetoond dat de vaste lasten meer bedroegen dan het netto-inkomen (samen ruim € 4.000,-- netto per maand) waarover zij beschikten; hoewel de bij de rechtbank opgevoerde hypotheeklasten en stookkosten ontegenzeggelijk hoog waren kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat appellanten boven hun stand hebben geleefd.

3. Bij het accepteren van het nieuwe hypotheekaanbod (door Stater) en het ophogen van de limieten op de diverse creditcards hebben appellanten volgens de recht-bank moeten weten dat de aflossingen onmogelijk konden worden nagekomen.

4. [Y.] heeft zich ter zitting van de rechtbank niet bereid verklaard om fulltime te gaan werken, daar zij de zorg heeft voor de vier kinderen van partijen. [Y.] werkt slechts 16 uur per week in het weekend. Bovendien zouden, aldus [Y.], de kosten van de kinderopvang bij een baan van 36 uur niet opwegen tegen hetgeen zij dan aan hoger inkomen zou genereren.

De rechtbank hecht veel waarde aan de sollicitatie- en arbeidsplicht als een van de belangrijkste kernverplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Het kan volgens de rechtbank dan ook niet zo zijn dat deze verplichting op voorhand wordt afgewezen.

3.4. Appellanten hebben in hun beroepschrift zoals aangevuld ter zitting van het hof - kort samengevat - het hiernavolgende tegen het door hen bestreden vonnis aangevoerd.

- De rechtbank had het verzoek van appellanten ook moeten toetsen aan artikel 288 lid 3 Fw. Hierin wordt bepaald dat - in afwijking van onder meer artikel 288 lid 1 aanhef, en sub b Fw - het verzoek kan worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen.

- Appellanten hebben in 1999 een woning gekocht op een moment dat zij geen financiële problemen hadden. Op dat moment was ook niet te voorzien dat er financiële problemen zouden ontstaan. Pas bij einde van de rentelooptijd van de afgesloten hypothecaire lening bij Stater (naar de stelling van appellanten ter zitting in 2003) werden zij geconfronteerd met hogere rentelasten. Appellanten hadden geen keuze dan de hogere rentelasten te aanvaarden, omdat andere opties tot nog hogere lasten zouden leiden.

Appellanten hebben onder meer om die reden eind 2005/begin 2006 besloten de woning te verkopen. Ten gevolge van een conflict met de buren, waardoor een aanzienlijke vermindering van de waarde van de woning dreigde, waren zij echter eerst nog gedwongen een procedure te voeren. De hoogte van de daarmee gepaard gaande, voor eigen rekening komende, proceskosten hebben appellanten doen besluiten om die procedure uiteindelijk niet verder door te zetten.

Appellanten hebben in september 2008 de woning te koop gezet via een makelaar, ondanks dat het conflict met de buren niet was opgelost en er sprake was van achterstallig onderhoud. De woning is tot op heden niet verkocht.

Appellanten hebben een tweede hypotheek/lening afgesloten bij Interbank toen de eerste hypotheek al was verlengd met de hogere rentelast. Daarbij zijn zij afgegaan op de mededeling van Interbank dat de maandelijkse lasten lager zouden worden. Zij hebben achteraf, toen zij het contract met Interbank al hadden getekend, pas gemerkt dat dit niet zo was. Als gevolg van de, naar zeggen van appellanten, intransparante financiële constructie, is een schuld aan Interbank van € 50.179,00 ontstaan.

- Op 17 november 2008 hebben appellanten een huurwoning betrokken met lagere huur om op die wijze de woonlasten te verlagen.

- De motor van appellanten is door hen verkocht in 2008.

- Na de limieten op de diverse creditcards te hebben verhoogd, is in 2009 door appellanten van het gebruik van deze creditcards afgezien.

- De kosten van de huishouding namen voorts toe door de gezondheidstoestand van zoon [zoon 1.] (en, meer recentelijk, ook nog door de gezondheidstoestand van zoon [zoon 2.]).

- Uit vorenstaande feiten en omstandigheden blijkt dat appellanten al in 2008 maatregelen hebben genomen om het ontstaan en onbetaald laten van schulden onder controle te krijgen.

- Uit die feiten en omstandigheden moet, aldus appellanten, worden geconcludeerd dat zij voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden gedurende de periode van vijf jaren voorafgaande aan de aanvraag om toegelaten te worden tot de schuldsaneringsregeling.

- De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat [Y.] zich niet bereid verklaard heeft te voldoen aan haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatie- en arbeidsplicht.

[Y.] heeft een baan voor 16 uren per week en daarnaast heeft zij de zorg voor 2 gehandicapte kinderen, die maken dat [Y.] niet in staat is om meer dan 16 uren per week te werken.

Indien [Y.] een volledige 36-urige werkweek zou moeten gaan werken, is kinderopvang nodig. Dat zal, door het, als gevolg van een wetswijziging, vervallen van de kinderopvangtoeslag in 2010, er toe leiden dat [Y.] bij een 36 urige werkweek minder inkomsten heeft dan zij thans genereert op basis van een 16-urige werkweek.

- [Y.] hecht eraan te melden dat als het er daadwerkelijk om gaat om meer uren te werken ook al levert dat minder op, zij zich absoluut zal inspannen om meer te gaan werken.

3.5. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden.

3.6.2. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.6.3. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.6.4. Het betreft hier een drietal imperatieve toewijzingsvereisten in het kader van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.

3.7.1. Naar appellanten stellen hebben zij in 1999 een woning aan de [adres] te [plaatsnaam] gekocht en daartoe een hypotheek afgesloten van fl. 235.000,-- (circa € 106.638,--).

Voorts hebben zij gesteld dat zij thans een hypotheekschuld hebben van € 180.000,-- bij Stater en daarnaast een schuld aan Interbank van ruim € 50.000,--, al dan niet onder de vlag van een tweede hypotheek.

Appellanten hebben nagelaten met betrekking tot onder meer de beide leningen stukken in het geding te brengen, waaruit de juistheid van die stellingen kan blijken.

3.7.2. Met betrekking tot de noodzaak tot het verhogen van de hypotheek met een bedrag van circa € 74.500,-, hebben appellanten het volgende aangevoerd.

Dit bedrag is aangewend voor kosten van een verbouwing aan hun koopwoning, voor de extra kosten van psychologische onderzoeken van zoon [zoon 1.] en voor de voldoening van advocaatkosten.

Ter zitting in hoger beroep hebben appellanten desgevraagd medegedeeld dat in een periode van zes jaren vier à vijf psychologische onderzoeken van [zoon 1.] hebben plaatsgevonden, welke ongeveer € 500,-- à € 800,-- per onderzoek hebben gekost, welke niet door hun ziektekostenverzekering werden gedekt.

Derhalve zijn de maximaal daarmee gepaard gaande kosten gedurende een periode van zes jaren circa € 2.000,-- à

€ 4.000,-- in totaal geweest. Appellanten hebben met betrekking tot die kosten geen bewijsstukken overgelegd.

Voor wat betreft de advocaatkosten met betrekking tot de procedure tegen de buren hebben appellanten aangegeven dat daarmee een bedrag van circa € 10.000,-- was gemoeid. Ook die stelling hebben appellanten niet met stukken onderbouwd.

Met betrekking tot de kosten van de verbouwing (onder meer reparatie dak en vervanging riolering) hebben appellanten evenmin bewijsstukken in het geding gebracht.

Andere bijzondere kosten waarmee bij de beoordeling van de stellingen van appellanten op dit punt rekening zou dienen te worden gehouden, zijn niet gesteld of anderszins gebleken.

3.7.3. Met betrekking tot de (hypothecaire) lening van Interbank hebben appellanten ter zitting in hoger beroep gesteld dat zij het daaruit verkregen bedrag ad circa € 50.000,-- hebben aangewend voor de aflossing van een aantal creditcard schulden, die op het moment van het aangaan van de lening bestonden.

Appellanten hebben de juistheid van die stelling op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Er zijn geen bewijsstukken overgelegd met betrekking tot het bestaan van die schulden en evenmin met betrekking tot de betaling c.q. aflossing van die schulden.

3.7.4. Appellanten hebben voorts gesteld dat zij op dit moment nog creditcardschulden moeten voldoen tot een bedrag van ruim € 10.000,--. Appellanten hebben de noodzaak tot het laten ontstaan van die schulden op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt door de juistheid van hun stellingen met met name in rechte geloof verdienende bescheiden te onderbouwen.

3.7.5. Het hof stelt op grond van zowel de stukken als hetgeen ter zitting naar voren is gebracht vast dat appellanten over een gezamenlijk netto inkomen van ruim € 4.000,-- netto per maand beschikken. Dat appellanten in het verleden over een substantieel lager inkomen beschikten, is niet gesteld, laat staan aangetoond. Wel stelt het hof dienaangaande vast dat [X.] op een zeker moment 90 uur in de week heeft gewerkt doordat hij naast zijn werkzaamheden voor de gemeente [gemeentenaam] op een bepaald moment ook nog een baan als docent had en dat [Y.], na eerst voor uitzendbureaus te hebben gewerkt, sinds 1 februari 2005 in dienst is bij Rimo, bij welke werkgever zij thans, inclusief vakantiegeld, ongeveer € 950,-- per maand verdient.

Er vanuit gaande dat de stookkosten op een zeker moment € 500,-- per maand bedroegen - ook dienaangaande ontbreekt overigens een relevant bescheid - en de hypothecaire lasten circa € 846,-- per maand (welk bedrag overigens eerst na het oversluiten en verhogen van de hypothecaire geldlening gold en waarvan de rentelast voor appellanten fiscaal aftrekbaar is), dan is daarmee, mede gelet op het gezamenlijke inkomen van appellanten, nog steeds niet voldoende aannemelijk gemaakt dat [X.] en [Y.] niet konden c.q. zullen kunnen voortgaan met het betalen van hun schulden. Ook ter zitting van het hof bleken appellanten, na hierover bij herhaling te zijn bevraagd, niet in staat om een volledig inzicht te geven in hun uitgaven- patroon van de afgelopen jaren (mede waardoor niet duidelijk is geworden waaraan het bedrag van circa € 74.500,-- als gevolg van de hypotheekverhoging is besteed).

Voor wat betreft het in appel (als productie 2) ingebrachte uitgavenoverzicht, dat overigens enkel op een zeer beperkte periode ziet, hebben appellanten overigens, na een hierop gerichte vraag van het hof, toegegeven dat, anders dan de toelichting bij het overzicht van inkomsten en uitgaven doet voorkomen, met het salaris dat [Y.] maandelijks ontvangt geen rekening is gehouden. Daarmee geeft dit overzicht reeds op deze grond geen waarheidsgetrouw beeld van de hier bedoelde periode.

3.7.6. Nu appellanten niet aannemelijk hebben weten te maken dat zij niet kunnen voortgaan met het betalen van hun schulden, faalt, in het licht van het systeem van de wet, in het bijzonder artikel 288 lid 1 Fw, reeds op die grond hun verzoek om te worden toegelaten tot toepassing van de schuldsanering. Dit betekent tevens dat, eveneens indachtig het systeem van de wet, het hof aan het bepaalde in artikel 288 lid 3 Fw geen toepassing behoeft te geven.

3.8. Hieraan voegt het hof ten overvloede nog het volgende toe.

3.8.1. Nadat appellanten - naar zij zeggen - in 2006 tot het inzicht waren gekomen dat zij op hun kosten moesten bezuinigen, zijn zij de bij hen in bezit zijnde creditcards blijven gebruiken (waarbij de kredietlimieten werden verhoogd) om onder meer daarmee dagelijkse boodschappen te doen en daarvan een verhuizing te bekostigen. Desgevraagd hebben appellanten ter zitting van het hof verklaard het ene gat met het andere gat te hebben gevuld. Waar appellanten, ofschoon zij naar eigen zeggen op dat moment al niet meer aan hun verplichtingen uit bestaande schulden konden voldoen, zijn doorgegaan met het maken van nieuwe schulden (waardoor de uiteindelijke schuldenlast alleen maar verder toenam), hebben zij met betrekking tot de creditcardschulden van ruim € 10.000,-- dan ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat zij dienaangaande te goeder trouw zijn geweest. In plaats van eerst in 2009 hadden appellanten al veel eerder tot beëindiging van het gebruik van de creditcards dienen over te gaan.

3.8.2. Op het moment dat appellanten een woning gingen huren, dat was op 1 november 2008, was de koopwoning aan de [adres] te [plaatsnaam] nog niet verkocht, een situatie die ten tijde van de zitting van het gerechtshof onveranderd bleek. Doordat enerzijds de al bestaande financiële verplichtingen met betrekking tot de koopwoning zijn blijven doorlopen en anderzijds er nieuwe financiële verplichtingen met betrekking tot de huurwoning zijn ontstaan, zijn, als gevolg van de destijds door appellanten gemaakte keuze, de totale woonlasten sinds 1 november 2008 niet verlaagd (zoals appellanten naar eigen zeggen voor ogen stond opdat zij hun schulden verder onder controle kregen) doch daarentegen aanzienlijk verhoogd. Bovendien konden appellanten op het moment dat zij de woning gingen huren naar eigen zeggen al niet meer aan de financiële verplichtingen met betrekking tot de koopwoning voldoen. Dit maakt dat appellanten niet voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van vorenbedoelde schuld te goeder trouw zijn geweest.

3.8.3. Het hof acht het met betrekking tot het aangaan van voormelde schulden door appellanten niet aannemelijk, gezien de opleiding en de functie van [X.], dat deze de reikwijdte van de door appellanten genomen beslissingen met betrekking tot de (verhoging van) voormelde schulden niet heeft voorzien. Niet aannemelijk is dan ook gemaakt dat appellanten dienaangaande te goeder trouw zoals bedoeld in artikel 288 aanhef lid 1 en sub b Fw zijn geweest. Bovendien vloeit uit de handelwijze van appellanten met betrekking tot onder meer de koop- en huurwoning voort dat zij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van schulden niet onder controle hebben gekregen. Ook anderszins is daarvan niet gebleken.

3.9.1. [Y.] heeft ter zitting in hoger beroep gesteld dat zij tengevolge van de zorg voor twee gehandicapte kinderen van partijen niet in staat is meer uren te werken dan thans het geval is. [Y.] werkt 16 uren per week in het weekend als telefoniste/ receptioniste. [Y.] heeft daaraan ter zitting in hoger beroep toegevoegd dat, indien zij in het kader van de schuldsanerings- regeling daartoe zou worden verplicht, zij bereid en in staat is meer uren te gaan werken dan thans het geval is.

Appellanten hebben naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dat [Y.] niet in staat zou zijn haar huidige arbeidstijd te verhogen naar een 36-urige werkweek.

Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de beide kinderen van partijen in die mate gehandicapt zijn dat dientengevolge [Y.] niet haar arbeidstijd zou kunnen uitbreiden. Omtrent de handicap van beide kinderen hebben appellanten geen medische stukken in het geding gebracht aan de hand waarvan de juistheid van de stellingen van appellanten op dit punt zou kunnen worden vastgesteld. De enkele mededeling van appellanten dat een van de kinderen dyslexie, NLD en ADD heeft en dat een ander kind een chromosomenafwijking Marker 15 heeft, is volstrekt onvoldoende om te concluderen dat dientengevolge [Y.] niet in staat zou zijn haar betaalde werkzaamheden uit te breiden. Stukken met betrekking tot de benodigde zorg van beide kinderen noch stukken in verband met kosten kinderopvang zijn door appellanten in het geding gebracht, ofschoon dit bij appelschrift wel was toegezegd.

Ten processe staat vast dat [Y.] tot op heden er niet in is geslaagd haar werkzaamheden uit te breiden. Dat zij daartoe pogingen heeft ondernomen is niet gebleken.

Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat van [Y.] reeds in een eerder stadium mocht worden gevergd dat zij haar betaalde werkzaamheden in tijd zou uitbreiden. Naar het oordeel van het hof is dan ook niet voldoende aannemelijk gemaakt dat [Y.] de uit de schuldsanering voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.10. Nu, overigens geheel ten overvloede, appellanten ook in hoger beroep niet aannemelijk hebben kunnen maken dat zij ten aanzien van het ontstaan van de schulden gedurende een periode van vijf jaren voorafgaande aan het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te goeder trouw zijn geweest en evenmin aannemelijk hebben kunnen maken dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zullen nakomen en zich zullen inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven, dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd met aanvulling van de gronden.

4. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep met aanvulling van de gronden.

Dit arrest is gewezen door mrs. Pellis, Van Dijkhuizen en Raab en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2010.

Conc. JP