Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL2339

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-01-2010
Datum publicatie
05-02-2010
Zaaknummer
HD 200.031.658
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsfraude. Proceskostenveroordeling; vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. CH

zaaknr. HD 200.031.658

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

vierde kamer, van 26 januari 2010,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 20 juli 2007,

hierna: “[X.]”,

advocaat: mr. E.G.M. van Ewijk,

tegen:

de naamloze vennootschap GENERALI SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

hierna: “Generali”,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 29 juni 2007 tussen [X.] als gedaagde in conventie tevens eiser in reconventie en Generali als eiseres in conventie tevens verweerster in reconventie.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer/rolnummer 159131/KG ZA 07-324)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij een op verzoek van Generali uitgebracht anticipatie-exploot van 20 juli 2007 is de roldatum waartegen [X.] Generali in hoger beroep had gedagvaard (9 juni 2009) vervroegd naar 31 juli 2007. Bij memorie van grieven heeft [X.] onder overlegging van 15 producties vier grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vordering van Generali en tot veroordeling van Generali om het betaalde bedrag van € 107.417,21 als onverschuldigd terug te betalen met wettelijke rente en met veroordeling van Generali in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft Generali de grieven bestreden. Daarbij heeft zij 85 producties in het geding gebracht.

2.3. Vervolgens heeft [X.] op 30 juni 2009 een akte houdende producties genomen en daarbij 33 producties (genummerd 0 t/m 32) overgelegd.

2.4 Partijen hebben daarna hun zaak doen bepleiten,

[X.] door mr. W.J.M. van Tongeren en Generali door mr. J.J. Schelling. Beide raadslieden hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities. Ter zitting heeft Generali één – op voorhand toegezonden en op 3 november 2009 door het hof ontvangen - productie (pleitnotities mr. Schelling gerechtshof Amsterdam 28 oktober 2009) overgelegd. Tevens heeft Generali ter zitting overgelegd een uittreksel uit het Handelsregister van Lamas B.V. en correspondentie tussen de advocaat en de procesadvocaat van Generali (aangeduid als producties 1 t/m 10). [X.] heeft tegen overlegging van deze stukken geen bezwaar gemaakt.

2.5. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. In het procesdossier van [X.] ontbreken de stukken van de eerste aanleg, de bij memorie van antwoord behorende producties en de hiervoor onder 2.4 genoemde producties die Generali bij gelegenheid van het pleidooi in het geding heeft gebracht.

3. De gronden van het hoger beroep

Met de inhoud van de grieven – voor de exacte inhoud waarvan het hof naar de memorie van grieven verwijst – is het geschil in conventie in volle omvang aan het hof voorgelegd. Tegen de afwijzing van de reconventionele vorderingen van [X.] zijn geen grieven gericht, zodat dit (reconventionele) deel van het beroepen vonnis geen onderdeel van de rechtsstrijd in hoger beroep is.

4. De beoordeling

4.1. Tegen de feitenvaststelling door de voorzieningenrechter onder r.o. 2.1 tot en met 2.6 zijn geen grieven gericht zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. Generali heeft met ingang van 27 mei 1999 met Slahoma B.V. (hierna: Slahoma) – later genaamd Lamas B.V. - een goederen/inventarisverzekeringsovereenkomst gesloten (hierna: “de verzekeringsovereenkomst”).

b. Op 13 oktober 2003 is bij Generali melding gedaan van diefstal van goederen op of omstreeks 26 september 2003 uit een bedrijfspand in [vestigingsplaats A.]. Blijkens het schadeformulier waren de gestolen goederen eigendom van [X.], via Imax B.V. en Holding [X.] B.V. feitelijke bestuurder van Slahoma. [X.] heeft in september 2003 van deze gemelde diefstal aangifte gedaan bij de politie.

c. Eén van de als gestolen opgegeven goederen is een heftruck van het merk Clark. Op deze heftruck lag sinds 2001 ten laste van Slahoma beslag ten behoeve van de Belgische vennootschap N.V. MCM Fine Foods (hierna: “MCM”).

d. Generali heeft naar aanleiding van het in haar opdracht opgemaakte expertiserapport en na akkoordverklaring van [X.], een schadebedrag uitgekeerd van € 58.500,--.

e. Tijdens een beslaglegging ten laste van Slahoma in september 2005 is door de beslagleggende deurwaarder in een door [X.] gebruikte loods in [vestigingsplaats B.] een gele Clark heftruck aangetroffen. Deze heftruck is in december 2005 in bewaring genomen, omdat het vermoeden bestond dat het dezelfde heftruck was die in 2003 door [X.] als gestolen was opgegeven.

f. De in 2003 als gestolen opgegeven heftruck was groen van kleur. De in 2005 in [vestigingsplaats B.] aangetroffen heftruck was geel, maar bleek aanvankelijk groen te zijn geweest en met gele verf te zijn overgespoten.

g. MCM heeft op 7 december 2005 aangifte gedaan van onttrekking van de hiervoor sub c. genoemde heftruck aan het in 2001 gelegde conservatoire beslag en van het doen van valse aangifte terzake van diefstal van deze heftruck in 2003.

h. In 2006 heeft Generali ten laste van Slahoma conservatoir beslag gelegd op de in bewaring genomen heftruck en ten laste van [X.] conservatoir beslag gelegd op aan [X.] toebehorend onroerend goed. De heftruck is afgevoerd naar een opslag in [vestigingsplaats C.].

i. Clarklift Nederland B.V. (hierna: “Clarklift”) heeft op verzoek van Generali een foto van de in 2003 als gestolen opgegeven heftruck en de in 2005 in [vestigingsplaats B.] aangetroffen heftruck aan een vergelijkend onderzoek onderworpen. Bij brief van 26 april 2007 heeft Clarklift onder meer geschreven:

(…)

De hijsogen die aan het chassis en aan de mast zijn gelast zijn niet origineel en maken de truck uniek.

(…)

1. De 4 hijsogen zijn identiek en niet origineel.

2. De hijsogen in het contragewicht zijn niet standaard en bij beide trucks gelijk.

3. De beschadigingen op de mast zijn gelijk.

4. De slijtplek op de staander van de beschermkap is identiek.

5. Standaard is de truck niet uitgerust met verlichting, er zijn tientallen werklampen leverbaar, de lampen van deze truck zijn van hetzelfde soort. (…)

6. De sticker op de mast is bij beide trucks iets scheef geplaatst.

7. Het bandenprofiel is gelijk.

Bovenstaande overeenkomsten zijn zo talrijk dat ik ervan overtuigd ben dat de gele Clark truck in [vestigingsplaats C.] (hof: de plaats waar de heftruck sinds december 2005 in bewaring staat) en de groene Clark truck op de foto een en dezelfde truck is.”

j. Op verzoek van Generali heeft ook EVH Surveys International B.V. (hierna: “EVH”) een vergelijkend onderzoek verricht aan de hand van de foto van de in 2003 als gestolen gemelde heftruck en de in 2005 in [vestigingsplaats B.] aangetroffen en daarna in bewaring genomen heftruck. In haar rapport van 3 mei 2007 noemt EVH een aantal “Unieke overeenkomsten” zoals de wijze waarop een veiligheidssticker is aangebracht, het bandenprofiel, diverse beschadigingen en bruinige tape onderaan de zitting van de stoel. EVH concludeert:

“Op basis van onze bevindingen komen wij tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de heftruck op de foto dezelfde is als die door ons is geïnspecteerd te [vestigingsplaats C.].”

k. Bij vonnis van 2 november 2007 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Arnhem is [X.] veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een werkstraf van 120 uur wegens het doen van valse aangifte (hof: dit betreft de hiervoor onder b. genoemde aangifte) en meineed. [X.] heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

4.2.1. In eerste aanleg heeft Generali, na vermeerdering van eis, gevorderd [X.] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 104.862,05, te vermeerderen met rente en kosten na 1 juni 2006 (hof: blijkens de specificatie van de vordering bedoelt Generali “na 1 juni 2007”) en tot veroordeling in de proceskosten met uitzondering van de advocaatkosten, omdat Generali daarvan – in afwijking van het liquidatietarief - volledige vergoeding vorderde. De gevorderde hoofdsom is opgebouwd uit het door Generali in 2003 onder de verzekeringsovereenkomst uitgekeerde bedrag met rente daarover tot en met 1 juni 2007, de kosten van experts en deskundigen, beslagkosten, bewaarloon en advocaatkosten.

4.2.2. Aan haar vordering heeft Generali - kort gezegd - ten grondslag gelegd dat de in 2005 in [vestigingsplaats B.] (in een door [X.] gebruikte loods) aangetroffen en in beslag en bewaring genomen heftruck dezelfde heftruck is die [X.] in 2003 als gestolen heeft opgegeven. [X.] heeft aldus verzekeringsfraude gepleegd en dient het uitgekeerde bedrag met rente en kosten terug te betalen. Gelet op de fraude moet [X.] ook de volledige advocaatkosten vergoeden. [X.] is aansprakelijk als persoon en in zijn hoedanigheid van bestuurder (via Imax B.V. en Holding [X.] B.V.) van Slahoma en als degene die de in strijd met de waarheid gedane schademelding en aangifte van diefstal, alsmede de akkoordverklaring met betrekking tot de uitkering door Generali heeft ondertekend, aldus Generali.

4.2.3. Bij het beroepen vonnis heeft de voorzieningenrechter [X.] veroordeeld tot betaling aan Generali van een bedrag van

€ 75.362,05 vermeerderd met de wettelijke rente over € 64.760,56 vanaf 1 juni 2007 en tot betaling van proceskosten ten belope van € 31.244,31 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na vonniswijzing. De voorzieningenrechter heeft daartoe – kort samengevat – geoordeeld dat voorshands voldoende aannemelijk is dat de door [X.] in 2003 als gestolen opgegeven heftruck dezelfde is als de heftruck die in 2005 in de door [X.] gebruikte loods in [vestigingsplaats B.] is aangetroffen. Daarmee is de aangifte vals en heeft [X.] aan Generali bewust onjuiste gegevens verstrekt, zodat [X.] gehouden is de door Generali betaalde schade-uitkering terug te betalen. Op dezelfde grond moet [X.] de kosten van beslag, bewaring, deskundigen, rente en kosten aan Generali vergoeden, aldus de voorzieningenrechter. Voorts heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat [X.], gelet op de aard en de ernst van zijn onrechtmatige gedragingen, de werkelijk gemaakte advocaatkosten aan Generali dient te vergoeden.

4.3.1. In hoger beroep heeft [X.] aangevoerd dat dit oordeel onjuist is omdat de in 2005 in [vestigingsplaats B.] aangetroffen heftruck niet de heftruck is die [X.] in 2003 als gestolen heeft opgegeven. Het door de voorzieningenrechter bij zijn oordeel betrokken rapport van EVH, waarin wordt geconcludeerd dat de heftruck op de foto (hof: de in 2001 ten behoeve van MCM inbeslaggenomen heftruck die in 2003 als gestolen werd opgegeven) dezelfde moet zijn als de in 2005 in [vestigingsplaats B.] aangetroffen heftruck, deugt niet. Er is immers een “link” tussen EVH en het kantoor van de advocaat van Generali en het is niet goed mogelijk om een heftruck te vergelijken met een heftruck op een foto van 2001. Verder is EVH ten onrechte voorbij gegaan aan – bij vergelijking tussen de op de foto afgebeelde heftruck met de in bewaring genomen heftruck – geconstateerde verschillen. De door EVH genoemde overeenkomsten kloppen daarentegen niet dan wel kunnen de conclusie van EVH niet dragen, aldus [X.].

4.3.2. Bovendien kan niet sprake zijn van één en dezelfde heftruck omdat de in 2005 in [vestigingsplaats B.] aangetroffen heftruck in juli 2003 naar Duitsland is vervoerd en daar onafgebroken is gebruikt totdat de heftruck in maart 2004 weer terug naar Nederland is gebracht. Daar is de - tot dat moment groene - heftruck door de firma Neduc te [vestigingsplaats D.] bij een opknapbeurt met gele verf overgespoten, aldus [X.].

Verzekeringsfraude voldoende aannemelijk?

4.4.1. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat de als gestolen opgegeven heftruck dezelfde is als de in 2005 in [vestigingsplaats B.] aangetroffen heftruck. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen:

i) het model is identiek;

ii) identificatie aan de hand van het chassisnummer is niet mogelijk omdat het chassisnummer van de in 2005 in [vestigingsplaats B.] aangetroffen heftruck is verwijderd. [X.] heeft voor het ontbreken van dit nummer geen enkele verklaring gegeven, waarmee tenminste de schijn wordt gewekt dat dit nummer met opzet is verwijderd om identificatie te bemoeilijken;

iii) de kleur – groen – is/was hetzelfde;

iv) blijkens het rapport van EHV is sprake van een aantal unieke overeenkomsten;

v) de door [X.] genoemde verschillen zijn niet dusdanig dat moet worden geconcludeerd dat het niet om dezelfde heftruck kán gaan;

vi) de verklaring van [X.] dat de in 2005 in [vestigingsplaats B.] aangetroffen heftruck van juli 2003 tot maart 2004 in Duitsland is ingezet en dus niet de in september 2003 als gestolen opgegeven heftruck kan zijn, is ongeloofwaardig.

4.4.2. Het hof komt tot hetzelfde – voorlopige – oordeel. Daarbij neemt het hof in ieder geval de hiervoor onder i) tot en met v) genoemde omstandigheden in aanmerking.

Grief 1, die gericht is tegen de onder ii) genoemde omstandigheid, berust op een onjuiste lezing van het beroepen vonnis. Daarin heeft de voorzieningenrechter niet “voetstoots aangenomen dat [X.] een chassisnummer heeft verwijderd”, maar overwogen dat [X.] voor het verwijderd zijn van dit nummer geen enkele verklaring heeft gegeven. De voorzieningenrechter heeft dit terecht bij zijn oordeel betrokken en eveneens terecht geoordeeld dat hierdoor “tenminste de schijn wordt gewekt dat dit nummer met opzet is verwijderd om identificatie te bemoeilijken.” Reeds hierom faalt de eerste grief. Daarenboven overweegt het hof het volgende.

Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft [X.] op vragen van het hof verklaard dat hij zeker weet dat het chassisnummer niet was verwijderd vóórdat de heftruck uit [vestigingsplaats B.] werd weggevoerd en in [vestigingsplaats C.] (in bewaring) werd gestald. Blijkens een door [X.] (bij akte van 30 juni 2009 als productie 21) overgelegd proces-verbaal van de regiopolitie Brabant-Noord/Cuijk p. 348 heeft de politie bij de op 7 december 2005 te [vestigingsplaats B.] aangetroffen heftruck geen chassisnummer aangetroffen. Gelet op deze constatering alsmede op het feit dat de politie wel een spruitstuknummer heeft vermeld acht het hof de conclusie gerechtvaardigd dat de politie wel naar een chassisnummer heeft gezocht en dat niet heeft gevonden. Het moet er dan voor gehouden worden dat dit nummer reeds ten tijde van het aantreffen van de heftruck in [vestigingsplaats B.] was verwijderd, hetgeen in strijd is met de hiervoor weergegeven verklaring van [X.]. Dat maakt deze verklaring ongeloofwaardig.

4.4.3. Waar [X.] in eerste aanleg nog aanvoerde dat de in 2003 als gestolen opgegeven heftruck geel van kleur was, heeft hij in hoger beroep (mvg 8) erkend dat deze heftruck groen was. Ook is in confesso dat de in 2005 in [vestigingsplaats B.] aangetroffen heftruck aanvankelijk groen was maar geel is overgespoten. Dat het model identiek is staat eveneens vast. Anders dan [X.] heeft aangevoerd kan het niet zo zijn dat eerder de verschillen dan de overeenkomsten bepalend zijn voor de vraag of de heftruck op de foto, de in 2003 als gestolen opgegeven heftruck, dezelfde is als de in 2005 in [vestigingsplaats B.] aangetroffen heftruck. Bepalend is immers of die overeenkomsten respectievelijk verschillen zodanig uniek zijn dat zij noodzakelijkerwijs tot de conclusie leiden dat het om dezelfde heftruck respectievelijk om een andere heftruck moet gaan.

4.4.4. Naar het oordeel van het hof zijn de door EVH genoemde overeenkomsten zodanig uniek. Dat geldt met name de geconstateerde beschadigingen op de mast en de rechter voorstijl van de veiligheidskooi. Maar ook het op de foto waarneembare “bruinige iets” dat qua afmeting en plaats overeenkomt met het stuk bruine tape onder de zitting van de stoel en de wijze waarop de stickers enigszins “uit het lood zijn geplaatst” zijn als dergelijke unieke overeenkomsten aan te merken. [X.] heeft gesteld op deze punten juist verschillen te zien, maar het hof volgt hem – na eigen waarneming van de foto’s die onderdeel uitmaken van het rapport van EVH - daarin niet.

De unieke overeenkomsten zouden niettemin niet doorslaggevend geacht kunnen worden indien geconstateerde verschillen evenzeer uniek zouden zijn te achten. De door EVH noch door [X.] genoemde verschillen zijn echter van zodanige aard. Zo kunnen verschillen in kleur niet als “uniek” worden gekwalificeerd, reeds omdat die eenvoudig uit het overschilderen van die onderdelen verklaard kunnen worden.

4.4.5. De stelling van [X.] dat het EVH rapport onbruikbaar is omdat er blijkens de website “een link” naar het kantoor van de raadsman van Generali bestaat heeft [X.] niet nader geconcretiseerd of onderbouwd. Deze “link” noch het feit dat de raadsman van Generali bij het onderzoek door EVH aanwezig was, wettigt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, de conclusie dat de in dit rapport weergegeven bevindingen onjuist zijn.

Hetzelfde geldt ten aanzien van het verweer van [X.] dat het niet goed mogelijk is een heftruck te vergelijken met een heftruck op een foto uit 2001. Het moge zo zijn dat dit een onderzoek niet vergemakkelijkt, maar het heeft zo’n onderzoek blijkens de bevindingen van EHV niet onmogelijk gemaakt. [X.] heeft ook niet toegelicht dat en waarom deze moeilijkheid tot gevolg heeft dat de bevindingen van EHV onjuist zijn.

4.4.6. De slotsom is dat de tweede grief, gericht tegen het gebruik door de voorzieningenrechter van het EVH rapport en de derde grief, gericht tegen het oordeel dat voorshands voldoende aannemelijk is dat het om dezelfde heftruck gaat, falen.

4.4.7. Bij het hiervoor weergegeven oordeel heeft het hof overigens ook betrokken de hiervoor onder 4.1.k genoemde uitspraak in de strafzaak (niet als dwingend bewijs; de uitspraak is immers niet onherroepelijk), de hiervoor onder 4.1. i genoemde conclusie van Clarklift (dat het om dezelfde heftruck gaat) alsmede de conclusie van het in de tussen partijen gevoerde bodemprocedure uitgebrachte deskundigenrapport van G.C. Nugteren van 16 juli 2008 (“..met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dezelfde vorkheftruck”). Bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft [X.] aangevoerd dat dit rapport moet worden gepasseerd, omdat de deskundige ondanks een verzoek daartoe van [X.] geen nader onderzoek heeft verricht, omdat de deskundige met Clarklift contact heeft gehad (blijkens een brief van de deskundige heeft hij aan Clarklift een nadere specificatie gevraagd en is van “overleg” geen sprake geweest) en omdat [X.] het niet eens is met de berekening door de deskundige van het aantal heftrucks op de Nederlandse markt. Het hof volgt [X.] hierin niet. Uit de door hem aangevoerde kritiek volgt niet zonder meer dat de conclusie van deze door de bodemrechter benoemde deskundige niet juist zou zijn. [X.] heeft dit verweer onvoldoende onderbouwd.

4.4.8. Tenslotte merkt het hof op dat het antwoord op de vraag of [X.] nu wel of niet in juli 2003 een heftruck naar Duitsland heeft vervoerd in het midden kan blijven. Ook in het bevestigende geval toont dat nog niet aan dat de in 2003 als gestolen opgegeven heftruck een andere is dan de in 2005 in [vestigingsplaats B.] aangetroffen heftruck. Als er al in juli 2003 een heftruck naar Duitsland is vervoerd en als dat al de later, in 2005 in [vestigingsplaats B.] aangetroffen heftruck is, betekent dat immers nog niet zonder meer dat die heftruck niet in september 2003 als gestolen kon worden opgegeven. Hoogstens zou de aanwezigheid van een heftruck in Duitsland een begin van een aanwijzing voor de juistheid van de stelling van [X.] kunnen inhouden indien er geen sprake zou zijn van aanwijzingen voor het tegendeel. Zoals hiervoor is overwogen bestaan die nu juist in meer dan voldoende mate.

Spoedeisend belang

4.5.1 Onder punt 12 van de memorie van grieven heeft [X.] voorafgaand aan zijn genummerde grieven aangevoerd dat Generali geen spoedeisend belang had bij haar vordering. Dit betreft een ongenummerde doch ook voor Generali voldoende kenbare grief.

[X.] heeft in dit verband enkel aangevoerd dat het beslag reeds in juni 2006 was gelegd en dat Generali enkele malen uitstel van de termijn waarbinnen zij diende te dagvaarden heeft gevraagd.

4.5.2. Generali heeft in haar inleidende dagvaarding aangevoerd dat zij, nadat zij in juni 2006 beslag had gelegd, een aantal malen uitstel had gevraagd van de termijn waarbinnen zij de hoofdprocedure aanhangig diende te maken, aangezien zij eerst de uitspraak in de strafzaak tegen [X.] wilde afwachten. Toen onduidelijk bleef op welke termijn die uitspraak zou kunnen worden verwacht heeft Generali besloten deze niet langer af te wachten en de hoofdprocedure aanhangig te maken. Generali heeft de vordering in kort geding aanhangig gemaakt, omdat de vordering volgens haar zodanig “hard” is dat een bodemprocedure niet nodig is. Bovendien heeft [X.] eerder getracht om verhaal te ontlopen, aldus Generali. In hoger beroep heeft Generali aangevoerd dat de gegrondheid van de vordering steeds meer wordt betrokken bij de vraag of een spoedeisend belang aanwezig is, dat Generali gegronde redenen had aanvankelijk de uitspraak in de strafzaak af te willen wachten en dat het enkele stilzitten het spoedeisend belang niet heeft weggenomen.

4.5.3. De voorzieningenrechter heeft naar het oordeel van het hof terecht geoordeeld dat sprake was van voldoende spoedeisend belang. Generali heeft de aan haar vordering ten grondslag gelegde verzekeringsfraude voldoende aannemelijk gemaakt. Het daartegen door [X.] gevoerde verweer slaagt niet. De vordering van Generali was daarmee voldoende “hard” om in kort geding te kunnen worden ingesteld. Overigens heeft [X.] niet aangevoerd dat en waarom hij desondanks een zwaarderwegend belang bij een bodemprocedure zou hebben noch dat er sprake zou zijn van een restitutierisico.

4.5.4. Indien, zoals in de onderhavige zaak, naar het voorlopig oordeel van de rechter verzekeringsfraude voldoende aannemelijk is gemaakt valt, bij gebreke van een gemotiveerde betwisting van het spoedeisend belang van de verzekeraar bij terugbetaling van de aan de fraudeur uitgekeerde verzekeringspenningen, niet in te zien waarom die vordering tot terugbetaling niet in kort geding zou kunnen worden gedaan. Het enkele feit dat Generali aanvankelijk heeft willen wachten op de uitspraak in de strafzaak tegen [X.] maakt het voorgaande niet anders. Met het feit dat een onherroepelijk strafvonnis dwingend bewijs oplevert is het belang van Generali bij het aanvankelijk wachten op die uitspraak gegeven. Dat – tijdelijke – wachten neemt het spoedeisend belang niet weg. De grief faalt.

Proceskosten

4.6.1. Met grief 4 richt [X.] zich tegen de beslissing van de voorzieningenrechter om hem in de volledige proceskosten te veroordelen. Generali had deze veroordeling gevorderd op de grond dat [X.] frauduleus had gehandeld. In hoger beroep voert [X.] aan dat het oordeel van de voorzieningenrechter in strijd is met het in de art. 241 jo. 239 Rv. vervatte uitgangspunt, te weten het liquidatietarief.

4.6.2. Het hof stelt voorop dat de regeling van artikel 237 Rv. ruimte laat voor een veroordeling van een partij in de werkelijk gemaakte proceskosten. Daarvoor kan naar het oordeel van het hof aanleiding bestaan indien een partij misbruik van procesrecht heeft gemaakt.

4.6.3. Uit het voorgaande volgt dat voldoende aannemelijk is geworden dat [X.] willens en wetens een heftruck als gestolen heeft gemeld bij zijn verzekeraar, Generali, terwijl hij wist dat deze niet daadwerkelijk was gestolen. Toen, nadat haar de fraude was gebleken, Generali de op basis van de frauduleuze melding uitgekeerde verzekeringspenningen terug vorderde, heeft [X.] tegen beter weten in volgehouden dat de heftruck wel was gestolen. Ter onderbouwing van dit verweer heeft [X.] in eerste aanleg zelfs een vervalst document overgelegd. [X.] heeft hiervoor in hoger beroep een verklaring gegeven inhoudende dat hem terzake van die vervalsing geen verwijt kan worden gemaakt. Naar het oordeel van het hof kan in het midden blijven of dit juist is. De frauduleuze melding zelf gecombineerd met het hardnekkig vasthouden aan een lezing waarvan [X.] zelf wist dat die in strijd is met de waarheid, óók in de dientengevolge onvermijdelijk geworden procedure, is naar het oordeel van het hof te kwalificeren als misbruik van procesrecht en bovendien als een handelwijze in strijd met de in artikel 21 Rv. voorgeschreven waarheidsplicht. Het voorgaande rechtvaardigt een afwijking van het in artikel 237 Rv. vervatte uitgangspunt dat proceskosten volgens het liquidatietarief worden afgerekend. Door de handelwijze en opstelling van [X.] moet het er immers voor worden gehouden dat de aan de zijde van Generali gevallen proceskosten nodeloos zijn gemaakt. In zoverre faalt de vierde grief.

4.6.4. Met deze grief heeft [X.] ook de hoogte van het door Generali in eerste aanleg gevorderde en door de voorzieningenrechter toegewezen bedrag aan proceskosten bestreden. Daartoe heeft [X.] enkel aangevoerd dat het aantal uren dat door de advocaat van Generali in rekening is gebracht te hoog is. Deze betwisting is onvoldoende gelet op de door Generali gegeven specificatie en onderbouwing van deze vordering. De grief faalt ook in dit opzicht.

4.6.5. In hoger beroep heeft Generali wederom veroordeling van [X.] in de werkelijk gemaakte proceskosten gevorderd en deze kosten begroot op € 8.500,--. Op de hiervoor uiteengezette gronden acht het hof in casu veroordeling in de volledige proceskosten passend. Tegen de hoogte van het in dit verband gevorderde bedrag heeft [X.] geen verweer gevoerd en het begrote bedrag komt het hof niet buitensporig voor. Het hof zal de vordering toewijzen.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voorzover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

veroordeelt [X.] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van Generali tot de dag van deze uitspraak worden begroot op € 8.500,--;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Wabeke en Deurvorst en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 26 januari 2010.