Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL1933

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
HD 200.012.071
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen samenvatting bijgevoegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

zaaknr. HD 200.012.071

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

achtste kamer, van 19 januari 2010,

gewezen in de zaak van:

[X] NIEUWSDRUK B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 11 augustus 2008,

advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[GEINTIMEERDE],

wonende te 's-Hertogenbosch,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

advocaat: mr. P.E.M. Loeffen,

op het hoger beroep van het door de rechtbank

's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Eindhoven, gewezen vonnis van 12 juni 2008 tussen appellante - [X] - als gedaagde en geïntimeerde – [geïntimeerde] - als eiser.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 548040, rolnummer 08/1584)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X] producties overgelegd, twee grieven aangevoerd en geconcludeerd - kort gezegd - dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis waarvan beroep vernietigt en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijst waarbij [geïntimeerde] wordt veroordeeld in de proceskosten in beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde], onder overlegging van producties, de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, [X] door mr. Vandeginste en [geïntimeerde] door mr. Loeffen. Beide raadslieden hebben gepleit aan de hand van overgelegde pleitnotities.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. In beide procesdossiers ontbreken gedingstukken en/of producties. Het hof heeft hiervan kennisgenomen uit het procesdossier van de wederpartij.

3. De gronden van het hoger beroep

Hiervoor verwijst het hof naar de memorie van grieven van [X].

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep, kort gezegd, om het volgende.

4.1.1. [geïntimeerde] is geboren op 21 september 1950 en hij is op 10 november 1969 bij [X] in dienst getreden.

4.1.2. Op 24 februari 2007 heeft [X] goedkeuring gekregen van de vakbonden voor het Sociaal Plan Osiris (hierna ook: SP) (productie 1 bij inleidende dagvaarding, concept versie 4.1 d.d. 9 februari 2007). Dit plan is opgesteld in verband met een reorganisatie wegens bedrijfseconomische reden. Als gevolg hiervan zou een deel van het personeel overtollig worden verklaard.

4.1.3. Het SP bevat in onderdeel C.1 de zogenaamde 'Vertrekstimuleringsregeling'. De eerste alinea van dit onderdeel vermeldt het volgende (zie blz. 15 van het (concept) SP):

"Indien een werknemer werkt voor een bedrijfsonderdeel binnen een groep uitwisselbare functies waar sprake is van overtolligheid kan hij onder de gestelde voorwaarden gebruik maken van de vertrekstimuleringsregeling. Deze regeling houdt in dat een werknemer op vrijwillige basis ontslag neemt en in aanmerking komt voor een eenmalige uitkering. Deze uitkering is gelijk aan de voor betrokkene geldende kantonrechtersformule (factor C=1, doch nooit meer dan de verwachte inkomensderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd)."

In onderdeel A.2 van het SP wordt onder 13 bij de definitie van de kantonrechtersformule onder meer opgemerkt (zie blz. 8 van het (concept) SP bovenaan):

"Het aldus berekende bedrag zal nooit meer zijn dan de verwachte inkomensderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd (conform de toelichting van de kantonrechters in het kader van de kantonrechtersformule)."

4.1.4. Bij brief van 12 maart 2007 (productie 2 bij inleidende dagvaarding) heeft [X] [geïntimeerde] bericht dat in zijn functiegroep sprake is van overtolligheid, dat het inmiddels door [geïntimeerde] ontvangen SP van toepassing is, dat [geïntimeerde] binnen zes weken zijn wensen kenbaar kan maken, waarbij hij onder meer kan kiezen voor de vertrekstimuleringsregeling op 1 oktober 2009, en dat vervolgens de directie van [X] zal besluiten of de gemaakte keuze 'definitief kan zijn'.

4.1.5. Op 10 april 2007 heeft [geïntimeerde] van de afdeling Personeel & Organisatie van [X] een 'Proforma berekening Vertrekstimuleringsregeling' ontvangen (productie 3 bij inleidende dagvaarding). Deze sluit op een 'bedrag kantonrechtersformule' van € 165.393,68. Op de berekening staat verder vermeld: 'Aan deze berekening kunnen geen rechten worden ontleend.'

4.1.6. Op 17 april 2007 heeft [geïntimeerde] [X] aangegeven dat hij gebruik wenst te maken van de vertrekstimuleringsregeling.

4.1.7. In mei 2007 heeft [X] [geïntimeerde] erover geïnformeerd dat bij de berekening van de eenmalige uitkering nog rekening moet worden gehouden met een te verkrijgen IOW- en WW-uitkering, hetgeen zou neerkomen op een eenmalige uitkering van € 106.707,--. Op 14 mei 2007 heeft [X] [geïntimeerde] een brief, tevens concept vaststellingsovereenkomst, gestuurd waarin het verzoek om per 1 oktober 2009 gebruik te maken van de vertrekstimuleringsregeling wordt gehonoreerd (productie 4 bij inleidende dagvaarding). Bij deze brief was gevoegd een 'Concrete uitwerking vertrekregeling en inkomensderving' ter bepaling van de hoogte van de eenmalige uitkering (productie 5 bij inleidende dagvaarding). Deze uitwerking bepaalt onder meer:

"Hoe groot de feitelijke inkomensderving zal zijn is afhankelijk van de vraag of en wanneer de betreffende werknemer een andere baan zal vinden en tegen welk salaris en tevens de gezinssituatie.

Het is in het kader van dit sociaal plan niet de bedoeling dit per persoon exact vast te stellen.

Uitgangspunt dient derhalve te zijn het inkomen waarvan redelijkerwijs verwacht kan worden dat de werknemer dat na uitdiensttreding kan verkrijgen. Dit betreft de WW uitkering gevolgd door een IOW uitkering of reguliere bijstandsuitkering. Dit inkomen dat de werknemer theoretisch zal kunnen verwerven opgeteld bij de vertrekvergoeding mag nooit meer zijn dan 100% van het laatstverdiende salaris zoals dat gehanteerd is voor de berekening van de vertrekvergoeding. ..."

4.1.8. [geïntimeerde] heeft een beslissing gevraagd van de sociale begeleidingscommissie Osiris over de uitleg van de vertrekstimuleringsregeling. Deze commissie heeft in haar advies van 2 augustus 2007 overwogen dat, gelet op de passage in het SP dat de vergoeding nooit hoger kan zijn dan de inkomensderving tot de pensioengerechtigde leeftijd en gelet op de nadere uitleg hiervan door partijen, het in mindering brengen van WW en/of IOW uit het SP volgt en derhalve terecht plaatsvindt (productie 6 bij inleidende dagvaarding). Bij brief van 17 augustus 2007 heeft [X] [geïntimeerde] meegedeeld dat de IOW-uitkering bij de berekening van de vergoeding buiten beschouwing zal worden gelaten (productie 7 bij inleidende dagvaarding). Dit zou voor [geïntimeerde] neerkomen op een eenmalige uitkering van

€ 136.104,22. Op 5 september 2007 heeft [geïntimeerde] de brief van 14 mei 2007 voor akkoord ondertekend. Hierbij is handgeschreven een clausule opgenomen waarvan de strekking is dat het [geïntimeerde] nog vrijstaat om middels een procedure een voor hem gunstiger vertrekvergoeding te bewerkstelligen (productie 3 bij conclusie van antwoord).

4.1.9. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd, kort gezegd, dat de kantonrechter:

primair: in rechte vaststelt dat tussen partijen reeds overeenstemming was bereikt over de hoogte van de vergoeding uit hoofde van de vertrekstimuleringsregeling, te weten een bedrag van € 165.393,68 bruto;

subsidiair: in rechte vaststelt dat de genoemde uitkeringen niet van de vergoeding uit hoofde van de vertrekstimuleringsregeling mogen worden afgetrokken;

meer subsidiair: in rechte vaststelt dat als rekening mag worden gehouden met een WW-uitkering, ook andere aspecten moeten worden meegenomen zoals genoemd in punt 45 en 46 in de dagvaarding;

met veroordeling van [X] tot betaling van € 1.785,-- aan buitengerechtelijke kosten en de proceskosten.

4.1.10. De kantonrechter heeft de subsidiair gevorderde verklaring voor recht toegewezen, [X] veroordeeld in de proceskosten, de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

4.1.11. [X] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Zij heeft op 21 april 2009 van grieven gediend.

4.1.12. Bij brief van 7 mei 2009 heeft de afdeling Personeel & Organisatie van [X] [geïntimeerde] een op 6 mei 2009 door [X] ondertekende vaststellingsovereenkomst gestuurd met het verzoek deze te retourneren aan de afdeling Personeel & Organisatie waarna deze afdeling zal zorg dragen voor de afwikkeling. De vaststellingsovereenkomst luidt onder meer als volgt (productie 1 bij memorie van antwoord):

"Partijen zijn overeengekomen als volgt:

1. De considerans maakt deel uit van deze overeenkomst. De overeenkomst is een vaststellingsovereenkomst ex artikel 7:900 e.v. BW;

2. De arbeidsovereenkomst wordt op initiatief van de werkgever met wederzijds goedvinden beëindigd per 1 oktober 2009. Beide partijen zullen zich, ook na beëindiging van de arbeidsovereenkomst, inspannen om werknemer het recht te doen verkrijgen op een WW-uitkering.

3. Partijen zijn overeengekomen deze vaststellingsovereenkomst uiterlijk op 1 juni 2009 te ondertekenen.

4. De werkgever betaalt aan de werknemer een beëindigingsvergoeding ad € 182.108,69 (...) bruto, uiterlijk te betalen binnen 30 dagen na beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

...

10. Partijen verlenen elkaar na nakoming van de bovenstaande verbintenissen over en weer finale kwijting, aldus dat na nakoming van hetgeen is overeengekomen zij over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben. ..."

4.1.13. [geïntimeerde] heeft deze vaststellingsovereenkomst ondertekend en op 14 mei 2009 aan [X] geretourneerd. Bij brief van 2 september 2009 heeft de afdeling Personeel & Organisatie van [X] [geïntimeerde] onder referte aan de vaststellingsovereenkomst van 6 mei 2009 bericht dat de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2009 wordt ontbonden onder toekenning van een vergoeding van

€ 182.108,69 bruto (productie 2 bij memorie van antwoord).

4.2.1. [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord gesteld dat partijen op 6 mei 2009 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten ter beëindiging van het dienstverband, zodat het voeren van de onderhavige procedure niet langer noodzakelijk is. Hij heeft deze stelling ter zitting nader onderbouwd.

4.2.2. Bij pleidooi in hoger beroep heeft [X] zich primair op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde] de hem in mei 2009 toegezonden vaststellingsovereenkomst in redelijkheid niet heeft mogen beschouwen als een aanbod van [X] om tot een minnelijke regeling te komen waarmee het geschil zou worden beëindigd en [geïntimeerde] volledig gelijk zou krijgen. Het had [geïntimeerde] in de gegeven omstandigheden duidelijk moeten zijn dat sprake was van een vergissing aan de zijde van de afdeling Personeel & Organisatie van [X]. Volgens [X] rustte op [geïntimeerde] de verplichting om zich ervan te vergewissen of de geuite verklaring overeenkwam met de wil van [X]. [X] heeft verder aangevoerd dat de vaststellingsovereenkomst van mei 2009 niet kan worden uitgelegd in die zin dat daarmee het geschil is beslecht waarbij aan [geïntimeerde] een vergoeding zou worden betaald conform zijn uitleg van het SP. Volgens [X] moet de vaststellingsovereenkomst, voor zover deze tot stand is gekomen, in die zin worden uitgelegd dat de hoogte van het aan [geïntimeerde] toekomende bedrag afhankelijk blijft van de uitkomst van de onderhavige procedure. [X] heeft tot slot betoogd dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn indien [geïntimeerde] haar zou houden aan de in de vaststellingsovereenkomst neergelegde verklaring.

4.2.3. Het hof begrijpt het primaire standpunt van [X] als een beroep op het ontbreken van een met de verklaring overeenstemmende wil. Het hof stelt in dat verband het volgende voorop. Tegen hem die een verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht toekennen, heeft opgevat als een door een ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, kan geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil. Het antwoord op de vraag of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen, is afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, zoals de aard van de rechtshandeling, de bijzondere deskundigheid of ondeskundigheid van partijen, de mogelijkheid van nader onderzoek naar de wil van de declarant en de met de handeling verbonden voor- en nadelen voor de betrokken partijen. Onder bepaalde omstandigheden bestaat er een verplichting om nader onderzoek te doen naar de wil van degene die de verklaring heeft afgelegd.

4.2.4. Het onderhavige geval kenmerkt zich door de volgende omstandigheden:

- Tussen partijen was in geschil of bij de berekening van de hoogte van de eenmalige uitkering op grond van de vertrekstimuleringsregeling rekening mag worden gehouden met de WW-uitkering waarop [geïntimeerde] na beëindiging van het dienstverband aanspraak kan maken. [X] was van mening dat de eenmalige uitkering moet worden verminderd met een WW-uitkering voor zover het totaal van deze inkomsten een gemiddeld inkomen zou opleveren dat hoger ligt dan zijn inkomen bij werken. In deze visie zou aan [geïntimeerde] een bedrag van € 136.104,22 worden toegekend. [geïntimeerde] stelde zich op het standpunt dat bij de hoogte van de vergoeding op grond van de vertrekstimuleringsregeling géén rekening mag worden gehouden met een eventuele WW-uitkering. Hij zou in zijn visie aanspraak kunnen maken op een bedrag van € 165.393,68.

- [geïntimeerde] heeft ter beslechting van dit geschil een gerechtelijke procedure aanhangig gemaakt bij de kantonrechter te Eindhoven. In deze procedure hebben partijen, beide bijgestaan door een gemachtigde, hun verschillende standpunten verdedigd. De kantonrechter heeft bij vonnis van 12 juni 2008 de uitleg van [geïntimeerde] gehonoreerd en voor recht verklaard dat op grond van de tekst van het SP in de berekening de WW-en IOW-uitkeringen niet van de vergoeding in het kader van de vertrekstimuleringsregeling mogen worden afgetrokken.

- [X] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het appelexploot is aan [geïntimeerde] in persoon betekend. [X] heeft vervolgens op 21 april 2009 een memorie van grieven genomen waarin zij in grief 1 opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat op de vergoeding uit hoofde van de vertrekstimuleringsregeling de WW- en IOW-uitkering niet in mindering mogen worden gebracht.

- [geïntimeerde] heeft van de afdeling Personeel & Organisatie van [X] een brief d.d. 7 mei 2009 ontvangen met daarbij een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van het dienstverband per 1 oktober 2009 onder toekenning van een beëindigingsvergoeding van € 182.108,69. Deze brief was niet afkomstig van de advocaat van [X] en niet gericht aan de advocaat van [geïntimeerde]. Noch in deze brief, noch in de vaststellingsovereenkomst wordt verwezen naar het bestaande verschil van inzicht tussen partijen over de uitleg van het SP of naar de lopende procedure in hoger beroep.

- Het in de vaststellingsovereenkomst genoemde bedrag van € 182.108,69 ziet, zo heeft [X] ter zitting bevestigd, op de eenmalige uitkering op grond van de vertrekstimuleringsregeling waarbij geen rekening is gehouden met een WW-aanspraak (dus conform het standpunt van [geïntimeerde]), vermeerderd met salarisverhogingen op grond van de CAO.

4.2.5. Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] in de gegeven omstandigheden eraan behoorde te twijfelen of de verklaring van [X] zoals neergelegd in de vaststellingsovereenkomst van mei 2009 overeenkwam met haar wil. [geïntimeerde] mocht er naar het oordeel van het hof zonder nader onderzoek niet op vertrouwen dat [X], ondanks het door haar ingestelde hoger beroep, werkelijk de bedoeling had om het geschil met [geïntimeerde] te beëindigen met volledige honorering alsnog van het standpunt van [geïntimeerde] en toekenning van een beëindigingsvergoeding van € 182.108,69. Op [geïntimeerde] rustte ter zake een onderzoeksplicht.

4.2.6. [geïntimeerde] heeft ter zitting het volgende gesteld. In verband met de ontvangen vaststellingsovereenkomst en op grond van de bij hem gerezen twijfel over de bedoeling van de overeenkomst, zoals ter zitting door hem erkend, heeft hij contact opgenomen met zijn advocaat. Zij adviseerde hem, zonder dat contact is gezocht met [X] en/of haar advocaat, om de overeenkomst te ondertekenen. [geïntimeerde] heeft daarnaast in verband met de hoogte van het in de vaststellingsovereenkomst genoemde bedrag contact gehad met enkele collega's. Hieruit bleek dat in de aan deze collega's gestuurde vaststellingsovereenkomsten eveneens een hoger bedrag was opgenomen dan hen in 2007 was voorgerekend. [X] heeft het voorgaande niet weersproken zodat dit in dit geding vast staat. Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] hiermee echter onvoldoende gedaan om de twijfel die bij hem bestond, althans behoorde te bestaan, weg te nemen en een vergissing van de afdeling Personeel & Organisatie van [X] uit te sluiten. Van [geïntimeerde] kon worden gevergd dat hij, dan wel zijn raadsvrouw, rechtstreeks bij [X] navraag zou doen omtrent de bedoeling van de vaststellingsovereenkomst, met name ook omdat in deze vaststellingsovereenkomst zonder enige nadere toelichting van de zijde van [X] wordt afgeweken van het eerder door haar ingenomen standpunt. Weliswaar staat vast dat [geïntimeerde] van de afdeling Personeel & Organisatie een brief d.d. 2 september 2009 heeft ontvangen waarin de afspraken uit de vaststellingsovereenkomst van mei 2009 worden bevestigd, doch het hof overweegt dat [geïntimeerde] voor wat betreft die brief (van 2 september 2009) er rekening mee diende te houden dat hierin werd voortgebouwd op de eerdere vergissing van [X]. Aan deze brief lag ook geen actie van de zijde van [geïntimeerde] ten grondslag.

4.2.7. [geïntimeerde] heeft ter zitting nog het volgende aangevoerd. Op 17 september 2009 is [geïntimeerde] bij de afdeling Personeel & Organisatie te Best geweest waar hij heeft gesproken met [persoon 1] van deze afdeling. [persoon 1] vertelde hem dat zij bij de juridische afdeling van [X] te [vestigingsplaats] navraag had gedaan naar de vaststellingsovereenkomst en naar het daarin vermelde bedrag en dat de juridische afdeling haar had bevestigd dat dit bedrag juist was. Het hof is van oordeel dat indien de juistheid van deze stellingen in rechte komt vast te staan, alsdan mag worden aangenomen dat [geïntimeerde] zich er voldoende van heeft vergewist of de wil van [X] overeenkwam met de verklaring zoals neergelegd in de vaststellingsovereenkomst van mei 2009. Dan mocht hij immers aannemen dat ook de juridische afdeling van [X] op de hoogte was van de in mei 2009 aan [geïntimeerde] verzonden vaststellingsovereenkomst. Nu [X] de juistheid van deze stellingen heeft betwist, zal [geïntimeerde], conform zijn aanbod, worden toegelaten tot het bewijs hiervan.

4.3. De zaak zal naar de rol worden verwezen om [geïntimeerde] in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vraag of hij bedoeld bewijs wil leveren en, zo ja, hoe. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De uitspraak

Het hof:

laat [geïntimeerde] toe te bewijzen dat [persoon 1] in een gesprek met hem op 17 september 2009 heeft aangegeven dat zij over de in de vaststellingsovereenkomst van mei 2009 genoemde vergoeding contact heeft gehad met de juridische afdeling van [X] en dat van daaruit werd bevestigd dat deze vergoeding juist was;

bepaalt, voor het geval [geïntimeerde] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Zweers-van Vollenhoven als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 2 februari 2010 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op dinsdagen en donderdagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde] bij zijn opgave op genoemde rol een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rol dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde] ten minste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Zweers-van Vollenhoven en Koster-Vaags en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 januari 2010.