Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL1923

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-02-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
HV 200.051.437
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WSNP

Weigering toelating; goede trouw; beoordeling civiele geldvordering; één crediteur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

Uitspraak: 2 februari 2010

Zaaknummer: HV 200.051.437/01

Zaaknummer eerste aanleg: 143647 / FT-RK 09.605

in de zaak in hoger beroep van:

[Appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. J.H. Smeets.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Maastricht van 8 december 2009.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 15 december 2009, heeft [appellante] verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 januari 2010.

Bij die gelegenheid is [appellante] gehoord, bijgestaan door mr. Smeets.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 1 december 2009;

- de ter zitting overgelegde brief d.d. 21 januari 2010 van Virenze aan [appellante].

3. De beoordeling

3.1. [appellante] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) blijkt een totale schuldenlast van € 18.751,86, bestaande uit een schuld van € 16.795,08 aan de heer [Y.] (hierna: [Y.]) uit hoofde van geldlening, alsmede een schuld van € 1.956,78 aan de rechtbank Maastricht uit hoofde van een proceskostenveroordeling, ontstaan uit de procedure die [Y.] voornoemd gevoerd heeft tegen [appellante].

Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt, omdat [Y.] niet instemde met het voorstel dat de Kredietbank Limburg namens [appellante] aan hem heeft gedaan.

3.2. Bij vonnis waarvan beroep is het verzoek van [appellante] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan van de schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. [appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.3. De rechtbank heeft dit als volgt gemotiveerd. De schulden van [appellante] vloeien voort uit een onherroepelijk vonnis, te weten het vonnis van de rechtbank Maastricht van 10 augustus 2005, dat door dit hof is bekrachtigd op 30 oktober 2007. De cassatietermijn is inmiddels verstreken. Nu zowel het vonnis van de rechtbank als het arrest van dit hof is gewezen binnen een termijn van vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop [appellante] haar verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend, en een vordering uit een onherroepelijk vonnis per definitie niet te goeder trouw is, kan [appellante] niet tot de schuldsaneringsregeling worden toegelaten.

3.4. [appellante] heeft in haar beroepschrift - kort samengevat - aangevoerd, dat zij de stelling van de rechtbank Maastricht dat een vordering uit een onherroepelijk vonnis niet te goeder trouw is, niet volgt. [appellante] is verder van mening dat deze stelling geen steun vindt in de wet. Voorts heeft [appellante] aangevoerd dat de schuld waarop de rechtbank doelt, meer dan vijf jaar voorafgaand aan de dag van indiening van het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is ontstaan, te weten in 2001, en dat dit ook blijkt uit het vonnis van de rechtbank Maastricht van 10 augustus 2005.

3.5. Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.5.1. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden.

Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.5.2. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat een schuld op basis van een onherroepelijke veroordeling tot betaling van een civiele geldvordering, niet per definitie niet te goeder trouw is. Een dergelijke conclusie zou slechts in zeer uitzonderlijke gevallen getrokken kunnen worden, bijvoorbeeld indien kan worden vastgesteld dat sprake is van misbruik van procesrecht.

Gelet op het wettelijk criterium, zoals hiervoor weergegeven, dient op grond van de omstandigheden van het geval beoordeeld te worden of de schuldenaar op het tijdstip van het ontstaan van de schuld danwel later bij het onbetaald laten van uit die schuld voortvloeiende aflossingstermijnen te goeder trouw is geweest.

3.5.3. In het onderhavige geval heeft de rechtbank bij vonnis van 10 augustus 2005 vastgesteld dat [Y.] is geslaagd in de bewijslevering dat hij [appellante] in 2001 een lening heeft verstrekt ter hoogte van fl. 30.000,-- (€ 13.613,41) voor het openen van een café. Dat vonnis is op 30 oktober 2007 door dit hof bekrachtigd. [appellante] heeft daarin berust.

Daarmee stond op 30 oktober 2007 in rechte vast dat [appellante] sinds 2001 een schuld bij [Y.] heeft.

Van het aangaan van die schuld kan naar het oordeel van het hof niet worden geoordeeld dat [appellante] daarin niet te goeder trouw heeft gehandeld, nog daargelaten dat deze schuld is ontstaan voor de hier aan de orde zijnde vijfjaarstermijn.

Gelet op de stellingen van [Y.] in de betreffende procedure hadden hij en [appellante] ten tijde van het aangaan van deze schuld geen afspraken gemaakt omtrent de aflossing daarvan.

Ter beoordeling staat daarmee uitsluitend of [appellante] nadat het hof onherroepelijk had vastgesteld dat deze schuld bestond, ten aanzien van het onbetaald laten van deze schuld te goeder trouw is geweest, alsmede of zij ten aanzien van het onbetaald laten van de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling te goeder trouw is geweest.

3.5.4. Ten aanzien van het onbetaald laten van de proceskostenveroordeling, welke [appellante] aan de griffier dient de voldoen, wordt [appellante] geacht te goeder trouw te zijn geweest, aangezien zij deze volgens haar zeggen in afwachting van de toelating tot de schuldsaneringsregeling vooralsnog niet hoefde te voldoen.

3.5.5. Ten aanzien van het onbetaald laten van de schuld aan [Y.], welke vermeerderd met de wettelijke rente ten tijde van de aanvraag inmiddels € 16.795,08 bedroeg, overweegt het hof als volgt.

Nu [appellante] naar eigen zeggen in die gehele periode een WWB-uitkering ontving, is het hof van oordeel dat zij ook ten aanzien van het onbetaald laten van deze schuld te goeder trouw is geweest.

3.5.6. Op grond van het vorenstaande concludeert het hof dat de motivering van de rechtbank de beslissing om de aanvraag van [appellante] af te wijzen niet kan dragen. Voorzover de rechtbank heeft bedoeld te stellen dat [appellante] op oneigenlijke wijze gebruik wenst te maken van de WSNP kan het hof de rechtbank in die stelling wel volgen. Immers [appellante] verzoekt om toelating tot de regeling in een situatie waarin er slechts sprake is van één crediteur, te weten [Y.]. [Y.] stelde een vordering te hebben op [appellante] en heeft daarin in twee instanties gelijk gekregen. In het arrest van het hof heeft [appellante] berust zodat de veroordeling onherroepelijk is geworden. Zij houdt echter staande ten onrechte veroordeeld te zijn. Het verzoek van [appellante] tot toelating in de WSNP zou, bij een positieve beoordeling daarvan, tot gevolg hebben dat [appellante] alsnog niet behoeft over te gaan tot volledige voldoening van die veroordeling, hetgeen niet de bedoeling kan zijn. Het hof is daarmee evenals de rechtbank van oordeel dat [appellante] niet toegelaten kan worden tot de WSNP.

Voorts dient het hof hof de aanvraag te toetsen aan de overige toelatingsgronden.

3.5.7. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

Het hof is van oordeel dat het verzoek van [appellante] op deze grond moet stranden.

3.5.8. Van [appellante] mocht worden verwacht dat zij zich met ingang van 30 oktober 2007 tot het uiterste had ingespannen om aflossingen op de schuld aan [Y.] te plegen. Gebleken is echter dat [appellante] tot op heden op vrijwillige basis geen enkele betaling heeft verricht. Weliswaar lost [appellante] sinds januari 2008 met € 64,-- per maand af op deze schuld, maar dit geschiedt uit hoofde van een namens [Y.] gelegd beslag op de WWB-uitkering van [appellante], zodat het onvrijwillige betalingen betreft.

[appellante] heeft ter zitting van het hof verklaard dat zij van november 2007 tot februari 2008 (wederom) in de horeca heeft gewerkt, maar daaraan lag geen arbeidscontract ten grondslag.

Zij zou deze werkzaamheden hebben gestaakt omdat zij het werk in het café naar eigen zeggen wegens rugklachten niet kon volhouden.

Die verklaring valt naar het oordeel van het hof niet goed te rijmen met het feit dat [appellante], zoals blijkt uit een uittreksel KvK, op of omstreeks 3 maart 2008 een vennootschap onder firma is aangegaan met de heer [Z.] om een café in [vestigingsplaats] te beginnen. Vanuit de vof verrichtten zij voorbereidende werkzaamheden. Aangezien de samenwerking tussen [appellante] en [Z.] niet goed verliep, heeft [appellante] zich uit de vof teruggetrokken. Met ingang van 22 april 2008 is de vof ontbonden en als eenmanszaak voortgezet door [Z.]. Sinds het einde van de vof, in april 2008, heeft [appellante] naar eigen zeggen niet meer gewerkt en aldus geen inkomsten verworven, welke in mindering op haar schulden konden strekken.

3.5.9. Van enige inspanningen van [appellante] om anderszins betaalde arbeid te gaan verrichten is het hof niet gebleken, hoewel uit de stukken genoegzaam blijkt dat [appellante] wel in staat was en is om betaalde werkzaamheden te verrichten.

Uit de als productie 3 bij het beroepschrift overgelegde adviesrapportage, welke is opgesteld naar aanleiding van een sociaal medisch onderzoek dat [appellante] op 18 november 2008 heeft ondergaan, blijkt immers dat [appellante], rekening houdend met de door de bedrijfsarts bij dit onderzoek vastgestelde beperkingen, voortvloeiend uit klachten van de gewrichten, een longaandoening en een beperkte stresshantering, fulltime kan werken danwel een toeleidingstraject naar werk kan volgen.

[appellante] is op zoek naar werk, maar wordt daarin niet aangenomen omdat ze thans wordt gehinderd door haar psychische beperkingen, die eruit bestaan dat ze paniekaanvallen heeft, waardoor ze bijna niet de deur uit durft, aldus [appellante] ter zitting. Ter onderbouwing van haar stellingen heeft [appellante] een rapport van AIM B.V. van 3 juli 2009 overgelegd, waarin wordt vermeld dat [appellante] thans psychische klachten ervaart die restsymptomen lijken te zijn van ingrijpende gebeurtenissen in haar leven. Geadviseerd wordt de reïntegratie gedurende een aanbevolen lang therapeutische interventie niet te starten.

Het hof hecht aan deze rapportage niet de waarde die [appellante] daaraan toegekend wil zien.

De conclusies zijn in hoofdzaak gebaseerd op de anamnese van [appellante], terwijl hiermee niet wordt verklaard waarom [appellante] wel in staat was van november 2007 tot mei 2008 werkzaamheden te verrichten.

Zonder dat het hof iets wil afdoen aan de impact van diverse ingrijpende gebeurtenissen die [appellante] zijn overkomen – zij heeft in 2003 vijf weken in voorarrest gezeten op verdenking van moord, waarvan zij is vrijgesproken, maar waarvoor haar dochter is veroordeeld - kan het hof uit de overgelegde stukken slechts afleiden dat [appellante] in staat is met inachtneming van de bij haar vastgestelde beperkingen op lichamelijk en psychisch vlak fulltime werkzaamheden te verrichten. Het volgen van een langdurige therapeutische behandeling, waartoe [appellante] begin maart 2010 een eerste intake-gesprek heeft, hoeft daar niet aan in de weg te staan.

3.6. Het hof komt derhalve tot de conclusie dat [appellante] terecht, zij het niet op de juiste grond, de toegang tot de schuldsaneringsregeling is geweigerd.

3.7. Gezien het vorenstaande zal het vonnis waarvan beroep - onder verbetering van de gronden - worden bekrachtigd.

4. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep met verbetering van de gronden.

Dit arrest is gewezen door mrs. Everaars-Katerberg, Lamers en Philips en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2010.