Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2010:BL1530

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
01-02-2010
Zaaknummer
HD 200.028.847
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid eigenaar voor schade door joyriding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Verkeer 2010/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. CH

zaaknr. HD 200.028.847

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

sector civiel recht,

tweede kamer, van 19 januari 2010,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 18 maart 2009,

advocaat: mr. C.G. Matze,

tegen:

De naamloze vennootschap EUROPEESCHE VERZEKERING

MAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

advocaat: mr. R. Dijkema,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda gewezen vonnis van 7 januari 2009 tussen appellant - [appellant] - als gedaagde en geïntimeerde - De Europeesche - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 181154/HA ZA 07- 1707)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 30 januari 2008.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] zeven genummerde grieven en een niet genummerde grief aangevoerd, producties overgelegd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot ontzegging van de vordering aan De Europeesche en tot bepaling dat [appellant] gezien de omstandigheden van het geval niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de door zijn zoon veroorzaakte schade, met veroordeling van De Europeesche in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft De Europeesche de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben vervolgens hun zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. Matze en De Europeesche door mr. Dijkema. Zij hebben hierbij geen pleitnota's overgelegd.

2.4. Partijen hebben daarna uitspraak gevraagd. Zij hebben daarbij niet meer apart de gedingstukken overgelegd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. In r.o. 3.1. heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, welke niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt.

4.2. Het gaat, zeer kort samengevat, in dit hoger beroep om het volgende.

4.2.1. Eind februari 2005 heeft [appellant] een autoverzekeringsovereenkomst gesloten met De Europeesche, welke inging op 28 februari 2005. [appellant] heeft aan De Europeesche geen premiebetalingen gedaan.

4.2.2. Op 31 maart 2005 heeft een aanrijding plaatsgevonden waarbij betrokken waren een aan [appellant] toebehorende personenauto en een geparkeerde, aan [bedrijf 1] toebehorende, bestelauto.

4.2.3. De Europeesche heeft als WAM verzekeraar aan [bedrijf 1] en de door haar ingeschakelde rechtsbijstandverzekeraar de schade ter hoogte van (in totaal) € 4.560,54 betaald en zij vordert het betaalde thans terug van [appellant].

4.2.4. [appellant] heeft hiertegen aangevoerd dat niet hij, maar zijn zoon - die de auto ongevraagd en zonder zijn toestemming had meegenomen - de bestuurder van de auto was en hij dus niet gehouden is de schade aan De Europeesche te vergoeden.

4.2.5. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die, indien bewezen, tot het oordeel leiden dat [appellant] zijn zoon niet heeft doen of laten rijden in de zin van art. 185 WVW en heeft het bewijsaanbod van [appellant] als onvoldoende onderbouwd gepasseerd. Zij heeft [appellant] als eigenaar van de auto aansprakelijk geoordeeld voor de schade "die door zijn zoon" is veroorzaakt en hem veroordeeld tot betaling van het door De Europeesche gevorderde, inclusief de niet weersproken wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten.

4.3. De rechtbank is er bij haar beoordeling vanuit gegaan dat de zoon van [appellant] met de auto had gereden. Dit feit staat, nu hier geen grief tegen is aangevoerd en behoudens de eventuele positieve zijde van de devolutieve werking, in hoger beroep vast. [appellant] heeft derhalve bij zijn vierde grief geen belang.

4.4.1. Het hof zal de overige grieven gezamenlijk behandelen.

Voorop wordt gesteld dat [appellant], als eigenaar van de betrokken auto, krachtens art. 185 lid 2 WvW ook aansprakelijk is voor daarmee veroorzaakte schade als hij de auto door een ander doet of laat rijden. Daar doet niet aan af dat die ander, de feitelijke bestuurder, een meerderjarig persoon is die voor zijn eigen daden verantwoordelijk gesteld kan worden, zoals [appellant] stelt. Het gaat hier om een kwalitatieve aansprakelijkheid als eigenaar van een auto jegens de benadeelde c.q. jegens de WAM-verzekeraar die de benadeelde schadeloos heeft gesteld.

4.4.2. Van laten rijden in de zin van art. 185 lid 2 WvW is niet alleen sprake als de eigenaar van de auto er mee instemt dat die ander rijdt, maar ook als hij door zijn zorgeloosheid de ander de gelegenheid tot rijden heeft verschaft. Wanneer de eigenaar, zoals [appellant] stelt te hebben gedaan, zijn auto heeft afgesloten en die sleutels elders heeft bewaard, is de vraag of er al dan niet sprake is van zorgeloosheid mede afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de bereikbaarheid van die sleutels voor anderen en de relatie waarin deze anderen tot de eigenaar staan.

4.4.3. Het ligt op de weg van de eigenaar van de auto te stellen en in geval van gemotiveerde betwisting te bewijzen, dat hij voldoende voorzorgsmaatregelen heeft genomen.

4.5.1. [appellant] heeft over zijn relatie met de bestuurder gemeld dat deze zijn zoon is. Door De Europeesche is dit, ook in hoger beroep, niet betwist, ondanks het feit dat [appellant] in de conclusie van dupliek verklaart dat "de zoon van [appellant] immers de zelfde achternaam [draagt]", terwijl hij anderszins in de memorie van grieven aangeeft dat de bestuurder [persoon 1] heet en uit het door [appellant] overgelegde rapport blijkt dat [persoon 1] zijn eigen biologische vader nooit gekend heeft.

Het hof zal er derhalve in hoger beroep van uit gaan dat de bestuurder, [persoon 1], de zoon van [appellant] is.

4.5.2. Uit de stukken blijkt dat [persoon 1] en [appellant] in dezelfde woning verblijven. [appellant] heeft in de memorie van grieven gesteld dat hij zijn autosleutels "altijd" in een jaszak bewaart, op een plek waar [persoon 1] er niet bij kan. Desgevraagd heeft de advocaat van [appellant] ten pleidooie echter verklaard niet te weten waar en in de zak van welk kledingstuk [appellant] in het onderhavige geval de sleutels had bewaard. Nu [persoon 1] hierover toch de beschikking heeft kunnen krijgen laat het hof de stelling van [appellant] dat hij de sleutels "altijd" veilig bewaart voor zijn rekening.

[appellant] heeft ook geen verklaring verschaft over de vraag hoe [persoon 1] de sleutels in zijn macht had gekregen.

4.5.3. [appellant] heeft voorts gesteld dat [persoon 1] geen rijbewijs heeft, zodat hij geen rekening hoefde te houden met het feit dat [persoon 1] de sleutels van de auto zou stelen. Deze stelling stuit reeds af op hetgeen staat verwoord in het door [appellant] zelf overgelegde psychologische rapport van [persoon 1] (dat dateert van vóór de onderhavige aanrijding), nu hierin staat beschreven dat [persoon 1] met geleende auto's ging rijden terwijl hij niet over een rijbewijs beschikte. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] toentertijd niet wist en evenmin niet behoorde te weten dat [persoon 1], met wie hij naar eigen stellingen een woning deelde, met andermans auto's reed.

4.5.4. Het vorenstaande brengt het hof tot het oordeel dat [appellant] onvoldoende heeft gesteld dat hij, in de omstandigheden van het geval, voldoende voorzorgsmaatregelen had genomen om te voorkomen dat de sleutels van zijn auto in de macht van zijn zoon geraakten.

4.5.5. In zoverre faalt eveneens het beroep van [appellant] op overmacht ter zake het wegnemen van de sleutels door [persoon 1]. Voor zover [appellant] heeft bedoeld een beroep te doen op overmacht, als bedoeld in art. 185 WvW lid 1 jo lid 2, verwerpt het hof dat beroep nu [appellant] geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die tot de gevolgtrekking leiden dat aan [persoon 1] rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt ter zake van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen voor zover van belang voor de veroorzaking van het ongeval.

De grieven I,II, III, V, VI en VII falen derhalve eveneens.

4.6.1. In de toelichting bij grief VII, welke grief handelt over de bewijslastverdeling, ontwaart het hof nog een extra grief. Deze toelichting luidt, voor zover van belang:

" Nu vastgesteld is in rechtsoverweging 3.4. (laatste alinea) dat de schade is veroorzaakt door de zoon en dat op het moment van de aanrijding, de auto verzekerd was, had het op de weg van De Europeesche gelegen om aan de eigenaar van de auto mede te delen, dat bij niet betaling van de factuur, de verzekering met terugwerkende kracht zou worden opgezegd. De reden van het niet betalen van de factuur, was immers (onderstreping hof) gelegen in het feit, dat na de aanrijding de auto verkocht is. De eigenaar heeft De Europeesche van zijn overwegingen inzake de aansprakelijkheid vooraf op de hoogte gesteld. (..) De Europeesche heeft niet aangegeven toch de eigenaar aansprakelijk te stellen. Appellant ging er dus van uit, dat er een stilzwijgende afspraak bestond, dat de Europeesche de schade zou verhalen op de bestuurder".

4.6.2. Omdat [appellant] geen premie had betaald is na drie maanden de verzekeringsdekking met terugwerkende kracht vervallen, aldus De Europeesche, en is de verzekering beëindigd.

[appellant] betwist niet dat de verzekeringsovereenkomst is beëindigd, maar stelt kennelijk dat dit is gebeurd omdat hij de auto na het ongeval had doorverkocht en geleverd aan een derde.

4.6.3. Het hof stelt voorop dat de validiteit van de argumentatie van het niet betalen van de premie (i.c. omdat de auto lopende de verzekeringsperiode was doorverkocht) in deze niet ter zake doet. [appellant] ontkent ook niet dat hij geen premie heeft betaald, doch hij stelt enerzijds, zo begrijpt het hof de grief, dat De Europeesche hem nog in de gelegenheid had moeten stellen alsnog de premie te voldoen, althans dat zij hem had moeten informeren over de consequenties van het niet betalen van de premie, dan wel dat zij hem had moeten berichten dat zij alsnog de schade op hem zou gaan verhalen.

4.6.4. Anderzijds stelt [appellant] echter, zo lijkt uit het door het hof onderstreepte woord "immers" voort te vloeien, dat er geen verzekeringspremie behoeft te worden betaald (ook voor reeds verstreken termijnen) als een auto lopende de verzekering wordt doorverkocht.

4.6.5. Met een dergelijke innerlijk tegenstrijdige stellingname voldoet de grief niet aan de daaraan te stellen eisen. Reeds hierom faalt de grief.

Los daarvan heeft te gelden dat een afstand van recht door De Europeesche (waarop het eerste deel van de toelichting kennelijk ziet) een uitdrukkelijke rechtshandeling vereist of een houding waaruit een en ander ondubbelzinnig af te leiden zou zijn. Dat daarvan sprake is, is gesteld noch gebleken.

4.6.6. Het beroepen vonnis zal worden bekrachtigd en [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Het hof ziet gezien de omstandigheden van het geval en met name de wijze waarop door partijen aan het pleidooi voor het hof invulling is gegeven aanleiding voor het pleidooi één punt salaris te liquideren.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het beroepen vonnis;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van De Europeesche begroot op € 419,-- aan

verschotten en € 1264,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. Fikkers, Venhuizen en Groenewald en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 19 januari 2010.