Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL3459

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-02-2010
Datum publicatie
10-02-2010
Zaaknummer
20-002179-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2007:AZ7520, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1.

Veroordeling wegens medeplegen van gekwalificeerde doodslag (288 Wetboek van Strafrecht) tot een gevangenisstraf van 9 jaar en 6 maanden (waarbij tevens rekening is gehouden met overschrijding van de redelijke termijn).

2.

Bewezenverklaring diefstal, gelet op actieve wegnemingshandeling mededader.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-002179-09

Uitspraak : 10 februari 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen, na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad op het cassatieberoep, ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof Hertogenbosch van 26 oktober 2007, parketnummer

20-000556-07, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

(in eerste aanleg en in het eerder hoger beroep gedagvaard als: [verdachte]),

geboren te [geboorteplaats] op [1981],

thans verblijvende in P.I. Vught - Nieuw Vosseveld 2 HVB te Vught.

Omvang van het hoger beroep

Bij arrest van 2 juni 2009, nr. S 07/13131, heeft de Hoge Raad het voormelde arrest van dit hof van 26 oktober 2007 vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen ter zake van het onder 1 primair tenlastegelegde en de strafoplegging. De Hoge Raad heeft de zaak vervolgens teruggewezen naar dit hof opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft betrekking op het gedeelte van het beroepen vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 1 februari 2007, parketnummer 01-889049-06, dat na de terugwijzing door de Hoge Raad nog aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Het hoger beroep heeft mede betrekking op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde], wonende te [woonplaats], [adres], zijnde de nabestaande van het slachtoffer [slachtoffer], alsmede op de beslissing van de eerste rechter op de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging alsnog van 2 maanden gevangenisstraf, aan de verdachte voorwaardelijk opgelegd bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter te Breda van 17 januari 2006 met parketnummer 02-800847-05.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is - na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad - gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de rechter in eerste aanleg voor zover thans aan het hoger beroep onderworpen, zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen zal verklaren (medeplegen van doodslag gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van diefstal met betrekking tot de bankpas, het geld en het papier waarop de pincode was geschreven en medeplegen van doodslag gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van afpersing met betrekking tot de hennep) en de verdachte ter zake zal veroordelen tot gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. De vordering van de advocaat-generaal behelst voorts de hierna te vermelden standpunten met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij en de vordering tot tenuitvoerlegging.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van feit 1 - tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 07 juni 2006 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet een vuurwapen op en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] gericht en/of tweemaal, in elk geval een of meerdere malen, een schot op en/of in de richting van die [slachtoffer] gelost, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten

- diefstal - voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren - van twee, in elk geval een of meer bankpasje(s) en/of geld en/of een papier waarop een pincode was geschreven en/of een hoeveelheid hennep, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elke geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

en

- afpersing van twee, in elk geval een of meer bankpasje(s) en/of een papier waarop een pincode was geschreven en/of geld en/of een hoeveelheid hennep, in elk geval enig goed geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elke geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

welk door hem en/of zijn mededader(s) uitgeoefende geweld en/of bedreiging met geweld ten aanzien van de diefstal en de afpersing bestond(en) uit

- het dreigend tegen die [slachtoffer] zeggen: "Geld, weed, bankpasje, code!” en/of "Waar is de weed, waar is de weed!!" althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- het richten van een pistool op die [slachtoffer] en/of

- het doorladen van dit pistool en/of

- met dit (doorgeladen) pistool tegen het hoofd van die [slachtoffer] aantikken/-slaan en/of

- het vasthouden en/of het op/tegen de grond houden van deze [slachtoffer]

(en) welke doodslag is gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat/die feit(en) voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) aan dat/die feit(en) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat hij op of omstreeks 07 juni 2006 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet een vuurwapen op en/of tegen het lichaam van die [slachtoffer] gericht en/of tweemaal, in elk geval een of meerdere malen, een schot op en/of in de richting van die [slachtoffer] gelost, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden

en/of

dat hij op of omstreeks 07 juni 2006 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee, in elk geval een of meer bankpasje(s) en/of geld en/of een papier waarop een pincode was geschreven en/of een hoeveelheid hennep, in elk geval enig goed geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elke geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

welk door hem en/of zijn mededader(s ) uitgeoefende geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit

- het dreigend tegen die [slachtoffer] zeggen: "Geld, weed, bankpasje, code!" en/of "Waar is de weed, waar is de weed!!" althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- het richten van een pistool op die [slachtoffer] en/of

- het doorladen van dit pistool en/of

- met dit (doorgeladen) pistool tegen het hoofd van die [slachtoffer] aantikken/-slaan en/of

- het vasthouden en/of het op/tegen de grond houden van deze [slachtoffer];

en/of

dat hij op of omstreeks 07 juni 2006 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van twee, in elk geval een of meer bankpasje(s) en/of geld en/of een papier waarop een pincode was geschreven en/of een hoeveelheid hennep, in elk geval enig goed geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer], in elke geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

welk door hem en of zijn mededader(s) uitgeoefende geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit

- het dreigend tegen die [slachtoffer] zeggen: "Geld, weed, bankpasje, code!" en/of "Waar is de weed, waar is de weed!!" althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- het richten van een pistool op die [slachtoffer] en/of

- het doorladen van dit pistool en/of

- met dit (doorgeladen) pistool tegen het hoofd van die [slachtoffer] aantikken/-slaan en/of

- het vasthouden en/of het op/tegen de grond houden van deze [slachtoffer];

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 07 juni 2006 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee in elk geval een of meer bankpasje(s) en/of geld en/of een papier waarop een pincode was geschreven en/of een hoeveelheid hennep, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren

welk door hem en/of zijn mededader(s) uitgeoefende geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit

- het dreigend tegen die [slachtoffer] zeggen: "Geld, weed, bankpasje, code!" en/of 'Waar is de weed, waar is de weed!!" althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- het richten van een pistool op die [slachtoffer] en/of

- het doorladen van dit pistool en/of

- met dit (doorgeladen) pistool tegen het hoofd van die [slachtoffer] aantikken/-slaan en/of

- het vasthouden en/of het op/tegen de grond houden van deze [slachtoffer]

- het lossen van een of meerdere schoten op en/of in de richting van die [slachtoffer]

welk feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad

en/of

dat hij op of omstreeks 07 juni 2006 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zichzelf en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot afgifte van twee, in elk geval een of meer bankpasje(s) en/of geld en/of een papier waarop een pincode was geschreven en/of een hoeveelheid hennep, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

welk door hem en/of zijn mededader(s) uitgeoefende geweld en/of bedreiging met geweld bestond(en) uit

- het dreigend tegen die [slachtoffer] zeggen: "Geld, weed, bankpasje, code!" en/of 'Waar is de weed, waar is de weed!!" althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking, en/of

- het richten van een pistool op die [slachtoffer] en/of

- het doorladen van dit pistool en/of

- met dit (doorgeladen) pistool tegen het hoofd van die [slachtoffer] aantikken/-slaan en/of

- het vasthouden en/of het op/tegen de grond houden van deze [slachtoffer]

- het lossen van een of meerdere schoten op en/of in de richting van die [slachtoffer]

welk feit de dood van die [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 7 juni 2006 te Beek en Donk, gemeente Laarbeek, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet een vuurwapen op het lichaam van die [slachtoffer] gericht en tweemaal een schot op die [slachtoffer] gelost, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten

diefstal - voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren - van een bankpasje en geld en een papier waarop een pincode was geschreven, toebehorende aan [slachtoffer],

(en) welke doodslag is gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer aan dat feit straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het onder 1 primair bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

A.1.

Van de zijde van de verdachte is, evenals in eerste aanleg en eerder in hoger beroep, met betrekking tot het onder 1 primair tenlastegelegde het verweer gevoerd, dat verdachte niet het opzet had - ook niet in de voorwaardelijke vorm - op de dood van het slachtoffer [slachtoffer]. De raadsman voert daartoe het volgende aan.

Niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de mededader [mededader]. Verdachte ging ervan uit dat het vuurwapen dat [mededader] had meegenomen, bij de overval slechts aan het slachtoffer getoond zou worden en niet dat er daadwerkelijk zou worden geschoten, in ieder geval niet in de richting van het latere slachtoffer. Het schoonmaken van de kogels door [mededader], hetgeen verdachte heeft waargenomen, leidt niet tot een andere conclusie, omdat verdachte in eerste instantie met het wapen naar binnen zou gaan, aldus de raadsman. De omstandigheid dat verdachte zich in de onmiddellijke nabijheid van het slachtoffer bevond op het moment dat er op het slachtoffer werd geschoten, levert zelfs een contra-indicatie op. Daar komt nog bij dat verdachte zwakbegaafd is, hetgeen een goede oordeelsvorming in de weg heeft gestaan, aldus de raadsman.

A.2.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof acht op grond van wettige bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden bewezen: In het navolgende wordt verwezen naar het proces-verbaal van politie van 31 augustus 2006, nr. PL2219/06-006444 met bijlagen, doorlopende bladzijdenummering 1 – 766.

Omdat verdachte en zijn mededader vonden dat ze geld nodig hadden, hebben zij op enig moment het plan opgevat om [slachtoffer], van wie zij wisten dat bij hem weed kon worden gekocht, te beroven. De verdachte heeft in dit verband verklaard: “[mededader] [[mededader]; hof] wilde de weed pakken om te verkopen, want [mededader] had geld nodig” en voorts “Wij gingen die overval plegen omdat [mededader] en [medeplichtige] geld nodig hadden (…)” . [mededader] heeft verklaard: “Ik heb (…) tegen [verdachte] [[verdachte]; hof] verteld dat ik wist waar die weed-dealer woont. (…) Ik heb toen met [verdachte] de details doorgesproken. We wilden die weed-dealer rippen, omdat we geld nodig hadden.”

Verdachte en [mededader] hadden tevens afgesproken dat [mededader] een vuurwapen zou meenemen. Daarmee zou [slachtoffer] worden bedreigd om zodoende de weed te kunnen krijgen. Bij de aanschaf van dit vuurwapen door [mededader] is verdachte aanwezig geweest.

Verdachte heeft verklaard dat hij gezien heeft dat de medeverdachte [mededader] op de avond van de overval de kogels uit het vuurwapen met een sok heeft schoongepoetst. Verdachte heeft hierover verklaard dat [mededader] dat deed om sporen weg te poetsen. Naar het oordeel van het hof heeft verdachte hieruit kunnen afleiden dat [mededader] bereid was om het wapen te gebruiken.

Toen zij op weg waren naar de woning van [slachtoffer] op 7 juni 2006 wist verdachte dat [mededader] het geladen vuurwapen had meegenomen. Aanvankelijk was het plan dat verdachte met het wapen naar binnen zou gaan, verdachte had het wapen ook bij zich, maar nog voor zij de woning binnengingen heeft [mededader] het wapen van hem overgenomen. Verdachte was bekend met de agressieve en opvliegende aard van de medeverdachte [mededader]. Zo heeft de verdachte over [mededader] verklaard: “Ik ken [mededader] en ik weet dat hij niet spoort. Ik heb vaker gezien dat hij mensen mishandeld heeft om niets.” Het hof overweegt dat verdachte zich desondanks op dit moment niet van de voorgenomen overval heeft gedistantieerd, terwijl hij zich moet hebben gerealiseerd dat [mededader] in staat en bereid was om het vuurwapen te gebruiken.

[mededader] en verdachte zijn de woning van [slachtoffer] binnen gegaan en [mededader] heeft [slachtoffer] met het vuurwapen gedreigd en geroepen “geld, weed, bankpadje, pincode”. Daarbij hoorde verdachte een hard ijzeren geluid als “klak, klak”, waaruit hij opmaakte dat [mededader] het wapen doorlaadde. Vervolgens riep [mededader] “[verdachte], kom” waarna de verdachte naar het slaapvertrek liep. Daar zag hij dat [slachtoffer] op de grond zat en dat [mededader] het vuurwapen tegen het hoofd van [slachtoffer] hield. Op aangeven van [mededader] is verdachte bij [slachtoffer] gebleven, terwijl [mededader] in de woonkamer is gaan kijken, waarbij [mededader] de stoel meenam waarop het slachtoffer had gezeten. Verdachte heeft verklaard dat de eerste keer dat hij het geluid (“klak klak”) van het doorladen van het vuurwapen hoorde, was toen zij naar binnen gingen en [mededader] naar het slachtoffer liep, en de tweede keer toen [mededader] de stoel uit het (slaap)kamertje wegzette. Die laatste keer bevond verdachte zich nog in het slaapvertrek en heeft hij gedacht: “Dit loopt uit de hand” . Voorts heeft de verdachte verklaard: “Toen ik in het slaapvertrek stond en hoorde dat het wapen werd doorgeladen, dacht ik wel dat [mededader] zou gaan schieten.“ Ook op dit moment heeft verdachte zich niet gedistantieerd van de – ook in zijn beleving – bestaande dreiging van een gewelddadig optreden van [mededader]. Integendeel, toen het slachtoffer wilde opstaan, heeft verdachte hem naar eigen zeggen vastgepakt om te voorkomen dat hij zou kunnen ontkomen. Verdachte heeft verklaard: “[slachtoffer] [[slachtoffer]; hof] begon met mij te worstelen nadat hij was opgestaan. Toen hij opstond, heb ik hem vastgepakt omdat ik dacht dat hij via de woonkamer naar buiten wilde vluchten. Nadat ik hem had vastgepakt, probeerde [slachtoffer] zich los te rukken en daardoor kwamen wij al worstelend in de woonkamer terecht.

Op dat moment begon [mededader] (…) te schieten. Uit de verklaringen van verdachte volgt dat hij, op het moment dat [mededader] met het vuurwapen op [slachtoffer] schoot, hij [slachtoffer] nog steeds (van achteren) vast had en dat hij pas ná het tweede schot het slachtoffer heeft losgelaten.

Uit het sectierapport blijkt dat het slachtoffer is overleden door interne bloedingen ten gevolge van verwondingen. In zijn lichaam zijn twee kogels aangetroffen die waarschijnlijk zijn afgevuurd uit de loop van het pistool van [mededader].

Verdachte is nog diezelfde avond met de gestolen bankpas en de ontvreemde pincode geld gaan pinnen en blijkens de verklaringen van [medeplichtige] en [mededader] heeft verdachte ook meegedeeld in de buit.

A.3.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en onderlinge samenhang bezien, stelt het hof vast dat verdachte en [mededader] van plan waren een overval te plegen met een wapen en dat voornemen vervolgens ten uitvoer hebben gebracht. Daarbij was verdachte volledig op de hoogte was dat het wapen schietklaar in handen was van iemand die “niet spoort” en om niets agressief kon worden en dat het wapen patronen bevatte die kort tevoren nog van vingerafdrukken waren ontdaan. Verdachte realiseerde zich dan ook ter plekke dat het fout kon gaan. Desondanks heeft verdachte zich op geen enkel moment gedistantieerd van de overval of getracht [mededader] te bewegen om niet te schieten. Verdachte heeft daarentegen een actieve bijdrage geleverd aan het geweld jegens het slachtoffer door te verhinderen dat deze weg kon komen of zich kon verweren tegenover [mededader]. Dit brengt mee dat ook de verdachte opzet had op de dood van het slachtoffer. Dat verdachte de kans liep zelf mogelijk geraakt te worden, doet aan het vorenstaande niet af. De door de raadsman van verdachte gestelde zwakbegaafdheid van verdachte staat aan voormeld opzet evenmin in de weg. Derhalve is sprake van medeplegen.

Het verweer wordt verworpen.

B.1.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat aan verdachte niet het opzet verweten kan worden op het wegnemen van geld en de bankpas met pincode van [slachtoffer], omdat hij ervan uitging dat enkel weed zou worden weggenomen.

B.2.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de mededader [mededader] het slachtoffer met een pistool heeft bedreigd daarbij roepende om “geld, weed, bankpasje, pincode”. Verdachte heeft dit gehoord en vervolgens de samenwerking met de mededader niet afgebroken of beperkt tot enkel de weed. Het opzet van verdachte was derhalve gericht op de diefstal of afpersing van al deze goederen. Bovendien wilden verdachte en [mededader] de overval plegen omdat zij geld nodig hadden. Dat alleen al impliceert dat het opzet is gericht op het wegnemen van goederen die geld kunnen genereren.

C.1.

Tenslotte heeft de raadsman nog aangevoerd dat er geen sprake is geweest van diefstal maar van afpersing, zoals het hof in zijn arrest van 26 oktober 2007 heeft overwogen.

C.2.

Uit de verklaringen van de medeverdachte [mededader], in onderlinge samenhang en onderling verband bezien , leidt het hof af dat [slachtoffer] onder bedreiging met een vuurwapen het geld en de bankpas op tafel heeft gelegd en dat [mededader] deze goederen vervolgens zelf van de tafel heeft weggenomen en in zijn zak heeft gestoken. [mededader] heeft verklaard dat het slachtoffer onder bedreiging met het pistool de pincode op een briefje heeft geschreven, maar niet of het slachtoffer dit briefje vervolgens aan hem of verdachte heeft afgegeven of ook op de tafel heeft gelegd. [mededader] heeft enkel verklaard dat hij het briefje met de pincode, de bankpas en het geld in zijn zak heeft gestoken. Het hof gaat daarom ervan uit dat het slachtoffer niet alleen de bankpas en het geld, maar ook dit briefje onder bedreiging met het pistool op de tafel heeft gelegd, waarna [mededader] al deze objecten in zijn zak heeft gestoken. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat het handelen van de medeverdachte leidt tot de conclusie dat sprake geweest van een actieve wegnemingshandeling, hetgeen een bewezenverklaring van diefstal oplevert.

D.

Het hof merkt vervolgens op dat ten aanzien van de weed die [slachtoffer] op tafel zou hebben gelegd, niet is komen vast te staan dat deze door verdachte of zijn mededader is meegenomen. Op de tafel in de woning van [slachtoffer] is immers door de politie een zakje met weed aangetroffen en gebleken is dat verdachte en zijn mededader na de overval nog naar een coffeeshop zijn gegaan om weed te kopen.

Het hof acht het daarom niet bewezen dat zij van [slachtoffer] weed hebben weggenomen, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.

E.

Nu het hof het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen verklaart behoeven de door de verdediging gevoerde verweren met betrekking tot het onder 1 subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde geen bespreking.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde onder 1 primair is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 288, juncto artikel 287 juncto artikel 47, eerste lid, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf en maatregel voor het onder 1 primair bewezenverklaarde, alsmede voor het bij inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegde zoals door dit gerechtshof bij arrest van 26 oktober 2007 is bewezenverklaard

De rechter in eerste aanleg heeft verdachte vrijgesproken van het destijds onder 1 primair tenlastegelegde en heeft het destijds onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde bewezenverklaard en de verdachte ter zake veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof de verdachte ter zake van de feiten onder 1 primair en onder 2 zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft voor het geval dat het hof voor het onder 1 primair tenlastegelegde tot een veroordeling zou komen gewezen op het tijdsverloop, alsmede op enige persoonlijke omstandigheden waarmee bij de strafoplegging rekening moet worden gehouden. Tevens heeft de raadsman gewezen op de omstandigheid dat het hof in zijn arrest van 26 oktober 2007 bij de strafbepaling (gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar) reeds had betrokken dat er sprake was geweest van een overval, zodat een langere gevangenisstraf niet op zijn plaats is.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Opzettelijke levensberoving gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat strafbaar feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren, is één van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Sinds 1 februari 2006 kent artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht als maximum op te leggen straf een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke van ten hoogste 30 jaren. Het hof is dan ook van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van lange duur met zich brengt.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de straffen die gebruikelijk door dit gerechtshof in vergelijkbare gevallen worden opgelegd.

Ten nadele van verdachte houdt het hof rekening met het volgende.

De verdachte en zijn medeverdachte hebben met de gewapende overval gehandeld uit puur winstbejag en hebben daarbij op brute wijze het leven van [slachtoffer] ontnomen. Hierdoor is het hoogste rechtsgoed, het recht op leven, van het slachtoffer geschonden.

Mede door toedoen van verdachte is voorts groot leed toegebracht aan de nabestaanden en de verdere naaste omgeving van het overleden slachtoffer, die zich geconfronteerd zagen met de gewelddadige dood van een dierbare. De moeder van het slachtoffer heeft ter terechtzitting in hoger beroep op indrukwekkende wijze gesproken over de gevolgen die dit heeft gehad voor haar en de familie. De verdachte moet zich aanrekenen dat hij dit aan de nabestaanden heeft aangedaan.

Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij zich niet heeft bekommerd om het lot van het slachtoffer, terwijl hij wist dat deze door de mededader met een pistoolschot in zijn buik was getroffen en dat hij vervolgens met de tijdens de overval gestolen bankpas en pincode tot tweemaal toe is gaan pinnen, waarmee hij zijn persoonlijk belang voorop heeft gesteld.

Voorts houdt het hof rekening met de omstandigheid dat het onderhavige delict een gewelddadig feit betreft waardoor de rechtsorde zeer ernstig wordt geschokt en in de maatschappij grote gevoelens van onrust en onveiligheid teweegbrengt.

Het hof houdt tevens rekening met de eerdere veroordelingen, waaronder geweldsdelicten, blijkende uit een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 december 2009, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

In het voordeel van verdachte houdt het hof rekening met de omstandigheid dat niet hij degene is geweest die het fatale schot heeft gelost, maar zijn mededader die tevens een meer initiërende rol heeft gehad.

Alles overziende acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren passend en geboden.

Het hof is echter van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden nu namens verdachte op 9 november 2007 beroep in cassatie is ingesteld en de Hoge Raad pas op 2 juni 2009 uitspraak heeft gedaan, dit wil zeggen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het beroep in cassatie. Dit dient te leiden tot strafvermindering met zes maanden (5 % van de op te leggen straf). In verband met deze geconstateerde schending van het recht van de verdachte op een behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn zal slechts de in de beslissing te noemen straf worden opgelegd.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van EUR 9.385,37, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van EUR 8.185,37.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering. De vordering van de benadeelde partij strekt in hoger beroep derhalve tot betaling van EUR 9.385,37, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij behoort te worden toegewezen tot een bedrag van EUR 8.185,37, conform de beslissing van de eerste rechter.

De vordering van de benadeelde partij is door of namens verdachte niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 9.185,37. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. Verdachte is tevens gehouden de gevorderde wettelijke rente te vergoeden.

Het hof merkt nog het volgende op.

Ten aanzien van de gevorderde kosten van EUR 1.000,-- (zijnde het bedrag dat door middel van de van het slachtoffer gestolen bankpas door verdachte en zijn mededaders is opgenomen bij de bank) is het hof, anders dan de eerste rechter, van oordeel dat deze kosten in het kader van de strafzaak door de nabestaande van [slachtoffer] kunnen worden gevorderd. Immers, voornoemd bedrag betreft door het slachtoffer geleden rechtstreekse schade als gevolg van feit 2 en de hierdoor ontstane vordering behoort thans, vanwege het overlijden van het slachtoffer, tot diens nalatenschap. Op grond van artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering kunnen de erfgenamen van een persoon die dergelijke rechtstreekse schade heeft geleden, zich voegen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering, te weten de vordering die tot de nagelaten boedel behoort.

Voor wat betreft de opgevoerde kosten ad EUR 200,--, betreffende de uitgestelde betaling aan Primeline, is het hof van oordeel dat de benadeelde partij in dit deel van haar vordering niet kan worden ontvangen, daar dit geen schade betreft die is veroorzaakt door (een van) de bewezenverklaarde feiten.

Ten aanzien van de toe te wijzen schadevergoeding zal het hof tevens de maatregel van artikel 36f van Wetboek van Strafrecht op te leggen..

Verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Het hof is ten aanzien van de vordering van de officier van justitie te 's-Hertogenbosch van 10 oktober 2006, tot tenuitvoerlegging van het bij vonnis van de Politierechter te Breda van 17 januari 2006 onder parketnummer 02-800847-05 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf, van oordeel, dat - nu uit het onderzoek ter terechtzitting gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt - de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis, dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14g, 24c, 36f, 47, 57, 63, 287, 288, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Het hof, rechtdoende op het hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 primair bewezenverklaarde oplevert:

Medeplegen van doodslag, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heter daad aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte voor het onder 1 primair bewezenverklaarde, alsmede voor het, bij inleidende dagvaarding onder 2 tenlastegelegde, door dit gerechtshof bij arrest van 26 oktober 2007 bewezenverklaard en gekwalificeerd als:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd,

tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren en 6 (zes) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op om, ten behoeve van [benadeelde], wonende te [adres], [woonplaats] aan de Staat een bedrag te betalen van EUR 9.185,37 (negenduizend honderdvijfentachtig euro en zevenendertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 5 december 2006.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] voor een bedrag van EUR 9.185,37 (negenduizend honderdvijfentachtig euro en zevenendertig cent) toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 9.185,37 (negenduizend honderdvijfentachtig euro en zevenendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf

5 december 2006, met dien verstande dat en indien en voor zover een mededader van verdachte aan deze vordering heeft voldaan de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd.

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte en/of de mededader(s) heeft/hebben voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [benadeelde] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Breda van 17 januari 2006 onder parketnummer 02-800847-05, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. C.M. Hilverda en mr. M. Malsch,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 10 februari 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M. Malsch is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.